PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Advent 2011 (B)


1e zondag van de advent: Jes.63,16b-19b.64,3b-8; Mc 13,33-37
27 november 2011, Henk Jongerius OP

In de laatste zondagsvieringen hebben we vernomen hoe belangrijk het is om waakzaam te leven. De laatste zondagen van het kerkelijk jaar herinneren ons aan het einde van de tijd. Eens hoeven we niet meer op de klok te kijken. De tijd is dan voorbij en het tijdloze, maar ook het onbegrepene is aangebroken. Wat moeten wij mensen zonder tijd? Wat moeten wij zonder geschiedenis? Wat moeten wij zonder eerder en later, toen en nu, verleden, heden en toekomst? Dat is onvoorstelbaar. En wat moeten we aan met onze wereld? Onze generatie zal het einde van de aardbol misschien niet meemaken, maar onze kennis van het heelal is inmiddels zo ver geëvolueerd dat we weten dat onze aarde maar één van de ontelbare planeten is die door de kosmos vliegen. En eens zal zoals ieder hemellichaam ook onze aarde vergaan. Is het zo vreemd dat er mensen zijn die zeggen: na ons de zondvloed? Of anderen die beweren: dood is dood? Wie geen waarde hecht of hechten kan aan het vertrouwen in een God, die mensen nabij is en bekommerd om hun welzijn, heeft weinig houvast aan het onderricht van Jezus Christus, die spreekt van eeuwig leven, een koninkrijk van God, een altijddurend bruiloftsmaal. Maar hoe zit het dan met allen, die wel op God vertrouwen? Hoelang zwoegen en ploeteren wij al niet voort op de moeizame weg die de Schriften ons wijzen? Hoe is het gesteld met ons vertrouwen, onze volharding, onze goede moed? Er is weer een kerkelijk jaar voorbij. Zo juist hebben we één kaars ontstoken, zegge en schrijve één kaars. Alsof we terug zijn bij af. We beginnen opnieuw, alsof het nog nooit Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Hemelvaart of Allerheiligen is geweest. We doen hetzelfde als de Joden van oudsher doen. Als er een nieuw liturgisch jaar begint slaan ze de Schriften open en beginnen het boek Genesis te lezen: in het begin schept God de hemel en de aarde. En ze lezen heel de Tora tot aan het einde van het boek Deuteronomium. Voor Mozes sterft ziet hij vanaf de berg Nebo hoe zijn volk de Jordaan oversteekt en binnengaat in het beloofde land. En als hij is gestorven is het jaar voorbij en beginnen ze weer met ‘in het begin schept God de hemel en de aarde’. Zo doen wij ook. We vierden Christus Koning, die vanaf de rechterhand van God de plaatsen open houdt voor hen, die het koninkrijk van God trachten binnen te gaan. Dan is er weer een jaar voorbij en is het donker. We wachten op de komst van de Christus, alsof het nog nooit Kerstmis was. Één kaarsje.
We zijn er nooit! En je vraagt je af: komt er nog iets van? En weer horen we Jezus zeggen: weest waakzaam. Maar ik vertaal liever: wordt wakker!
Wordt eindelijk eens wakker. Waarom laat je weer gedachteloos een jaar voorbijgaan? Als je zegt: weest waakzaam, kan dat klinken als “blijft waakzaam”. Maar waren we dan waakzaam in het jaar dat achter ons ligt? Waren we dat echt? Was het niet eerder wat aandoezelen, aansuffen, alles bij het oude laten en hier en daar wat verplaatsen om even van het gezeur af te zijn? De wanorde en de chaos zijn er nog altijd. En wie durft te beweren dat ze minder erg zijn dan een jaar eerder? Soms lijkt het tegendeel het geval. Een wereldwijde crisis en een uiterst smal perspectief. Neen, Jezus zegt niet ‘weest waakzaam’ maar ‘wordt wakker’! ‘Het gaat niet goed met de kerk’ zeggen we. Dat doen we al een hele tijd. Het gaat dus steeds slechter. De kerk is verdeeld. De kerk is het volk van God, de gemeente, de broeders en zusters die zijn samen geroepen. Is dat theorie of werkelijkheid? Het ziet ernaar uit dat het veel theorie en weinig werkelijkheid is. We zeggen dat we ons tot God willen keren, bekeren. Maar je tot God bekeren 

stelt niets voor als we ons niet tot elkaar keren, bekeren. En dat laatste lukt ons maar niet. Woorden te over, riten en gebeden genoeg, maar daden des te minder. Het is niet ‘jij dwaalt’ of ‘ik dwaal’ maar het is ‘wij dwalen’. Wij zijn als volk van God de weg kwijt en we zijn zo wanhopig dat we alleen nog de ander de schuld kunnen geven. Daarom moeten we terug naar de woorden van de eerste lezing. Daar hebben het óók gehoord. Luister nog maar eens:
“Waarom laat ge ons dwalen, o ENE, weg van uw wegen, verstokt ge ons hart, weg van uw vreze? Keer terug, omwille van wie u dienen, de stammen van uw eigendom!
Waarom mochten boosdoeners uw heiligheid kleineren, onze verdrukkers uw heiligdom vertrappen? Wij zijn zo geworden alsof U nooit over ons hebt geheerst, over wie uw naam nooit is uitgeroepen”.
Is deze klacht niet onze klacht? En moeten ook deze woorden van Jesaja niet de onze zijn als hij namens ons allen uitroept: “we zijn als een besmette, wij allen, als een gewaad door maandstonden bezoedeld al onze gerechtigheden; als een afgevallen blad verwelken wij allen, onze ongerechtigheden dragen ons weg als de wind. Geen die uw naam aanroept, die wakker wordt om zich vast te grijpen aan u; want verborgen hebt ge uw aanschijn voor ons, ge laat ons wegkwijnen in de greep van ons onrecht. Toch, ENE: zijt Gij onze Vader, wij zijn het leem, gij onze formeerder, maaksel van uw hand zijn wij allen”.
Wat me treft in deze klacht van Jesaja is dat in zijn woorden heel het godsvolk zich uitspreekt. Er wordt nergens gesproken van priesters, geleerden, voorgangers en profeten aan de ene kant en van het volk aan de andere kant. Als het over bekering gaat is er geen hoger of lager, geen meer of minder. Ik kan me niet herinneren wanneer heel de kerk op de knieën is gegaan, al zijn er van hogerhand dagen en tijden van boete voorgeschreven. Of heb ik zitten slapen? In dit verband moet ik denken aan een droom, die ik eens had, en ik wil die graag aan u vertellen.
In mijn droom kon ik vliegen. Ik heb daar soms last van. Eens vloog ik in habijt en zwarte mantel over het sint Pietersplein in Rome. Het plein stond propvol mensen, maar ook alle straten rond het plein waren volgestroomd. Allen droegen donkere kleding. Het was doodstil. Zo’n stilte als alleen in dromen voorkomt. Ik vloog naar de gevel van de Pieterskerk, naar het balkon. Maar dat was leeg. ‘Waar is de paus?’ dacht ik. Ik zag hem daar niet. Maar er waren ook geen andere hoog- waardigheidsbekleders te bespeuren. Toen vloog ik langs de trappen van de kerk en het voorplein. Geen rijen van rode en paarse mannen. Geen liturgische gewaden. Waar waren ze? Ik ging lager vliegen. Toen zag ik in mijn droom dat ze links en rechts tussen de mensen stonden, verstrooid tussen het volk, één met hen allen. En na nog een rondje vliegen zag ik ook de paus. Ook hij was gekleed als alle anderen en hij bevond zich in een zijstraat. Wij allen stonden daar. En terwijl ik ineens omlaag viel en tussen het donker geklede volk terecht kwam, hoorde ik eerst murmelend, maar geleidelijk aan steeds duidelijker deze woorden opklinken:
“Niemand die uw naam aanroept, die wakker wordt om zich vast te grijpen aan u; want verborgen hebt ge uw aanschijn voor ons, ge laat ons wegkwijnen in de greep van ons onrecht. Toch, ENE: onze Vader zijt gij, wij zijn het leem, Gij onze formeerder, maaksel van uw hand zijn wij allen”. Toen werd ik wakker!
En nu maar hopen dat deze droom geen bedrog is!

2e zondag van de advent: Jesaja 40, 1-11; Marcus 1, 1-8
4 december 2011, Theo Koster OP

Als het Joodse volk destijds in Egypte gewacht had tot de Rode Zee zich gesplitst had, zodat ze veilig de slavernij en ellende konden ontvluchten, dan was de uittocht nooit begonnen, en hadden wij hier niet gezeten om het woord van God te horen; dan was er geen woord, geen bijbel geweest. Er is een sterk verband tussen het volk daar in Egypte, de eerste lezing uit Jesaja, het evangelie en onze huidige tijd.
Vreselijk was het daar in Egypte, de uitbuiting, de tirannie, niet om uit te houden. Het dreef het volk letterlijk de Rode Zee, de chaos in. De een ging wellicht in de hoop aan de overkant een land te vinden waarin wel te leven was; de ander werd uit wanhoop de zee ingedreven. Ze kwamen die zee van moeilijkheden door en ervoeren aan den lijve: dit deden we niet op eigen kracht; we werden geholpen. In de verhalen over de uittocht in de bijbel horen we deze oerervaring terug in beelden als: Gods arm die hen droeg, Gods hand die hen leidde.
Diezelfde beelden van arm en hand gebruikt Jesaja in de eerste lezing. Vreselijk is ook daar de situatie van het volk. Verdreven van huis en haard, kwijnen zij weg, in den vreemde, in vijandig gebied. De God die zij ervaren hadden op hun tocht door de zee was nog niet volledig uit hun leven verdwenen. Jesaja is zijn woordvoerder. Hij praat niet met het volk mee, in de zin van: wat hebben we het toch moeilijk, maar over troost, moed, goed nieuws. Hij benadrukt niet de crisis maar heeft het over een weg banen. Niet God zal de moeilijkheden weghalen die het volk ervaart. Zelf moeten zij in de benen komen, de Rode Zee in, dit keer uitgedrukt als een weg door de woestijn, waarin dalen gevuld, bergen geslecht moeten worden. Onderweg zullen zij merken, dat God hen tegemoet komt, terwijl aan hun ballingschap een eind komt: een veilig thuis komt weer in zicht. Net als toen bij de Rode Zee zullen zij gaandeweg ervaren dat ze gedragen en geleid worden.
Vreselijk was ook de situatie in de tijd waarin Marcus zijn pen opneemt en schrijft: “Begin van de blijde boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.” Het land is bezet, dit keer door de Romeinen. God was niet verdwenen maar opgeslagen in honderden ge- en verboden, en schriftgeleerden en farizeeën lieten je voortdurend zien en voelen, hoe goddeloos jij leefde. De kritieke situatie is voelbaar, maar de nadruk ligt ook hier op hoop, op een weg die gebaand moet worden, waarlangs God hen tegemoet zal komen. Niet alleen de eerste lezing horen we terug en de godservaring tijdens de uittocht. We horen ook flarden uit de psalmen en het boek Koningen. Het hele Oude of eerste Testament komt terug, is het verband, waarbinnen iets totaal nieuws gebeurt. Het belang van dit nieuws voor ons nu wordt helder, als ik onze situatie eerst heb geschetst.
Ook onze situatie is vreselijk. Wij leven onder druk, zijn bezet; de occupy- beweging wereldwijd stelt dit o.a. aan de kaak. Wij leven niet in Egypte,

toch ervaren velen van ons slavernij. Wij zijn niet in ballingschap, en toch voelen velen van ons zich van zichzelf vervreemd, niet thuis in eigen huis. Het vreselijke van onze situatie zit niet in de schuldencrisis, de eurocrisis, de crisis binnen Ajax, zoals de journaals en kranten ons doen geloven. Onze vreselijke situatie hoorde ik van de week verwoord door een groep studenten, toen ik bij hen de druk aanstipte waaronder ik velen van hen gebukt meende te zien gaan. Ik ben kei trots als het me lukt te voldoen aan alles wat van mij verwacht wordt, reageerde er een, maar gelukkig voel ik me niet. Waarop een ander zei: veel waardering krijg ik omdat ik het goed doe, maar gelukkig maakt me dit niet. Voortdurend dreigt de paniek toe te slaan van: red ik het wel, zei een derde. Er blijft geen tijd meer over om te leven, een vierde waarop een vijfde aanvulde: als ik even niets doe voel ik mij schuldig.
Studenten zijn, zoals velen in onze samenleving, voortdurend op weg naar een doel, dat zij niet bereiken. De druk, ook wel stress genoemd, is groot; overal zie je om je heen, voel je in jezelf de haast, is er het gevoel: red ik het, haal ik het wel. We zijn onderweg, en velen zijn niet gelukkig. De weg speelt in ons leven een even belangrijke rol als in de lezingen vandaag.
Maar er is een belangrijk verschil. Waar bij ons de nadruk ligt op het einddoel, op morgen, het hiernamaals zo u wilt, legt Marcus alle nadruk op het onderweg zijn. Waar het om gaat is onderweg, komt naar ons toe, sterker nog: is al onder ons aanwezig. Het goede nieuws van degene die na Johannes komt, Jezus, is: de tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Wat werkelijk de moeite waard is, God, die ik door enkele studenten van de week aangeduid hoorde met ‘gelukkig zijn’, is net als wij onderweg, en zal onderweg gevonden worden. Het verbaast me dan ook niet dat Jezus zich later ‘de weg’ noemt, de eerste christenen aanvankelijk aangeduid werden als ‘mensen van de weg’.
Het totaal nieuwe dat we vandaag bij Marcus horen is, dat in Jezus ons onderweg zijn naar God en Gods bewegen naar ons bij elkaar komen: Jezus Christus, de Zoon van God. Durven wij daarop te vertrouwen?
Ons samenzijn hier, met als hoogtepunt het breken en delen, waarin Jezus als de Christus voelbaar wordt, kan ons vertrouwen wakker houden. Maar minstens zo belangrijk is het leven van alledag. Wij zijn mensen van wie sommigen volop onderweg zijn. Staar je niet blind op het einddoel, hoor ik Marcus hen zeggen, maar kijk om je heen; dan ontgaan je onderweg de momenten niet die genoten willen worden. En kun je nauwelijks meer lopen, loopt je leven ten einde, tegen hen hoor ik Jesaja zeggen: “Wat zal ik roepen?” Zeg het tegen God, tegen jezelf en de momenten waarin je Gods aanwezigheid ervaren hebt zullen je te binnen schieten; laat de generaties na jou van jouw verhalen genieten.

3e zondag van de advent: Jesaja 61,1-11; Johannes 1, 6-8+19-28
11 december 2011, Henk Jongerius OP

Het is een wonderlijk gesprek dat daar plaats vindt aan de overzijde van de Jordaan! Tot driemaal toe zegt Johannes wie hij niet is! Hij geeft daarmee te kennen dat het niet om zijn persoon gaat maar om het licht waarvan hij kwam getuigen. Hij noemt zichzelf een 'stem' en dat brengt ons terug bij het begin van de Bijbel waar het evangelie van Johannes naar verwijst als wij lezen: Sinds het begin is er het spreken, ja God zelf is dat spreken.
Als je dat met eigen woorden zou moeten zeggen, dan betekent het dat het eerste woord aan God is, die zichzelf uitspreekt en aan mensen te kennen geeft. God zoekt ons mensen tot op vandaag!
Als Johannes zich 'een stem' noemt dan verwijst hij naar dat spreken van de Eeuwige waarvan hij de getuige is! Hij roept opnieuw wakker wat er over God is gezegd door profeten. Zij hebben door de eeuwen heen gesproken over Gods trouw aan mensen, over zijn beloftevolle Naam die altijd weer licht ontstoken heeft waar duisternis en chaos was. De God die sprak 'er zij licht' heeft in mensen vanouds de verwachting gewekt van een nieuwe aarde waar gerechtigheid heerst, waar geslagen harten troost vinden en er bevrijding komt voor allen die vastgeketend zijn.
Ook de plaats waar de Voorloper over zichzelf getuigt is van belang. Die plaats roept de herinnering op aan de grote bevrijding die het volk onder Mozes heeft beleefd, toen zij uit de onderdrukking van farao weg zijn getrokken en de vrijheid van een nieuw land tegemoet zijn gegaan.
Wanneer de Eeuwige mensen roept is dat om hen tot bevrijde mensen te maken die leven in het licht en getekend worden door gerechtigheid. De woorden die 

Jezus tot ons zal spreken zullen ons doordringen van zijn gezindheid en dopen in zijn Geest.
Wanneer Johannes tenslotte zegt dat 'midden onder u Hij staat die gij niet kent', dan roept hij zijn toehoorders van toen en ook ons nu op omopnieuw te gaan horen naar die stem, de roepstem van God die ons tot een nieuw leven uitnodigt.
Hij zegt het op een plaats die Bethanië heet en dat betekent het  huis van de arme', want juist in arme en niet door ons geachte mensen - daar waar wij het niet verwachten - , wordt die stem gehoord. In die stem klinkt mee het oeroude visioen van een goede aarde voor mensen van Gods welbehagen.
Laten wij ‘arm van geest’ worden en ons openen voor die stem, voor de aloude verhalen die vertellen van Gods omgang met de mensen!
Laten wij opnieuw opengaan voor de woorden van de rabbi uit Nazareth aan wie wij mogen horen en zien hoe de mens naar Gods hart er uitziet. Wij zullen er mensen door worden die licht verspreiden en anderen een plaats geven onder de zon. Wij zullen woorden tot elkaar spreken die de gevangenissen, het isolement en de eenzaamheid waarin mensen terecht zijn gekomen, weer openen. En waar ogen weer open gaan, verlamden weer kunnen lopen en mensen herders worden voor elkaar, zullen wij diepe vreugde in ons dragen omdat wij in vrijheid leven met en voor elkaar en zo langzaam maar zeker de nieuwe aarde gestalte zien krijgen! Zo mogen wij weten dat de onzichtbare God midden onder ons woont als een kracht tot liefde, als een troost voor allen die treuren, als een bron van vreugde en dankbaarheid voor alles wat wij om niet ontvangen hebben! God moge ons allen die blijdschap geven.

4e zondag van de advent: 2 Samuel 7,1-16; Lucas 26-38
18 december 2011, Antoon Boks OP

Vijfhonderd jaar geleden had Antonio de Montesinos,een van de vier Dominicanen in de stad van Dominicus op Hispaniola een vraag voor de mensen in de kerk. Hij had gestudeerd in Salamanca waar hun docenten hun hadden geleerd dat alle mensen als kinderen van God rechten hadden en hij vroeg: “Zijn die inboorlingen dan soms geen mensen?” De meesten van hun toehoorders geloofden dat niet.
Wij gaan vandaag nog verder terug in de tijd:Tweeduizend jaar geleden kwam de engel Gabriel met een boodschap voor Maria, nadat hij al eerder aan Zacharia en zijn vrouw Elisabeth de geboorte van Johannes de Doper, de voorloper van Jezus, had aangekondigd. Maria kreeg te horen, dat ze de moeder van de Messias, van Jezus zou worden. Had zij of iemand anders in die tijd meteen kunnen aannemen dat dit een blijde boodschap was? Wij weten dat nu na meer dan 2000 jaar heel zeker.
Iedere keer dat ik in de Bijbel lees, merk ik dat er vaak een andere afloop is dan wat eerst verondersteld werd. De teksten geven een beschrijving van wat wij nodig hebben. Ze vertellen dat God in ons leven binnen stapt om te doen wat wij alleen niet kunnen. De eerste lezing van vandaag laat dat duidelijk zien.
Gedurende de tijd dat de Israëlieten door de woestijn trokken reisde de ark met hen mee en stond in een tent. Ark en tent waren teken van de aanwezigheid van God, want waar mensen ook gingen, daar was hun God. De bescheiden tent onder arme nomaden was de plaats waar God en mensen elkaar konden ontmoeten en was een teken van de aanwezigheid en de bescherming van God. Is dat niet een prachtig beeld voor Jezus, die als Gods Zoon onder ons tegenwoordig is en met ons mee reist.
Koning David had voor zichzelf een aardig paleis gebouwd en nu speelt zijn geweten hem parten. Hij maakt daarom plannen om een tempel voor God te bouwen, maar God heeft zijn eigen plan. David heeft bloed aan zijn handen en daarom zal zijn zoon Salomo als mens van vrede die tempel bouwen. Bovendien: de tempel die God wil is niet gemaakt van steen en hout. Er zal een duurzaam koninkrijk komen voor Salomo en zijn nakomelingen.
Zo laat ook de lezing van vandaag zien hoe God zijn plan gaat vervullen: Hij zorgt voor een nieuwe tempel waarin Hij bij de mensen wil blijven waar ze ook zijn.
Het belangrijkste wat we vandaag bij het bezoek van Gabriel hoorden is het geloof van Maria en wat God in haar leven zal doen - zij is vol van genade. Het verhaal, zoals veel Bijbelse verhalen begint met de liefde van God, bij Hem is het initiatief. Dan begint een gesprek. God houdt van Maria en zij antwoordt in  vertrouwen. Zij vreest niet. God vraagt om haar geloof. Haar “ja” geeft God de kans aan het werk 

te gaan. Met nadruk wordt het werk van de Heilige Geest aangekondigd. Zo bouwt God een nieuwe en duurzame tempel voor alle mensen. Een van mijn favoriete verzen van de Bijbel staat in dit verhaal: bij God is niets onmogelijk. Jezus’ woorden maken duidelijk wat het betekent om een leerling van Hem te zijn. Het impliceert voor Jezus het opnemen van zijn kruis en voor zijn leerlingen om Hem na te volgen door te houden van alle mensen en hen te dienen. Dat is voor ons niet altijd mogelijk.
Vandaag horen we Maria na de woorden van Gabriel antwoorden: moge mij geschieden volgens uw woord. Wij mogen ook ja zeggen tegen God en geloven wat Gabriel ons vandaag vertelt, want bij God is niets onmogelijk.
Maria spreekt in dit verhaal. Haar geloof is sterk, maar zij wil wel weten hoe de woorden van Gabriel werkelijkheid zullen worden. De Geest van God maakt ons geen passieve ontvangers van Gods genade en God vraagt ons niet tot zwijgen in Zijn dienst. Het antwoord van Gabriel op de vraag van Maria is geen verklaring aan haar over hoe alles zal verlopen, hoe de zwangerschap zal plaatsvinden. Gabriel nodigt haar uit om te vertrouwen op de heilige Geest. Maria weet niet hoe de woorden van de engel werkelijkheid zullen worden, maar ze stemt in geloof toe. God heeft daardoor de kans om te werken.
Over één week vieren we weer Kerstmis. Het verhaal van Lukas over de komende geboorte van Jezus is vol van eerbied en vrede - hoewel de vragen blijven.
In ieder Bijbels verhaal ontdekken we Gods genade. Die geeft ons wat wij als mensen niet kunnen bereiken. Het verhaal van de Aankondiging nodigt ons uit om met Gods genade mee te werken, want bij God is niets onmogelijk.
Laat ik daarom tot slot deze vraag stellen: wat vinden we in ons leven onmogelijk om te doen? Geven wij Gods genade een kans en durven we ons over te geven aan God? Lukas zal in zijn versie van de Blijde Boodschap blijven vertellen van God die door de woorden en daden van Christus steeds weer werkelijkheid wordt. Wanneer het verhaal schijnt te eindigen bij het graf en alles op een mislukking lijkt uit te lopen, zal God opnieuw spreken en zal Jezus uit de doden opstaan. Het verhaal dat wij vandaag horen staat in het begin van het Evangelie volgens Lukas en het zal later werkelijkheid worden voor de leerlingen, als de Heilige Geest die leven geeft ook hen overschaduwt.
Bij ons doopsel en vormsel is ook op ons de Geest neergedaald en nu zoeken wij manieren om die actief te laten zijn in ons leven. Hopelijk zullen ook wij wanneer wij hindernissen en ontmoedigingen tegenkomen in ons leven de woorden van het evangelie van vandaag horen: voor God is niets onmogelijk. Amen.

Nachtmis 2011: Jesaja 9,1-6; Luvas 2,1-14
24 december 2011, Paul Minke OP

Toen ik als pastor werkzaam was in Eindhoven, in de jaren tachtig, ging ik menigmaal voor een kerststallentocht naar Noord-België, naar het Vlaamse land, waar nagenoeg ieder dorp of stad een kerststal had op de markt of kerkplein, levensgroot en vaak ook levensecht. Soms eenvoudig met beelden, staaltjes van mooie volkskunst, soms ook overweldigend met levende beelden van mensen en dieren. En altijd waren er drommen kinderen, kwetterend en vragend, en ouders die op hun manier het kerstverhaal aan hen vertelden. Het was ontroerend hen bezig te horen in het sappige Vlaams en die stralende ogen te zien, hun wijzende vingers en soms, hun stilte. Hier wordt de wereld met al zijn laagheid en kwaad buitengesloten. Al wat ik hier zag, hoorde, al wat ik hier met groot en klein intens beleefde riep weer in mij wakker een diep verlangen, dat we allen hebben, naar een wereld die vreedzaam en goed zou moeten zijn, waar we geborgen en veilig zijn, naar een wereld van rust en ontferming, van licht en liefde. Welnu, het kerstverhaal boodschapt ons: Laat dat verlangen er zijn, geef die verwachting niet op, dat het ervan komen zal. God is met ons.
Het zou jammer zijn als u het kerstverhaal alleen maar zou verstaan als een gebeurtenis uit een ver verleden. U doet uzelf dan veel tekort. De suggestie wordt wellicht gewekt wanneer Lucas het verhaal begint met: "In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus…" maar daarmee heeft Lucas willen aangeven, dat Jezus, Gods veelgeliefde, niet bedacht is maar even werkelijk is als u en ik het zijn en dat hij deel uitmaakt van de wereldgeschiedenis: in hem zijn hemel en aarde voorgoed verbonden. Met wat Lucas zo schilderachtig beschrijft, daarmee wil hij in beeld brengen de openbaring van Gods menslievendheid in de persoon van Jezus Christus. Wie is menslievend? Dat is diegene, die zijn hart opent voor ieder ander, oor en oog heeft voor de ander wie hij/zij ook is, tot de meest weerloze mens. Menslievend is diegene, die zichzelf kwetsbaar maakt en er voor jou is. Hoe kwetsbaar was hij, Jezus. Voor hem was geen plaats in de herberg. Hij werd geboren in de nacht. Hij werd gelegd in een voederbak. En wie is die 'jou' voor wie de menslievende er is? Voor Jezus bent u dat en ik.
Wie is de mens, naar wie zijn liefde uitgaat? Laat ik het anders vragen. Hoe ziet u uzelf alle dagen van het jaar? Hoe zou u uzelf beschrijven? Een mens, vaak druk, soms nutteloos, soms leeg, soms moe en moedeloos, soms blij en gelukkig, soms onbegrepen en overbodig, soms heel alleen? Een mens met een verbrokkeld leven, met een gevoel geleefd te worden? Heeft kerstmis, de geboorte van Jezus, in dat geval een boodschap voor u? Hoor, wat Jesaja profeteert voor het volk dat lijdt onder de onderdrukking. Hoor, wat hij profeteert voor u, die vaak ook onder zorgen gebukt gaat: Het volk, de mens, die in het donker wandelt, ziet een groot licht; een licht straalt over hem/haar in hun doodse duisternis. Jij, God, 

hebt zijn blijdschap vermeerderd, haar vreugde vergroot. Het juk, dat zwaar op hem/haar drukte heb Jij gebroken. Want een Kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken.
En horen wij hiervan niet de echo in wat de engelen zongen, de herders toezongen op de duistere donkere vlakten van Bethlehem? Heden is u een redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. Vrede op aarde onder de mensen, jullie, Gods lievelingen.
Vreugde laat zich niet afdwingen, is de ander ook niet op te leggen, vreugde bloeit open als we ons kunnen verheugen om wat is geschied, in die dagen, in onze dagen, heden, in de nacht waarin wij leven, om wat ons geschonken wordt: een kind, hoop, toekomst, leven. God dank. Ik hoop, dat u die vreugde toe kunt laten, hoe anders u zich wellicht voelt. Laten we ons die vreugde niet ontnemen door wat er in de wereld gebeurt aan zinloos angstigmakend geweld, dat mensen sceptisch maakt en schouders doet ophalen bij het horen van Jezus en zijn evangelie. Laten we ons die vreugde ook niet ontnemen door wat in de kerk gebeurt en mensen de kerk de rug doet toekeren en die haar voor gezien houden. Want de persoon van Jezus Christus, zijn boodschap aan u en mij zegt ons, dat de gevoelens van vreugde, verwachting en hoop gerechtvaardigd zijn. U mag geloven dat de wereld te redden valt en vrede voor de mens is weggelegd. Wat onmogelijk lijkt, dat maakt de geboorte van Jezus voor mij en u mogelijk. Namen die hem gegeven zijn bij monde van de profeet Jesaja stemmen hoopvol: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst.
Nee, ik wil niet wegkijken van de verschrikkingen in de wereld, onder de volken, honger, armoede, geweld, de angst en het verdriet omdat er machthebbers zijn, die geen verantwoordelijkheid kennen en zich misdadig laten gelden. Nee, ik wil niet wegkijken van de pijn, de vernedering, het geschonden-zijn van mensen, die in hun kinderjaren zijn misbruikt door mensen van wie je het niet verwacht. Zij vragen ons gebed, onze inspanningen om het wereldleed te leningen. Zij vragen onze bewogenheid, begrip, al wat hun welzijn ten goede komt. Maar vannacht wil ik met u in gedachten een kerststallentocht maken, wil ik me de blijheid herinneren, de hoop en het verlangen, de vrede en zoveel meer die vallen af te lezen van de gezichten van ouders en kinderen en alle anderen. Het is de afglans van Gods menslievendheid, verschenen in het kerstkind. Vannacht wil ik hervinden het geloof, dat de wereld, wij mensen op aarde, redding nodig hebben van Godswege en dat God die ons ook schenken zal. Vannacht wil ik aangesproken worden door God en zijn zoon Jezus Christus, horen, dat Hij u en mij, ons allen, liefheeft en ons leven delen wil ten dode toe. Ik wens u allen een Zalig Kerstfeest. Amen.

Dagmis Kerstmis: Johannes 1,1-18
25 december 2011, Henk Jongerius OP

De mens zoals hij in de Bijbel beschreven wordt, kijkt nooit achterom maar altijd vooruit, verzekerd van een dak boven zijn hoofd en grond onder zijn voeten! De Bijbel is helemaal niet geïnteresseerd in hoe onze wereld ontstaan is, maar veelmeer in de bedoeling en de zin ervan. En als er één ding heel duidelijk gezegd moet worden dan is het dat er van meet af aan een spreken is, een roep, een vraag aan ons: ‘mens, wie ben je en waar is je broer, je zus?’
Dat spreken van God is het roepen van licht en ruimte voor de mens om te leven en daarom begint Johannes de evangelist zijn evangelie met te verwijzen naar het begin van de Bijbel, het boek van de Schepping of, zoals het in de Joodse traditie wordt aangeduid het boek ‘In den beginne’. Van meet af aan leven wij dank zij het licht dat uit de chaos wakker geroepen is en ons de weg wijst op aarde om haar te maken tot een goed en veilig huis voor alle mensen die leven onder de zon. Johannes getuigde van dat licht en wijst ons de mens aan die zal gaan zeggen ‘Ik ben het licht voor de wereld’. Ja, het spreken van God heeft stem en gezicht gekregen in een kind, geboren in ons midden, waarvoor geen plaats was in de wereld. Zoals er ook geschreven staat over het licht dat God geroepen heeft van den beginne:
het schijnt in de wereld maar de mensen hielden meer van de duisternis en willen zich niet toevertrouwen aan het licht. Toch hoedt het roepen aan, tot op de dag van vandaag: het wenkt ieder van ons om vertrouwen te hebben in de stem die ons roept om kinderen van het licht te worden en alle duisternis te laten wijken uit ons bestaan. Zoals Johannes kwam om te getuigen van het licht dat in Jezus Messias zou opgaan in onze wereld, worden wij opgeroepen om ook getuigen te worden van dat licht. Dat zal niet met grote woorden moeten gebeuren maar door op de eerste plaats ons vertrouwen te stellen op deze mens en in zijn woorden, die ter harte te nemen en metterdaad te doen.
Als wij herders worden voor elkaar en andere mensen het licht in de ogen gunnen worden wij de stille getuigen van een manier van leven die anderen om ons heen,

de kerkgemeenschap en onze wereld weer hoop kan geven dat een nieuwe wereld mogelijk is. Dat zal een wereld zijn waarin mensen betrouwbaar zijn in hun woorden en geloofwaardig door hun daden, een wereld waarin er licht schijnt en mensen elkaar in de ogen kunnen zien, het duister verdrijven van geweld en haat en elkanders gezicht opdelven. Dat is de wereld zoals zij bedoeld is van in den beginne: zij kan elke dag geboren worden in ons leven, een wereld van waarachtige mensen van vlees en bloed voor wie liefde het laatste en beslissende woord is in hun leven. Als lied klinkt het zo: In het begin was er een spreken:
licht dat voor ons aan wil breken,
ruimte voor de mensen schept
en een antwoord in ons wekt.

In het begin was het te horen
in een stilte zonder woorden
die aan onze deuren klopt,
ons een wederwoord ontlokt.

In een kind gaat het beginnen:
licht zal chaos overwinnen,
roept ons tot verwondering
in een lied vol huivering.

In een kind dat wordt geboren
wil de Ene bij ons horen,
toont Hij ons zijn aangezicht,
wonen mensen in zijn licht.

2e kersdtdag: Handelingen: Handelingen 8, 8-10; 7, 54-60
26 december 2011, Theo Koster OP

De kans dat Stefanus Jezus gekend heeft is niet veel groter dan dat een van ons de historische Jezus gekend zou hebben, al is de tijdsafstand tussen Jezus’ optreden en de navolging van Stefanus veel kleiner dan die tussen Jezus’ optreden en wij hier in deze kapel. Toch zíet Stefanus niet alleen Jezus, staande aan Gods rechterhand, maar hij herkent Jezus ook als de mensenzoon.
Gisteren vierden we de geboorte van Jezus. Vandaag horen we een verhaal uit het boek Handelingen, het boek dat beschrijft hoe het de eerste leerlingen vergaat na de dood en verrijzenis van Jezus. Er is verband met kerstmis. We horen hoe Jezus opnieuw geboren en herkend wordt, geboren wordt zoals hij ook heden onder ons geboren wil worden.
Jezus is het vleesgeworden goede nieuws, dat God een God van mensen is, wiens koninkrijk met de geboorte van Jezus in onze wereld is doorgebroken. Via de kerk weten we van dit koninkrijk, weten we van Jezus, ervaren we in het breken en delen van brood en wijn, dat we deel uitmaken van zijn lichaam, zijn leven.
Dit weten en ervaren is nog geen nieuwe geboorte. Stefanus, een volgeling van Jezus vanuit de Grieks sprekende joden, wordt belaagd en uiteindelijk vermoord door hen die het dichtst bij hem stonden: Grieks sprekende Joden. Iets soortgelijks gebeurt binnen de kerk. Mensen van wie je dit niet verwacht omdat ze zo dicht bij je staan gebruiken en misbruiken hun zusters en broeders, en letten daarbij zelfs niet op leeftijd. Net zoals we dit in de lezing hoorden weten we, hoe ook in onze kerk geweld is en wordt gebruikt, mensen niet voor reden vatbaar zijn, hun oren dichtstoppen, wegkijken, en daar ook nog prat opgaan: ‘wij gaan immers voor de leer van de kerk’; ‘Jezus was destijds duidelijk en verwacht dit ook van zijn volgelingen’. Dit is niet het zien en herkennen van Stefanus, maar een verlangen 

naar bevestiging en waardering van hen, die hun mantels neerleggen aan de voeten van Saulus, de latere Paulus. Het is niet moeilijk ons in hen te herkennen; daarvoor hoef je niet om je heen te kijken, maar slechts bij jezelf te rade te gaan. Wij zijn het immers zo vaak zelf, het zijn onze zusters en broeders met wie en door wie deze dingen gebeuren.
Gelukkig zijn er ook nu mensen als Stefanus; mensen die niet alleen gehoord hebben van Jezus en hem ervaren hebben in het breken en delen, maar hem ook daadwerkelijk zijn nagevolgd. Kijk maar om je heen. Ik noem geen namen, want dat leidt maar af. Kijk om je heen, in je eigen omgeving en je zult zien: zij waarschijnlijk, of hij misschien. Hier in deze kapel kun je Jezus ervaren, in zijn woorden, in het breken en delen. Maar wil je hem zien, aan de rechterhand van God, dan zul je toch daarbuiten moeten zijn: daar, in het leven van alledag, wordt hij opnieuw geboren.
Stefanus laat zijn zusters en broeders die hem vermoorden niet vallen, net als destijds Jezus. Zij horen hem roepen: “reken hun deze zonden niet aan.” Begrijpen kun je zoiets niet; het heeft te maken met dat diepgevoelde verbonden zijn met Jezus. Mocht het de moordenaars van Stefanus niet te denken hebben gegeven, dan doet het dit ons. “Heer Jezus, ontvang mijn geest”, bad hij ervoor. Jezus verbond in zijn leven mensen met zichzelf, met elkaar. Hij blijft, zo horen we, dit ook na zijn dood doen, ook hier en nu.
Dit moge ons het vertrouwen en de moed geven om daarbuiten onze zusters en broeders tegemoet te gaan en onszelf tegen te komen. Groot is dan de kans dat Jezus niet alleen in onze wereld opnieuw geboren is, maar ook herkend zal worden.

Nieuwjaar: Numeri, 6,22-27; Lucas 2, 16-21
1 januari 2012, Antoon Boks OP

Wij weten wat er aan het evangelieverhaal van vandaag voorafging. Er was geen ruimte in de herberg en daarom ligt het kind Jezus in een kribbe. Het is alsof Lukas ons vertelt dat we in de wereld die wij kennen met die drukte van het dagelijkse leven, het politieke en economische zoeken naar macht en ja zelfs in onze kerkgemeenschap geen ruimte voor de verlosser hebben – in ieder geval niet op de manier dat Hij bij ons komt. De herbergen van onze wereld zijn te vol om Hem binnen te laten. Als we Hem binnen willen laten moeten wij heel wat meubilair in onze herberg herschikken en zelfs weggooien.
Er is geen ruimte voor Jezus in elke herberg waar mensen klaar staan voor dure gasten en waar eenvoudige machteloze en geen stem hebbende mensen worden weggejaagd. Terwijl mensen door elkaar en hun zaken in beslag genomen worden, kan het kind in de kribbe niet gezien worden achter deuren die alleen open gaan voor soortgenoten. Veel mensen leven en doen zonder te weten wat God hen aanbiedt.
Ondertussen zit God niet stil. Hij is en blijft bezig met datgene wat hij steeds gedaan heeft: zorgen voor ons heil: Hij ziet wat we nodig hebben en doet er wat aan. Veel van die verhalen kunnen we lezen vanaf de eerste bladzijde in de Bijbel. God heeft altijd aan ons gedacht, vooral toen wij Hem nodig hadden en geen rekening met Hem hielden.
Er zijn heel wat mensen die wij bij die grote gebeurtenis van de geboorte van Christus zouden hebben kunnen verwachten - maar zij waren er niet. De koning en de priesters zijn er niet. De politieke machthebbers kwamen niet, net zo min als de theologen. Al die mensen die zo graag op de TV willen komen, misten deze gelegenheid. Waarom? Kregen zij geen uitnodiging? God had speciale gasten op het oog. Ze kwamen uit het veld. Zij hadden geen brievenbussen, maar onze steeds vindingrijke God stuurde speciale boodschappers om de uitnodiging te brengen.
Wie kan meer verrast geweest zijn dan de herders? Aan hen werd het goede nieuws aangekondigd waar de wereld al zo lang op had moeten wachten. Het was goed nieuws dat speciaal werd gebracht aan heel gewone mensen; later in het evangelie komt die uitnodiging ook nog bij andere mensen die ook in de hoek zaten waar de klappen vallen. De herders waren een verdachte groep. Zij waren steeds in beweging en als ze naar een ander weideplaats gingen controleerden heel wat mensen hun bezittingen om te zien wat ze kwijt geraakt waren.

Toch waren de herders bij de kribbe. Wat hadden ze gedaan om deze gunst, een speciale uitnodiging, van God te verdienen? Niets! En dat is nu net het belangrijkste. Kerstmis gaat over geven. Het begint met God die de minderbedeelden ziet en voor hen zorgt. Dit evangelieverhaal kan in zijn details uniek zijn, maar in de kern openbaart het God die voor elk van ons een goede boodschap heeft. Er is voor iedereen genade. Het is er voor ons hoe dan ook.
Jezus werd geboren in het aan de Romeinen onderworpen uitverkoren volk, in een harde wereld. Natuurlijk zijn er verschillen met onze tijd, maar ook in onze wereld schijnt de duisternis soms sterker te zijn dan het licht: er is armoede, oorlog, ballingschap, slavernij, eenzaamheid, ziekte, uitbuiting en dood. Toch geeft zijn geboorte ons hoop, Christus verzekert ons dat het nieuwe leven mogelijk is. Een verlosser is ons geboren.
Wij sluiten ons aan bij Maria en mogen overdenken wat al deze dingen voor ons en onze wereld kunnen betekenen. Wij mogen beginnen Jezus op de onwaarschijnlijkste plaatsen te zoeken. Hij kan daar gevonden worden net als in het verhaal van vandaag. De belangrijke mensen van die tijd zouden Bethlehem hebben gevonden ook niet een dorp om rekening mee te houden om maar helemaal niets te zeggen van wat zij over de stal en de kribbe hadden kunnen denken als de geboorteplaats voor de verlosser!
Wij zijn kind van God geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, maar we zijn niet volmaakt. God weet dat. In zekere zin zijn wij als die herders, maar net als zij wel uitgenodigd.
Wij komen hier bij elkaar voor de Eucharistie. Wij komen bij elkaar met heel wat verschillende achtergronden, soms vermoeid van het werk, soms in beslag genomen door zorgen voor onze familie en de wereld, soms met wonden aan de binnen of de buitenkant.
Wij voelen ons thuis rond de tafel met Maria, ons voorbeeld van een liefhebbende moeder. Met haar onthouden wij al deze gebeurtenissen rond Christus geboorte en zijn verdere leven en we overdenken ze. Zij wist dat de uitnodiging van God ook voor ons bestemd was. Daarom zijn wij hier samen in de Eucharistie om zelf nog een keer het goed nieuws te horen en iedere keer dat we hier vandaan gaan mogen we aan andere mensen het goede nieuws verkondigen dat God met ons is. Wat een genade als we dat het hele jaar kunnen doen. Moge 2012 een gezegend jaar worden voor ons en alle mensen.

Openbaring des Heren: Jesaja 60, 1-6; Matteus 2, 1-12
8 januari 2012, André Lascaris OP

Matteüs schreef zijn evangelie in een heel andere tijd. Het aantal christenen groeide als kool. Er waren wel heftige disputen. De eerste christenen waren joden. Konden ook niet-joden binnenkomen? Ja, zegt Matteüs vandaag. Die moesten wel eerst kennis maken met de joodse traditie en geschriften, met de Bijbel dus, omdat ze anders veel van Jezus niet zouden begrijpen, en niet zouden verstaan wat God aan hen wilde laten zien..
Matteüs heeft een verhaal geschreven op grond van zijn ervaring en hij maakte daarbij gebruik van de profeet Jesaja en het boek Numeri (22-24) waar de heiden Bileam een ster ziet opkomen uit Israël. Hij laat magiërs komen uit het oosten die eerst bij de machthebber, het politieke hoofd van de joden, Herodes, aankloppen om de weg te vragen, niet wetende dat deze Herodes een soort farao is en zoals de farao van Egypte bereid is kleine kinderen te vermoorden om te voorkomen dat iemand hem naar zijn kroon steekt. Maar ze kunnen niet om Herodes en Jeruzalem heen. Ondanks alles kunnen ze daar Bijbel lezen. Priesters en Schriftgeleerden wijzen hen in de goede richting.
Wat zien deze wijzen bij hun aankomst? Wat wordt hen geopenbaard? Ze zien een ‘kind met zijn moeder Maria’. Ze zien een kind in relatie met zijn moeder. Een kindje is, eenmaal geboren, volstrekt hulpeloos. Eenvoudig door er te zijn is het kind een oproep om het hulp te geven, in leven te houden, te verzorgen en te doen opgroeien zodat het zelf kinderen kan helpen, en niet alleen kleine kinderen, maar iedereen die afhankelijk is, iedereen die zich niet alleen kan redden, moederziel alleen. In feite kan niemand zich geheel redden, iedereen heeft anderen nodig om te leven, gelukkig te worden, mens te zijn.
En juist in deze relatie tussen kind en moeder, tussen de afhankelijke en de verzorgster, juist in deze verbondenheid openbaart God wat mensen tot mensen maakt, laat God zien wat de uiteindelijke zin is van het leven, en meer nog: God laat zien welke God zelf is. Aan het kind als zodanig is niets te zien, en aan zijn moeder evenmin, maar wat de wijzen zien is hoe zeer kind en moeder op elkaar betrokken zijn. Zo is ook God op iedere mens betrokken. God verschijnt uiteindelijk in de zorg, de aandacht, de liefde van de ene mens voor de andere, vooral in die van de sterke, gezonde, talentrijke voor de zwakken, de zieken, en minder talentrijken.
De schatten van de wereld wegen daartegen niet op. Geen goud, geen wierook, zelfs niet de zorg voor je levenseinde, de mirre, of de Egyptische piramiden, of de Romeinen familiegraven. Ze worden minder belangrijk dan de levende zorg

voor elkaar. In die zorg laat God zien wie God is. God laat zich niet zien in de geboden uit de joodse traditie die vervuld moeten worden omdat ze geboden zijn, geboden moeten wijken voor de zorg voor elkaar.
Evenals Jesaja en Matteüs zien wij stoeten mensen voorbij komen. Zij volgen een ster, hun ster, een idee, een ideaal, een verlangen. Velen hopen dat de schatten die ze hebben meegenomen voor henzelf gebruikt zullen worden. Ze hopen dat anderen hen zullen bewieroken, met goud zullen decoreren en versieren, hun gedachtenis eeuwig in stand zullen houden. Ze volgen hun verlangen, ze willen beroemd worden, door iedereen aanbeden. Het zijn tegelijk eenzame mensen, ze dromen ervan alleen op een voetstuk te staan.
Anderen zoeken - vaak heel echt – naar een weg om hun leven te verdiepen. Ze gaan op zoek naar zichzelf; ze lenen activiteiten, gedachten en vooral woorden van oosterse tradities. Ze slijpen die bij, passen ze aan bij de westerse smaak en gebruiken ze. Ze zoeken naar mystiek, een hogere graad van bewustzijn, een meer effectief zijn. Dat zijn soms waardevolle schatten. Ze zijn niet te versmaden, maar ze worden het meest waardevol als ze in verband worden gebracht met de betrokkenheid van mens tot mens en van God tot mens.
Je ontkomt er niet aan mensen als Herodes te ontmoeten. Als je roem zoekt verwacht je te leren van beroemde mensen, hoe beroemd te worden. Je gaat dan de weg op van het geweld.
Of je ontmoet goeroes, coaches, spirituele begeleiders die zichzelf aanprijzen. Je raakt je vrijheid aan hen kwijt en het kan je jaren van je leven kosten om weer een beetje een vrij mens te worden.
Je kunt zelfs een Herodes ontmoeten wanneer je de weg van de Bijbel opgaat. Je ontmoet mensen je willen dwingen dingen te doen en woorden te gebruiken die een niet te dragen last voor je zijn.
Het kan je diep teleurstellen dat God zich openbaart in de relatie van kind en moeder, van de hulpeloze en de helper en veel minder in de pracht van een mystieke tekst. Christen zijn is niet zo interessant als roem vergaren of oosterse of westerse wijsheid. De kerken lopen leeg. Kerkgebouwen worden afgebroken of bestemd voor andere doeleinden. Maar waren die ook vaak geen burchten die imponeren wilden?
Misschien laat het christendom zich meer zien in die kleine groepjes, die ergens thuis bij elkaar komen. God openbaart zich in de zorg van menen voor elkaar. Mogen onze ogen en die van anderen opengaan om dat te zien.

Doop van de Heer: Jesaja 42,1-7; Marcus 1,7-11
15 januari 2012, Paul Minke OP

Mij is de dankbare taak toevertrouwd gasten van de communiteit te verwel komen. Ik leid ze rond door het klooster, maak ze wegwijs in de koorboeken. Ik vertel ze hoe de dagdeling in elkaar zit en wanneer wat er gebeurt. Al wandelend door het huis vertel ik vaak over wie en wat wij zijn en komt van mij de vraag: wat bracht je ertoe om een paar dagen hier te zijn? Soms is het studie, het schrijven van een scriptie, de rust en de stilte. Soms ook: "Ik wil proberen mijn leven wat op orde te krijgen." "Ik heb er behoefte aan over mijn toekomst na te denken." "Ik ben de weg kwijt. Ik zoek God in de rust en de stilte." Ik ontmoet dan mensen, die op zoek zijn naar zingeving en spiritualiteit, naar licht in hun leven, uitzicht, een nieuwe levenshouding, naar echtheid Het zijn mensen, die zoeken naar het antwoord: Waartoe ben ik op aarde? Het zijn mensen, die in hun leven op een keerpunt staan, een nieuw begin verlangen.
Wat hen beweegt om zich een paar dagen terug te trekken in het klooster, deed mensen uit de landstreek Judea en Jeruzalemmers gaan naar Johannes de Doper, die zoals Marcus schrijft, een doop van omkeer predikte tot vergeving van zon- den. Zij stelden Johannes de vraag, zo weet de evangelist Lucas ons te vertellen: Wat moeten wij doen? M.a.w.: Wij willen een nieuwe manier van leven en doen, terugkeren naar de kern van ons leven en de zin van ons bestaan kennen en ons opnieuw gaan verstaan met God, de God van Abraham, Isaak en Jacob.
In de rij van godzoekers sluit Jezus vanuit Nazaret zich aan, als een van hen. Plaatselijk is hij bekend als de zoon van de timmerman, verder onbekend. Zijn leven speelde zich af in het verborgene in een onbetekend plaatsje. Wie of wat dreef hem om naar Johannes te gaan om zich te laten dopen? Was hij op zoek naar zijn levensbestemming? Waartoe hij op aarde was? Had hij een vermoeden waartoe God, zijn Vader, hem riep, hem zond? Sterker, wilde hij met zijn doop door Johannes deze boodschap doorgeven, dat heel het volk van Israel zich moest bekeren en terugkeren naar God? Op deze vragen krijgen wij een verrassend en een niet te verwachte antwoord.
Jezus liet zich dopen in de Jordaan door Johannes en steeg meteen op uit het water. Het doopsel van Johannes symboliseerde de doortocht door de Rietzee van het volk, de tocht vanuit de onderdrukking, de slavernij van Egypte naar de vrijheid. En nu: de afrekening van een verslavend, zondig verleden naar een nieuw begin met God. Opstijgend uit het water, beeld van de chaos, ziet Jezus de hemel open scheuren en de Geest op hem neerdalen als een duif. Dit doet ons denken aan de eerste scheppingsdag. "De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte. en de Geest van God zweefde over de wateren. De duif is, dunkt me, zichtbaar teken van Gods liefde, die de aarde wil herscheppen. Zo openbaarde 

God Jezus' zending in de wereld, voor de volken, voor ons. Hij werd geroepen om de wereld te herscheppen en de volken te bevrijden om het aanzien van de aarde nieuw te maken tot een oord van vrede waar de volken elkaar de hand reiken en elkaars welzijn dienen en bewaken. Hij werd daartoe bezield door Gods Geest, werd doordrenkt van Gods levenskracht. Hij werd daartoe bevestigd en bemoedigd door de stem, die uit de hemel klonk: "Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik mijn vreugde." Vanaf dat moment was God voor Jezus: Abba, vader, pappa. Vanaf dat moment was God voor Jezus de getuige, waarop hij zich steeds zal beroepen: Hij die mij zond, hij is het die van mij getuigt dat ik de waarheid spreek. Vanaf dat moment wist Jezus dat God hem in dienst nam voor zijn verbond en riep tot een licht voor de volken om blinden de ogen te openen, om gevangen en wie in duisternis zitten uit die gevangenis te bevrijden.
De doop, Gods stem uit de hemel bracht een wending in het leven van Jezus. Vanuit de anonimiteit treedt hij nu naar buiten met de boodschap van de Vader. En met een levenswijze, die mensen de ogen opent voor de liefde van God: "Het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende pit zal hij niet doven." Hij zal de weg gaan die God van hem verlangde, zijn leven lang tot in de dood.
Johannes de Doper zei tot degenen, die hij gedoopt had in de Jordaan: "Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met heilige Geest." Wij zijn gedoopt met water en heilige Geest. Tot navolging van Jezus. Bij de doop heeft ons leven een wending genomen al wisten we het niet. Wij zijn vanaf dat moment geroepen tot een leven in de Geest van Jezus Christus, tot getuigen in woord en daad van de waarachtigheid van zijn evangelie. Op een gegeven moment in ons leven hebben we al of niet bewust er zelf voor gekozen die weg te gaan en onze verantwoordelijkheid ervoor genomen. Ervoor gekozen om dragers te zijn van de Blijde Boodschap, en in de chaos van alledag de weg naar het Koninkrijk van God open te houden voor onszelf en anderen. Het is een weg die wij gaan met vallen en opstaan, onzeker en zoekend. Zoals ik dat bij mezelf ervaar maar bv. ook in de ontmoetingen met de gasten. In het vallen ervaren we onze zwakte, in ons opstaan de levenskracht van de Geest. In de steun die we van elkaar ontvangen de bevestiging en bemoediging van de Vader. Zo vertoont onze doop gelijkenis met de doop van Jezus in de Jordaan en mogen we geloven dat ook wij kinderen van God zijn, die in ons vreugde vindt. Gods liefde omringt ons, Gods Geest vervult ons, Jezus Christus onderricht ons. In zijn woord ligt het antwoord besloten op de vraag: Waartoe zijn wij op aarde? Zo openbaarde de stem uit de hemel aan Jezus en ons, wie Hij is, wie wij zijn. Amen.

Bruiloft van Kana: Jesaja 42,1-7; Johannes 2,1-12
22 januari, Theo Koster OP

Op de derde dag wordt er een bruiloft gevierd. Wie er trouwen staat er niet bij, wordt verondersteld bekend te zijn. Wij zouden het inderdaad mogen weten; dit verhaal gaat over ons. Zitten we dan op een bruiloftsfeest? Ja zeker, en we zijn geen gasten; we zijn zelf het feestvarken, de bruid. U gelooft toch in God, in degene die naar ons omziet, die naar ons uitziet?
Onze voorouders in dit geloof, Israël, noemden zich volk van God. Niet op eigen gezag; God had hen hiertoe uitverkoren. God had met hen op de Sinaï een verbond gesloten, na de uittocht uit dat vreselijke Egypte, en zij waren op zijn aanzoek ingegaan: een wederzijds verbond van trouw. Maar dat is lang geleden.
Nu, in de tijd van Jesaja zitten we in ballingschap, verdreven van huis en haard, in Babel. We willen graag geloven in een almachtige God, maar we merken niets van hem, Hij grijpt niet in, laat zijn macht niet zien aan Babel. Wat hadden we de pest in; we raakten verbitterd, en dat maakte de ballingschap alleen nog maar zwaarder. Het duurde en het duurde maar, en dit bracht ons tot inkeer.
Wij geloofden het wel, die almachtige God. Wij hielden ons strikt aan de letter van het verbond, de Thora, maar vertrouwen, dat deden we niet. We verlangden zekerheid; het lijkt op, maar is totaal anders dan vertrouwen. In vertrouwen laat je de ander vrij zich te laten zien zoals hij of zij is. En de Barmhartige liet zich zien toen wij ons beeld van Hem hadden losgelaten, onze ogen open waren gegaan. Jesaja vond hier de goede woorden voor. Die wij ons voorstelden als de almachtige, laat zich zien in een dienstknecht, die niet roept, niet schreeuwt, de kwijnende vlaspit niet uitblaast. Haar kracht is zacht, geweldloos, ontwapenend,
en daardoor onweerstaanbaar voor wie er oog voor heeft: kinderen vooral, jongeren in hun onzekerheid, en mensen die met vallen en opstaan in hun leven geleerd hebben te vertrouwen, niet alleen met het hoofd, ook met het hart, hun hele wezen.
Er zal een tijd komen waarop we deze God zullen zien, net zoals Mozes hem zag. In de Messiaanse tijd zullen God en zijn volk hun trouw aan elkaar uitspreken. Onze profeten gebruikten voor die tijd bij voorkeur het beeld van een bruiloftsfeest, een feest dat vele dagen kan duren, en waarop de wijn rijkelijk zal stromen.
Op de derde dag werd er bruiloft gevierd, hoorden we zojuist. De derde dag is een begrip dat je in onze verhalen vaak tegenkomt. Het is de dag van de doorbraak; nú gaat beginnen waar we al zo lang naar uit hebben gezien. De moeder van Jezus is aanwezig. Opvalt dat geen naam wordt genoemd, en dat zij er al is, alsof zij er hoort. Zij neemt het initiatief, zoals destijds Mozes in Egypte en heeft iets te zeggen. Zoals Mozes ons zei: houd je aan het verbond, doe de Thora, doe de wet, zo horen we haar tegen de bedienden zeggen: doe wat hij zegt.

Vrouw, is dat soms uw zaak, of anders vertaald: wat heb ik met jou te maken, zegt haar zoon. Nú klinkt dat grof, maar destijds gaf deze uitdrukking afstand aan. Het is de afstand die er is tussen twee mensen die met elkaar trouwen. Hoe sterk de band ook is, de een kan de plaats van de ander niet innemen. Vandaar het grote verdriet als de partner sterft. Zo is het ook tussen God en mens. De doorbraak van de messiaanse tijd, het koninkrijk van God, bepaalt God alleen; houd dus afstand; respecteer jouw partner, ook als God jouw partner is.
Op de derde dag van een bruiloft die destijds een week kon duren is er al geen wijn meer. Wij weten wat dat betekent: het uitzicht op de komst van het Rijk van God was totaal afwezig. Ons geloven is een doen alsof geworden. We houden ons wel aan de Thora; water om ons te reinigen, zoals de Thora voorschrijft, is er in overvloed, maar we hebben geen fiducie dat waar de Thora naar uitziet zal komen; het teken bij uitstek van dit koninkrijk, de wijn, is er niet. De moeder verwoordt het; zij is haar vertrouwen in de Thora, en waar de Thora voor staat, Gods trouw aan zijn volk, niet kwijt. Als Mozes zegt ze: doe wat hij zegt. We kennen het vervolg: het water wordt wijn. Het koninkrijk van God is aangebroken, de Thora is vervuld, de Messias is geopenbaard. De tafelmeester wist niet waar die goede wijn vandaan kwam. Wij weten het wel: de wijn, de komst van Gods Rijk, komt van boven en is een totale verrassing.
Wat doen wij met deze wetenschap? Als kerk hebben wij van onze omgang met God een wetenschap gemaakt. Nog niet zolang geleden, toen de kerken nog vol zaten, dachten we dat er buiten de kerk geen heil was. Deze wetenschap is ontmaskerd; veel van wat als feit werd gepresenteerd hadden we zelf verzonnen. Toch blijven we zingen: Hier wordt een huis voor God gebouwd, hier wordt een tafel aangericht, hier delen wij het levensbrood en worden nieuwe mensen. Waar het werkelijk om gaat is geen wetenschap, biedt geen zekerheid; het wordt gedicht, verhaald, bezongen en komt zo aanwezig.
Hier delen we ons lief en leed, getekend, soms zelfs gebroken door het leven; hier breken we brood en delen wijn in navolging van Jezus en ervaren, dat we opnieuw getrouwd, vertrouwd worden met de Vader en met elkaar. In dit gebaar, waarin de oogkleppen van macht en zekerheid die zo verleidelijk zijn wegvallen, laat de levende zich zien als de Barmhartige, een knipoog, een por in je zij. Hiermee zullen we doorgaan, niet omdat het moet of omdat het van ons verwacht wordt, maar omdat we niet anders kunnen. Dit gebaar, ingebed in de verhalen over God en onszelf, heel oude en ook steeds weer nieuwe verhalen, houdt ons vertrouwen wakker.