PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Advent en Kersttijd 2012-2013 (C)


1ste zondag van de Advent: Jeremia 33,14-16; Lucas 21,25-28.34-36
2 december 2013, Antoon Boks OP

De wereld die Lukas beschrijft valt uit elkaar en dat gebeurt met kosmische tekens en een waarschuwing aan ons, opdat die dag ons niet onverwachts overkomt, want die ineenstorting komt voor allen die op de aarde wonen. Daarom geeft Lukas ons een andere waarschuwing en hij spoort ons aan om te bidden dat we waardig wordt geacht om aan die dingen die gebeuren zullen te ontsnappen en om dan rechtop te staan voor de Zoon van de Mensen. Wat is nu het goed nieuws dat daar in zit?
Dit nieuwe liturgische jaar opent niet met een tekst uit het begin van het evangelie van Lukas, zoals wij misschien zouden verwachten, maar met een gedeelte uit een van de laatste hoofdstukken. Wat gebeurt er allemaal? Het is Advent en één van de prominente thema's van de Advent is dat we voorbereidingen moeten treffen en ons waakzaam moeten opstellen. Het beschrijven van dit tijdsstip wordt aan ons verteld om nonchalance en afleiding te vermijden en waakzaam te blijven.
De passage uit de evangelielezing van vandaag gaat over het einde van de tijden. Onze wereld zoals wij die allemaal kennen, maar ook onze persoonlijke wereld zal eindigen en daarom worden wij aangespoord om waakzaam te zijn en te zorgen voor wat daarna gaat komen.
Het onheil dat die eindtijd zal aankondigen is zo alles overheersend en zal ook de zon, de maan en de sterren beïnvloeden. Dat betekent dat iedereen er mee te maken zal krijgen en de gebeurtenissen zullen allen bang maken. Lukas beschrijft dit alles in apocalyptische beelden die de lezers van het Oude Testament zich wel zullen herinneren. De komst van de Mensenzoon wordt geschetst als het begin van een strenge periode van straf. Maar ook de trouw van de leerlingen wordt beklemtoond: zij zullen niet wankelen in hun geloof en waakzaam blijven. Zij zullen hun langverwachte verlossing ervaren.
De dag na Sinterklaas kunnen we overal Kerstbomen kopen. De wereldse aspecten van Kerstmis zijn dan al begonnen en ze kunnen ons gemakkelijk afleiden van de Advent die wij de komende drie weken zullen vieren. Geen wonder dat wij de lezingen van vandaag krijgen voorgeschoteld. Zij schijnen ons hopelijk wakker te schudden, om onszelf diep aan te kijken en tegen ons te zeggen: Wakker worden of als je dat al bent, dan moet je in ieder geval waakzaam blijven.
Als we ons te veel concentreren op de feestelijke “entourage” van de komende dagen, dan kan het zijn dat we het goede nieuws van dit belangrijke seizoen missen. We zullen dan wel zoals Jezus vandaag zegt, op elk moment waakzaam moeten zijn.
De voorbereidingen van Kerstmis zijn onvermijdelijk, maar we moeten blijven werken om in het heden te leven en niet toe te laten dat wij al onze aandacht teveel richten op de activiteiten rondom dat komende “Feest”.

Al het klatergoud en al die muziek van eerst Sinterklaas en dan Kerstmis in en buiten de winkels maken dat wel erg moeilijk. We kopen misschien allerlei dingen, beginnen al te denken aan het sturen van Kerstkaarten naar familie en vrienden. Dit laatste is trouwens heel erg belangrijk, want het is natuurlijk heel goed om te denken aan al die mensen, die een bijzondere plaats hebben in ons hart. Laten we dankbaar zijn voor wat zij betekenen en ons het hele jaar door geven.
Want...al die lieve mensen zijn vaak onze rots in de branding en een vast anker in de constant veranderende wereld. Wanneer onze eigen wereld door elkaar wordt geschud en zelfs de dingen, die we dachten dat ze altijd zouden blijven bestaan (zoals zon, maan en sterren)dreigen te verdwijnen dan... zijn het de mensen die het dichtst bij ons staan door bloedverwantschap, vriendschap en godsdienstige overtuiging, die ons helpen om de nabijheid van Christus te zien.
Om een voorbeeld te noemen: Een weduwe zei dat ze na de dood van haar echtgenoot niet meer in staat was om te bidden. Maar zij ging hoe dan ook naar kerk en liet de gemeenschap rond haar gedurende de Eucharistieviering bidden en zingen. Zij zei dat al die mensen niet wisten hoeveel zij haar hielpen.
Hun waakzaamheid steunde haar terwijl zij vol was van haar verdriet. Hun gebed was haar sterkte die alsmaar hielp om haar verdriet te behandelen. Samen biddend en zingend hielpen ze deze verdrietige vrouw om te kunnen blijven bestaan voor de Mensenzoon.
De andere tekst van vandaag namelijk die uit Jeremia is kort en krachtig. De mensen van Juda, het zuidelijke koninkrijk, hebben heel wat hoop nodig, want hun familieleden uit het noordelijke koninkrijk zijn al veroverd en Babyloniërs maakten zich op om naar het zuiden te komen. De mensen werden bezorgd; wanneer zou God hen komen helpen? Ook al wordt de datum van de tussenkomst van God niet gegeven, toch is er geen twijfel in de woorden van Jeremia dat het zal gebeuren.
Jeremia luidt de Advent in door ons uit te nodigen om over onze ontrouw in heden en verleden heen te kijken en ons vertrouwen te leggen in zijn woorden. God komt ons verlossen, niet gebaseerd op onze eigen goedheid, maar op zijn liefde voor ons. Wat God belooft, dat zal Hij doen.
Vooral in tijden van verdriet en beproeving kunnen wij vergeten dat Christus onder ons aanwezig is. Wij zullen zijn geboorte met Kerstmis vieren, maar door middel van ons doopsel hebben wij zijn geboorte in ons leven al ervaren. Jezus zegt ons dat we elk moment waakzaam moeten zijn en moeten bidden dat we de kracht hebben om te vertrouwen dat onze verlossing steeds dichterbij komt.
Laten wij iedere dag van de Advent bidden dat in ons leven duidelijk blijft dat Gods genade werkelijkheid is geworden.

2e zondag van de advent: Baruch 5,1-9; Lucas 3,1-6
9 december 2012, Henk Jongerius OP

In een symposium van de Nicolaaskerk in Amsterdam werd dezer dagen gesproken over de toekomst van de kerk. Jongeren engageren zich daar niet meer mee. Wel zoeken zij de stilte, zei een jongerenwerker daar. Wat de toekomst aangaat, merkte zij op: ‘Ik vertrouw op in God, dan beginnen wij gewoon opnieuw op de markt, zoals in het begin’.
De manier waarop Lucas het eigenlijke verhaal van het begin van het openbare optreden van Jezus begint, is heel indrukwekkend. Wij horen namen voorbijkomen van de groten der aarde in die dagen: Pontius Pilatus, Herodes, Filippus, Lisanias en de regio’s waarover zij heer en mees-ter waren. Verder de kerkelijke leiders van die dagen: de hogepriesters Annas en Kajafas. Door deze opsomming van mensen die het voor het zeggen hadden in die dagen, roept Lucas eigenlijk heel de bestaande wereld op en de namen van hen die bepalend zijn geweest voor de dood van Jezus! En midden in die wereldgeschiedenis waarin alleen macht-hebbers kennelijk tellen, zegt hij dat het woord geschiedt aan Johannes in de woestijn....Wat een contrast tussen die wereld met grote namen en dat bijna onopvallende gebeuren van het woord van God dat geschiedt in de woestijn!
Als mensen vragen waar of er iets van God te bespeuren valt in onze eigen wereld en samenleving, zijn er geen doorslaggevende bewijzen of indrukwekkende gebeurtenissen waaruit wij onomstotelijk kunnen aflezen dat God bezig is met mensen. Eerder het tegendeel wordt ervaren: is het allemaal waar, bestaat er een God die om mensen geeft, als je ziet wat er zich allemaal in onze wereld afspeelt? Hoe wijzen de woorden van de Schrift ons vandaag een weg?
Het evangelie en het profetisch boek Baruch geven ons op die vraag geen direct antwoord geven, maar wel leren zij ons vandaag wat de voorwaarden 

zijn waardoor onze ogen zullen opengaan om iets van God gewaar te worden in ons leven.
Wij horen van Johannes dat je je veranderen moet: er moeten paden recht gemaakt en heuvels geslecht worden, zegt hij en dan zal je het zien. Bij Baruch heet het dat wij andere kleren moeten aandoen, wij moeten ons bekleden met de glorie van God. Wat mag dat wel zijn? Dat je gaat leven in de aanwezigheid van God die >als een mantel van licht om je heen dat je je in de stilte bekleedt met eerbied voor God en gaat kijken zoals de Levende, en zo een begin maakt met een andere wereld door recht te doen aan mensen.
Eerbied voor God is het opgeven van de neiging in je om alles te kunnen overzien, machthebber te zijn, op alle vragen een antwoord te hebben. Dat mag je overlaten aan die Ene, die ons met barmhartigheid en ge-rechtigheid omgeeft. Zo zouden wij ook met elkaar moeten omgaan. Recht doen aan mensen betekent ruimte maken, scheve verhoudingen herstellen, op een oorspronkelijke manier als waarachtig mens omgaan met elkaar. Dan zie je de glorie van God, dan kijk je zoals God kijkt en dan wordt er een nieuw begin gemaakt met leven. Dat betekent eerst woestijn, crisis, waarin veel zekerheden je uit handen vallen: je wordt voor het naakte bestaan gesteld met de vraag wat je nu werkelijk nodig hebt.
Waar dat gebeurt, geschiedt het woord, ook in onze dagen, komt er een nieuw begin, vallen machtigen door de mand, worden knellende banden verbroken, keren mensen terug uit vervreemding en ballingschap. Het is een droom, een visioen, dat beantwoordt aan het diepste verlangen dat in ons leeft: dat wij waarachtig mens zouden worden. Door ons te openen voor die stem in de woestijn worden wij nieuw geboren, maakt de Eeuwige een nieuw begin! Dat moge ons allen geschieden.

3e zondag van de advent: Sefanja 3,14-18a; Lucas 3,10-18
16 december 2012, Ernest Marijnissen OP

Als Lucas het verhaal vertelt van Johannes de Doper en de doop van Jezus in de Jordaan, is de eeuw van Jezus' geboorte al voor drie kwart voorbij. Het is niet onbelangrijk dat te weten. Want dat betekent dat de leerlingen van Jezus al meer dan vijftig jaar lang een uitermate belangrijke ervaring hebben opgedaan. Jezus heeft hen bijeengebracht toen hij met hen door Galilea trok. Daar hebben zij elkaar gevonden in een nieuwe vorm van leven. In onderlinge solidariteit waren zij elkaar zó nabij gekomen, dat zij ontdekten dat in dit samen leven Jezus aanwezig is, ook en juist na zijn dood. Jezus leefde werkelijk in hun midden en hij bracht de Geest van God metterdaad tot leven. De leerlingen hebben de aanwezigheid van hun heer zó krachtig ondergaan dat ze Jezus deze woorden in de mond hebben gelegd: 'waar er twee of drie verenigd zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden’ (Mt.18,¬20). Je keren tot elkaar, elkaar leren zien, samen bijeen zijn, het samen ervaren dat Jezus leeft, en tenslotte het ondergedompeld worden in de Geest van Gods aanwezigheid: ziedaar in het kort het proces van gedoopt worden en opnieuw tot leven komen. Daartoe worden wij door de profeten altijd en steeds opnieuw opgeroepen.
Gelijk iedere profeet zo staat ook Johannes aan het begin van zo'n proces. Hij heeft zijn ogen danig de kost gegeven. Hij heeft grote mensenkennis en begrijpt de aard van hun handelen. De mensen maken van de dagelijkse samenleving iets onherbergzaams, waardoor ze de vorm van een oerwoud vol gevaren aanneemt. Daar zijn mensen bang voor. Ze zijn vooral bang voor elkaar. Omdat zij zich gedragen zoals we dat feitelijk kennen, ligt de wereld in duisternis, verkeert ze in twijfel, is haar toekomst onzeker. Johannes ziet dat en hij weet precies wat hij moet doen: oproepen tot bekering.
Maar waarom? Als we ons de moeite getroosten naar mensen te kijken -en dus naar onszelf - moet je toch wel tot het inzicht geraken dat mensen eerder een onvolledig en verminkt beeld van anderen hebben, en dan de werkelijkheid geweld aandoen. Wij ervaren dat toch dagelijks. Luister maar naar de gesprekken, ontdek de irritaties en vooral de verdedigingsmu-ren, welke mensen rond zich opwerpen. Angst, je bedreigd voelen, onzekerheid en vele andere dikwijls verborgen drijfveren vertroebelen de menselijke relaties, roepen steeds weer nieuwe afweermechanismen op en maken onze samenleving tot wat ze is: troebel en verwarrend. Johannes zag het zoals iedere profeet dat ziet. Daarom sluit hij zich aan bij een grote profetische traditie, welke zegt: 'weg met de dalen en de bergen, de drempels en de muren, die de mensen van elkaar scheiden'. Dit oeroude en altijd geldende profetenwoord heeft zich in de Schriften en de kerkelijke traditie tot één woord uitgekristalliseerd: Bekering! Alle ellende van de wereld ontstaat door het min of meer onduidelijk zijn én het min of meer verbreken van menselijke relaties. Om welke reden dat dan ook gebeurt. Bekeren laat zich dan ook zeer wel vertalen in 'herstellen van menselijke relaties': het gezond maken van de verhouding tussen mensen. Daartoe roepen de profeten -dus ook Johannes- noodzakelijkerwijze op. Dáárom preekt hij een doopsel van bekering tot vergiffenis van zon-den. Dat wil zeggen: hij roept op tot een gaaf omgaan van mensen met elkaar, waardoor angst, je bedreigd voelen en onzekerheid uit ons leven kunnen verdwijnen. Dopen met water is daarvan het van oudsher gehanteerde symbool. Daarom heet Johannes: de Doper, en doopt hij met water. In het diepst van ons gemoed zijn we ons ervan bewust dat het een heerlijke ervaring is als wij elkaar niet met wantrouwen bejegenen. In onze beste ogenblikken van onder anderen huwelijk en vriendschap ontdekken we hoe het leven tot een ongekende schoonheid wordt, tot een echt genieten, als je de ander geheel kunt vertrouwen en je hart schenken. Bekering - het zich keren tot elkaar - maakt mensen doorzichtig en doet mogelijkheden van leven zien, die ons anders ontgaan.
Als we ons daadwerkelijk keren tot elkaar, kunnen we tot een veel dieper liggende ervaring geraken. Johannes zegt het zo: 'Ik doop je met water, zeker ... maar er komt iemand, die sterker is dan ik. Hij zal je dopen met de heilige Geest en met vuur'. Ik geloof dat het werken van God, zijn spreken, zijn handelen, zich openbaart 

binnen het verkeer, binnen de omgang, tússen mensen. Mensen gaan met elkaar om, goed en slecht, waardoor een gebeuren, een spanningsveld ontstaat. Als dat niet zo was, zouden we zijn als dode stenen, bijeen gebracht in  een muur of een gebouw. We zijn dan wel samengevoegd, we vormen wel een geheel, het is wellicht prachtig om te zien, maar er is geen gebeuren, geen geschieden, geen spanningsveld. De omgang van mensen met elkaar veroorzaakt geschiedenis. Precies daarin kan God van zich doen spreken, spreekt Hijzelf. Gods spreken is niet hetzelfde als menselijk spreken in de zin van woorden en begrippen vormen en die met een menselijke stem en een menselijk gebaar overdragen, waardoor omgang met anderen kan ont¬staan. Zijn aanwezigheid is geen aanwezig zijn náást ons menselijk aanwezig zijn. Zijn spreken licht op ín de geschiedenis tussen mensen, ín hun omgang met elkaar. Dan moeten we elkaars hand durven vasthouden. We moeten eensgezind zijn in het delen en breken van ons materiële en geestelijke bezit. We moeten kwetsbaar en open voor elkaar willen zijn. Elkander dragen in geloof. Dan ontstaat er een levendig gebeuren, waarbinnen God aan het daglicht treedt. Nadat we ons tot elkaar hebben bekeerd breekt het vuur van Gods aanwezigheid door. Het verwarmt en het is zó diep, dat je erin wordt ondergedompeld: we worden gedoopt met zijn Geest. Je kunt het ook vergelijken met het ontluiken van een bloem tussen haar bladeren. De bladeren verwijzen dan naar het groeien van mensen naar elkaar en de ontluikende bloem naar het groeien van de Geest. En samen worden ze tot één geheel. God met ons: Immanuël.
Zou dat niet de ervaring geweest zijn van de eerste leerlingen van Jezus, die ons het verhaal van de doop in de Jordaan hebben overgeleverd? Zij moeten hebben ontdekt dat Jezus zeer zorgvuldig met de mensen en hun gevoelens is omgegaan. Daarom liet Jezus zich dopen: hij keerde zich tot de mensen en werd zo ‘mensenzoon’. Op hem is het profetenwoord van toepassing, dat hij het geknakte riet niet breekt en de kwijnende vlaspit niet uitblaast. Want zo zijn we: een geknakt riet gelijk en een kwijnende vlaspit gelijk. Jezus kwam mensen daardoor zó nabij, dat ze Gods aanwezigheid begonnen te bespeuren. God en zijn milieu kunnen dan bezit van ons nemen: er ontstaat iets heel nieuws. Blinden worden de ogen geopend en gevangenen worden uit de kerker bevrijd. Kortom: de hemel gaat open! Gods Geest welft zich om ons heen, doordrenkt ons. We worden erin ondergedompeld. We worden gedoopt in Geest en Vuur! Dat is de vrucht als mensen zich keren tot elkaar. Bekering leidt tot de erva-ring dat God in ons midden verkeert.
Aldus wordt er iets zichtbaar van het grote levenspatroon: ik heb dat al aan het begin verwoord. Je keren tot elkaar en elkaar leren zien wordt gesymboliseerd in de waterdoop: je maakt je rein, dat wil zeggen: doorzichtig voor de ander. Dan en daarna kunnen mensen samen worden aangeraakt -binnen de kring van hun onderlinge verbondenheid - door de gloed en de geest van God. Zo wordt het woord van Johannes meer helder: Profeten en predi¬kanten kunnen oproepen tot bekering, het keren naar elkaar, en mensen kunnen als teken van hun goede wil zich laten dopen met water. Maar het dopen door de Geest is het werk van God zelf, als Hij zich openbaren kan aan mensen, die in zijn Naam bijeen zijn en zich ín dat samenzijn door Hem laten aanspreken en verwarmen. De chaos tussen mensen verdwijnt en lost zich op. Er is orde ontstaan. De Geest van God vindt bij mensen haar rustplaats. Daarom vieren wij de doop in het midden van de kerk. Want het gaat allen aan, die de oproep van het profetenwoord 'bekeer je!' willen verstaan en ter harte nemen. De doop keert zich tegen het particuliere welzijn dat geen oog heeft voor andermans nood. De doop roept op tot inzet voor elkaars welzijn. De hemel moet opengaan voor allen! De profeet Sefanja, die we hoorden in de eerste lezing zegt het op zijn manier aldus:
De Ene, jouw God, is midden onder jullie, Een held die bevrijdt; Hij is in vreugde vrolijk over je: Hij kan niet zwijgen in zijn liefde en Hij kan met jubel over jou juichen (Sefanja 317).

4e zondag van de advent: Micha 5-1-4; Lukas 1,39-45
23 december 2012, André Lascaris OP

Een vrouw belt op en wil haar hart luchten. Haar zeventienjarige zoon komt haar niet opzoeken met kerstmis. Hij gaat naar zijn oma en al passeert hij zijn, moeders huis, hij zal niet op bezoek komen.
De komende twee weken zijn bij uitstek de tijd om elkaar te bezoeken, op visite te gaan en visite te ontvangen. Het kunnen gewone, schijnbaar oppervlakkige bezoekjes zijn. Het kunnen bezoeken zijn om oude banden opnieuw aan te halen. Ontmoetingen met vrienden en kennissen, maar ook en vooral met familieleden. Het kunnen spannende ontmoetingen zijn.
Ontmoetingen waarvan je hoopt dat zij de wonden uit het verleden zullen genezen, Maar de mogelijkheid bestaat dat dit niet gaat lukken. Het is zelfs mogelijk dat je niet welkom bent of dat er nieuwe wonden geslagen worden. Over het algemeen kun je zeggen dat de komende weken in het teken staan van de ontmoeting. Ontmoetingen met andere mensen en zo mogelijk met God.
Het evangelie beschrijft een ontmoeting. Een bejaarde vrouw Elizabeth, is zwanger, is in ‘blijde verwachting’ en ontmoet een nicht, jong, ongehuwd, eveneens zwanger. Het is verre vanzelfsprekend dat de twee vrouwen het goed met elkaar kunnen vinden. Zeker in de tijd dat Lucas dit verhaal schreef, ging de oudste voor; de jongere moest wijken voor de oudste. De oudere vrouw is bovendien de vrouw van een priester die zo juist zijn dienst heeft gedaan in de tempel. Zij ontvangt de jonge vrouw in haar huis. Zij is de gastvrouw. Het kind dat ze draagt is uit een priesterlijk geslacht, en, hoe jong ook, nog niet geboren, hij is de oudste, de eerste.
Maar wanneer de twee vrouwen elkaar ontmoeten, blijken zij gehoor te geven aan een andere traditie die al vanaf de eerste bladzijden van de Bijbel opklinkt: dat de eerste de laatste is, en de laatste de eerste. De jongere, Abel, Jacob, Jozef, Efraim, David en anderen gaan voor. Kaïn. Esau, de broers van Jozef, Manasse, de broers van David komen op de tweede plaats. Al in de moederschoot vechten Esau en Jacob om de eerste plaats. Dat de jongsten voorrang krijgen is geen willekeur, maar zij vertegenwoordigen het perspectief, de invalshoek die de auteurs van de verschillende Bijbel boeken voorstaan: zij kijken vanuit het perspectief van de slachtoffers, de kleinen, de geringe, de uitgedrevenen, de zwakken, de kinderen. Deze traditie ziet hen, en niet de machthebbers als de dragers van de toekomst. Zo ook roept de profeet Micha uit dat dit geringe plaatsje, Bethlehem, het ’broodhuis’, degene zal voortbrengen die een herder; leider en koning zal zijn in de kracht van de Eeuwige en vrede zal brengen. Zo 

verlenen hier de oudere vrouw Elizabeth en haar kind, Johannes die de Doper zal worden genoemd, voorrang aan de jongere vrouw en haar kind. Lucas die dit verhaal componeerde had daarbij een heel concrete doelstelling. In de tijd dat hij schreef, c. 80 tot 100 jaar na de geboorte van Jezus, ontmoetten de eerste christenen nog steeds mensen die Johannes de Doper als hun voorbeeld navolgden. Lucas wil aan hen duidelijk maken dat het in de geest van Johannes was zich aan te sluiten bij Jezus..
Maria wordt door Elizabeth de ‘moeder van mijn Heer’ genoemd. Zij wordt echter niet geprezen omdat zij dit kind draagt, maar omdat zij geloofd heeft, vertrouwd heeft datgene wat aan haar. Maria, aangekondigd is: dat zij en elke onvruchtbare vruchtbaar zal blijken te zijn. Zij vertegenwoordigt in de ogen van Lucas de armen, zwakken en kleinen, hen die op die tweede plaats komen. Elisabeth erkent de plaats van Maria, zij maakt ruimte voor haar en hem. Zij geeft de toekomst die vanuit God naar ons toe komt, ruim baan, De komende weken zijn weken van bezoeken en bezocht worden. Bezoeken die bevestigen, bezoeken die helen, maar helaas ook visites die falen en de bron worden van nieuwe misverstanden, nieuwe wonden, ruzies en conflicten. De ontmoetingen kunnen het karakter krijgen van Kerstmis. Elke ontmoeting kan een weg zijn tot een andere manier van leven, een andere toekomst. Elke ontmoeting is er een van mensen die elkaar zien als gelijken
en tegelijk als mensen die anders zijn. Een ontmoeting in de sfeer, in de geest van Kerstmis, is er een van ruimte maken voor de ander. De ander erkennen en zelf ervaren erkend worden als de mens die je bent.
Heel concreet kan dit worden in ontmoetingen tussen ouderen en jongeren. Ouderen moeten leren respect te hebben voor de jongeren die zij ontmoeten. Geen ontmoeting waarbij de oudere zegt tot de jongere: ‘je moet nog veel leren jongentje, meisje, wordt eerst maar eens even oud en wijs als ik’. Jonge mensen hebben hun eigen ervaringen en die kunnen voor ouderen kostbaar zijn, en zicht geven op een andere toekomst. Zo ook kunnen jongeren ruimte maken voor de inbreng van ouderen al klungelen ze met de computer.
Het gaat hier niet in de eerste plaats om een leeftijdverschil, maar om de ontmoeting tussen mensen met allerlei verschillen in karakter, overtuiging, opleiding, en om daarbij ruimte te geven aan wie deze keer als de zwakkere partij verschijnt, die serieus te nemen, eerbied voor te hebben, met de wetenschap dat de zwakke de drager is van de toekomst. Laten we maar met Maria meezingen: machtigen stoot God van de troon, de kleinen verheft Hij

Nachtmis: Jesaja 9,1-6; Lucas 2,1-14
24/25 december 2012, Paul Minke OP

Jezus werd geboren ten tijde van de heerschappij van keizer Augustus te Rome. zo vertelt ons de evangelist Lucas in zijn prachtig geboorteverhaal. Daarmee zette hij de geboorte van Jezus maar ook zijn hele leven zijn boodschap aan de wereld, zijn lijden en dood in een historische context. Zijn leven is met ons leven vervlochten, met al ons lief en leed met onze pijn en ontmoediging, met de ontluistering van de zondige mens en zijn gevoel van waartoe ben ik op aarde. Zozeer is hij God met ons. De geboorte had plaats in de tijd, dat de keizer geboden had in heel zijn rijk een volkstelling te houden. Hij wilde weten hoe omvangrijk zijn macht was. Van Portugal tot en met Klein-Azie, van het noorden de gebieden van onder de Rijn, de streken waarwij nu wonen, tot en met Noord-Afrika in het zuiden kwamen alle volken in beweging. Of zij wilden of niet, zij hadden te gaan om gehoor te geven aan het bevel van de alleenheerser keizer Augustus. Onder hen ook Jozef en zijn vrouw Maria, die zwanger was.
Wat één mens niet teweeg kan brengen. En mensen hebben het maar te doen. Zo is het altijd geweest in onze mensengeschiedenis, de eeuwen door: keizers, koningen, dictators, mensen die met absolute macht heersen. Machtigen maken de dienst uit, willen hun macht behouden koste wat kost en gebruiken als het moet onmenselijke middelen zoals geweld en bedrog. En de volken, zij wandelen in duisternis, wonen in het land van de dood. Mensen gaan op weg op zoek naar werk, op zoek naar een veilig land, op de vlucht voor de armoede, voor de honger, uit angst voor het geweld. Wie kent niet de angstplekken van nu: Syrie, Israel, Congo, Noord-Korea, enz. Het juk drukt zwaar op hen, het blok op hun nek, de stok van de drijver. Die eeuwenlange geschiedenis: een uitzichtloos gebeuren is het! Uitzichtloos is ook het niet te keren levenslot van kleine weerloze mensen, die niet opgewassen zijn tegen allen, die hun macht misbruiken.
Gekomen in de stad van David, Betlehem, trof Jozef een nieuwe tegenslag. Er was geen plaats in de herberg. Hij en Maria moesten wijken naar een beestenstal. En daar – in de nacht – bracht Maria een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Zij wikkelde hem in doeken en legde hem neer in een voederbak. Het was nacht. En dan gaat het om meer dan om de uren tussen avond en morgen. De nacht is het beeld van de mensengeschiedenis met zijn duistere machten. Het ontbreken van alle licht, het blind rondtasten, angstmakend, uitzichtloos. Vreselijk is die nacht. Alle zicht en perspectief lijkt ons ontnomen.
En dan met de geboorte van dit kind verandert ineens alles totaal. God maakt een nieuw begin, schept een tegen-geschiedenis, heilsgeschiedenis. Het is alsof God opnieuw roept. Er zij licht. En er was licht. Dit kind. Het licht spatte van de hemel, het duister werd verdreven, stralend was het licht, engelen daalden neer,  

hemelse koren zongen. Een engel juichte: "Vrees niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor heel het volk. Voor alle volken der aarde. Heden is u een redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David." Herders op de velden luisterden en zagen verbijsterd en angstig toe. Vreest niet. Het gaat om meer dan om het niet vrezen op dat moment. Het reikt verder tot op deze dag zoals ook het 'Heden' tijdloos is. Het overspant de heilsgeschiedenis, die God met dit kind begonnen is. Vreest niet, want Gods menslievendheid is onder ons verschenen. Vreest niet, want ons leven gaat niet verloren. De nacht is overwonnen. Gered zijn wij, bevrijd uit de uitzichtloosheid. Er is licht gekomen. Vreest niet. Het leven is niet langer uitzichtloos en zonder hoop. Het wordt gezegd tot mensen, die niets te verwachten hadden en wel alles te vrezen, aan herders toen, en tot mensen nu, u en ik.
God begint zijn tegen-geschiedenis met gewone mensen zonder macht, een jonge vrouw, een timmerman, herders, nachtwakers bij de kudde. Voor hen is het teken: een pasgeboren kind in doeken gewikkeld. Juist in zijn kleinheid is dit het meest echte teken dat mensen krijgen. Voor kleine mensen is dit teken helder genoeg.Het laat hen zien en begrijpen: Zo bindt God de strijd aan met de heilloze machten van de wereld: geweldloos, met mensen in wie hij welbehagen heeft, met mensen die opleven uit een leven in duisternis, uit een donkere toekomst, die de vrees hebben afgelegd en gaan en staan in hoop en vertrouwen, die zich gered weten uit een uitzichtloos en leeg bestaan en zich bewust zijn dat hen van Godswege 'vrede' is aangezegd.
Nog lijkt de mensengeschiedenis onveranderd en onbedreigd. Nog hebben de machten van de wereld het voor het zeggen. Nog lijden mensen onder het geweld, onder de armoede en honger of huizen ze in vluchtelingenkampen, rouwend om wat zij verloren. De werkelijkheid is lange niet zoals wij die graag zouden zien: vrede op aarde, recht gedaan aan mensen, welzijn voor de volken. Maar er is ook heilsgeschiedenis voor wie oog heeft voor kleine tekenen, voor hen, die iets zien van de hemel op aarde, de glorie van God in den hoge. Zie hen die vrede en troost vinden in het geloof van Gods trouw en nabijheid; zie hen die in het woord van Jezus alle hoop en steun vinden die ze zoeken; zie hen die alle vrees hebben afgelegd en stem geven aan de stemlozen; zie hen die als vrijwilligers over de aarde zijn uitgezworven om nood te lenigen; zie hen die om nachtwakers van de kudde te kunnen zijn zoveel opgaven. In hen en vele anderen komt Gods ongelofelijke liefde en zijn glorie aan het licht. Zij zijn de engelen onder ons midden, de hemelse heerschare, God verheerlijkend. Van harte gezegend zijn wij als wij het zien. Ik wens U een Zalig Kerstfeest toe. Amen.

1e kerkstdag: Lukas 2: 15–20
25 december 2012, Antoon Boks OP

Hoeveel keer zijn we al samen gekomen om de blijde boodschap te horen? Vandaag hoop ik, wil graag dat die blijde boodschap bij U aankomt, dat we er iets mee doen.
De herders waren de eersten die van de geboorte hoorden.
Als we daar even over nadenken, dan zullen we moeten toegeven, dat er best een goede kans was, dat nou net bij de herders die boodschap niet op de juiste manier zou aankomen, want zij waren beslist niet de meest voor de hand liggende mensen om dit goede en grote nieuws te horen. Ze waren niet invloedrijk. Ze stonden ook duidelijk niet bekend om hun godsdienstigheid – integendeel. Toch werden ze als eerste uitgekozen, ondanks het feit, dat er een grote kans was dat deze herders niet wisten wat ze er mee aan moesten. Bovendien anderen vonden hen slecht, waardeloos, van God en mens verlaten. Misschien vonden ze zichzelf ook wel slecht, of dachten ze dat God hen niet de moeite waard vond. Toch kregen zij een boodschap, dat goed nieuws was voor hen en ook voor ons.
Hierin zit eigenlijk al een deel van de blijde boodschap ; het is bestemd voor iedereen, maar wij moeten er net zoals zij iets mee doen. Natuurlijk schrokken zij, ook al zei die engel, dat het niet nodig was. Om heel eerlijk te zijn geloof ik niet dat ze wisten, waar het over ging, ook al kende iedere goed gelovige Jood wel de oude profetieën over een beloofde Messias, die geboren zou worden in de stad van David, hun eigen stad Bethlehem, maar moesten die herders daar onder gerekend worden?
Wij worden niet bang van deze voor ons zo bekende tekst, hoewel we waarschijnlijk wel bang zijn van een heleboel andere dingen.
Ik denk niet dat er hier iemand is, die niet zo nu en dan zorgen heeft of bang is zeker in deze onzekere tijden waarin we via de media steeds te horen krijgen hoe slecht we ervoor staan voor wat betreft onze economie en ga zo maar verder…, maar vandaag vieren we voor de zoveelste keer, dat lang geleden Jezus geboren is.
En dat is nog steeds goed nieuws, nieuws dat we allemaal nodig hebben: Jezus is geboren, en die Jezus is gekomen om ons te verlossen, om zoveel dingen, die fout gelopen waren, weer goed te maken. Hij is ook degene, Die het ook voor ons gisteren, vandaag en morgen mogelijk maakt, dat wij genade krijgen van God, want daardoor gaan er ook voor ons weer vele deuren open.
Hij maakt ons nog steeds vrij, misschien niet van alle zorgen, maar als wij ons openstellen voor Hem, naar Hem luisteren dan maakt Hij ons vrij om te leven zoals God in zijn liefde het voor ons mogelijk maakt. Want de Messias kwam om alles wat gebroken is weer heel te maken. Dank zij Hem hebben we toekomst en  hoop. Wij zijn uitverkoren omdat de blijde boodschap, die Jezus bracht ons de

weg leert om bij God te komen. Zo Iemand hebben we nog steeds nodig, ook al is Hij lang geleden geboren.
Alleen moeten we iedere keer wel doen, wat de herders deden: hoewel zij niet overtuigd waren van wat ze zouden vinden gingen ze toch naar Bethlehem, om Hem te gaan zoeken. Wij mensen zijn op zoek naar wat meer is dan voedsel, veiligheid, of leefruimte. Wij zijn op zoek naar geluk, levensvulling, een doel in ons leven, een zinvol leven. Dat vinden we in God, van Wie we de blijde boodschap horen dat Jezus is geboren en niet alleen in deze Kersttijd. Hij is geboren, hij is de Messias die gekomen is van al zo ´hoghe´, van al zo ´veer´, om ons de weg te wijzen naar een zinvol leven.
Die blijde boodschap hebben we nog steeds nodig. Plezier is er genoeg. Je kunt lol trappen, maar echt blij zijn, blij blijven, dat is wel even iets anders. Dat spreekt niet vanzelf. Want waar wij blij van worden is vaak kwetsbaar en tijdelijk.
De herders hebben het gevonden. Mensen die zoeken trekken onze aandacht. Mensen, die zeggen dat ze iets gevonden hebben, bekijken we vaak met wantrouwen. Zeker als ze zeggen, dat ze het ultieme geluk, de absolute waarheid, de laatste werkelijkheid, God gevonden hebben. De herders vonden Maria en Jozef en het kind. Hun zoektocht duurde geen jaren. Het kostte hun geen cent. Zonder veel moeite hebben zij gevonden, wat ze zochten. De engel had namelijk gezegd waar en wat ze zoeken moesten: in Bethlehem, een pasgeboren kind in doeken gewikkeld. Toen ze dat gevonden hadden verheerlijkten de herders God en loofden Hem om alles was ze hadden gehoord en gezien. Lukas vertelt ons dit alles om ons duidelijk te maken dat die herders en later de leerlingen geloofden, dat ze hun redder en Messias hadden gevonden.
En wij? Waar moeten wij het zoeken? Waar kunnen wij het vinden? In Bethlehem is de stal verlaten en de voederbak leeg. We moeten het hebben van horen zeggen. Het Woord van God, dat onder ons opengaat. Dat we telkens weer mogen horen, hier in de kapel bijvoorbeeld. Als we de Bijbel lezen, klinkt de hemelse boodschap in onze oren. Daar mogen we Hem aanroepen, want hij is nabij. Zo ontmoeten wij Jezus. Zijn Woord leert ons met andere ogen naar onze werkelijkheid te kijken. We hebben Hem pas echt gevonden, als we in beweging komen voor God en onze medemens. Jezus roept ons op te blijven werken aan Zijn Koninkrijk dat komen gaat. Dan kunnen we net als de herders uitroepen: ‘Gevonden!’.
Dat geloven wij. Eeuwen lang al heeft God gecommuniceerd met mensen door profeten. Ook voor ons is er vandaag weer een blijde boodschap. Hopelijk kunnen wij het de herders nazeggen, dat we Hem gevonden hebben en wie weet, durven wij dan die Boodschap steeds weer opnieuw door te geven. Amen.

2e kerstdag: Handelingen 6,8-10;7,54-60
26 december 2012, Henk Jongerius OP

Het is wel wat merkwaardig dat wij vandaag alleen maar het begin en het einde van het verhaal van Stephanus horen. Het is net alsof je een boek openslaat en van het eerste hoofdstuk gelijk naar het slot overstapt. Dat doet onrecht aan het verhaal en bovendien loop je dan de kans om de eigenlijke kern van het verhaal of de verkondiging die erin opgesloten is te missen.
Wat is er aan de hand? Stephanus hoort van zijn tegenstanders – de overheden en Schriftgeleerden van zijn dagen – dat hij verkondigt dat Jezus de tempel in drie dagen zou afbreken en de zeden en gewoonten van Mozes, de Wet, af zou schaffen. In hun oren is dat een godslastering want het vormt het fundament van hun geloof. Daarom wordt hij door hen gestenigd.
Maar wat is nu precies die prediking van de diaken Stephanus?
In een uitgebreide toespraak vertelt hij het verhaal van de stem die Abram wegriep uit zijn land om op weg te gaan naar een land van belofte. Hoe Hij zijn trouw beloofde aan zijn nageslacht. Hij vertelt eigenlijk heel het verhaal van het volk dat in slavernij terechtkwam omdat de zonen van Abraham Jozef verkochten. Hij spreekt van Mozes die hij riep om zijn volk weg te laten trekken uit de onderdrukking, hoe zij een stierkalf maakten omdat zij een beeld wilden hebben van die God, maar hoe zij gestraft werden omdat zij de leiding van die stem niet vertrouwden en hun eigen zekerheid zochten.
In heel zijn toespraak laat Stephanus zien dat mensen zich altijd verzet hebben tegen een God die hen wilde bevrijden van valse en eigengemaakte goden omdat zij zich verzetten tegen de heiige Geest.
Zij konden niet vertrouwen in een God die niet gesteld is op een tempel die 

mensen opgericht hadden want daarmee wilden zij hem in hun handen hebben. En de God die hemel en aarde maakt laat zich niet gevangen zetten in een tempel. Het verhaal van Israël is het verhaal van mensen die zich niet gewonnen willen geven aan de stem, die eigenlijk niet willen luisteren. Zij willen niet het woord dienen maar zich ervan bedienen. Het uiteindelijk resultaat is dat zij ook Jezus, de rechtvaardige, niet wilden geloven en hem monddood hebben gemaakt.
Het gevecht dat zich afspeelt tussen Stephanus en de overheden is het gevecht tussen hen die menen over God te kunnen beschikken en hen die luisteren naar het waaien van Gods Geest, het gevecht dat zich tot op de dag van vandaag afspeelt, ook in de geloofsgemeenschap van nu. Stephanus stelt ons voor de vraag of wij gehoor willen geven aan het woord, aan de stem van God die klinkt in Jezus, of aan het beeld van God dat wij zelf hebben gemaakt en dat ons een schijnbare zekerheid geeft. Kerstmis is de uitdaging of wij durven vertrouwen op een God die een weerloze mens zijn gezicht wil laten zien en ons de weg wijst of onze eigen wegen willen gaan. Wie vertrouwt op de stem zal uiteindelijk de ware vrijheid en het ware levens gelukvinden.
Ook de kerk in onze dagen staat voor de vraag of wij God werkelijk willen dienen of ons van Hem bedienen. Is God voor ons de uitdaging om waarachtig mens te worden of is hij de stok waarmee wij elkaar kleineren en onderdrukken? Het feest van Stephanus vraagt ons om kleur te bekennen en een antwoord te geven op de vraag in wie wij ons vertrouwen stellen. Laten wij kiezen voor de mens die het geknakte riet niet breekt en de kwijnende vlas pit niet dooft, de ware zoon van Abraham: het zal ons mensen van vrede maken en vrienden van God.

H. Familie: Lucas 2,41-52
30 december 2012, Ernst Marijnissen OP

Volgens de officiële kalender van het kerkelijk jaar is het vandaag het “Feest van de heilige Familie”. De evangelielezing, die ik u zojuist liet horen, vertelt dan van het gedrag van Jezus, dat op zijn minst ongewoon is, én van de zorgen van Jozef en Maria, die hun kind zijn wijt geraakt. Kinderen gaan eigen wegen en de ouders zitten in de problemen. Het is inderdaad leuk gevonden, maar het heeft niets te maken met het verhaal van Lukas en wat hij ons wil vertellen. Dit zogeheten feest is een typisch staaltje van een bepaald soort kerkelijk denken. Het gezin is belangrijk, daarin gebeurt van alles en nog wat en dus wijden we er een feest aan. Vervolgens zoeken we daarbij een tekst uit de bijbel. Na enig zoeken komen we uit bij het verhaal, dat u zojuist heeft gehoord. Daar klopt natuurlijk niets van. Het evangelie is ons niet overgeleverd als een voetnoot bij onze manier van doen en denken. Integendeel! Eerst klinkt het evangelie. Eerst worden we herinnerd aan het oerprincipe van de Heilige Schrift: Hoort Israël!! Hoort, zusters en broeders van het volk van God! Daarna pas gaan we op weg om in praktijk te brengen wat ons van Godswege wordt geleerd. Op deze regel bestaat geen uitzondering, dus ook vandaag niet. Dus……wat zegt Lukas?
Hij legt grote nadruk op de plááts, waar Jezus zich bevindt. Een verhaal van ´plaatsbepaling´. Het klinkt als een drieslag. Hij is in Jerusalem, in de tempel en in het midden der lera¬ren. Beginnen we bij het laatste. Jezus is twaalf jaar. Dat betekent dat hij zoon der wet (bar mitzwa) is en luistert naar Gods Woord. Hij doet dat Woord in zijn dagelijks leven. Want de wet, waarvan hier sprake is, is niet zomaar een wet, maar een weg: dé levensweg en de wijsheid van God. Anders gezegd: de Tora! Als zoon der wet is op Jezus van toepassing wat de profeet Jesaja uitroept: 'Jij bent mijn getuige en mijn dienaar, die Ik heb uitgekozen' (43,10). Jezus is de dienaar van de Levende, evenals Israël, het volk, en David, de herder en leidsman. Maar Hij is meer: Hij is de vervulling van Israël en van David, omdat hij luistert en het Woord Gods geheel en al over zich laat komen. Zo wordt hijzelf tot wet en profeten, tot horen en doen. Hij wordt de enige leraar van allen, die hem zoeken. Een andere leraar hebben we niet. Daarom zijn de leraren verbijsterd om zijn wijsheid. Hier wordt niet naar believe met Gods Woord gespeeld, maar wordt het liefdevol geleerd. Hier is iets anders aan de hand dan dure kerkelijke leerstellingen en levensvreemde richtlijnen. Hier klinkt het Woord zoals God wil dat het wordt gesproken.
Daarom is Jezus in de tempel, het hart van Israël. Want dáár woont de Naam van de Levende, welke luidt: Ik zal er zijn voor jullie. Die Naam is beslissend voor alles wat Jezus zegt en doet. In Jezus komen de warmte, de zorg en het samen mét ons onder¬weg zijn van God tot leven. In hem wordt dat alles zichtbaar. Zo is hij dicht bij ons: van mens tot mens. In Jezus, in deze dienaar van de Levende, blijkt de nabije God bijzonder goed op de hoogte te zijn van het veelvormig leed van kleine mensen, die overal ter wereld geslachtofferd worden op de altaren van vrijheidsberoving en economische kronkelwe¬gen. Natuurlijk waren de leraren in de tempel ontzet over Jezus' antwoorden op hun vragen. Wat Jezus zei en leerde paste niet precies in het kerkelijk plaatje. Als de kerk verstart in dogmatisme en versmalt tot een instelling met veel wetten en regels en aldus een weetal wordt, is ieder Woord van God een wonder van ruimte en nieuwe mogelijkheden.

Tenslotte lezen we dat Jezus in Jerusalem is. Jerusalem is het beeld van het einde van de pelgrimstocht van de mensen. Daarheen zullen alle volkeren tezamen stromen. Daar zullen in gerechtigheid en vrede mensen verzameld en verzoend worden. Daar zullen we ervaren hoezeer God mensen nabij is.
Jozef en Maria zoeken Jezus. Viermaal klinkt het woord zoeken. Ze zijn geen ouderpaar, dat een eigenzinnig kind zoekt, maar mensen zoals wij, die op zoek zijn naar de ware dienaar van de Levende temidden van de verwarring en onzekerheid van onze tijd. Wáár vind je hem? Die vraag is net zo wijd en groot als onze wereld, de vier windstreken. Daarom klinkt viermaal het woord ´zoeken´. Dat is toch de vraag, waarmee we zit¬ten! Jonge en oudere mensen, u allen hier, stuk voor stuk, en wij, die in een kloostergemeenschap leven. En Jezus zelf geeft ons een aanwijzing. Hij zegt: Ik moet zijn in wat van mijn Vader is. Dat wil zeggen: Jezus is de enige leraar. Alle anderen, ook het zo geheten kerkelijk leergezag, zijn leerlingen en moeten dat blijven. Hij, Jezus, maakt Gods Naam, Ik zal er zijn voor jullie, concreet in zijn woord en zijn levenswijze. Hij heeft de redding van alle mensen op het oog.
Maar wellicht vinden we deze aanwijzing nog te vaag. Laat ik het dan zo zeggen: Je kunt Jezus vinden als de enige leraar, als God in ons midden en als redder van onze samenleving, op die plaatsen waar mensen echt bezig zijn, zelfs worstelen, met de honger en de armoede in de wereld, met de vrede en de ontstellende wapenexplosie, met een eerlijke verdeling van werk en geld, waar volwassenen werkelijk zoeken naar toekomst, zodat jonge mensen weer hoop krijgen voor zichzelf en mogelijk voor hun kinderen. Waar oud en jong samen optrekken naar al deze dingen, waar ouderen niet alles weten, omdat het vroeger zo was, maar waar de jongeren ontdekken dat de ouderen even hard hunkeren naar een betere manier van samenleven, en de steun, de vitaliteit en de vindingrijkheid van een jonger geslacht nodig hebben om op weg te blijven. 
Waar allen zich -tenslotte- willen laten gezeggen door de Schriften. Wij allen zijn mensen onderweg. Jezus is één van ons geworden. Met die gedachte zijn we zó vertrouwd geraakt, dat we Jezus wel als een bondgenoot zien, maar vergeten, dat hij temidden van de reizende mensheid, de mensen onderweg, ook een eigen plaats heeft. Daarom zochten Jozef en Maria hem bij het reisgezelschap. Toen ze hem daar niet konden vinden keerden ze terug naar Jerusalem en zagen hem in de tempel, temidden van de leraren, die verbaasd en verbijsterd waren over wat hij zei en onderwees. “Waar was je nou?” vroegen ze hem. Deze vraag is als inleiding bedoeld op het antwoord van Jezus: “Weten jullie dan niet dat ik bij mijn Vader moet zijn?”. Dit antwoord moet ons wakker schudden. Het Vaderschap van God, de Levende, is duidelijk onderscheiden van het ouderschap van vader Jozef en moeder Maria.
Lukas leert ons hoe we samen op reis, op ´weg´ zijn. Mensen Onderweg! En vanaf het moment dat Jezus zoon van de Wet is openbaart hij aan ons hoe God te vinden is. Langs de weg, waar wij hem met Jozef en Maria zoeken. Temidden van de leraren, want God heeft het eerste en het laatste woord. In de tempel, huis van gebed, waar stilte heerst en de lofzang klinkt. In Jerusalem, de stad van de mens, waar we eens samenkomen en niemand meer verloren loopt.

Nieuwjaar 2013 Numeri 6, 22-27
1 januari 2013, André Lascaris OP

Dat we op 1 januari Nieuwjaar vieren is toeval. Het had op iedere andere dag van het jaar Nieuwjaar kunnen zijn. Nieuwjaar is ook geen kerkelijke feestdag. Toch is het goed Nieuwjaar te vieren. Stel je eens voor dat we zonder tijdrekening zouden zijn en geen jaren zouden tellen. Verleden en heden zouden ons als een grote kluwen, en chaos verschijnen. Door het ene jaar te laten volgen op het andere, brengen wij een orde aan in ons leven, we maken verschil tussen de ene en de andere dag. Anders zou er slechts chaos zijn, en de chaos willen we zoveel mogelijk op afstand houden. Het is dan ook geen wonder dat in de zegenspreuk die we zo juist hebben voorgelezen het woord ‘vrede’ uitdrukkelijk genoemd wordt: vrede, sjaloom, rechtvaardigheid welzijn en welvaart. Vrede is het tegenovergestelde van chaos waarin alles verdwijnt.
Vele mensen stonden eeuwen lang tamelijk positief tegenover oorlog. Een oude spreuk luidt: wie de vrede wil, moet zich voorbereiden op de oorlog. Je bent dan dus voortdurend met de oorlog bezig. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, stonden de mensen te juichen, vooral in Duitsland. Men had het gevoel dat alle onderlinge conflicten en strijdpunten als sneeuw voor de zon verdwenen waren. Er heersten vrede en eenheid in het land, omdat iedereen zich keerde tegen de gezamenlijke vijand. Een dergelijk enthousiasme is tegenwoordig ondenkbaar. De klassieke oorlogen van landen tegen elkaar bestaan trouwens nauwelijks meer. Oorlogen zijn burgeroorlogen en terreuraanslagen. De politieke leiders zijn niet in staat mensen warm te laten lopen voor een vrede ontstaan door oorlog. Ze zijn onmachtig oplossingen te vinden voor het vele geweld in de wereld, ook in ons land – ik denk aan huiselijk geweld, kindermishandeling en misbruik.
Hoe kan de vrede waarmee God ons zegent toegang krijgen tot onze wereld en tot onszelf? Demonstraties leveren meestal alleen een wisseling van politici op. Als wij werkelijk vrede willen, moeten wij ons keren tegen alles in onszelf dat geweld en oorlog kan voortbrengen. We moeten allereerst de werkelijkheid proberen te zien zoals die is. Of liever nog: de werkelijkheid zien vanuit het perspectief van de verliezers, de zwakken, de overwonnenen. We moeten op het spoor komen van wat er in onszelf leeft aan agressie, rivaliteit, afgunst, jalousie, verlangen te concurreren, achterdocht, verlangen te winnen, angst te verliezen. We moeten oog krijgen voor onze fascinatie met regels en wetten: we willen ze het liefst allemaal 

afschaffen of proberen ze zo streng mogelijk te handhaven. Meer positief gezegd: wij moeten onszelf tot een plek maken waar mensen zich veilig voelen, onbedreigd, in vrede. Dan is er een kans dat anderen ons gaan navolgen en evenzeer gaan proberen plekken van vrede te zijn.
Dit lijkt een gewelddige taakstelling aan het begin van het nieuwe jaar. Dan moet ik denken aan een fabel van de Franse dichter Charles Péguy, katholiek, maar geen kerkganger. Lopend van Parijs naar de kathedraal van Chartres kwam hij, zo vertelt hij, een steenhouwer tegen die niet erg gelukkig uit zijn ogen keek. Hij vroeg hem: “wat bent U aan het doen?” ‘Dat zie je toch’, zei de steenhouwer, ‘Ik houw stenen in de goede vorm; het is zwaar werk. Het is warm, mijn rug doet pijn, ik heb dorst. Het is een waardeloze baan. En ik voel mezelf waardeloos.’ Even later kwam Péguy een tweede steenhouwer tegen. Péguy vroeg; wat bent u aan het doen?En de man zei: ‘Ik verdien een inkomen. Ik houw stenen, het was de enige baan die ik kon krijgen. Mijn gezin is maar al te blij dat ik in deze crisistijd geld kan verdienen.’ Tegen het einde van zijn pelgrimstocht kwam Péguy weer een steenhouwer tegen. Deze had kennelijk plezier in zijn werk. Toen Péquy hem vroeg wat hij deed, antwoordde deze: ‘Mijnheer, ik ben een kathedraal aan het bouwen’.
De drie steenhouwers deden hetzelfde werk, maar de betekenis die zij gaven aan hun werk was totaal anders. Voor de eerste was de taak eigenlijk zinloos. De tweede was blij dat hij er geld voor kreeg voor zijn gezin. Maar de laatste gaf aan dat voor hem het werk een grotere betekenis had. Het was hard werk, je verdiende een loon voor je gezin, maar ook voelde deze man zich betrokken bij een geweldige taak: samen met anderen een kathedraal te bouwen. Die zou mensen eraan herinneren dat er meer is dan hard werken en geld verdienen.
Vredeswerk, werken aan onszelf, mag niet gebeuren omdat het nu eenmaal moet, of omdat we zo brood op de plank krijgen, maar omdat het vol betekenis is, het mensen tot gezegenden maakt, vrede brengt. We bouwen niet aan een kathedraal. Maar aan het rijk van God, aan zijn heerschappij op deze aarde zodat de glans van zijn gelaat zich over ons spreidt. En we doen dat met lichte schreden met voeten die als vanzelf de weg naar vrede vinden. Laten we de hand aan de ploeg slaan aan het begin van het Nieuwe Jaar. Het zal ons tot zegen zijn.

Openbaring van de Heer: Jesaja 60,1-16; Matteus 2,1-12
6 januari 2013, Henk Jongerius OP

Zoals zo vaak in het evangelie gebeurt, zijn het vreemden die ons de weg wijzen wanneer wij iets van de betekenis van God en de mensen willen begrijpen. Wij noemen hen vanouds de drie koningen en zo staan ze ook in de kerststal, maar dat komt vanwege de koninklijke geschenken die zij hebben meegebracht voor het pasgeboren kind. Over hem gaat het verhaal vanmorgen en de grote vraag is wie hij eigenlijk is.
De magiërs uit het Oosten hebben een licht gezien en zijn op zoek naar de pasgeboren koning van de Joden. Door te vragen waar hij geboren is, brengen zij koning Herodes en heel Jeruzalem in rep en roer. Zij verstoren op een geweldige manier de bestaande verhoudingen zowel maatschappelijk als kerkelijk en leggen bloot hoezeer die gebaseerd is op angst.
Herodes voelt zich bedreigd in zijn koninklijke status, raadpleegt de Schriftgeleerden en probeert het zo in te kleden dat zijn positie niet in het geding komt. Hij zal die koning ook gaan begroeten, zegt hij. Al met al vertoont Jeruzalem het beeld van een verstoorde en gesloten wereld, een vesting waarin je niet mag inbreken.
Daarom is het opvallend dat de ster die de magiërs geleid heeft, niet meer te zien is boven Jeruzalem, want het licht van God kan niet schijnen in een wereld die enkel en alleen bedacht is op eigen macht en zekerheid. Er wordt wel gelezen in de profetie over Bethlehem, maar dat daar gesproken wordt over een leidsman die als een herder het volk zal weiden, wordt alleen maar als een bedreiging en niet als een belofte beluisterd. Kortom: in deze stad wordt de roepstem van God niet meer gehoord en kan zijn licht niet schijnen.
Dat licht schijnt wel boven het huis waar Maria is en het kind dat de herder en 

leidsman zal zijn voor zijn volk en daarom ontvangt hij koninklijke geschenken. In het verhaal van deze feestdag gaat het om wie de ware koning is. Is dat Herodes, een despoot, die zich uiteindelijk ontpopt als Farao die de eerstgeborenen doodde omdat hij zich bedreigd voelde door een kind, door Mozes, of is het juist deze nieuwe Mozes, dit koningskind dat zijn volk bevrijden zal uit die wereld van angst en geweld waartoe Jeruzalem was verworden?
In Bethlehem – huis van brood – is hij te vinden die de vervulling is van de profetie. Hij spreekt ons aan, ondervraagt, bemoedigt, troost en vermaant ons in woorden van genade ‘hebt elkander lief’. Hij zal ons vragen om ons brood te breken en onze levenskracht te delen, ons hartenbloed te schenken om liefdes wil. Wij zullen het zingen opdat het zich vastzet in ons hart: ‘geef je leven zoals ik het gaf, wees mijn zachte kracht, mijn lichaam en mijn ziel in deze wereld’.
Waar dat gebeurt, zal het visioen van Jesaja over Jeruzalem, een nieuwe wereld en een nieuwe kerk, waarheid gaan worden. Er zal weer licht schijnen en de aanwezigheid van God, die zich als een woord tot ons wendt, zal weer zichtbaar worden. De duisternis en de chaos waarin wij verkeren zal wijken voor een wereld waar mensen uit alle windstreken zich verbinden met elkaar. Daar zal ons hart met blijdschap vervuld worden en wijs worden van vreugde!
Daar is geen plaats meer voor onderdrukking en listige verzinsels om eigen macht en positie veilig te stellen, daar gaan wij andere wegen. Daarom horen wij ook dat de magiërs langs een andere weg naar huis terugkeren. Het is de weg van Jezus, de ware koning, die aan ons verschijnt in het leven van dit mensenkind wiens licht over ons is opgegaan. Hij zal ons, mensen van vlees en steen, van hoop en vrees, thuis brengen en vrede geven! Zo moge het zijn!

Doop van de Heer: Jesaja 40,1-6.9-11; Lucas 3,15-22
13 januari 2013, Paul Minke OP

Het evangelie vertelt vandaag ons over Johannes de Doper en Jezus. Beiden zijn volwassen. We hebben de kersttijd achter ons gelaten. Beiden treden nu in de openbaarheid en laten van zich horen. Johannes de Doper was de zoon van een priester, van de priester Zacharias. Opgegroeid in Jeruzalem en vertrouwd met het leven in en rond de tempel kun je van hem wel verwachten, dat hij de wet en de profeten grondig kende. En hij wist ook hoe het volk, dat ieder jaar naar Jeruzalem pelgrimeerde, leed onder zijn onvrijheid en hunkerde naar een bevrijder uit alle nood. De situatie deed hem denken aan de tijd van de ballingschap van het volk, aan het optreden van de profeet die van troost en 'houd moed' sprak. Johannes trok naar de Jordaan en predikte en doopte de mensen en riep hen op zich te bekeren, zich af te keren van hun dwaalwegen en hun hoop te vestigen op Gods belofte. God is te vertrouwen. Hij identificeerde zich met de profeet van de ballingschap, eeuwen eerder. "Baan de Heer een weg in de steppe, effen voor God een heerbaan, elke dal moet gevuld, elke heuvel geslecht worden, alle oneffenheden vlak."
Op het horen van Johannes herinnerde het volk ook de andere woorden van de profeet: Beklim de hoogste berg, gij Sion, vreugdebode. Roep tot de steden van Juda: Uw God is op komst! Zie, God de Heer komt met kracht. Zijn arm voert de heerschappij. De woorden van Johannes wekten grote verwachtingen: Zou hij de Messias zijn? Zijn antwoord is duidelijk. Ik ben het niet. Na mij komt iemand die sterker is dan ik. Johannes ziet zichzelf als voorloper, aanzegger of wegbereider, als iemand, die het volk ontvankelijk moet maken voor de Komende, voor hem, die het volk zal dopen met de heilige Geest en met vuur.
En dan begint een zeer geladen zin in het evangelie waarvan het begin luidt: "Terwijl al het volk zich liet dopen en Jezus na zijn doop in gebed was…." De doop van Jezus wordt terloops vermeld. Jezus wordt met het volk gedoopt, als één met hen, even onopvallend als de doop van de andere mensen. Wel opvallend is dat Jezus daarna in gebed was en dat dan gebeurt wat Matteus en Marcus vertelden wanneer zij doop van Jezus beschrijven: het geschiede dat de hemel openging en dat de Heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif over hem neerdaalde. en dat een stem uit de hemel sprak: "Jij bent mijn beminde zoon. In jou heb ik mijn welbehagen." Of Jezus alleen de woorden hoorde of ook het volk dat daar aanwezig was, dat maakt Lucas niet duidelijk. Maar hij vermeldt het wel aan ons. Wat hier beschreven wordt is een ervaring die eigenlijk niet te beschrijven is. Zij heeft het leven van Jezus totaal veranderd zoals we weten uit het evangelie. Jezus, vervuld van de heilige Geest, sprak voortaan God aan met Abba, Pappa. Hij was 

zo overtuigd van de liefde van de Vader voor hem en zijn volk, dat hij niet langer zwijgen kon over wat de Vader wilde: de mens voor zich winnen, hem een thuis geven in een Rijk van vrede waar de dood niet meer zal zijn. Hij was zo bezield door de Geest, dat hij alle mensen in zijn hart sloot ook de zondaars, de zwakkelingen, de mensen die zich schuldig of beschaamd voelen om wat zij aan kwaad hadden begaan of wat zij zichzelf en anderen hebben aangedaan. Hij was zo bewogen door de Geest, dat hij onvermoeibaar stad en land doortrok om de Blijde Boodschap te verkondigen: Bekeert u, het Rijk Gods is nabij.
De woorden van de stem uit de hemel herinneren Jezus en ons aan de woorden, die wij ook lezen bij Jesaja, over de dienstknecht van de Heer "Zie hier mijn dienstknecht, die ik ondersteun, mijn uitverkorene. Ik heb mijn geest op hem gelegd en hij maakt de volkeren het recht openbaar."
Zo openbaarde de Vader zelf aan Jezus en ons: wie Hij is: zijn geliefde zoon. Zo openbaarde de Vader ook, dat in Jezus de heilstijd begonnen is. Zo openbaarde de Vader dat in Jezus de ware God zichtbaar wordt, dat Hij gekend wordt in wat hij zegt en doet, in zijn menslievendheid.
De doop en het gebed maakten Jezus tot een herboren mens, een nieuwe mens Terugvallend op zijn eigen ervaring zal Jezus tegen Nicodemus zeggen: "Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien." (Joh 3,3). Jezus zag het en verkondigde het. Hij doorbrak de verstarde traditie, die geen ruimte laat voor de liefde tot God. Hij doorbrak het benepen verstaan van de wet, de vele menselijke regels die geen ruimte laten voor de hartelijke en oprechte liefde tussen mensen. Hij doorbrak allerlei vooroordelen, die mensen doen vervreemden van elkaar en geen ruimte laten voor de ware gemeenschaps zin en saamhorigheid.
Maar Jezus wilde meer. Hij wilde zijn Geest delen met ons. Hij wilde dat wij net zo bezield waren voor zijn visioen als hij het was. Hij wilde dat wij net zo bewogen waren als hij was dank zij de Geest dat wij op onze beurt vertrouwen uitstralen in Gods toekomst met ons. Johannes de Doper zei het al: Hij zal u dopen met de h. Geest en met vuur.
Wij zijn gedoopten, toegerust met de Geest, die alles nieuw maakt. Voor ons is als het ware de hemel open gegaan en heeft God gesproken Wij zijn binnen gevoerd in het Liefdesverbond met God, onze Vader, geroepen tot zijn bondgenoten in navolging van Jezus, zijn geliefde Zoon. Aangesproken zijn wij met de woorden, die vandaag ook tot hem gesproken zijn: Jij, Ik heb je lief. Jij hoort bij mij.  In jou heb ik mijn welbehagen. Amen.

Bruiloft van Kana: Jesaja 62,1-5; Jophannes 2,1-12
19 januari 2013, Antoon Boks OP

Soms is het onmogelijk om iemands enthousiasme te dempen. Een goede kennis van me was net voor de eerste keer grootmoeder geworden. We kregen zelfs niet de kans om haar te vragen hoe het ging met haar zwangere dochter. Zodra ze binnenkwam bij een vergadering kondigde ze met een duidelijk luidere stem aan: "Ik ben oma geworden!" Iedereen was blij, glimlachte en sommige mensen riepen meteen: "Gefeliciteerd oma!" Ze was ook heel blij, want de zwangerschap van haar dochter was moeilijk geweest. Die maanden van wachten lijken voor veel mensen een eeuwigheid te duren.
Een soortgelijke uitbundige aankondiging hoorden we vandaag in de eerste lezing. Het vond plaats na een lange periode van wachten. Dit deel van het boek Jesaja is geschreven in de tijd dat de mensen van Juda terugkeerden naar Jeruzalem. De profeet klinkt vol vreugde over de wedergeboorte van een volk.
Ze werden ooit genoemd ‘verlatene’ en ‘woestenij’. Maar nu worden ze opnieuw geboren en ze krijgen nieuwe namen: ‘mijn welgevallen’ en ‘getrouwd’. De profeet doet net als die grootmoeder: hij kan het nieuws niet voor zichzelf houden, "omwille van Jeruzalem zal ik niet stil zijn". Al die mensen die hoorden wat er in het verleden gebeurd was, zullen nu horen over de dingen die God heeft gedaan voor Juda en over de nieuwe relatie die de mensen van Juda met hun God zullen hebben.
Ze geloofden dat zij in ballingschap waren gevoerd omdat zij gezondigd hadden door andere goden te aanbidden. Daarom is een terugkeer uit ballingschap meer dan alleen maar naar huis gaan. Nu zijn hun zonden vergeven en zijn ze verzoend met God. De nieuwe namen die aan hen zijn gegeven zullen een andere relatie met God onthullen.
Op de vraag wie de God van Juda is, geeft Jesaja ons een zeer duidelijk beeld. Die God deed lang geleden al veel, maar die God schiep niet alleen de natie. Iedere keer dat de leden van die natie zondigden aanvaarde die God hen weer, niet met tegenzin, maar met de hartstochtelijke liefde van een echtgenoot. "Want zoals de vreugde van een jongeman, die trouwt met een jonge vrouw, zo zal uw God Zich over u verblijden." In deze woorden zit een vergelijking met het huwelijk. Daarom is deze lezing vandaag gekoppeld aan het evangelie over de bruiloft van Kana.
Het is een bruiloft; daarom zijn er feestelijke geluiden op de achtergrond. Daar laat Johannes het openbare leven van Jezus beginnen.
Het is duidelijk dat Johannes ons niet alleen iets wil vertellen over het geschenk

 van Jezus aan het pas getrouwde stel. In dit verhaal legt Johannes heel duidelijk een verbinding met het feit dat God doet wat Jesaja met zijn mooie beeldspraak heeft aangeduid. God neemt het volk voor altijd aan. Voortbordurend op die beeldspraak is een bruiloft een geschikte plaats om aan te kondigen dat Jezus zijn openbare leven begint. De bruidegom is gekomen om te laten zien, wie de bruid is.
Het gaat hier niet om Kana, een kleine stad met een toevallige bruiloft. Nee, het gaat hier om Jezus de gastheer op een altijd durende bruiloft tussen God met Gods volk en Hij is degene die zorgt voor de goede wijn.
Johannes schrijft in zijn tekst van de Blijde Boodschap niet over de instelling van de Eucharistie. Maar het is een zeer Eucharistisch evangelie met steeds weer toespelingen op de Eucharistie. Daarom eindigt dit verhaal ook met de woorden dat dit het begin van Jezus’ tekenen was. De Eucharistie zoals wij die vandaag vieren is nog steeds een teken dat Jezus ons blijft geven. Hier wordt de profetie van Jesaja steeds weer vervuld want wij verzamelen ons weer en we krijgen de beste wijn te drinken. Jezus is niet alleen onze gastheer bij deze Eucharistie banket, maar Hij is er ook als de totale vervulling voor ons.
Vandaag vieren we voor de derde keer de openbaring van de Heer: de eerste was die aan de wijzen, vorige week gevolgd door de openbaring bij het doopsel van Jezus en vandaag Jezus verschijning op de bruiloft van Kana. Daar vertelt Johannes ons dat Jezus zijn heerlijkheid openbaarde aan de leerlingen, die in Hem begonnen te geloven. Dat is natuurlijk een mooi einde aan een charmant verhaal, maar er is meer. Wij hoorden het verhaal, maar hebben we daar Jezus’ identiteit ook in geproefd? Want dat wordt aangegeven door het woord ‘heerlijkheid’.
In de Bijbel wijst glorie naar iemands innerlijke kwaliteit die respect van anderen oproept. Heerlijkheid wordt daarentegen op de meest juiste wijze toegeschreven aan God als we vandaag in onze Eucharistie zingen: "Eer aan God in den hoge." Het wonder van Kana onthult de identiteit van Christus. Het helpt ons ook om de aanwezigheid van Gods glorie in Hem te zien. Johannes belooft ons dat er meer tekenen zullen komen om de glorie van God in Christus te openbaren.
Wanneer Johannes ons aan het einde van het verhaal van Kana vertelt dat Jezus zijn heerlijkheid aan zijn discipelen openbaarde, dan loopt hij al vooruit op Jezus’ verrijzenis, want toen was zijn uur werkelijk gekomen en zijn heerlijkheid voorgoed geopenbaard.