PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2005-2006 (B)


4e zondag door het jaar: Deuteronomium 18,15-20; Marcus 1,21-28
29 januari 2006, Henk Jongerius OP

Op de keeper beschouwd leven wij mensen van woorden: de belangrijkste beslissingen in ons leven worden bekrachtigd met een 'ja woord'
of het nu gaat om een levensverbintenis of het spreken van waarheid in de rechtspraak. In zo'n woord geven wij aan anderen te kennen dat zij op ons kunnen vertrouwen en zodoende hoopvol naar de toekomst kunnen kijken. In zo'n woord hoor je dat anderen je niet zullen laten vallen en dat geeft je leven geborgenheid en veiligheid.
Waar die woorden niet klinken verwordt het leven tot een stil en zwijgzaam veronderstellen van de goede bedoelingen van een ander en krijgt de verhouding over en weer geen naam, wordt niet benoemd en uitgesproken. Dat is bedreigend en roept angst en vrees op
Wanneer Mozes aan zijn mensen onderweg de verzekering geeft dat het van Godswege ook niet ontbreken zal aan profeten, horen wij datzelfde terug. Het volk hoeft niet langer beducht te zijn voor 'dat grote vuur en die geweldige stem' waarmee de Eeuwige wordt aan-geduid, maar mag erop vertrouwen dat er mensen zullen zijn altijd weer die ons vanuit die onbestemde vrees in de geborgenheid binnenvoeren. In Jezus heeft dat vuur en die grote stem een

menselijk gezicht ontvangen en mogen wij het woord van God in levende lijve zien en horen. Dat woord verdrijft boze geesten die ons leven tot een verschrikking kunnen maken, doorbreekt het zwijgen en schept ruimte en levensadem.
Wanneer wij een kind dopen roepen wij de naam van de Eeuwige over hem af: Vader, Zoon en Geest opdat in hem levend wordt het vertrouwen in de Schepper van alle leven die het werk van zijn handen niet verlaat. Wij dopen in de naam van de Zoon opdat hij kan leven in het vertrouwen dat hij geborgen is in de vaderlijke en moederlijke liefde van de Eeuwige en wij bidden om de Geest, de levensadem van God om vrij en verwonderd te kunnen leven voor Gods aangezicht.
Zo moge hij groot worden in het voetspoor van de man van Nazareth, de zoon van Abraham, de grootste onder alle profeten, en op zijn manier het kwaad uit de wereld weg te bannen en in liefde te leven met andere mensen.
Bouwe Dirk en Donny, geloven jullie dit van ganser harte en wil je dat jullie kind opgroeit in dit geloof, in die hoop en in liefde?
Laat dan de dopeling binnenkomen en wij belijden met elkaar ons vertrouwen in de God van onze vaderen, de Bron van ons leven, het Hart dat ons behoedt en bemint.

5e zondag door het jaar: Job,7,1-7: lezing: Marcus 1,29-39
5 februari 2006, Theo Koster OP

Ziekte of ander lijden dat je treft, maakt de wereld klein. Als mensen je vragen, hoe het met je gaat, begin je als vanzelf over jouw ellende. Waarom moet mij dit treffen, vraag je je af. Zit God hierachter, is dit de wil van God die mij op de proef stelt, of Zijn straf? Heb ik het aan mezelf te wijten? Je kunt dit alles jezelf wijs maken of door anderen het je wijs laten maken, en het resultaat is, dat je nog dieper wegzakt in jouw ellende. Talloos zijn de adviezen die je in zo'n situatie krijgt. Ieder weet wel een dokter of een middel, dat je beter kan maken. Het resultaat kan zijn, dat je als een gek van hot naar her gaat, en vele wonderdoeners er een dikke boterham aan over houden.
Met het waarom wordt ook Job geconfronteerd, als hij alles verliest wat hem dierbaar was: zijn kinderen, zijn welvaart, zijn gezondheid. Zijn vrienden staan gelijk voor hem klaar, suggereren oorzaken en komen met goede raad. Maar Job is niet geïnteresseerd in het waarom, en legt de goede raad naast zich neer. Job ervaart zijn lijden en dat van andere mensen als een groot onrecht, dat je niet kunt goed praten of wegpoetsen. Ook weigert hij er zich bij neer te leggen en komt in opstand. Wat hem dwars zit spreekt hij uit, klaagt hij aan tegenover de enige, die echt naar hem luistert en hem in zijn ellende serieus neemt. Wie is diegene die echt luistert, niet naar oorzaken zoekt, maar oog houdt voor Job zelf, zich niet verschuilt achter goede raad, maar stil bij Job blijft zitten? Wie is diegene die Job niet verder in de put praat, maar hem in zijn opstandigheid bevestigt?
In het evangelie, het goede nieuws, geneest Jezus de schoonmoeder. Haar reactie valt mij op: zij begon voor hen te zorgen. In de avond genas Jezus vele zieken van allerlei kwalen, en hij drijft demonen uit. Deze demonen moeten wel hun mond houden, want zij wisten wie hij was. Simon en de anderen die bij Jezus waren wisten dit niet. Dat blijkt uit hun reactie. Als Jezus zich op een eenzame plek heeft teruggetrokken om te bidden, storen zij hem: iedereen is naar u op zoek. Dit moet Jezus een geweldig gevoel geven. Het populaire programma Idols is hierop gebouwd. Afgelopen maanden ontving ik enkele malen een mail van een deelnemer met het verzoek: stem op mij, en vraag ieder die je kent een smsje te sturen. Toen Idols nog niet bestond kreeg Jezus dus al de kans een echte Idol te worden.
Wie zou dat niet willen: het middelpunt van de aandacht, een belangrijk mens zijn?
Daarom is de reactie van Jezus op het eerste gezicht wat vreemd. In plaats van in te gaan op dit verzoek, gaat hij naar andere dorpen, om daar ook het goede nieuws te brengen. Zij die een beetje op de hoogte zijn weten wat Jezus met dit goede nieuws bedoelt: het koninkrijk Gods dat is aangebroken. Zijn jullie vanwege dit koninkrijk hier naar Huissen, naar deze kapel gekomen? Net als Jezus hebben jullie de stilte opgezocht en gemediteerd. Jullie hebben ervaren, dat de stilte je bang kan maken. Mensen zijn niet graag bang, vandaar de vele afleidingen en het

rumoer waarin wij leven. In de stilte, helemaal teruggeworpen op jezelf, kom je jezelf tegen. In de stilte, als niemand je toejuicht of afkat, ontdek je jouw ware aard. Je bent maar een mens, zoals iedereen; of als je jezelf minderwaardig vind: ik ben een méns, dus de moeite waard.
Ook in ziekte en ellende kom je jezelf tegen, hoorden we in de eerste lezing. Precies dat brengt Job in opstand. Als mens valt hij niet samen met de ellende die hem trof. Job doet dan ook niet alsof dit het enige is wat telt. Hij ziet er niet uit met al die wormen en korsten, maar deze wormen en korsten zijn Job niet. Gezondheid is toch maar alles is bijbels gezien grote onzin. Ieder mens is zoveel meer dan het lot wat hem treft, dus sluit je niet op in dit lot, en verzet je tegen alle goede bedoelingen die als effect hebben, dat je opgesloten raakt. Job komt in opstand tegen zijn lot en verzet zich tegen zijn vrienden. Er zijn er maar twee die aandacht hebben voor Job zelf, en niet alleen voor zijn ellende: dat is Job zelf, en dat is God tegen wie Job in zijn eenzaamheid praat.
Wie is God? Niemand kan ons dit precies vertellen, maar het evangelie zet ons op het goede been. Wat je zou verwachten doet de schoonmoeder na haar genezing niet; geen verheerlijking van Jezus. Als een goede gastvrouw heeft ze oog voor haar gasten, en gaat voor hen zorgen. Na vele genezingen zoekt Jezus de eenzaamheid om te bidden. Als geen ander weet hij dat hij God niet is, en moet zorgen het contact met God niet te verliezen. Wanneer je bijzondere dingen doet is het gevaar groot, dat je het contact met jezelf en dus ook met God verliest. Daarom moeten de demonen zwijgen. Zij weten, dat Jezus een bijzonder mens is; zij voelen God in dit kind van God aan het werk. Door hen het zwijgen op te leggen voorkomt Jezus, dat wij mensen een verkeerd beeld van God krijgen. God is geen krachtpatser, geen wonderdoener, geen antwoord op alle vragen, maar een levend protest tegen alles wat het leven bedreigt dat God ons schonk.
In contact met God merkt een mens, dat hij mens is temidden van medemensen, zusters en broeders. God maakt van ons iedere keer weer opnieuw mensen. Het engelse woord Idol betekent afgod. Als anderen tegen je opzien, een idool van je maken, zorgt het contact met God, dat je weer wordt die je bent: een heerlijk mens.
Als ziekte of ander lijden jou doet vergeten dat je meer bent dan deze ziekte, deze ellende, dat een mens zoveel meer is dan gezondheid, een gaaf lijf, succes, dan zorgt het contact met God, dat je jezelf weer ontdekt als mens.
Jezus gedraagt zich menselijk en heeft oog voor anderen. Op deze andere mensen heeft dit het effect, dat ook zij weer mensen worden, die zorgen. Dit is het goede nieuws dat Jezus verkondigt en doet ervaren, want waar dit gebeurt merk je, dat het koninkrijk van God is aangebroken. Wees mensen, hoor ik vandaag, en verloochen je afkomst niet. Wees mensen en breng zo God de eer die Haar toekomt.

6e zondag door het jaar: leviticus 13,1-46; Marcus 1,40-45
12 februari 2006, Ernst Marijnissen

Om de betekenis van het evangelieverhaal te verstaan moeten we ons herinneren waarom wij geloven dat God eens, lang geleden, op de berg Sinaï een verbond heeft gesloten met Israël. Ik spreek dan over het bijbelse Israël, waaruit Jezus van Nazaret is voortgekomen, die op zijn beurt het oude en toen vervallen Israël heeft opgericht en gemaakt tot een godsvolk, dat wereldwijd uit alle volkeren wordt bijeengeroepen. De opdracht van dit volk, en dus van de kerk, bestaat hierin, dat wij de gestalte van de mens, zoals God die voor ogen heeft, ten dienste van de wereld moeten tonen in woord en daad. Het gaat om de menswording van de mens. In talrijke bijbelse verhalen wordt de uitwendige gedaante van de mens vaak gebruikt als de vertaling en de uitbeelding van het innerlijk en de diepste kern van het schepsel, dat God roept om zijn beeld en gelijkenis te zijn. De melaatse mens in dit evangelie voert ons niet naar een boek over geneeskunde, maar naar het hart van onze roeping. Die roeping zegt, dat wij leerlingen van Messias Jezus zijn.
Het bijbelboek Leviticus, waaruit de eerste lezing genomen is, is het middelste boek van de Tora. Deze Tora is de levenswijsheid van God en richtingwijzer voor allen, die op weg willen zijn naar de bevrijding van elke vorm van slavernij en schending van de menselijke waardigheid. Twee opdrachten staan in dat boek centraal: weest heilig en weest rein. De oproep tot heiligheid mogen we niet zo maar gelijkstellen met onze gedachten over 'heilig' zijn. Zowel het Hebreeuwse als het Griekse en Latijnse woord voor heilig is afgeleid van het werkwoord afsnijden. Je bent heilig als je afgesneden bent. Maar waarvan moet je dan zijn afgesneden? Het antwoord ligt opgesloten in de uitspraak van Leviticus: weest heilig zoals ik, jullie God, heilig ben. Waarom is God dan heilig? Niet omdat God braaf is of zoiets. Neen, God is heilig, namelijk afgesneden van alles wat de liefde besmet en het goede bedreigt. Daarom noemen we God liefde, en is God vrij van elke vorm van geweld. God is leven, want God is vrij van alle dood. Als wij aan de kant van God gaan staan zijn we heilig. Niet omdat we zo braaf zijn, maar omdat we opkomen voor het leven van de schepping, de waardigheid van de mens en het je volledig onthouden van geweld. Dan ben je een mens naar Gods beeld en gelijkenis. Zo is Jezus ook bij uitstek het beeld en de gelijkenis van God geworden. Hij was vol liefde voor zijn medemensen en wars van alle geweld.
De tweede opdracht luidt: weest rein! Dan gaat het niet zozeer om reinheidswetten en regels, maar om de omgang tussen de mensen onderling. Rein is die mens, die anderen niet discrimineert, noch om hun godsdienst, noch om hun politieke overtuiging, noch om hun huidskleur en cultuur. Rein is de mens, die spreekt naar buiten toe zoals hij van binnen werkelijk denkt. Wie in en door de liefde leeft kan niet liegen. Rein is de mens, wanneer hij de ander niet bedreigt of verstoot. Rein is de mens die begrijpt dat heel ons bestaan, dag in dag uit, rein wordt als we in onze communicatie met anderen betrouwbaar zijn.
In het evangelie wordt gesproken van een melaatse mens. In de dagen van Jezus was die ziekte ongeneeslijk en zeer besmettelijk. Daarom nam de mensengemeenschap maatregelen om zich tegen melaatsheid te beschermen. We hebben dat gehoord in de eerste lezing. De melaatsen werden uitgebannen naar verre plaatsen. Ze mochten niet met hun familie, vrienden en bekenden  in

aanraking komen. Ze waren gewapend met kleppers en bellen om te waarschuwen als ze eraan kwamen om het voedsel in ontvangst te nemen, dat hun verwanten, die zelf op een veilige afstand bleven, op bepaalde plekken neerzetten. Zo wordt de melaatse mens een voorbeeld van het niet rein zijn. Er was geen echte communicatie mogelijk. Je viel buiten het leven, buiten het bestaan.
Daarom is Jezus tot in zijn diepste innerlijk ontroerd. Want in het Evangelie en heel de Schrift gaat het om veel meer dan lichamelijke melaatsheid. Ik zei dat al in het begin van deze overweging.Het gaat om de melaatsheid van ons binnenste, onze ziel, onze diepste roerselen. Het gaat om de bedoelingen van Leviticus: weest rein, mensen, leeft allen samen en verliest niemand uit het oog! Welnu:Jezus ontmoet in deze wereld het omgekeerde. Hij ontmoet de mens, die slaaf is van alles en nog wat, niet alleen van onze medemensen, maar ook van onszelf, van de dingen om ons heen, van onze principes en dogma's, onze regels en verplichtingen. Ik zeg niet dat er geen principes en dogma's, wetten en regels mogen zijn, maar dat we er als vrije en bevrijde mensen mee moeten omgaan. De wetten mogen ons niet besturen, maar wij dienen de wetten te hanteren. Ze mogen anderen niet tot slaaf maken en ze mogen absoluut niet leiden tot dictatuur, terreur, discriminatie en fundamentalisme. Dan zijn we bezig met de kaalslag van onze samenleving. Van dat alles is in de bijbel Egypte een beeld. Daar zuchtte en kreunde het volk van God onder het slavenjuk. Daar hebben ze tot God geroepen, ja geschreeuwd om ontferming, precies zoals die mens uit het evangelie. En God heeft ze gehoord. En God heeft ze uitgeleid en bevrijd. Daarom hebben de Tien Goede Woorden als aanhef: Ik ben de Aanwezige, jullie God, die jullie bevrijdt uit Egypte. Daarom zullen we altijd om ontferming blijven roepen en zal God ons verhoren. Zouden we niet langer om ontferming roepen dan verdwijnt God uit ons midden. Kan Hij niet bij ons wonen. God wil nu eenmaal een God van ontferming blijven, omdat wij mensen altijd weer tot nieuwe vormen van slavernij vervallen. Zolang we doorgaan met andere mensen uit te sluiten en hen melaats verklaren zijn we zelf melaats, zijn we dus in bijbelse zin onrein. We gaan niet goed met elkaar om en omwille van de communicatie, waartoe God ons geschapen heeft, moeten we blijven roepen: als jij wil kun je mij, kun je ons rein maken. En altijd zal God antwoorden: als je dat van binnen uit vraagt: wil ik dat. Wordt rein!
Het volk van God, de kerk, de mensen van die kerk, zullen zich dat steeds moeten herinneren. Doen we het niet, dan wanen we ons niet langer meer slaven te zijn. We worden als het ware zelfstandig. We zijn als alle andere volkeren op de wereld. We hebben onze eigen grondwet en regels. We beslissen zelf en bepalen zelf wie God is en hoe God handelt en hoe je over God moet denken en spreken. Hoe en waar God straft of beloont. We hebben onze eigen God gemaakt. Dan roepen we niet meer om ontferming en bevrijding uit onze slavernij van onmenslievendheid. De kerk wordt hoogmoedig en ijdel en loopt haar eigen gouden kalf achterna. Dan zijn we onze bevrijder vergeten. Zo'n god houdt het niet uit in onze moderne wereld. Zo'n beeld van God verdampt!
Ik wil het, wordt rein. Jezus leert ons de ontroering van God met de mens, die zich buigt en smeekt om ontferming.

7e zondag door het jaar: Jesaja 43,18-24b; Marcus 2,1-12
19 februari 2006, André Lascaris OP

Dit verhaal lijkt wat ver van ons af te staan. In de tijd van Jezus was er een felle discussie over de vraag of God al of niet zonden vergaf en hoe dan wel, en of mensen anderen zonden, kwaad, konden vergeven. Na tweeduizend jaar christendom beseffen we - langzaam overigens - dat God inderdaad een God is van vergeving, een God die volgens de profeet Jesaja telkens weer een nieuw begin maakt met mensen, iets nieuws gaat verrichten en onze blik op de toekomst vestigt i.p.v. op het verleden. Niet omdat mensen zo goed zijn, maar omdat God de God van liefde is, vergeeft God, geeft God toekomst, een nieuw begin, ruimte. Ook dat mensen elkaar kunnen vergeven en dat dan ook bij God vergeven is, is langzamerhand tot ons doorgedongen. Bovendien hebben wij niet meer dat sterke zondebesef van vroeger, waardoor bijna alles zonde was. Wat voor een zonden doe ik nou?, hoor ik mensen zeggen; Ik zorg voor mijn gezin, en houd rekening met mijn collega's, ik geef aan goede acties.
Dus mijn eerste neiging is dit verhaal over te slaan. Maar dan krijg ik een e-mail, een reactie op wat ik ooit geschreven heb, van iemand die verlamd is door haar, zijn verleden. Of een telefoontje.
Als ik dan naar de tekst kijk, dan zie ik dat er verschillende rollen in voorkomen. Welke rol kies ik? Daar is Jezus die bevrijdt;.Wij zijn misschien niet zo gauw bereid om in een bibliodrama, een spelen van het verhaal, zijn rol te spelen. Toch worden wij wel degelijk geroepen te handelen zoals hij deed, hem te imiteren en na te volgen..
In het huis zitten schriftgeleerden, - velen van ons kennen genoeg van de christelijke traditie om zich 'kenners' te kunnen noemen. 'Kenners' weten veel over de bijbel, maar weinig over mensen. Daarom dat ze weinig van God afweten waarvan de mens het beeld is. Ze maken God tot een obstakel. Is dit onze rol?
Dan zijn er nog de mensen die een menigte vormen die de deur blokkeren. Ze laten niemand door. Ieder op zich zou dat nog wel gedaan hebben, maar nu vormen ze een menigte, ze zijn met elkaar verkleefd. Ze zijn eigenlijk even verlamd als de verlamde. Zo ook kunnen wij verlamd zijn, door helemaal betrokken te zijn op wat 'men' vindt. Dan is er de verlamde. Leven we inderdaad vrij, of zijn we 

verlamd. Bijvoorbeeld doordat we voortdurend tegen anderen aan kruipen en zo een menigte, en een blokkade vormen?
Of zijn we verlamd door het kwaad dat we zelf bedreven of bedrijven? Of omdat we deel uitmaken van bepaalde gebeurtenissen, van een context. Zo ben ik geboren aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. En dat kan mij in zekere zin vergiftigd hebben. Het verleden dragen we met ons mee, en we beseffen niet hoe dat verleden door ons doen en laten heen sijpelt, en eventueel anderen mede vergiftigt.
Of zijn we verlamd omdat we wel de splinters zien in het oog van anderen, maar niet de balk in onze eigen oog. Die balk maakt ons blind, verlamt ons.
Of zijn we mensen die alles maar inhouden, al het vuil onder de tafel schuiven? Maar dan komt er toch een conflict. En we herkennen ons zelf nauwelijks daarin. We staan verbaad over onze eigen lafhartigheid, over onze woede die uitbarst, over het feit dat we teleurstellingen niet kunnen verwerken, over de haat die in ons hart blijkt te leven. Dit alles wijst erop dat we onszelf verlamd hebben, en nu we daaruit weg willen, zijn we de vaste bodem kwijt, zijn we onszelf kwijt.
Zijn we verlamd omdat we ons machteloos voelen oog in oog met de rampen in onze wereld, Of omdat we gewoon de bekommernis niet voelen, wanneer we de pijn van anderen zien.
Afgezien van Jezus zijn de vier mensen die de lamme dragen, de belangrijkste rollen in het verhaal. Omwille van hun geloof, van hun vertrouwen, niet omwille van dat van de verlamde, vergeeft en geneest Jezus. Zij zijn die mensen die anderen durven aanspreken op een stevige en tegelijk positieve manier. Elkaar corrigeren. Moeilijk! Durven zeggen tot iemand: je kunt het best, je moet dit of dat niet doen, je kunt beter zus of zo doen - dat vanuit bekommernis, niet vanuit het verlangen te beledigen. Mensen te zijn die zich niet laten afschrikken door een menige die de deur naar de toekomst blokkeert, maar langs een andere, onverwachte weg doorbreken naar de bron. Zij lijken op Jezus zelf, die in hun vertrouwen zijn eigen vertrouwen in God herkend.
Verlamde mensen zijn er velen. Wellicht is het onze rol een van de vier dragers te zijn, en kunnen we nog een paar dragers vinden.

8e zondag door het jaar: Hosea 2,16b-22 Marcus 2,18-22
26e februari 2006, Henk Jongerius OP

Naast de beelden van herder, Heer van de wijngaard of koning, is het beeld van bruidegom en bruid een van de meest indringende manieren om de verhouding van de Eeuwige tot zijn volk aan te duiden. Door dit beeld te gebruiken suggereert de profeet Hosea dat de een niet zonder de ander kan bestaan, want zij zijn, zoals het over de mens en zijn vrouw geschreven staat in het boek van de schepping, elkanders 'hulp', elkaars tegenover. Zij zijn partners die door hun wederzijdse trouw de ander tot zijn recht laten komen, hun gezicht laten zien! Het is de opdracht van Israel om in onze wereld 'God aan het licht te brengen', te laten zien wie de Eeuwige voor mensen is! Maar als het volk ontrouw is geworden aan die roeping, zal zij als een ontrouwe echtgenote in de woestijn gestuurd worden om daar weer te leren dat de Eeuwige haar 'man' en niet haar 'baäl', afgod, is!
Het is niet toevallig dat zij juist naar de woestijn gestuurd wordt want daar in die plaats van ontbering en beproeving zal zij zich weer kunnen herinneren hoe de Eeuwige daar ooit het volk heeft heengeleid na het uit de handen van farao en het angstland Egypte bevrijd te hebben.
Wanneer Jezus antwoordt op de vragen van de Schriftgeleerden over het vasten dat mensen die op een bruiloft genodigd zijn toch niet kunnen vasten zolang de bruidegom in hun midden is, herinnert Hij aan die verbondenheid van God en mensen waarvan Hij het toonbeeld en de belichaming is. Jezus is in ons midden om die oorspronkelijke verhouding en verbinding tussen God en mensen te herstellen en te vernieuwen. In zijn woorden worden wij geroepen om met de Eeuwige te gaan leven als met 'onze hulp', zoals wij in ons openingslied uit

 psalm 103 vandaag gezongen hebben: 'Hij roept ons leven weg uit het graf, maakt onze dagen vol van geluk en als een arend herleeft mijn jeugd'.
Jezus wijst de vastenpraktijk van zijn vragenstellers af omdat zij niet willen erkennen hoe in zijn woorden de Eeuwige zelf hen roept tot partners in zijn verbond, tot mensen die hun bestaan vieren als was het een bruiloftsfeest! Wij worden door God zelf uitgenodigd om te leven in zijn tegenwoordigheid. Hij is het die ons roept en als wij ons hart en onze oren openen voor zijn woorden, wordt ons leven ontdaan van angst en vrees. Nog steeds is het zijn stem die ons wegroept uit Egypte en de vrijheid van zijn kinderen wil binnenvoeren. Maar als wij die stem smoren en Jezus doden zullen ook wij opnieuw in de woestijn moeten gaan beseffen tot wat voor leven wij geroepen worden.
In het ware vasten gaat het erom te leren wat ons leven zin en toekomst geeft. Het is geen manier om ons tegenover God te rechtvaardigen door ons van eten en drinken te onthouden. Wie werkelijk vast, gaat beseffen dat wij niet door onze onthouding weer tot God kunnen komen, maar dat Hij groter is dan ons angstige hart en het zonder God geen leven is.
Het oude is voorbij als houding als stof verwaait op de wind, maar het nieuwe is er als wij vertrouwen op God die ons roept, die ons opricht uit het stof en ons opnieuw geboren laat worden tot mensen die in gerechtigheid de wereld bewoonbaar maken, een plaats waar wij leven onder de wolk van Gods tegenwoordigheid als kinderen in zijn huis! Eén woord is voldoende, als wij luisteren en het van harte beamen!

H.Drieeenheid: Deuteronomium 4,32-40; Matteüs 28,16-20
11 juni 2006, Henk Jongerius OP

Deze week las ik over de grote theoloog en kerkvader Augustinus dat hij, naarmate hij ouder werd een veel grotere onzekerheid en twijfel aan-gaande God te kennen geeft dan wij uit zijn theologische geschriften zouden vermoeden. Hij is daarin te vergelijken met de grote dominicaan Thomas van Aquino die op het eind van zijn leven opmerkte dat alles wat hij over God geschreven had meer vertelde over wie God niet is dan wie Hij wel is. Beide theologen wijzen ons uiteindelijk op het ongrijpbare mysterie dat God is. Wil dat zeggen dat wij maar beter over God kunnen zwijgen? Dat lijkt me onmogelijke want er leeft in mensen een onuitroeibaar religieus verlangen. Maar waar zullen wij te rade gaan als wij iets zouden willen zeggen over God?
Zoals Augustinus en Thomas bij al hun denken uiteindelijk uitkwamen bij hun levende ervaring, zijn ook wij aangewezen op het leven zelf waarin wij een vermoeden van God kunnen opdoen. In het Boek Deuteronomium horen wij hoe Mozes zijn mensen wijst op hun leven waarin zij zoiets als een 'stem' gehoord hebben, een ervaring hebben opgedaan van een God die hen iets gedaan heeft! Hij wijst hen op de bevrijding die zij hebben ondervonden toen zij losgemaakt werden van de slavernij in Egypte en ruimte kregen om in vrijheid te leven!
Als ook wij lezen in het boek van ons eigen leven kunnen wij stuiten op ervaringen van leven dat ons gegeven wordt, van een zorg die ons omringt als een mantel van licht om ons heen. Het is de in verwondering gedrenkte ervaring dat wij gewild zijn in het leven en gedragen worden. Het is die beleving die wij onder woorden 

brengen met het benoemen van God als Vader, Moeder, als Schepper, als Bron en Schoot van leven! Maar wij hebben ook weet van de liefde en solidariteit die wij van mensen ondervinden, de ervaring dat wij in leven worden gehouden door andere mensen die, zo goed als God, als een bondgenoot en gezel met ons gaan. Het is die ervaring waarin wij in de gestalte van Jezus in levende lijve die scheppende en vernieuwende kracht ondervinden in de woorden die Hij tot ons spreekt. Dan noemen wij dat mysterie: 'Zoon', sprekend God, woord van God. En laat het leven ons kracht, vuur en genezing ervaren die ons onverdiend kracht en energie geeft:'heilige, heelmakende Geest'.
Het geheim van God komt op verschillende manieren tot ons als wij de grens van ons eigen denken bereiken en stil worden. Daar kunnen wij opengaan voor dat prachtige woord uit de psalm dat zegt 'bij U is de Bron van alle leven, in uw licht zien wij licht'. Als wij lezen in het boek van ons eigen leven mogen wij - soms even - ervaren hoe wij gedragen worden, met woorden gevoed en met geestkracht vervuld! Het feest van vandaag nodigt ons uit om ons opnieuw onder te dompelen in die verwondering over dat geheim waarvoor wij aarzelend en kwetsbaar geen andere woorden hebben om het met elkaar te delen dan 'Vader. Zoon en Geest'. Wie die Naam bewaart in zijn hart zal leven in dankbare verwondering, in vertrouwen op het woord van Jezus en weet hebben van 'de ademtocht van eeuwigheid' die ons in het hart is gelegd. Ach, misschien moet je er niet over denken en spreken maar er van zingen, want er staat geschreven dat de 'Eeuwige zetelt op de lofzang van zijn volk'! Daaruit putten wij leven!

Sacramentsdag: Exodus 24, 3-8; Marcus 14, 12-26
18 juni 2006, Theo Koster OP

Het gaat er bloederig aan toe in de lezingen vandaag. Er staat dan ook heel wat op het spel: het verbond tussen God en zijn volk, tussen God en wij mensen. Stieren worden opgedragen als brand- en slachtoffers voor de Heer. Zou je God daarmee werkelijk een plezier doen? Elders lezen we in de bijbel, dat God niet zit te wachten op onze brand- en slachtoffers; God zit te wachten en ziet uit naar ons mensen, met wie God zich verbond. Maar wij zelf leven in een wereld, waarin voortdurend slachtoffers vallen. In onze wereld gaat het er bloederig aan toe, staan mensen elkaar naar het leven, zitten zij met hun handen aan iets waar zij van af moeten blijven: ons eigen leven en het leven van de velen, die met ons deze wereld bewonen. Dat leven is ons geschonken en is daarmee heilig, met andere woorden:
daar moet je zorgvuldig mee omgaan; het is een kostbaar geschenk. Bloed symboliseert krachtig dit geschonken leven. We noemen het terecht ook wel ons levenssap.
Onze manier van omgaan met elkaar, waarbij voortdurend slachtoffers vallen, brengt God in een lastig pakket. Je inlaten met mensen, met ons dus, kan dan immers betekenen, dat God zelf bloed aan zijn handen krijgt. God loopt dit risico want God kan en wil de vrucht van zijn handen, zijn bondgenoot, geen mens laten vallen. Vele verhalen vertellen hoe vindingrijk deze God steeds opnieuw contact met ons zoekt. In de eerste lezing gebeurt dit vandaag door Mozes. Hij bezegelt het verbond tussen God en mensen met het bloed van stieren. Natuurlijk moet er bloed vloeien, niet vanwege God, maar vanwege ons mensen. Het bloed van stieren laat ons de realiteit zien en voelen, waarin wij leven, een bloederige realiteit, met vele slachtoffers, letterlijk en figuurlijk. Dit is niet Gods koninkrijk. Waar God gekend en geëerbiedigd wordt vloeit er geen bloed, dan hooguit dat van stieren. Mensen zijn geen stieren, zelfs al gedragen zij zich als zodanig. Mensen kunnen zich omkeren, bekeren en doen dat gelukkig ook. Het begin hiervan hoor je soms, als mensen geconfronteerd worden met slachtoffers: waar zijn we mee bezig? hoor je dan. Het kwaad is dan al geschied, maar het is nooit te laat je om te keren.
Het volk in de eerste lezing is van goede wil en we hoorden hen zeggen: 'Alles wat de HEER gezegd heeft zullen wij ter harte nemen.' Letterlijk staat er: zullen wij doen en horen. Het leven is sterker dan de leer, hoor ik in deze volgorde van woorden, en wel op twee manieren: het gaat om gerechtigheid doen, en niet om mooie woorden. En als er toch bloed vloeit, en onze werkelijkheid heeft een gewelddadig karakter, dan zitten we letterlijk met deze woorden van het verbond in onze maag. Als onze slachtoffers ons niet doen inzien, waar we mee bezig zijn, blijven er deze woorden die ons tot inkeer kunnen brengen. God loopt groot risico door zijn geluk zo intens met ons en ons lot te verbinden, zei ik. Wij leven in een samenleving waarin telkens slachtoffers vallen. Kan dit betekenen, dat God ook zelf bloed aan zijn handen krijgt? Dit kan het niet alleen, God heeft al bloed aan

zijn handen, vertelt ons het evangelie. Ook nu wordt er weer geslacht, het pesachlam, teken van bevrijding van het joodse volk uit de slavernij van Egypte. Natuurlijk vloeit er ook nu bloed, maar dit keer niet van stieren. Bij onschuldig bloed dat vergoten wordt past beter het beeld van het lam dan dat van de stier. Dit lam tekent de sfeer van het verhaal dat volgt.
Als belijdende joden vierden Jezus en zijn leerlingen pesach, Pasen. Het inleidend gedeelte maakt duidelijk, dat Jezus precies wist wat hem te wachten stond en met open oren en ogen zijn lijden en dood tegemoet gaat. Dan horen we uit Jezus' mond, dat een van de leerlingen hem zal uitleveren. Jezus toont zich realistisch.
Hij sluit betreffende leerling niet uit als tafelgenoot. Daarmee laat hij al zien heel dicht bij God te staan, want enkel God ziet ten volle wat in mensen omgaat, wij niet. Het is daarom ook niet aan ons elkaar de maat te nemen en zelfs elkaar uit te sluiten. Juist omdat Jezus mensen niet links liet liggen, omdat hij hen te min vond bijvoorbeeld, vies van hen was of bang, omdat ze er anders uitzagen of spraken dan men gewoon was, juist omdat Jezus deze mensen zag staan betekende Jezus voor deze mensen veel: hij bracht hen weer bij hun waardigheid als mens. In zijn nabijheid voelden vele mensen, wat wij in sommige ontmoetingen ook voelen: ik ben de moeite waard.
Deze houding, deze manier van in het leven staan, van omgaan met anderen, verbeeldt Jezus vandaag in het breken en delen van brood en wijn. Het wordt ons door Marcus zorgvuldig uitgelegd, want de woorden 'dit is' gebruikt Marcus enkel om een onbekend gebruik uit te leggen. Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, het bloed van het verbond (weet je nog, eerste lezing), dat voor velen vergoten wordt, hoorden we. Wil dit zeggen, dat Jezus hier door God opgeofferd wordt? Dat is er wel van gemaakt in de loop der geschiedenis, maar laten we wel wezen: Jezus is door mensen vermoord, niet door God.
In de gebruikelijke zin heeft God geen bloed aan zijn handen. Met deze Messias die vermoord werd, werd een stuk van God zelf vermoord. Verbazingwekkend is het dan ook niet dat van de woorden: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, zoveel kracht uitgaat; dat het eten en drinken ervan tot op de dag van elkaar mensen verbindt i.p.v. uit elkaar drijft. In deze mens Jezus, die wordt verworpen, geslacht, staat God zelf op het spel. De Vader is bereid voor ons geluk zich in de vingers te snijden, eigen bloed te laten vloeien.
Als God die toch van een totaal andere orde is dan u en ik, ons zo nabij komt, kan ik dan mensen zoals ikzelf slachtofferen of aan het lot overlaten, omdat ik ze nu eenmaal niet mag, ze me in de weg zitten, of ik moeite met hen heb? Als deze God zo van me houdt, ook vanmorgen zullen we dat weer proeven, kan ik dan ineengekromd en minderwaardig in een hoekje wegkruipen of blijven zitten? Er staat inderdaad veel op het spel: het hier en nu ervaren van en werken aan Gods koninkrijk.

12e zondag door het jaar: Job 38, 1.8-11; Marcus 4, 35-41
25 juni 2006, Antoon Boks OP

Van je vrienden moet je het maar hebben, of moet ik zeggen: kijk uit voor wie zeggen je vrienden te zijn.
Het is natuurlijk niet goed om u vanmorgen als predikant te waarschuwen voor wat ik ga zeggen.
We hebben al zoveel keer woorden uit de bijbel gehoord, maar toch kan ik u de vraag niet stellen: Wie is de God van Job.
Op school, in de klas, kon ik dat wel doen, want een leraar mag vragen stellen en daarna ingaan op de antwoorden, maar in een preek mag dat niet.
Het boek Job is zeker geen verhaal over hoe God de mensen, die van hem houden op de proef stelt. God "test" ons niet met moeilijkheden, lijden en pijn om te kijken of we wel trouw blijven. Lijden, verlies en dood hoort bij het menselijke leven. Het boek Job is ook niet het verhaal van iemand die in stilte lijdt en niet klaagt, want Job houdt zijn mond niet. Hij klaagde luid tegen God en tegen zijn zogenaamde vrienden. In feite is Job zo gepakt door zijn situatie en het lijden van andere onschuldige mensen, dat niets hem er van af kan brengen om zijn problemen aan God voor te leggen.
We kunnen niet zoveel doen om iemand te helpen die lijdt en geïsoleerd is, maar we kunnen wel goede vrienden zijn en wat doen. We kunnen samen optrekken en die ander niet overlaten aan haar of zijn eigen pijn, niet in haar eigen sop laten gaar koken. En als we aanwezig zijn, dan kunnen we ook luisteren naar de uitingen van pijn. Het is belangrijk om lijdende mensen tijd en ruimte te geven om zich uit te spreken. Als we onze pijn kunnen uitten, dan zijn we al begonnen aan die lange weg terug uit onze eenzaamheid. Misschien kunnen we de problemen en de pijn niet wegnemen, maar geduldig aanwezig zijn en luisteren, maakt soms al het verschil tussen dood en leven.
Als we om ons heen kijken dan zien we een hele hoop pijn en ellende. Droogte en honger, oorlog en moord en marteling van onschuldige mensen, corruptie in de regering: we krijgen veel ervan iedere dag te zien in het nieuws op TV en in de kranten en horen het over de radio. Soms is de pijn van de wereld te groot. Ieder van ons vraagt zich wel eens af wat we kunnen doen en iedereen geeft op haar of zijn eigen manier antwoord. Maar er zijn ook andere situaties in ons leven van een meer persoonlijke aard die ons pijn doen en bezorgd maken. Velen van ons hebben familieleden en vrienden die te zware lasten te dragen hebben. Het is 

vaak moeilijk om te weten hoe om te gaan met verwoestende verliezen en met vrees, vooral ook als niets genoeg schijnt te zijn en er geen duidelijke of zekere oplossing voor handen is.
Ook al weten we niet precies wat we moeten doen, het verhaal van Job kan ons richting geven, minstens laten zien wat we niet moeten doen. De zogenaamde vrienden van Job maken hem alleen maar zieker. Ze luisteren niet naar hem maar veroordelen hem bovendien voor zijn lijden. Volgens hen heeft Job het aan zichzelf te wijten. Het was zijn schuld! Ze zeggen, dat zijn ongeluk het resultaat is van zijn zonden en dat de pijn en het lijden Gods manier is om evenwicht aan te brengen. (Die mensen zijn geen vrienden van Job, maar ook niet van God). Job van de andere kant geeft ze bijna gelijk en gaat aan zichzelf twijfelen. Maar gelukkig blijft Job volhouden en blijft vechten met zijn vragen en daarom zegt hij zijn vrienden om te stoppen met hun nietszeggende argumenten en woorden. Als Job zich van zijn vrienden afwendt en naar God toewendt dan zegt hij ons dat lijden een deel is van ons menselijk leven maar dat het ook het resultaat is van de slechte daden van mensen, die teveel aan zichzelf denken en willen graaien. Wanneer Job zich duidelijk keert naar God, begint een nieuwe fase in het geestelijke leven van Job.
Het verhaal waarmee de schrijver van dit wijsheidsgedicht begint openbaart ons een belangrijk theologisch punt. God gelooft rotsvast in de trouw van Job.
Jobs keuze voor God is mogelijk omdat God eerst Job al vertrouwde. Dit thema van God die ons als eerste liefheeft en vertrouwt is niet een alleenstaande gedachte of een weggemoffelde belofte in dit wijsheidsboek. Het is de belofte die steeds weer aan ons wordt gedaan op verschillende manieren, met vele stemmen ook in andere boeken door de hele heilige Schrift.
God is de eerste, die vertrouwt. Hij is de eerste die bemint en door dat vertrouwen en die liefde zijn wij in staat om te antwoorden. Het verhaal van Job eindigt waar het begon met liefde, want Gods liefde is de spil waar de hele wereld om draait. Niets kan de liefde van God tegenhouden, zelfs niet de foute beslissing van Jobs vrienden. Wij hebben net zoals Job tijd nodig om dat te gaan begrijpen. Gods liefde blijft altijd bestaan en tenslotte zal God alles oordelen in het licht van zijn liefde. Dit alles preekt Jezus en hij leeft het ons voor, daarom is het ook ons verhaal. Zo horen we de blijde boodschap, dat alle leven begint met liefde en vertrouwen en dat liefde en vertrouwen er ook op het einde zullen zijn.

13e zondag door het jaar: Wijsh. 1,13-15; 2,23-24 Markus 5, 21-43 2 juli 2006, André Lascaris OP

Kort samengevat zeggen de twee lezingen dat contact met God leven gevend is. Vaak heeft men God of de goden gezien als jaloers op de mens: ze gunnen de mens eigenlijk het leven niet. Voor ons is dat vreemd. Maar wel herkennen we dat velen God zien als een soort moraalridder: iemand die voortdurend oplet of je zondigt. Maar God wil de dood van de mens niet. Misschien beseffen we beter dan de schrijver van Wijsheid dat we lichamelijk en daarom vergankelijk zijn. Misschien beseft de schrijver beter dan wij dat rechtvaardigheid onsterfelijk maakt en dat God uit is op het geven van leven..
Het evangelie gaat ook over leven ontvangen en leven geven. Het is een lang verhaal, een dubbelverhaal. Er komen vele rollen in voor, Jezus, de vrouw die genezing zoekt, Jaïrus die genezing voor zijn dochter vraagt, de massa die zich nieuwsgierig om Jezus verdringt, zijn leerlingen, de klaagvrouwen, het dochtertje van Jaïrus en nog andere figuren. Laten we ons beperken tot drie rollen. Drie figuren met wie we ons kunnen identificeren: de vrouw, het dochtertje en Jezus.
Ons identificeren met de twee vrouwen, een volwassene en een kind, op rand van de volwassenheid, ligt voor de hand. Het getal 'twaalf' klinkt, het getal van de 12 stammen van Israël, dat zelf weer heel de mensheid vertegenwoordigt, dus ook ons.
Een vrouw die haar leven ervaart als iets wat ze voortdurend aan het verliezen is. Bloed is immers in de bijbel leven. Ze ervaart zich als iemand die steeds het leven kwijt raakt. Ze is bovendien haar vermogen kwijtgeraakt, ze is verarmd. Haar bloedverlies maakt haar onrein; dwz anderen mogen haar niet aanraken. En zij anderen niet. Ze mag eigenlijk niet in de menigte zijn en zeker niet Jezus aanraken. Maar ze vertrouwt dat de kracht van God in Jezus is en raakt hem van achteren aan, zoals ook Mozes God slechts van achteren zag. (Ex 33, 23) Ze voelt direct dat ze genezen is. Dat hoeft geen geheim te blijven. Jezus noemt haar 'dochter' (in sommige handschriften). Hij erkent haar, ze mag er zijn, haar leven hoeft geen voortdurend verliezen zijn. Ze mag zich werkelijk losmaken van de menigte, van wat 'ze' zeggen, zij mag zichzelf zijn. Het oponthoud dat zij veroorzaakt, brengt de dood van het dochtertje dichterbij. Maar beiden zijn voor Jezus even belangrijk.. Dat meisje staat op het punt volwassen te worden, maar daarvoor moet het wel sterven aan het kind-zijn..De klaagvrouwen weten slechts wat iedereen weet: dood is dood. Ze weten wat 'ze', wat 'we'; allemaal weten: de

dood is almachtig en heeft altijd het laatste woord. De mens is een geboren verliezer. Jezus 'gooit' hen naar buiten. 'Meisje, sta op, blijf niet liggen, blijf niet in dromenland, neem verantwoordelijkheid.'
Wij kunnen ons herkennen in die twee vrouwen. Onszelf ervaren als mensen die voortdurend geven en nooit voor zichzelf durven vragen, nooit geen 'neen' durven zeggen, steeds verder leeg stromen. Of wij ervaren het leven als een voortdurende vermindering van levenskrachten. We worden ouder, onze mogelijkheden beperkter, we zien onszelf als verliezers. Of als mensen die niet durven opstaan, maar eerder meelopen met iedereen, niet boven het maaiveld durven uit te komen, geen verantwoordelijkheid durven dragen en zo nooit aan echt leven toekomen.
Zoals de twee vrouwen zoeken we naar erkenning, dat ons recht gedaan wordt, dat iemand tot ons zegt dat we uniek zijn en er mogen zijn. Dat vertrouwen ontstaat wanneer wij contact zoeken met de God van Jezus en Israël. Deze God is erop uit dat wij een afspiegeling zijn van hemzelf.
We mogen ons ook met Jezus identificeren. Immers wij zijn gezalfd met zijn geest - wij heten christenen! En ook buiten onze kring worden mensen aangestoken door de levenskracht van God. Ook ons kan het gebeuren dat wij plotseling ontdekken dat er een kracht van ons is uitgegaan. We hebben iets gezegd, iets gedaan, en een ander krijgt daardoor weer levenskracht, wint aan leven in plaats van uitgeput te worden, kijkt met andere ogen om zich heen, staat op uit een verlammende en dodende levensstijl, durft op een goede manier, zonder met anderen te rivaliseren, op te komen voor zichzelf en voor anderen. Ziet wat hij met zijn zwakte wel nog kan doen. De dood beheerst niet meer almachtig zijn/ haar leven. We hoeven evenmin als Jezus niet uit te barsten in alleluiagezang maar zorgen gewoon dat mensen te eten krijgen.
Wij hebben vertrouwen nodig, maar we zijn niet alleen behoeftig, om leven vragende mensen. We zijn ook mensen in wie de kracht van God, de liefdeskracht van Jezus werkzaam is. Die kracht kan anderen genezen, kromme verhoudingen recht buigen, leven geven. Moge die kracht ons gegeven worden, de kracht om zelf vol leven te zijn en leven te geven aan anderen, erop vertrouwend dat rechtvaardigheid onsterfelijk maakt.

14e zondag door het jaar: Ezechiël 2,2-5; Markus 6,1-6
9 juli 2006, Paul Minke OP

Het lijkt me een wijs gebruik om priesters, vooral jonge priesters niet te benoemen in de parochie, waar zij geboren en getogen zijn. Vele parochianen hebben zich van hem een beeld gevormd op grond van wat zij van hem hebben gezien en meegemaakt als puber en tiener. Ze hebben hem zien opgroeien met al zijn goed en kwaad. Dat maakt hem ook kwetsbaar en dat kan remmend werken, zeker als hij nog zo jong en onervaren in het pastoraat staat. Want als priester heb je mensen toe te spreken, in de kerk of bij hen thuis. Woorden van bemoediging of troost, hen bevestigen in hun geloven, hen hoop en perspectief bieden, maar ook inspireren en uitdagen, ook oproepen tot bekeren, stilstaan bij hun gebroken bestaan en leven, het kwaad benoemen, dat hun levensge-luk en toekomst bedreigt. En dan kan het eigen, ook door hen gekende verleden hem in de weg zitten.
Iets dergelijks is, denk ik, ook aan de hand in het gebeuren te Nazaret. Jezus neemt het woord in de synagoge en sprak daar openlijk frank en vrij over zijn zending van Godswege, zoals wij uit het Lukasevangelie weten. Op het horen van zijn woorden groeit de verbazing onder zijn gehoor. Jezus beantwoordt niet aan het beeld dat zij van hem hadden. Is hij niet de timmerman? Groot is hun ongeloof. Hij is niet meer dan wij. Laat hij zich bij zijn hamer en bijtel houden. Zo immers kennen wij hem. En zij namen aanstoot aan hem, waren doof voor wat hij zei, blind voor wat hij deed, een nukkig, weerbarstig en opstandig volk. Maar Je-zus kon niet anders. Als profeet van Godswege gezonden naar Israël kon hij toch geen uitzondering maken voor zijn eigen stad Nazaret. Maar hij moest wél vaststellen, dat een profeet overal geëerd wordt be-halve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring. Niet-temin, wie profetisch heeft te spreken, priester of leek, man of vrouw hij kan niet zwijgen, evenmin als de profeet Ezechiël mocht zwijgen, opdat het volk zal weten, dat er een profeet in hun midden is.
Jezus wordt beoordeeld naar het beeld dat men van hem gevormd had. Hij is de timmerman, de zoon van Maria. Zijn broers en zusters, ook die kennen ze, doodgewone mensen en hij is niet anders. Hun verbazing komt voort uit het feit, dat Jezus hun beeld verstoort. Ze hebben zich in hem vergist en mensen vergissen zich niet graag. Je in een mens vergist te hebben kan zeer verwarrend 

zijn. Het kan heel positief uitvallen maar ook helaas negatief. Ik weet niet meer wat ik aan je heb, wordt dan vaak gezegd. Je bent zo anders geworden. Je bent me zo vreemd. Relaties kunnen onder druk komen te staan of zelfs afspringen De toehoorders van Jezus accepteerden het anders-zijn van Jezus niet. Het anders-zijn van Jezus, d.w.z. anders dan het beeld van hem, de afweer en de ontkenning van hem, de weerstand die hij ondervond werpt zo'n muur op tussen de Nazareners en Jezus zelf, dat het hem machteloos maakte: Hij kon geen wonderen doen.
Ieder van ons heeft zich ook een beeld van Jezus gevormd. Aan de hand van verhalen, afbeeldingen, preken en boeken, aan de hand van wat wij gehoord hebben vroeger op school. De vraag is: hoe vast ligt dat beeld? Is het gesloten en absoluut? Hoe ontvankelijk zijn we voor nieuwe beelden, nieuwe gedachten? Hoe open zijn wij voor zijn woor-den, zijn getuigenis, zijn oproep? Hoe bereid om in verwondering naar hem te horen en hem te zien? In hoeverre mag hij méér en anders zijn dan het beeld dat ik van hem heb? Wonderen kunnen slechts gebeuren als wij Jezus telkens met nieuwe ogen zien met open oren hem horen en in ons hart zich over hem verblijden. Mag hij zijn: Een profeet, die het goed en kwaad in Gods ogen helder blootlegt in de samenleving, in eigen leven, in eigen kring en gemeenschap? Vindt hij geloof? Mag hij méér doen dan bevestigen wat wij graag geloven? Kortom: staan wij onszelf toe dat we ons in deze timmerman kunnen vergissen?
Zo ja, dan ligt de weg open naar een nieuw verstaan van Jezus, wordt groei in het geloven mogelijk en leven we echt. Dan is er ruimte voor verwondering en worden we echt vrij, zijn we als kinderen en vangen we een glimp van het Koninkrijk. Zo niet, dan is nog niets verloren. Het kan vandaag nog gebeuren, dat het woord ons open breekt want we le-zen aan het slot van het evangelie, dat Jezus rondging door de dorpen in de omtrek waar hij onderricht gaf. Of wij nu opstandig zijn of mee-gaand, weerbarstig of luisterbereid, het belet hem niet van zich te doen horen, hiertoe door de Geest van God gedreven, aangezet door zijn on-uitputtelijke liefde jegens ons allen, tot op de dag van vandaag door de woorden van hen, die in zijn naam spreken. Amen.

15e zondag door het jaar: Amos 7,12-15; Markus 6,7-13
16 juli 2006, Ernst Marijnissen OP

Jezus blijft dicht bij huis. Dat is de les van de evangelielezing van vandaag. Hij heeft zijn leerlingen bij zich geroepen. Het is wat droevig gesteld met het volk van God. Er is weinig van over. Joden wonen verspreid in hun eigen land en van een twaalf stammen volk, zoals in de tijden van David en de eerste koningen, kun je al helemaal niet spreken. Jezus zegt: gaat naar die mensen toe. Ze zijn als dwalende schapen. En als ze nog wat willen, lopen ze verloren rond. De leiders van de tempel en de synagoge zijn bezig met hun eigen besognes. Wetten en regels zijn belangrijker dan de mensen, die aan hun pastorale zorg zijn toevertrouwd. Ik stuur jullie naar al die zoekende mensen van mijn kerk, de synagoge. Ga ze bemoedigen. Vertel dat het rijk van God er aan komt. Dat rijk is meer dan de kerk, want het gaat om het welzijn van elke mens, waar die zich ook bevindt. Zoek de schapen van Israël dicht bij huis. Je hoeft niet veel mee te nemen, want het gaat niet om een verre tocht. Je bent onderweg naar je eigen mensen. Als ze je willen ontvangen maak dan gebruik van hun gastvrijheid. Als ze niets van je willen weten, als ze zeggen: ik heb met de kerk afgerekend, of als ze agressief worden en de kerk van alles en nog wat beschuldigen, trek je dan terug, loop verder, schudt het stof van je voeten, want er zijn er genoeg, die jullie komst en mijn boodschap wel waarderen. Houd het kort, houd het klein, houd het vooral eenvoudig!
Het volk van God, of we het nu Israël noemen, of de synagoge of de kerk, moet voor de wereld de woning van God zijn. Dat volk is geroepen zo te leven, dat de wonderen en de bedoelingen van God met deze wereld zichtbaar en begrijpelijk worden. Daar schuilt de moeilijkheid. Want wij, de vertrouwelingen van God, zijn ook maar mensen. We conformeren ons eerder aan de dagelijkse gang van het leven, zoals zich dat rondom ons afspeelt, dan aan de weg van de Schrift en de werkelijkheid, die de Schrift van Godswege verkondigt. We lopen, soms bijna ongemerkt, weg van onze verantwoordelijkheid. Dan begint het dwalen, het verloren lopen. Zo is het nu, zo was het vroeger. In de eerste lezing bevinden we ons in de tijd van de ruige en geduchte profeet Amos. Hij is door God naar Israël gestuurd om het op te roepen zich te bekeren. Het volk is namelijk welvarend geworden. Tegelijkertijd is de kloof tussen armen en rijken als maar groter geworden. Mensen hebben tweede huizen, vele bezittingen, eten en drinken overvloedig. Het kerkelijk leven is comfortabel geregeld en onderworpen aan de wetten van het economisch beleid. In de wereld van geld en zaken doen vinden vele vormen van fraude plaats. Er wordt geknoeid met gewichten en maten, en de koning onderhoudt banden met staten, die het niet zo nauw nemen met het welzijn van de individuele mens. Amos is een boer. Dat is zijn vak. Hij heeft God niet gevraagd om profeet te worden en naar de mensen te gaan om hen op te roepen zich te bekeren. God heeft Amos gestuurd, onverbiddelijk en zonder kapsones. Om het anders te zeggen: je wordt geen profeet omdat je kritisch in de wereld staat, of omdat je inziet hoevelen slachtoffer worden van onrecht en geweld. Profeet word je, om het zo te zeggen, ondanks jezelf. In de eerste lezing staan 

Amatsja en Amos tegenover elkaar. Amatsja is de vertegenwoordiger van de kerk, de hogepriester, die de belangen van de koning dient. Dat betekent zoveel, dat hij kerk en politiek gescheiden houdt, dat hij staat aan de kant van het establishment, de gevestigde orde in kerk en samenleving. Amatsja houdt niet van de liederen van Huub Oosterhuis. "Ga naar huis", zegt hij tegen de profeet Amos, eet daar je brood en als je zo graag wilt profeteren doe je het daar maar! Dan antwoordt Amos hem, dat hij geen profeet is. Daarvan eet hij geen brood. Hij is een hoeder van runderen en een kweker van moerbeivijgen. Daarvan leeft hij. En dan komt het. Hij zegt: de Aanwezige heeft mij weggehaald vanachter de kudde. De Aanwezige heeft tegen me gezegd: ga en profeteer tegen mijn volk Israël. En profeteren betekent altijd dat je het gedoe van de mens confronteert met de bedoeling van God.
Zo moet het ook gaan onder ons. Jezus leert ons dat in de zending van zijn leerlingen. Ze moeten twee aan twee gaan. Twee getuigen zijn vereist om de boodschap betrouwbaar te maken. Maar ook geldt hier: waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden. Wat de leerlingen weer aan Israël, de kerk, aan het volk van God in deze wereld, moeten duidelijk maken is dat wij geroepen zijn Gods wonen bij de mensen concreet en zichtbaar te maken. Dat is niet ons vak, zoals Amos ons dat leert, niet ons beroep. Daar stijgt het boven uit. Het is een levensstijl! God stuurt ons naar elkaar om ons te behoeden voor verdwalen, voor doelloos en troosteloos rondlopen. Die werkelijkheid is altijd dichtbij. Je hebt niet veel bagage nodig en hoeft niet lang onderweg te zijn om anderen te bereiken. Je mag rekenen op hun welwillendheid, hun gastvrijheid. Je mag er van uitgaan dat die andere, één van ons dus, graag wil horen dat het rijk van God komende is. Dat alle ellende van de wereld, alle zwart gekleurde journaals en vele teleurstellingen in je medemensen het komen van Gods werkelijkheid niet kunnen tegenhouden. Dat moet je blijven zeggen en vorm geven in je manier van leven. Die manier van leven moet aangeven dat het rijk van God midden onder ons is. Dat blijkt hieruit dat we elkaar ter wille zijn, rechtvaardig handelen, ons vredelievend gedragen, oog hebben voor de zieken, de zwakken en noodlijdenden, dat we delen wat we hebben en samen dragen wat we tekort komen. Dát moet je laten zien, namelijk dat de pijn van welke aard dan ook geheeld kan worden omdat God ons ziet. Als wij zo naar elkaar omzien zal er vrede zijn in onze huizen, ook als er mensen zullen zijn, die de blijde boodschap van Jezus Messias hebben afgeschreven. Hun reactie staat zo haaks op wat Jezus ons leert, dat we die als stof van ons af moeten schudden.
Laten we ons de woorden van psalm 85 eigen maken:
Ben jij het niet, God, die ons nieuw kunt doen leven?
Dan zullen wij, jouw volk, ons weer in Jou verblijden.
Doe ons jouw genade aanschouwen.
Laat komen jouw heil over ons.
Als we zo met elkaar kunnen en durven omgaan komen we tot een profetische levenspraktijk. Doe het, zegt Jezus, en de wereld zal opzien.

16e zondag door het jaar: Micha 2,1-5; Johannes 20,1-18
23 juli 2006, Henk Jongerius OP

In het evangelie van Marcus komt heel vaak het woord 'onmiddellijk' voor. Het wijst ons op de haast die er is geboden om het goede nieuws dat het woord van Jezus is onder de mensen te verspreiden. Er mag geen tijd verloren gaan! Dan is het opvallend dat wij vandaag de goede raad van Jezus aan zijn leerlingen horen om mee te gaan naar een eenzame plaats om er alleen te zijn en uit te rusten. Ook al lukt het bijna niet om dit goede voornemen tot uitvoering te brengen, want de menigte gaat hen achterna en zijn er zelfs nog eerder dan zij, toch wijst het ons op iets dat van groot belang is. En dat geldt niet alleen voor de leerlingen, maar eigenlijk voor ieder mens. Voor ons allen is het van groot belang tijd voor je zelf te nemen en op te houden met werken.
Niet voor niets kent de Bijbel het voorschrift van de sabbat. De eenzame plaats, het alleen zijn en rust vinden is voor ons belangrijk om jezelf niet kwijt te raken maar weer te beseffen waartoe alles dient wat wij aan het doen zijn. Maar wij hebben in onze overvolle werkzaamheid soms niet eens tijd om vakantie te houden en als het al gebeurt komen veel mensen met nog meer spanning terug dan toen wij weggingen.
Wat kan de goede raad van Jezus aan zijn leerlingen anders betekenen dan dat zij op die eenzame plaats zich er weer van bewust worden wat waarachtige herders zijn in tegenstelling tot de leiders van die dagen. Jeremia zegt daarom dat de Levende 'zelf zijn schapen weer zal bijeenbrengen, naar hun weide voeren zodat zij weer vruchtbaar en talrijk worden'.

Herder zijn, je broeders hoeder zijn is een opdracht van elke mens maar wij zullen alleen een goed zicht houden op wat dat voor ons betekent, als wij de stilte van gebed en meditatie
durven opzoeken. Zorg dragen voor andere mensen, kan alleen als wij ons ervan bewust worden hoe wij als mens bedoeld zijn. In de woorden van Jeremia horen wij hoe zo'n mens er echt uitziet. Op een koninklijke manier, vol inzicht, zal de ware afstammeling van David recht doen aan mensen en hen leiden in gerechtigheid.
In de verstilling van gebed en viering kan ook de bewogenheid van Jezus in ons wakker worden: 'toen hij de menigte zag werd hij door medelijden bewogen want zij waren als schapen zonder herder'. Wonderlijk genoeg horen wij dan dat hij begon met hen te onderrichten. Het onderricht van Jezus is als de staf die een herder gebruikt om de richting aan te geven waar de kudde heen moet gaan. Willen wij waarachtige herders voor elkaar worden, dan zal het woord van Jezus ons de goede richting wijzen. Het zal ons hartstocht leren voor gerechtigheid en uit de bron van het woord laten drinken, Hij zal verlangen in ons wekken naar een wereld waarin wij elkaar naar de rust van het water leiden om er verkwikking te vinden. Hij leert ons voor elkaar een tafel aan te richten om zo met blijdschap voort te gaan op de weg van het leven.
Zo mogen wij leven met het besef dat 'Hij ons niet zal begeven', dat Hij met ons gaat zodat wij nooit 'in vertwijfeling zullen verzinken'. Dan zeggen wij tot hem: jij bent mijn herder, het zal mij nooit aan iets ontbreken.

17e zondag door het jaar: 2Koningen 4,42-44; Johannes 6,1-15
30 juli 2006, André Lascaris OP

In mijn kamer heb ik een boek, gepubliceerd voor de eerste keer in 1776, dus 230 jaar geleden. En U kunt het nog steeds kopen. Een echte bestseller dus. Het heet 'De rijkdom van de volken' en is geschreven door de Schot Adam Smith. Waarom zo populair? Het is een beetje de bijbel van onze vrije markteconomie, van het kapitalisme. En al op de eerste bladzijde springen twee woorden eruit: overvloed en schaarste. Hoe kom je tot overvloed? Want de beginsituatie is altijd, zegt het boek, de schaarste.
Dat herkennen we goed. Er is altijd een tekort, een te weinig, elke regering voelt zich gedwongen te bezuinigen. We ervaren het aan den lijve. Er is een tekort aan water, aan olie en benzine, aan graan , aan voedsel, aan onderwijs, aan gezonde lucht, aan voorzieningen voor ouderen, ene. enz.We leven in een wereld van schaarste. We zijn, goed beschouwd, allemaal een beetje zielig, We zijn zielenpoten, terwijl we duizendpoten zouden willen zijn.
Die overtuiging dat wij leven in het rijk van de schaarste, geven wij onze kinderen en kleinkinderen mee, zoals wij dit hebben meegekregen van onze ouders en grootouders. En zonder het zelfs maar uitdrukkelijk te zeggen, leren wij hen, zoals wij dat ook geleerd hebben, om te zorgen dat je er als de kippen bij moet zijn, wanneer de schaarse dingen op de markt komen. Zorg dat je op de eerste rij staat, want er is misschien voor de tweede rij al niet genoeg, laat staan voor de derde. Zonder het te weten heerst de schaarste over ons, bepaalt zij ons gedrag - onze god is de schaarste.

In de bijbel verhalen van vandaag vinden we medestanders. De bediende van Elisa protesteert tegen de onmogelijke taak ieder genoeg te geven.'En ik krijgt natuurlijk', denkt hij, 'de schuld.' Filippus is een goed econoom, een snelle rekenaar ook: Zelfs 200 werkdagen zouden onvoldoende zijn om iedereen te eten te geven. Andreas weet ook van wanten, maar hij heeft tenminste nog een kind gevonden met vijf gerstebroden, brood voor de armen, en twee visjes. Dat kind staat voor alle slachtoffers, want kinderen zijn altijd het kind van de rekening. Het kind is echter ook beeld van de toekomst, van een nieuw begin.
Wanneer Jezus heel de menigte verzadigt zodat er nog een overvloed over blijft, willen de mensen hem koning maken: met Jezus kun je de schaarste overwinnen,

 zo'n goed wapen tegen de schaarste hebben we nog niet gehad. Maar Jezus ontvlucht hen.Hij wil geen wapen tegen de schaarste zijn . Hij staat voor heel iets anders.
Jezus spreekt een dankgebed uit - dankt hij voor de schaarste? Neen, hij dankt God die bij de schepping alles goed geschapen heeft., d.w.z goed voor het doel waarvoor het gemaakt is. Nog onlangs stond er in de NRC een artikel waarin iemand schrijft dat de wereld niet goed geschapen is, er blijft nog veel te wensen over.
Jezus gaat niet uit van de beginsituatie dat er schaarste is. Integendeel, de wereld is goed, natuurlijk de aarde is eindig, heeft grenzen, beperkingen, maar daarbinnen is de aarde goed. Goed wil zeggen: genoeg voor iedereen. Meer dan genoeg zelfs, er is overvloed. Mochten de joden in de woestijn het manna maar op beperkte manier verzamelen, Er is hier zoveel als iedereen wil.
Ga er eens vanuit dat je niet in het rijk van de schaarste leeft, maar in het rijk van overvloed. Dan hoef je niet zo nodig op de eerste rij te staan. Dan is de vijfde of zelfs laatste rij ook goed. Er is immers genoeg. Je hebt geen behoefte voor te dringen. En je bent gewend overvloedig uit te delen van wat je hebt, want er is vast genoeg voor iedereen. Waarom zou je dan niet delen met die ander, die misschien oud is, of nog een kind en er dus niet zo gauw en gemakkelijk erbij kan komen. Als je gelooft dat God overvloed geeft, en dat je dankbaar kunt zijn daarvoor,dan kun je ook overvloedig uitdelen, zelfs als je niet eens zoveel hebt, als er inderdaad eens een keer toevallig weinig is, maar je weet uiteindelijk is er genoeg, is er overvloed.
Geloven in overvloed, inspireert mensen overvloedig te zijn naar elkaar.
Geloven in de schaarste schept steeds opnieuw schaarste.Als heel Nederland morgenvroeg om 10.00 u naar IJsland wil vliegen, ja, dan is er schaarste. Als iedereen op de eerste rij wil staan, dan is er schaarste. Als iedereen wil wat iedereen wil, dan ontstaat er gebrek aan alles. En dat is wat er op onze aarde gebeurt. Wij, mensen, scheppen schaarste.
We hebben een andere economie nodig. We hebben een andere manier nodig m met elkaar om te gaan. Ja, maar laten we beginnen met een andere mentaliteit, een ander geloof, een geloof in de God die we dankbaar kunnen zijn. Omdat God overvloed wil geven. Dit kunnen we inoefenen met het vieren van de eucharistie.

Gedaanteverandering: 2 Petrus 1,16-19; Marcus 9,2-10
6 augustus 2006, Paul Minke OP

Een groot deel van de journaals de laatste weken werd gevuld met nieuws over Libanon. Gruwelijke beelden kregen we dagelijks onder ogen. Ver-woeste huizen, straten en bruggen, platgebombardeerd of opgeblazen. Hartverscheurend waren de beelden van mannen, vrouwen en kinderen, die niet alleen hun huis verloren hebben maar ook een van hun dierbaren. Ze keken je aan en wat je zag was wanhoop, verdriet, angst en woede, zo in-dringend, dat je je wel geraakt moest voelen en hun gevoelens delen. En vervolgens voel je je zo machteloos bij al dat zinloos geweld, dat niet te stoppen lijkt en waarom, waartoe? Geweld lost niets op. Libanon is niet het enige conflict dat de wereld teistert en de vrede tart. De conflicten stapelen zich op van oost tot west, van noord tot zuid. Wereldvrede lijkt verder weg dan ooit ondanks de Verenigde Naties, ondanks vredesmissies, en je kunt er niets aan doen, helemaal niets.
Voor wie gelooft in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in het Rijk Gods, waarin mensen in vrede en zorg voor elkaar leven en elkaar goed doen, kan dat, wat we om ons heen zien en ervaren, een beproeving zijn. Hoe houd je je staande als gelovige in een door geweld verscheurde we-reld? God is goed, heet het. Jawel! Maar mogen we er iets van merken! Ik leg een verband met het evangelie, dat wij zojuist gehoord hebben. Maar om dat duidelijk te maken moet ik u eerst iets vertellen over de context waarin het verhaal van de gedaanteverandering van Jezus is ingebed.
Wat ging eraan vooraf. Van de ene kant was Jezus zijn zending diep be-wust en was hij onvermoeibaar bezig in dorpen en steden de blijde bood-schap te verkondigen en door tekenen te laten zien, dat Gods Rijk nabij is. Van de andere kant leek het, dat het volk niet echt naar hem wilde horen. Hij was zich ook de vijandigheid van de Farizeeën en schriftgeleerden be-wust en begreep waar zij in hun geloofsijver op aanstuurden: op zijn dood. Zo kwam Jezus ertoe ronduit met zijn leerlingen over zijn dood te spreken. Hij vond geen begrip bij hen. Petrus, hoe goed bedoeld ook, berispte hem. Jezus stond alleen. Alleen met zijn vragen, met zijn twijfels, wie weet. Wat moest van zijn zending terecht komen: Wat wil God toch van mij? Hij, die bij mijn doop in de Jordaan mij "Zijn geliefde Zoon" heeft genoemd. Hoe staande te blijven als je niet meer weet waar je aan toe bent?
Jezus gaat de berg op om te bidden en neemt drie leerlingen met zich mee. Bidden is voor hem in gesprek gaan met wet en profeten, Mozes en Elia. Stil

staan bij Mozes, die de ontrouw van het volk onder ogen kreeg, toen hij van de berg kwam en het volk zag dansen rond een gouden stier, maar ook mocht ervaren, dat God desondanks trouw bleef aan zijn belofte het volk het land te geven, dat hij beloofd had aan Abraham, Izaak en Jacob. Stil staan bij Elia, de profeet, die het moest opnemen tegen de Baalpriesters, tegen een gewetenloze koning, tegen een volk, dat Gods Verbond schond. En ook Elia heeft ervaren, dat God zijn beschermende hand niet terug trok. En biddend zag Jezus zijn weg voor zich, zijn exodus, tot heil van de wereld. En Jezus' geloof in Gods trouw en zijn vertrouwen in Gods belofte werden zo overweldigend, dat het als een verblindend licht naar buiten trad. Hij zag zich bevestigd in zijn zending toen hij de Stem opnieuw hoorde zeggen: "Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!" En zij die er getuigen van waren huiverden op het zien en horen ervan. Petrus heeft zich dit een leven lang herinnerd en zelf zijn hoop eruit geput, zoals wij hem hoorden zeggen in de eerste lezing, in zijn tweede brief: "Die stem hebben wij zelf uit de hemel horen klinken toen wij met hem waren op de heilige berg. Ons ver-trouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegeno-men."
Om staande te kunnen blijven in tijden van beproeving en verwarring kun je het beste in gesprek gaan met wet en profeten, met Mozes en Elia. je le-ven bezien in het licht van wat zij ons hebben te vertellen, met hun hulp oog gaan krijgen waar het in je leven op aan komt, op het spoor komen waar jouw opdracht, zending en geluk ligt, en je bezinnen op Gods trouw, onverwoestbaar, veilig en betrouwbaar. En wellicht dat je net als Jezus ook zult mogen ervaren dat je weer zicht krijgt op Gods belofte ondanks alle conflicten om je heen, waarover ik in het begin sprak maar ook ondanks conflicten in jezelf en net als Petrus je dat blijven herinneren als bron van nieuw vertrouwen.
Om staande te blijven kunnen we ons ook laten gezeggen door dit verhaal van wat is gaan heten: de gedaanteverandering van Jezus op de berg. Het gebeuren veranderde Jezus, die het visioen niet wilde vasthouden zoals Pe-trus die dat wel wilde en hem deed voorstellen 3 tenten op te slaan. Jezus daalde de berg af, om zijn zending weer ter hand te nemen. Je laten gezeg-gen is doen als hij, luisteren naar zijn stem, zijn woord, afdalen, de werke-lijkheid onder ogen zien en desondanks niet vrezen maar in hoop leven, dat God woord houdt, zijn belofte trouw blijft. En verder in alle vertrouwen, hoe gering je mogelijkheden ook zijn, voortbouwen aan een Rijk van vrede, aan het geluk van mensen. Amen.

19e zondag door het jaar:  1 Koningen 19,4-8; Johannes 6,41-51
13 augustus 2006, Antoon Boks OP

Veertig jaar is heel lang. Vroeger was het nog langer. Nee, natuurlijk niet precies berekend 40 x 365 of 366 x 24 x 60 x 60 seconden. Dat bleef wel gelijk. Iedereen weet dat drie weken vakantie veel korter duren dan drie weken examen.
Van onze klas werden Jacques van de Lee, Cor Kester, Henk Sechterberger, Henk Jongerius en ik toen gewijd. Hein Schaeffer en Frans Lohman werden later nog gewijd in Nederland en Puerto Rico. Bijna iedereen hier aanwezig weet wel wat er daarna gebeurd is. Sommige van de hier aanwezige mensen hebben dat gelezen of gehoord nadat ik op Sint Maarten hoorde en las, dat deze Dominicaanse gemeenschap van Huissen mij tot prior had gekozen. Andere, waaronder mijn familie, wisten dat al veel langer uit eigen ervaring. Bijna al mijn familieleden hebben ook een flinke poos in het vliegtuig gezeten om mij te bezoeken. Mijn vader deed dat na de dood van mijn moeder met de regelmaat van de klok.
Daarom is het goed de viering van veertig jaar als priester vandaag te beginnen met een Eucharistie. Na de broodvermenigvuldiging, nadat de leerlingen Jezus over het meer hadden zien lopen, nadat zoveel mensen weer naar hem toekwamen, vertelt Jezus de menigte, dat ze goede dingen deden, maar om verkeerde redenen. Ze kwamen naar Jezus, maar niet om leerling te worden. Ze wilden, dat hij zou zorgen voor allerlei dingen: lekker gemakkelijk als je arm bent en dingen nodig hebt. Hij gaf ze te eten, maar wilde ook dat ze zagen, dat hij zoveel meer te geven had.
Hij nodigde hen uit vertrouwen in hem te hebben en hem te geloven. Met Hem zouden ze dan altijd verenigd zijn en zou God in hun leven zijn. Ze waren nog niet in staat zich aan hem over te geven in vertrouwen. Hij vertelt ze, dat "Hij het brood is dat uit de hemel is neergedaald..." En ze begrepen er niets van.
Elia gelooft in God, maar komt in moeilijkheden. Hij is een machtige profeet, maar nu voelt hij zich niet zo sterk en roept uit: "Het is genoeg Heer. Neem mijn leven want ik ben niet beter dan mijn voorgangers". Is dat waar? Elia heeft heel wat gepresteerd: zelfs heeft hij op de berg Karmel heel veel profeten van Baal omgebracht. En dat heeft hem ook de vijandschap opgeleverd van koningin Izebel, die Baal had binnen gebracht in Israël. Izebel wil Elia doden en hij is gevlucht naar de woestijn. Zijn geloof in God heeft hem haar doodsdreiging gebracht. Zo vinden we hem vandaag, moe en de dood zoekend als een oplossing. Zijn eigen kracht, zijn "brood" is niet genoeg om hem door dit gedeelte van zijn leven te brengen.
Ik denk dat iedereen, die vecht tegen valse goden in onze gemeenschap, maar heel weinig verandering ziet; misschien willen we ons wel aansluiten bij het gevoel van Elia. We vechten tegen de goden van materialisme, egoïsme, zakkenvullen, nationalisme, afval in het milieu, religieus fanatisme en we zien niet veel veranderingen. Het schijnt alleen maar erger te worden. Wat voor veranderingen heeft ons pogen gebracht? Hoe lang zal het duren voordat we een beetje tevreden zijn dat ons werken verbetering heeft gebracht in ons gezin, onze

 gemeenschap, onze kerk en onze wereld? Waarom nog doorgaan, waarom ons niet terugtrekken in onze comfortabele wereld, de deur sluiten en stoppen met het geven van onze krachten aan schijnbaar nutteloze pogingen? Hebben we als Kerk genoeg om samen met anderen te delen?. Hoe blijven we de energie krijgen om door te gaan met de belangrijke dingen in de wereld buiten kerken of kapellen aan te pakken?
God was aan het werk met Elia en is aan het werk met ons en heel veel andere mensen, maar dat schijnen we niet altijd te voelen. Daarom ploft hij neer onder een bremstruik - de uitgeputte profeet op de rand van wanhoop. God bezoekt hem door een engel, voedt hem met eten en drinken: dat geeft hem kracht. Het is een teken, dat God heeft gezien, wat nodig is, dat God medelijden met hem heeft en er voor wil zorgen, dat hij klaar is voor wat er allemaal nog komt. Dat voedsel is genoeg voor de reis van veertig dagen om bij de Horeb te komen, waar hij nog meer te horen en te zien krijgt.
Geestelijk en lichamelijk voedsel is nodig om Elia daar te krijgen en God zorgt er voor. Voor ons is er ook wel het een en ander in de toekomst. God kan ons nog meer laten zien over zichzelf en over het werk dat God ons wil laten doen. En God zorgt er in Jezus voor dat we voedsel krijgen voor de reis, en zelfs voor het verlangen om op te staan en opnieuw te beginnen.
Dat doet God nog steeds voor ons, ook vandaag. Soms zijn we moe van ons leven, ons werk. We willen wel trouwe getuigen zijn van Gods woord, maar we krijgen tegenstand en onze geest wordt moe. God ziet wat we nodig hebben en geeft ons nieuw voedsel, brood dat we altijd zullen hebben: het leven van Jezus voor ons en voor de wereld.
Deze gave van voedsel draait natuurlijk ook om de Eucharistie. "Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam". Hij is leven gevend brood, want hij geeft zijn leven voor ons.
Leerling van Jezus zijn zal ons blijven kosten en we zullen steeds weer gevraagd worden om ons leven in zijn dienst te stellen. Dat kunnen we doen, omdat hij het eerst voor ons deed.
Wat voor bremstruiken hebben in onze woestijnen genoeg schaduw voor onze lange weg naar God? Is deze kapel een dergelijke bremstruik? Hebben we gevonden, wat we allemaal niet alleen kunnen doen? Veel dingen kunnen we wel met anderen.
Welke honger moet er in ons worden gevoed? Het woord van God vertelt ons vandaag dat God niet alleen onze honger heeft gezien, maar die ook meegevoeld heeft en er wat aan gedaan heeft. Daarom kwam Jezus in onze wereld. Hij wordt ons voedsel voor onderweg. Laten we dan eten en drinken wat God ons aanbiedt. Zo worden we gesterkt door Gods gave van zichzelf en dan kunnen we van hier weg gaan en onze tocht vervolgen nog heel lang met God hulp. Amen.