PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2008 (A)


   Drie-eenheid: Exodus 34,4b-9; Johannes 3,16-18 18 mei, Antoon Boks OP  


Als pastoor heb ik ongeveer drie en dertig keer op deze zondag mogen preken. Mogen, zeg ik met opzet, want het is steeds weer fijn om na te denken en te hopen, dat ik iets van de blijde boodschap over kan brengen op mijn toehoorders. Ik heb ook heel veel jaren voor de klas gestaan en dat heeft voor en nadelen. In een preek moet ik proberen om in acht minuten wat zinnigs te vertellen, maar ik heb het voordeel, dat mijn toehoorders meestal zo beleefd zijn, dat ze hun mond houden. Van de andere kant heb ik voor een klas vijf en veertig of vijftig minuten om iets uit te leggen en mijn leerlingen kunnen me onderbreken met zinnige of onzinnige vragen. Eigenlijk zijn het altijd zinnige vragen, want ze laten blijken, dat ze het niet begrepen hebben. Maar een dood enkele keer komt het voor, dat mensen zeggen, dat ze het begrepen hebben.
Daarom kan ik van de ene kant wel begrijpen wat een collega me eens vertelde over de tijd, dat hij in zijn theologie opleiding de Triniteit kreeg. De geleerde professor had een dik boek als uitgangspunt genomen, maar midden in het semester viel ze uit haar rol als docent en trok ze als een goede dominicanes de preekmantel aan. Ze adviseerde de toekomstige predikers om als je op het feest van Triniteit moet preken je maar het beste griep kon krijgen!

Wat kunnen we elkaar vertellen over God, die ons schiep uit liefde, zijn Zoon zond om ons leven te delen en ons te verlossen en ons dagelijks genade geeft door de heilige Geest?

God openbaarde zich op de Sinaï en probeerde tot een verbond te komen met het volk door Mozes. Terwijl Mozes op de berg was om met God te spreken, deed zijn broer Aaron wat het volk wilde en hij maakte een afgod. Toen Mozes van de berg afdaalde en zag hoe het volk al teruggekeerd was naar de heidense manier van denken en doen, gooide hij kwaad de stenen tafels aan diggelen. Later ging hij terug en probeerde nog eens Gods wil te doen en een volk te vormen. Hoe ziet God eruit? We weten het niet. Toen Mozes vroeg om God te zien, sprak Hij zijn naam uit.

Wie is die God die zich openbaart aan Mozes? Wie is deze God die bezig is om een gebroken en vervelend volk beet te pakken en weer nieuw te maken? God kiest er voor om met ons mee te gaan, ondanks dat we dat niet waard zijn. We zullen God nooit begrijpen want God werkt op vreemde, mysterieuze en liefdevolle manieren, zelfs als wij 


onze rug naar hem gekeerd hebben. God in een wolk kan misschien niet gezien, maar wel gevoeld worden. En hoe ervaren Mozes en het volk God? Hoe noemen ze Gods naam? Te oordelen naar wat we vandaag hoorden is God: verdraagzaam en meelevend. Hij neemt het initiatief om naar ons toe te komen. Onze zonden houden hem niet tegen. Hij blijft ons trouw, zelfs als we afgoden maken om die te aan bidden.  Hij kan een gebroken volk weer heel maken.
Dit is een aantrekkelijke God, vindt u niet? Wie kan nee zeggen tegen God? Mozes deed wat ieder van ons zou doen. We zien wat we nodig hebben en we zeggen met Mozes: Als u mij goedgezind bent, Heer, trek u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde. Het schijnt dat het Gods natuur is om die uitnodigingen aan te nemen.

God komt niet alleen langs in een wolk, maar blijft bij ons. God wordt mens, doet met ons mee en blijft bij ons zelfs na de dood. God openbaart zich aan ons in Jezus, "God met ons."
Mogen wij erkennen en aanvaarden wat God voor ons gedaan heeft in Jezus Christus en geloven dat we door Christus verenigd zijn met God. Dan hebben we eeuwig leven.
Heel wat mensen denken, dat we het eeuwige leven krijgen als een prijs voor het ijverig uitvoeren van de geboden van God. We hebben eeuwig leven behandeld als een beloning na onze dood voor goed gedrag. Dat is niet de blijde boodschap over eeuwig leven. Een gelovige kan eeuwig leven hebben en ervaren in ons leven hier op aarde. Wat is dat dan? Wat ervaren we? We geloven dat we de liefde van God niet hoeven te verdienen door het precies uitvoeren van geboden en verboden. Eeuwig leven is weten, dat God ons bemint. Dan moeten wij iedere dag door die liefde veranderen, beter worden.

Eeuwig leven betekent, dat we in ons leven willen laten zien hoe de liefde van God steeds maar weer naar ons toekomt. Vanaf het moment van onze schepping zijn we gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, ook al keren we ons steeds weer naar valse goden. Altijd blijft de drie-ene God maar zeggen: "Ik houd van je." We hebben de echte naam van God leren kennen: een voortdurende en onophoudelijke liefde."

Laten we weer "Ja" zeggen tegen God.

Liefde deed God de eerste beweging maken naar mensen, later koos Hij Israel. Toen ze een tweede kans nodig hadden, kregen ze die, want God hield van hen en houdt ook van ons. Mogen wij dat ook ervaren iedere dag van ons leven.

  Sacramentsdag: Deuteronomium8,2-16; johannes 6,51-58 25 mei 2008, Theo Koster OP   

We hebben het goed hier in Nederland, maar voelen we ons ook goed, zijn we gelukkig? We doen het goed, zo pareerde premier Balkende de vele kritiek vanuit de kamer op zijn kabinet, en hij duidde de kritiek als een spiraal van negativisme. Kijk toch eerst eens naar hoe we er als land voorstaan, en vergelijk dat eens met andere landen in Europa. Een politiek commentator hoorde ik op de vraag of dit kabinet zal vallen zeggen: nee, CDA en PvdA hebben elkaar hard nodig; beiden staan in de peilingen zo laag, dat ze zich een crisis niet kunnen veroorloven. Ze hebben elkaar inderdaad nodig, maar dat stralen ze niet uit; ze hebben elkaar nodig, maar je proeft en voelt het niet. Precies hierover gaat het in de lezingen vandaag. Denk aan de Heer, uw God, die u bijstond in de woestijn, horen we enkele keren. Hij brengt u naar een goed land: volop te eten, mooie huizen, veel runderen, goud en zilver dat zich ophoopt. U mag daardoor niet hoogmoedig worden en de HEER, uw God, vergeten. In een tijd van grote nood, daar in Egypte, en later in de woestijn, heeft het volk aan den lijve ervaren, dat het niet alleen stond, dat het zichzelf niet kon en niet hoefde te redden. Er was iemand die voor hen opkwam, zich over hen ontfermde. Waarom deed God dit; had Hij behoefte aan een speeltje? Woorden als "hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen" wekken de indruk, dat het volk een speeltje is in Gods hand. We kennen dit gevoel uit eigen ervaring, als grote ellende ons overvalt: waar blijft God, waarom grijpt Hij niet in, waarom laat Hij dit toe. Het volk, en dus ook wij, zijn geen speeltje, blijkt uit de regels die volgen: "om te ontdekken wat er in uw hart leeft" en "zo maakte Hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen". God is betrokken is op zijn volk, houdt van zijn volk en dus verlangt Hij, dat deze gevoelens wederkerig zijn, dat het volk ook op Hem optrokken is, van Hem houdt. Hier is een mens aan het woord die de ervaring, opgedaan in grote nood, dat je niet alleen staat, aan je lot wordt overgelaten, probeert onder woorden te brengen. Als je volmondig deze ervaring bevestigt, 'ja' zegt tegen God die zich uit liefde voor jou voor je op komt, heeft dit consequenties, namelijk, dat jij op jouw beurt op God betrokken blijft, ook als het je goed gaat. Wanneer het hen goed gaat steekt de scoringsdrift in mensen op: kijk eens wat ik bereikt heb, kijk eens wat ik allemaal doe. Als het huidige kabinet in plaats van zijn zegeningen te tellen en critici negativisme te verwijten zou uitstralen, voelbaar houdt, hoezeer het elkaar en ons als burgers nodig heeft, zou het dan zo laag in de peilingen blijven staan? Dat het God menens is en Hij dus consequenties trekt uit zijn verbonden zijn met ons vertelt het evangelie. 'Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald' hoorden we Jezus zeggen. Bij brood uit de hemel dacht men destijds direct aan het manna. Brood 


was het beeld van het woord van God. Dit brood  eten betekende Gods woord aanvaarden en het je eigen maken. Dat Jezus zich hiermee identificeert  is nog te volgen. Dat hij verder gaat, verwacht dat  je hem eet en drinkt, zoals je dit met brood en wijn doet, schept verwarring en leidt tot twist. Johannes probeert hier te verwoorden wat hij in Jezus heeft ervaren:
de consequentie die God verbindt aan zijn betrokkenheid op ons mensen. De band tussen God en Jezus gaat zo diep, dat ze samenvallen. Zijn vlees eten, zijn bloed drinken betekent: in geloof aanvaarden, dat in Jezus Gods woord helemaal mens is geworden, dat God zijn lot dus totaal en helemaal aan die van mensen verbindt, zelfs er niet voor terugschrikt een vernederende dood te sterven. Dit is niet te vatten, niet te begrijpen, dit reikt zoveel dieper dan ons hoofd.
We gaan daarom even terug naar de woorden waarmee ik begon: we hebben het goed hier in Nederland, maar voelen we ons ook goed, zijn we gelukkig? Als je nagaat, en dat doe je met je hoofd, of we het werkelijk goed hebben, dan kun je niet anders dan dit bevestigen. Voor de meeste Nederlanders is er immers volop te eten,
de werkeloosheid is laag, we leven in mooie huizen, we doen het met andere woorden goed.
Voelen we ons ook goed, zijn we gelukkig? Deze vraag gaat dieper, kun je met je hoofd niet beantwoorden, geluk voel je, proef je. Geluk hangt samen met je persoonlijkheid, met zelfvertrouwen. Geluk hangt samen met verbonden zijn, ons onderling vertrouwen. Geluk hangt samen met het geheim van leven, vertrouwen in God. Hoe zit het met ons vertrouwen?
In onze samenleving zie ik angst in velerlei vormen. Studenten met wie ik werk zie ik op hun tenen lopen, hun uiterste best doen om te voldoen aan de hoge verwachtingen die hen worden en die zij zichzelf opleggen. We zijn bang voor elkaar; dit uit zich in angst voor allochtonen en moslims, angst die nog wordt aangewakkerd door politici die hoog staan in de peilingen. Ik zie een hang naar religie en spiritualiteit, waar de kerken geen raad mee weten. Ook in onze kerken neemt spelen op zekerheid de plaats in van geloven, vertrouwen. Het huidige hameren op regels door de bisschoppen en collega's van me, priesters, interpreteer ik als een uiting van angst.
Vertrouwen kun je niet afdwingen, vertrouwen wek je, en daarvoor hebben we elkaar nodig. Jezus legt grote nadruk op onze onderlinge band en de band met de Vader. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem. Samenleven is niet leuk, is gevaarlijk soms, maar ook alle moeite waard, proef ik in deze woorden. Wij worden hiertoe zo meteen uitgenodigd. De eerste stap heeft Jezus al gezet. Zijn we bereid hem te blijven volgen op deze gevaarlijke weg, ook nu het ons goed gaat?

  9e zondag door het jaar: Deuteronomium 11,18-28; Matteus 7,21-27 1 juni 2008, Mies Singendonk OP   


"Ook de maan staat vol met kruiwagentjes en op Venus staan instrumenten…"
We zijn op Mars geland, kort geleden. Deze keer niet met een klap en daarna stilte. Nee, netjes zoals gepland met een zacht plofje en wat opwaaiend Marsstof.
Zouden er sporen zijn van mogelijk leven? Hoort Mars ook bij de schepping? Of is Mars zo dood als een pier?
De robotarm van de Marslander graaft, het kleine laboratoriumpje analyseert. Gegevens en foto's komen naar de aarde.
De eerste Russische kosmonaut die zo'n 40 jaar geleden in de eerste bemande ruimtevlucht, in een baan om de aarde cirkelde, kwam tot de ontdekking dat datgene wat de mensen beneden op aarde hemel noemden, in werkelijkheid de kosmos was. En eenmaal doorgedongen in die hemel met zijn blauwe lucht met de wolken... zag hij daar geen God. Hij keek nog eens goed van bovenaf naar het aardse wolkendek. En ook nog eens naar een bijzonder grote stapelwolk, maar nergens zag hij die man met een baard, op een wolk bezig met de boekhouding van menselijke onvolmaaktheden.
Lieve mensen, wat betekent het ontbreken van een Godsbewijs in de natuurwetenschappen voor ons? Betekent het überhaupt iets?
Zouden we er iets aan hebben als we het bestaan van God natuurwetenschappelijk konden bewijzen? Of juist niet? Dat we zeker wisten dat er niets anders was dan de ruis van de kosmos en de planeet aarde die daarin rondtolt? Zouden we daar iets aan hebben? Zou dat een vloek of een zegen zijn? Het definitieve antwoord daarop zal in het verschiet blijven. Het definitieve antwoord is ook eigenlijk niet interessant. We leven met een onzekerheid.
Hoe kunnen we ondanks deze onzekerheid leven met een geloof in de God van Abraham, Izak en Jocob? En leven alsof deze God ons het leven en de tora geschonken heeft? Hoe kunnen we ondanks deze onzekerheid leven alsof we bondgenoten zijn van deze God. Deze God die dichtbij is in Jezus, onze broeder, en toch zo onbekend en onkenbaar blijft? Ons altijd weer ontsnapt..


Laatste zei een mevrouw tegen me: ik ben zo gefascineerd door het godsgeloof van mijn zuster..
Ik heb dat niet zo, zei ze. Ze vertelde dat het haar zus door veel tegenslag en ellende had geholpen. Die mevrouw en ik spraken erover dat sommige mensen "wonen in God". Overal waar zij gaan, gaan zij met God. Hun dagelijks leven is bezield.
Over die bezieling horen we vandaag in Deuteronomium. Daar staat: houd mijn woorden dus in gedachten, draag ze als een teken om uw arm en als een band om uw voorhoofd.
Dit doen de Chassidiem, vrome Joden, letterlijk. Zij binden stukjes tora op hun lijf. Zo is God geen ver idee of mooie gedachte, maar een God die de dagelijkse realiteit bezielt.
Jezus en anderen met hem, houden ons voor dat de tora of onderwijzing onze dagelijkse realiteit moet dragen.
Hoe wordt die tora dan dagelijkse realiteit en geen ver idee?
Jezus zegt in Matteüs dat het een zegen is als je anderen behandelt zoals je zelf behandeld zou willen worden. Dit is het hart van de wet en de profeten, zegt hij.
Evenals Mozes maakt Jezus ruim baan voor de wet. Offeren en profeteren betekenen niets als we het hart van de tora vergeten. Dan offeren we aan een onverschillig universum. Dan is het adres van offeren en profeteren onbekend en zal ons reukoffer niet naar onze hemelse Vader gaan, maar uiteenvallen in moleculen. En vervluchtigen.
Om bezield te kunnen leven is onderhoud nodig. Zodra je ophoudt met bidden en vieren droogt de bron op. Om bezield te leven is een luisterend hart nodig. Als wij God vragen om naar ons te luisteren, vraagt hij van ons om eveneens te luisteren. Het is een over en weer.
De psalmist zegt hierover: Bij u Heer, schuil ik. Hoor mij, wees voor mij een rots en een toevlucht.
Lieve mensen, om te kunnen schuilen moeten we ons afstemmen op God, bij het opstaan en bij het naar bed gaan. En daar tussen in luisteren naar Gods woord, luisteren naar de nood en de vreugde van een ander mens. Dan worden we medeschepper van God, hoe onzeker het bestaan ook is. Dan kunnen we naar de maan, zonder God te zien en toch medeschepper zijn van Gods Rijk.

   10e zondag door het jaar: Hosea 6,3-6; Matteus 9,9-13 8 juni 2008, Antoon Boks O.P.   


Onze manier van omgaan met God maakt ons misschien ook kritisch tegenover onszelf. Soms willen we volmaakt zijn en vragen we dat ook van de maatschappij. Toch zien we dag na dag en jaar na jaar dat we niet tot de volmaaktheid van onze afspraken met God komen. Er is vaak een verschil tussen wat we geloven en wat we doen. Dat is een van de grote dilemma's die wij tegenkomen. Vaak horen we dat, wat wij het religieuze geloof noemen, belangrijk is. Mensen geloven in God, in Jezus Christus, in zijn goddelijkheid en het aannemen van de boodschap die Hij ons gebracht heeft als een gave van God aan de wereld. We vinden liefde belangrijk en rechtvaardigheid, medelijden en barmhartigheid...
Maar daarna in het dagelijkse leven van ons zelf en de maatschappij komt ook de andere kant van de medaille naar voren. We leven in een half heidense wereld, waar geld een grote rol speelt en wat we doen lijkt soms niet op wat God wil. Het lijkt, dat God bij veel mensen bewust of onbewust uit het dagelijkse leven en uit de dagelijkse bezigheden verbannen is. Is God veranderd in een makkelijke God, van 's zondags en verder niet? Is er een oppervlakkige religie ontstaan, een eredienst van een rituele gave en op zondag een paar gebeden om God en onszelf gerust te stellen. In de Bijbel lezen we van offergaven, zelfs mensenoffers. Mensen probeerden en proberen met die kleine God om te gaan. Soms vallen we zonder het te willen terug in die manier van godsdienstigheid die eigen was aan hopelijk historische tijden.
Met de profeten en Jezus is dit idee van al te menselijk binden veranderd. We weten dat God liefde en geen offers wil. Het is een manier om aan te duiden dat we in onze omgang met God prioriteiten moeten stellen. Iedere uiting van eredienst moet teruggaan op liefde en barmhartigheid. Het gaat niet om het een of het ander. We worden uitgenodigd om te kijken naar de prioriteiten, die moeten beleven in ons naderen tot God; om niet op de eerste plaats te stellen, wat op de tweede plaats moet komen. Eredienst en uitingen zijn belangrijk, maar er zijn dingen, die nog belangrijker zijn, die raken aan de kern van onze gelovige identiteit. God interesseert zich voor mensen, voor hun liefde, gehoorzaamheid. Dat was vroeger al belangrijk en dat blijft het.
Profeten spreken over de trouw en de eerbied van hen die geloven in God en Jezus herhaalt het. Het centrale thema in de verhouding tussen God en het volk van Israel is het verbond. God en zijn volk sluiten dit verbond en verbinden zich om die trouw en eindeloze liefde te bewaren. God zou hun God zijn en het volk het volk van God. Het is iets persoonlijks. Jammer genoeg ging het volk verkeerde wegen. Ze lieten God in de steek en lieten ze zich leiden door de macht en de zekerheid die de heidense koningen hun zogenaamd aanboden.
God zoekt geen dingen, hij zoekt ons. Het beste wat wij kunnen doen, is ons door God te laten vinden. God begint met liefde. God heeft ons al liefgehad voordat wij hem lief hadden.
U weet allemaal genoeg over Matteus. Hij wordt geroepen tot leerling van Jezus. Vlak er voor is een lamme al genezen. De genezing wordt 


omgeven door de ongelovigheid van de Schriftgeleerden en Farizeeërs die niet kunnen begrijpen of aanvaarden dat iemand die ze kennen als de zoon van de timmerman zonden kan vergeven en een lamme kan genezen.
De Farizeeërs en Schriftgeleerden vonden het heel vervelend, dat Jezus zo aardig was tegen een zondaar. Ze konden zich niet voorstellen, dat God dichtbij was. Matteus staat buiten de wet. Hij is buitengesloten en kan geen deel uitmaken van het sociale en zekere niet van het religieuze leven. Matteus is geëxcommuniceerd als een publieke zondaar. En nu kijkt die leraar uit Galilea hem in de ogen en zegt: Volg me! Matteus werd geboeid door die blik van Jezus, die hem verlost van die sociale schandvlek. Hij stond meteen op en werd een volgeling van Jezus. Praten over de goedgeefsheid en de barmhartigheid van God kan ons zover brengen dat we ook echt leerlingen en getuigen zijn in deze wereld.
De conclusie is dan ook te begrijpen, want Jezus zegt dat de gezonde mensen geen dokter nodig hebben maar wel de zieke. Daaruit blijkt, wie God is. Het is een verklaring over hoe God wil zijn in zijn verhouding met ons.
Hoe gaan wij om met deze woorden?
Wij zijn allemaal geroepen en heel ons leven moet een poging zijn om te ontdekken hoe we trouw kunnen zijn aan die roeping. Wij zijn als Matteus, ook al heeft God zich aan ons een beetje minder dramatisch geopenbaard. Het gebeurt in ons dagelijks leven, in de routine van iedere dag, in de raad van een vriendin, in het lezen van een goed boek. God blijft roepen, maar respecteert onze vrijheid. God is niet geïnteresseerd is in dingen, maar in mensen. In ieder van ons. We zijn geschapen naar zijn beeld en gelijkenis en vragen om de genade en de barmhartigheid van God. Wij zijn voor hem gelijk, rijk en arm, man en vrouw, jong en oud. We bedelen allemaal om een stukje brood, een beetje liefde en zekerheid.
Het is goed om rekening te houden met het antwoord van Matteus. Is het ook ons antwoord op de roeping van Jezus? God hoopt het, omdat hij weet dat we dit rijk van God willen stichten door de structuren van de maatschappij waarin we leven, om te vormen, ook al is het heel moeilijk. Wij kunnen het niet alleen, maar wel samen met God en met elkaar. Het verlossingswerk gaat verder. God klopt aan het hart van mensen en biedt ons vergeving, verzoening, barmhartigheid, medelijden, voldoening en verlossing aan. Van ons vraagt God geloof, hoop, nederigheid om gaven van hem te ontvangen. De gave van geluk en vrede begint al hier en nu. Soms willen we veel zelf doen en net als de Farizeeërs en Schriftgeleerden God buiten sluiten. Dat is een verschrikkelijke beslissing.
God roept ons goed te luisteren naar zijn woorden en om te leven als kinderen van God. Kinderen leren als eerste hun moeder en hopelijk ook hun vader te herkennen. Daarna leren ze vertrouwen te hebben in die personen, die voor hen zorgen.
Dat vertrouwen mogen we ook in God hebben.

  11e zondag door het jaar: Exodus 19, 2-6; Matteüs 9,36-10, 8 15 juni 2008, André Lascaris O.P.   


Hoe word je christen, kom je in aanraking met het christelijk verhaal? Ikzelf langs de weg van de liturgie. Als een klein kind ging ik al zondags mee naar de hoogmis. En in die oorlogsjaren was het mooie alleen in de kerk te vinden: muziek, de warmte van de mensen, de sfeer van eerbied, de mooie kleding… de kerk was een andere wereld. Ik denk dat velen van U langs soortgelijke wegen verbonden bent geraakt met het christelijke verhaal..
Toch begint de christelijke traditie niet daar. Ze begint bij wijze van spreken in de buik van Jezus. Volgens de Griekse tekst wordt hij in zijn ingewanden, zijn binnenste geraakt, wanneer hij de mensenmenigte ziet, uitgeput en hulpeloos, opgejaagd, zuchtend onder de politieke druk met haar belastingen, onderdrukt door religieuze geboden: tempelbelasting betalen, verschil maken tussen rein en onrein. Mensen zonder leiding als schapen zonder herder. Het hart van Jezus draait zich als 't ware om; hij wordt geraakt door hun nood. Hij ziet hen niet alleen als mensen in nood, maar ook als een oogst die binnengehaald moet worden.
Hij maakt een nieuwe start. Hij herschept het volk van Israël, vormt een nieuw volk van God. Zoals Israël 12 stammen had, verzamelt hij 12 leerlingen. Hij wil Israël weer opnieuw oprichten in de hoop dat de wereld één groot oogstland zal worden.
Hij volgt zo Mozes na; hij is een nieuwe Mozes. Mozes aan wie God had gezegd dat hij de slavernij van Israël gezien had en de wreedheid van hun onderdrukking. Door Mozes, zelf geen slaaf, maar eigenlijk een hoveling, voert Hij het joodse volk uit zijn slavernij Egypte uit. Hij voert het omhoog naar zich toe. Op adelaarsvleugels:
zoals arenden hun jongen uit het nest gooien om ze te leren vliegen, maar met hun vleugels onder hen blijven vliegen om ze op te vangen, zo leidt God de voormalige slaven tot onafhankelijkheid. Zij mogen zich gedragen weten, hoeven niet alleen op eigen krachten te rekenen, en dit vertrouwen geeft hun vleugels. Datzelfde vertrouwen probeert Jezus op te roepen, wanneer hij zijn leerlingen zegt dat ze alles gratis en om niet ontvangen en zo ook om niet moeten geven.
In de tekst van Exodus sluit God met het volk een verbond. In plaats van het vertrouwde slavenhuis en zijn wrede regels, krijgen zij een godshuis. Zij krijgen de opdracht om alle mensen op aarde bij God te 


vertegenwoordigen en God te vertegenwoordigen bij alle mensen. Zij moeten koningen zijn, herders die de weg wijzen, priesters, voorsprekers.  Zij zijn voor God een kostbaarheid, waarover hij wil waken. Zij moeten in de wereld de sterken zijn die opkomen voor de zwakken, zoals God zelf als de sterkere opkomt voor hen.
Deze opdracht is herhaaldelijk vergeten. Profeten moesten Israël daar telkens aan herinneren. En de profeet Jezus begint weer opnieuw. Hij zendt zijn leerlingen als jonge sterke arenden uit om mensen te bevrijden van onreine demonische geesten, hen te bevrijden van onderdrukkende ideologieën zoals die overtuigingen die ons zeggen: 'het gaat om macht, om geld, om gezondheid'. Maak mensen werkelijk gezond, heel, wek doden op, dwz, geef mensen zonder toekomst een nieuw perspectief, reinig melaatsen, bevrijd mensen uit hun isolement en eenzaamheid. Bovenal verkondig dat heel de aarde van God is en dat God met zijn liefde mensen nabij is, hun herder wil zijn.
De leerlingen moeten eerst proberen Israël weer op het goede spoor te krijgen; op het einde van het evangelie zendt Jezus hen uit naar alle volkeren. Dit ook misschien omdat je altijd wel het kwade en demonische in anderen ziet, en veel moeilijker in eigen kring.
Het christelijk verhaal begint met geraakt worden, tot in het lichamelijke toe, door het lot van de verworpenen. Het is nu onze beurt om als jonge arenden uit te vliegen, herders te zijn, genezers, voorbidders.
In onze tijd zoeken vele mensen naar zichzelf, naar authenticiteit, naar wat er nog meer is. Materieel zijn ze vaak goed af. Ze voelen zich opgesloten, zijn slaaf van hun verplichtingen, de tijd vliegt voorbij, ze gaan van de en naar de andere gebeurtenis en vervelen zich: is dit nu alles? Ze zijn opgesloten in zichzelf. Ze jagen na wat ze anderen na zien jagen. Ze voelen zich ongezien, verworpen. Door hen geraakt worden tot in je lijf. Aan hen zeggen dat ze erop mogen vertrouwen dat er van hen gehouden wordt. Voor velen is elk ander een rivaal, een bedreiging. Mensen van die boze geest genezen in en door de gewone ontmoetingen van elke dag. Daar wordt de oogst binnengehaald. Mogen wij arbeiders zijn in die oogst. En mogen we dat gegeven hier en nu vieren.

   12e zondag door het jaar: Jeremia 20, 7-13; Matteüs 10, 16-33 22 juni 2008, Theo Koster O.P.   


"HEER, U hebt mij verleid en ik ben bezweken, U was te sterk voor mij." Bij deze woorden gaan mijn gedachten spontaan naar de vele studenten en anderen die ik zag terwijl ze zich volkomen ontspannen hadden ter voorbereiding op een meditatie. Wat is een mens mooi, prachtig om te zien, als hij zich helemaal láát zien, niets verborgen houdt. Het zijn er inmiddels zoveel die ik mocht zien, dat ik durf zeggen: ieder mens is mooi, fier, wanneer hij zich helemaal laat zien.
Waarom zien we in het leven van alledag dan zo weinig van die fierheid, die schoonheid? Het antwoord op deze vraag kent u uit eigen ervaring. Een mens die zich bloot geeft, niets achter de hand houdt is kwetsbaar, makkelijk te raken. "Dag in dag uit lachen ze om mij, iedereen bespot mij," hoorden we Jeremia zeggen. Toch duikt hij niet weg als een bange mus, kruipt hij niet in elkaar. Dit hangt samen met het gegeven, dat zijn zich laten zien geen zelfontdekking is.Een ander bracht aan het licht wie Jeremia ten diepste is, iemand die veel van hem hield. Diens liefde heeft Jeremia gevoeld en hij is erop ingegaan. Hij heeft zich bloot gegeven, overgegeven aan wie hart en nieren doorgrondt. En nu zit hij met de gebakken peren.
Zo kún je het zien. Zo belééft Jeremia het niet. We horen een zelfbewuste Jeremia aan het woord. Zelfbewust is het tegendeel van jezelf waarmaken, jezelf bewijzen. Het is een volmondig ja zeggen tegen het vertrouwen, dat bij hem gewekt is. Hij kan zichzelf als geschenk van de Barmhartige niet loochenen en wordt zo een spiegel, waarin de samenleving van die tijd zichtbaar wordt, in het hemd komt te staan, want deze samenleving was bepaald geen juweeltje. Deze samenleving pikt het niet dat haar ware aard aan het licht komt. Jeremia weet dit, hij is niet gek. Hij wil daarom zijn mond houden, maar kan het niet.
Wat we als kind al tegen elkaar riepen: 'Wat je zegt ben je zelf' overkomt Jeremia: daar heb je "Overal paniek!", fluistert zijn omgeving. Jezus wordt eeuwen later zelfs Beëlzebub, de vorst der demonen, genoemd. Er is niets nieuws onder de zon. Ook de samenleving waarvan wij deel uitmaken heeft demonische trekken, roept paniek op, ook als je al een en ander gewend bent. De doorbraak van Gods koninkrijk maakt hier geen einde aan, maar brengt aan het licht, hoe wij mensen met elkaar omgaan. Met hen die getuigen van dit goede nieuws zal gebeuren, wat Jeremia en Jezus hebben ervaren. Jezus bereidt er zijn leerlingen, ons, op voor.
Wij staan niet als een herder boven onze kudde. Wij maken deel uit van deze kudde, en zullen ons gedragen naar wie we zijn, als schapen of als wolven. Wie
werkelijk Gods kracht ervaren heeft, zoals Jeremia, zoals Jezus, zal zich als een schaap laten zien en gedragen. Wees omzichtig als slangen, houdt Jezus zijn leerlingen voor. Aan slangen had men destijds een


hekel; slangen moesten dus op hun hoede zijn. Wees argeloos als duiven. Besef de eigen onbevangenheid en kwetsbaar- heid. Omzichtigheid zonder onbevangenheid leidt tot wantrouwen; onbevangenheid zonder omzichtigheid tot naïviteit. De combinátie van de positieve eigenschappen van deze twee dieren is voor ons, leerlingen van Jezus,  van belang. En dan horen we: pas op voor de mensen… Niet voor dieren, niet voor mensen, maar voor de mensen moet je oppassen. Het woordje 'de' maakt deze waarschuwing voor mensen als u en ik pijnlijk, maar we weten, dat het klopt. Jezus is realistisch en daarin pijnlijk; de voorbeelden die hij noemt zien we dagelijks om ons heen, buiten, maar ook volop in zijn kerk.
Laat je niet van slag brengen, hoor ik hem tegelijk zeggen. Natuurlijk kun je niet zwijgen, je mond houden, maar realiseer je, dat jij je niet hoeft te bewijzen, je gelijk niet moet halen, jezelf niet hoeft te redden. Dat doet nu juist degene van wie je verkondigt, dat zijn koninkrijk nabij is. Dit koninkrijk zal onthuld worden, blijft niet verborgen, zoals de schoonheid en fierheid van een mens niet verborgen kan blijven, wanneer die mens zich helemaal laat zien. Wees dus niet bang. Tot drie keer toe wordt het herhaald. Laat het tot je doordringen, knoop het in je oren: wees niet bang.
De situatie waarin destijds Jezus zijn leerlingen toesprak verschilt weinig van de onze. Ook wij leven kerkelijk en maatschappelijk gezien in barre tijden. Het huidige beleid van onze bisschoppen, noch het politieke en maatschappelijke klimaat hier in Nederland bedreigt direct ons leven. Voor ons staat op het spel onze geloofwaardigheid en integriteit. Mussen werden destijds gegeten; goedkoop voedsel. Wij doen dat niet, maar het beeld van de mus is ons vertrouwd in de uitdrukking: stelletje bange mussen. Er is reden voor angst, maar gedraag je niet als een bange mus, hoor ik in Jezus woorden. En besef, dat zelfs zo'n mus bij jullie Vader in tel is, aandacht krijgt.
Tot in zijn laatste woorden vandaag, het partij kiezen, blijft Jezus realistisch en is hij actueel. Voortdurend worden we verleid partij te kiezen, voor of tegen Rita Verdonk, voor of tegen Balkenende; je kiest voor of tegen de bisschoppen. Jezus daagt ons uit in deze vele spanningsvelden waarin we dagelijks staan naar hem op zoek te gaan en voor hem partij te kiezen. Het zal u duidelijk zijn, dat hij hiermee niet bedoelt, dat we te pas en te onpas hem erbij moeten halen. Zelf dragen we in deze kerk en samenleving verantwoordelijkheid. Wij worden uitgedaagd niet met zijn woorden te schermen maar deze te doen. Dus vraag je bij dilemma's af: hoe zou Jezus gehandeld hebben, en handel dan. Partij kiezen is niet je achter Jezus verschuilen, maar hem hier en nu gezicht geven.

   13e zondag: Petrus en Paulus: Handelingen 12,1-11; Matteüs 16,13-19 29 juni 2008, Henk Jongerius O.P.   


Petus en PaulusHet is heel bijzonder om op plaatsen te zijn die de herinnering bewaren aan mensen die belangrijk voor je zijn: het ouderlijk huis, de school waar je je eerste stappen zette, de stad waarin je woonde. Zo heb ik ooit op de plaats gestaan in Zuid Frankrijk, in Prouille, waar Dominicus uitkeek over het land en op het idee kwam om een Orde van Predikers te stichten. Daar wordt je extra door geraakt.
Zo ben ik ook eens in Rome geweest, vlak na mijn priesterwijding en op het plein voor de Sint Pieter werd ik me er sterk van bewust dat ik op historische grond stond, dat hier ook die twee grote Apostelen die wij vandaag gedenken, gelopen hebben. De plek verbond mij met mensen die ons een getuigenis hebben nagelaten aangaande Jezus. Meer nog dan de indrukwekkende basiliek staat op mijn netvlies getekend hoe ik daar boven op het graf van Petrus in de crypte de eucharistie heb ge-vierd en mij verbonden voelde met die eerste geloofsgetuigen die in Jezus de Messias, de Gezalfde van God, hebben ervaren. Als Petrus vandaag gelukkig geprezen wordt, dan gebeurt dat niet omdat hij uit eigen kracht tot dat getuigenis is gekomen, maar omdat hem, als zoon van Jona, dit van Godswege geschonken is. Hij was, zoals wij verderop in het evangelie horen, een mens die ontkend heeft dat hij bij Jezus hoorde en uiteindelijk tot driemaal toe de vraag moet beantwoorden of hij van Jezus houdt. Een ook Paulus die als Saulus instemde met de steniging van Stephanus, heeft door een heel 


bijzondere ervaring onderweg naar Tarsus Jezus leren kennen als degene die hij harts-tochtelijk vervolgde! Breekbare en twijfelende mensen zijn de rots waarop de Kerk gebouwd is. Op hun gelovige vertrouwen mogen wij steunen, een vertrouwen waarin zij hebben te verwijzen naar Jezus, die zij navolgen. In zijn voetspoor gaan betekent een mens belijden die zich volledig heeft toegewijd aan het levensgeluk van mensen. Dat Petrus daar niet van wilde horen brengt hem het verwijt van Jezus dat hij zijn eigen gedachten en ideeën volgt, maar niet bedacht is op wat God wil.
Deze leiders vormen het fundament van de Kerk, zij dragen en dienen de gemeenschap zoals ook Jezus dat deed en zijn niet de top van een piramide die onaantastbaar en hoog verheven is boven anderen. Zo wordt er geen gemeenschap gesticht, dat gebeurt alleen wanneer mensen in navolging van Jezus werkelijk dienstbaar zijn aan het geluk van anderen en hun leven durven verliezen. Zowel Petrus als Paulus moesten de ogen geopend worden voor wie Jezus werkelijk is: het hoopvolle perspectief voor een wereld in vrede en zij dienen als voorbeeld voor allen die leiding geven aan de geloofsgemeenschap. Daar gaat het niet om heersen, maar om dienen in verbondenheid met de rabbi uit Nazareth. Zo worden wij vandaag geroepen om opnieuw te gaan staan en leven in de navolging van Jezus: alleen zo heeft Kerk als dienstbare gemeenschap gezag en toekomst in onze wereld: als graan dat in de aarde valt en vruchten draagt van gerechtigheid. Zo geven wij elkaar vaste grond onder de voeten op de weg door het leven als wij elkaar dragen in liefde.

   14e zondag door het jaar: Zacharia 9,9-10; Matteus 11,25-30 6 juli 2008, Paul Minke O.P.   


De profeet ZachariaVan mijn vakantie op weg naar huis reed ik Digeon, een klein stadje in midden-Frankrijk, binnen op zoek naar een bakker voor brood onderweg. Ik vond er een tegenover de kerk. Eenmaal buiten met mijn twee croissantjes, zag ik, dat de kerkdeur open stond. Eenmaal binnen hoorde ik eerst iemand zingen. Meer naar voren komend zag ik een priester of diaken in een weidse witte mantel. Hij was het die zong. Verder zag ik een gouden monstrans op het altaar staan. Het was uitstelling. Op het priesterkoor stonden enkele banken, allen leeg op drie plaatsen na. Daarop zaten drie bejaarde vrouwen, stille getuigen van het gebeuren. Nadat de priester zijn gezang beëindigd had, gaf hij de zegen met de monstrans, zette deze terug op het altaar, haalde de hostie eruit, deed deze in een doosje, stak die bij zich, knipte op een schakelaar onder het altaar en liep weg. De drie vrouwen bleven zitten. Het was midden op de dag, half twaalf.
Ik keek dit tafereel hoogst verbaasd en verwonderd aan. Kan dat nog anno 2008? Eerlijk gezegd riep dit bij mij allerlei negatieve gevoelens en gedachten wakker. Ik voelde me een getuige van een verstarde traditie, routineus uitgevoerd, van een vasthouden aan het oude vertrouwde zonder gevoel voor de nieuwe tijd, van een volgen van een doodlopende weg zonder enig toekomstperspectief, van een kerk, die zich terugtrekt binnen eigen grenzen en geen antwoord meer zoekt op de grote levensvragen van mens en samenleving. Brengt dit gebeuren niet precies in beeld het verval en de crisis van de kerk? Zo ging het door mijn hoofd. Teleurgesteld en ook wel geërgerd liep ik de kerk uit.
Toen ik maandag het evangelie las, kwam dit tafereel mij weer voor de geest en mijn negatieve reacties daarop, en ik voelde me beschaamd. Wie ben ik dat ik zo oordeel, om niet te zeggen veroordeel? Met welk recht? Ben ik wellicht nu die verstandige en wijze, die niet wil zien, aan wie de Heer zichzelf, zijn liefde, openbaart, en alleen maar kritisch kijkt? Niet bidt, zoals daar wel ter plaatse de priester en de drie vrouwen deden in navolging van Jezus: Ik dank U Vader, Heer van hemel en aarde. Even voor alle duidelijkheid. Jezus had menselijkerwijs gesproken geen reden tot dankbaarheid. Integendeel. Jezus had het op dat moment moeilijk. Vlak te voren hadden de leerlingen van Johannes de Doper zich gemeld met diens vraag: Ben u het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten. Ook was Jezus uitgevaren tegen de steden Chorazin, Betsaida, Kafarnaum, waar de meeste van zijn daden waren verricht, omdat zij zich niet bekeerden. 


Die ervaringen moeten voor Hem bitter zijn geweest. Jezus beseft: Niet de wijzen en verstandigen zijn ontvankelijk voor zijn Blijde Boodschap niet de Farizeeën en Schriftgeleerden maar de eenvoudigen en de kleinen. Waar Jezus in zijn crisis desondanks weet te bidden: Ik dank u, Vader, daar mag een kerk in crisis niet achterblijven en ook weten te bidden: Ik dank u Vader, dat er in de kerk zo veel geloof is, zoveel vertrouwen in U aan de basis, onder de mensen, die uw boodschap wel hebben verstaan, die weet hebben van uw liefde en van uw ontferming over mens en wereld.
Zoals, - en nu keer ik terug naar het tafereel in de kerk van Digeon - die drie vrouwen, drie eenvoudige mensen, drie stille figuren, in rust aanwe-zig bij de Heer, in grote gelovige overgave. Voor dat moment viel voor hen de wereld met al zijn sores even weg, die wereld vol haast en stress, vol herrie en onrust, vol chaos en leegte. Tot Hem kwamen zij, op zoek naar rust en verlichting, naar stilte en adem. En ik twijfel er niet aan: Zij hebben gevonden wat zij daar zochten.
Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, zegt Jezus tot ons. Het klinkt alsof Jezus ons bidt en smeekt om Hem alle vertrouwen te schenken. Hij weet: er is zoveel moeheid, zoveel lasten, zo weinig rust, stilte en verlichting. Mensen dragen verdriet bij zich, teleurstellingen, pijn, gemis, weinig hoop. Mensen hebben het druk, zijn altijd druk in de weer, dag aan dag. Mensen moeten zoveel - van anderen - , of ze willen of niet, maar ook vaak van zichzelf, want ze willen zoveel. Te veel soms. Veel gevoelde onrust komt ook voort uit onvrede met het eigen leven, met wat je bent, met wat je doet, met wat je eigenlijk wilt en toch niet doet. Jezus nodigt ons uit zijn juk op te nemen en niet het juk dat de wereld je oplegt, nodigt uit zijn woord eigen te maken en van Hem te leren wat leven is: je zult rust vinden voor je ziel. Bij Hem mag je zijn wie je bent en hoef je niet te zijn wat een ander of de samenleving vindt dat je moet zijn. Voor wie niet sterk is: een zwaar juk, een ondraaglijke last. Jezus is ontwapenend, wil niets van je, zegt alleen maar van zichzelf: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, Ik ben slechts jouw dienaar, dat alleen. Taal voor de eenvoudigen, niet voor de verstandigen en wijzen. Taal voor de zoekers, zoekers naar antwoorden op hun levensvragen. Taal voor gelovigen, die Gods stille nabijheid hebben ervaren.
Die taal wordt voor ons verstaanbaar als wij in eenvoud weten te leven. Die taal zal ons dan dichter bij Jezus Christus en de Vader brengen. Die zal ons onder alle omstandigheden, goed en slechte, doen bidden: Ik dank U Vader, Heer van hemel en aarde, dat U het mij gegeven hebt U te kennen en te mogen leven onder Uw zegen. Amen.

   15e zondag door het jaar: Jesaja 55,10-11; Matteus 13,1-23 13 juli 2008, André Lascaris O.P.   


De zaaier van V. van GoghHoe is zo'n grote oogst mogelijk? Een Palestijnse akker gaf op zijn best een negenvoudige oogst. Maar een dertig-, zestig- ,zelfs honderdvoudige oogst, die mocht je nooit verwachten. Te meer niet gezien het feit dat je er zeker van kon zijn, dat een deel van het zaad op de weg viel en opgegeten werd door de vogels. Een ander deel viel op rotsgrond en maakte nauwelijks wortel. Weer een ander deel valt tussen onkruid, distels, en verstikt. Hoe is zo'n grote oogst mogelijk?
Ik denk: alleen omdat de grond toch veel beter is dan je ingeschat had. En bovendien moet het weer bijzonder gunstig geweest zijn en is de aandacht van de bewerker van de grond groot geweest. Op het einde laat Matteüs Jezus de parabel uitleggen. Maar deze uitleg stamt uit de prediking van de jonge kerk die evenmin als wij nog wist wat Jezus met die parabel bedoelde. Maar je mag en kunt teksten zeventig maal uitleggen en dan nog een keer, m.a.w. je kunt als hoorder vanuit je eigen situatie de parabel steeds weer met nieuwe oren horen.
In deze uitleg wordt gezegd er vier soorten mensen zijn, evenals vier soorten grond: zij die horen maar niet begrijpen; zij die het woord van God opnemen, maar bij beproevingen in de steek laten; mensen waarbij het woord verstikt wordt door rijkdom of juist door dagelijkse zorgen; en tenslotte zij die het woord horen en begrijpen. Maar in elk geval moet de grond heel goed zijn om zo'n grote oogst te kunnen opbrengen.
Wat is trouwens die oogst? In het Nieuwe Testament is de oogst altijd het koninkrijk van God. Dat is een moeilijk te omschrijven begrip. Het is een toestand waarin God's liefde werkelijk zich kan doorzetten omdat mensen hem ontvangen. Het is een tijd van gerechtigheid en vrede, waarin ieder mens recht wordt gedaan. Een leven waarin alle relaties van mensen onderling en van iedere mens met God recht zijn, er communicatie is over en weer, een tijd waarin de dood niet meer heerst, de eersten de laatsten en de laatsten de eersten zijn.
Wat zou in onze tijd die goede grond kunnen zijn? Niet de kerk, denk ik, hoewel dat koninkrijk er misschien niet komt als er geen mensen zijn die samen kerk zijn. De parabel zelf suggereert ons wat goede grond kan zijn. De parabel zou je ook kunnen


lezen als een spirituele zoektocht. In onze tijd treffen we talloze mensen aan die op zoek zijn naar een goede oogst. Zij hopen op te bloeien als mens; zij hopen zich te verwerkerlijken, zichzelf te worden, authentiek te zijn, helemaal open te gaan, zichzelf tot gehele vervulling te brengen: dertigvoudig, zestigvoudig, ja honderdvoudig te oogsten. Om na je dood nog even door te gloeien en dan over te gaan in fijne herinneringen. Volop oogsten ondanks dat er veel door slordigheid verloren gaat, er soms te weinig diepgang is, vele gaven verstikt worden en niet tot bloei komen.
Dat lijkt goede grond te zijn voor de oogst van het rijk van God. Wil God zelf niet dat mensen opbloeien? En toch kunnen we zo mensen blijven die,zoals Jesaja zegt, luisteren, maar niet begrijpen, kijken maar geen inzicht hebben, opgesloten blijven in zichzelf, druk bezig voor een grote oogst. Want die spirituele en ook materiële oogst die we willen binnenhalen is toch niet het uiteindelijke, het belangrijkste, het hoogst wenselijke.
Het kan zijn dat je niet al je gaven zult kunnen ontplooien, niet tot volledige bloei zal komen, bereid moet zijn om als 't ware minder mens te zijn omwille van anderen en van je verhouding met God. De zorg voor een ander mens kan je beroven van de mogelijkheid al je gaven tot bloei te brengen. Want wil het zaad ontbloeien,dan, zegt Jezus elders, moet het zaad sterven om leven voort te brengen. We mogen ons op de weg begeven van onze zelfontplooiing, maar deze moet wijken als anderen een beroep op ons doen of als door hen God een beroep op ons doet. Uiteindelijk ben niet jij de heer van de geschiedenis en het leven, maar God,. Het rijk van God breekt aan, als je bereid bent je eigen zelfontplooiing, je eigen oogst in materiële en spirituele zin op te geven ten bate van dit rijk. Wanneer je bereid bent je eigen 'ik' te openen voor wat meer is dan jijzelf. Dan pas breekt de echte oogst dertig-, zestig-, honderdvoudig door.
We leven in een tijd waarin religie weer terugkomt,spiritualiteit hoge ogen gooit, meditatie in is. Maar dit alles blijft vaak hangen binnen de grenzen van het individu, binnen in de koepel van jezelf. Als we echter onszelf uitzaaien, niet zo gericht zijn op onze eigen oogst, eigen ontwikkeling, eigen zelfwording, dan zullen we ontdekken, dat ons een oogst geschonken wordt samen met anderen die onze verwachtingen overtreft en verandert. Moge dit zo zijn.

   16e zondag door het jaar: Wijsheid 12,13-19; Matteus 13,24-43 20 juli 2008, Mies Singendonk OP  


De ZaaierVandaag wil ik eens wat met u nadenken over de betekenis voor ons van de lezingen van vandaag, een gedeelte uit het boek wijsheid en de evangelielezing van vandaag. Ik roep even een gedeelte uit het evangelie in herinnering waar Jezus tegen zijn leerlingen zegt, dat de mensenzoon zijn engelen zal sturen om alle zondaars in de vuuroven te werpen, en waar ze zullen jammeren en knarsetanden. En dat de rechtvaardigen dan in het koninkrijk van hun vader zullen stralen als de zon.
Ja mensen, daar zal wening zijn en knersing der tanden. Een apocalyptisch visioen, daar lijkt het op. Menigeen is dit zinnetje uit de Statenvertaling bijgebleven. Een zin voor een donderpreek. Donderpreken zijn niet meer zo in de mode. Liever maken we korte metten en zeggen we : aanpakken die handel, geen soft gedoe! Maar ook haal ik even iets terug uit het boek wijsheid: Omdat u heer en meester bent kunt u uw macht uitoefenen wanneer u dat wilt. Deze zin is ook zeer geschikt voor een donderpreek. In lijn met de mensenzoon die zal komen oordelen. Maar, er wordt het volgende zinnetje aan toegevoegd: Toch oordeelt u zachtmoedig en regeert u ons op milde wijze. Al die zachtmoedigheid, zet dat de deur niet weer wagenwijd voor zoetsappigheid en softheid?
Lieve mensen, kan een rechtvaardige ook zondigen? En kan een zondaar ook rechtvaardig zijn?
Stel je voor dat iemand die ernstige zonden heeft begaan, een familie heeft beroofd en heeft gemoord, maar ook iets goeds heeft gedaan, bv. voor iemands moeder heeft gezorgd, zou het dan niet heel erg zijn als dat goede dan niet meetelde, en alleen het verkeerde? En omgekeerd, als een rechtvaardig en goed mens nou eens tot moord in staat was, telt dan de rechtvaarigdigheid niet meer, alleen de moord?
M et andere woorden: blijf je altijd dezelfde? Stel je voor dat je voor altijd vastgelegd wordt op je zwaktes, je fouten uit het verleden? Heb je dan nog een toekomst?
Kijken we nog eens naar het boek wijsheid: omdat u heer en meester bent kunt u uw macht uitoefenen wanneer u dat wilt. Toch oordeelt u zachtmoedig en regeert u ons op milde wijze. En door zó te handelen (zachtmoedig dus) hebt u uw volk geleerd dat rechtvaardigen menslievend moeten zijn; u geeft uw kinderen de hoop dat zondaars 


naar u kunnen terugkeren. In dít gedeelte worden Gods almacht en Gods mildheid bezongen. Het is een les: rechtvaardigen moeten menslievend zijn. Ook de machtigen onder de mensen moeten menslievend zijn.
Menslievendheid wil niet zeggen dat we ons blind moeten houden voor iemands fouten. Menslievendheid wil zeggen dat we met iemand moeten omgaan zoals wijzelf behandeld willen worden. We hoeven niet kinderachtig te zijn, geen doekjes voor het bloeden. Het gaat om recht doen, maar zonder iemand af te schrijven.
Aan het begin van het stukje uit wijsheid wordt gezegd (dat hebben we vandaag niet gelezen): U heer, hebt het leven lief en u spaart alles omdat het van u is; in alles woont uw onvergankelijke geest. Daarom legt gij aan hen die dwalen een beperkte straf op. U wijst hen terecht door hen te herinneren aan hun zonden, zodat ze bevrijd van het kwaad, op U gaan vertrouwen, heer.
Mensen, in álles woont Gods onvergankelijke geest. Dus ook in alle gewone mensen, aardige en vervelende, machtige en straatarme.
Mensen, Gods schepselen, hebben van alles wat, van het goede en van het slechte. Ook zij die opgesloten moeten worden in gevangenissen en tbs-inrichtingen. Nu kunnen we zeggen: dat is wel heel on- realistisch, zo'n kijk. Boontje komt om zij loontje! We moeten reëel zijn.
Maar zou het kunnen dat we zo'n onrealistische kijk nodig hebben om de de diepere realiteit voor ogen te kunnen houden; namelijk dat állen door God gewild zijn? En dat ieder mens het verlangen naar God ingeschapen heeft gekregen? De dagelijkse kijk, zegt; dat is niet realisitisch, maar deze niet realistische kijk laat ruimte voor hoop. De hoop en het vertrouwen dat ieder mens diep van binnen een goddelijke vonk heeft behouden.
Die goddelijke vonk zien we heel vaak niet. Wat we wel kunnen zien is dat ieder mens gelukkig wil zijn en vrij van lijden. Dit verlangen kan vervormd worden; dan worden macht, aanzien en materiële welstand met alle middelen nagejaagd, ten koste van anderen. Natuurlijk is dat niet goed. Toch moeten rechtvaardigen menslievend zijn en zich elke dag afvragen of iemand die tot veel slechts in staat is, niet ergens ook een verlangen heeft naar geluk, naar het goede.
Misschien een heel diep verborgen verlangen. Omdat wij van God zijn en Gods onvergankelijke geest in ieder van ons woont.. Amen

   17e zondag door het jaar: 1 Koningen 3,5-12; Matteüs 13,44-52 27 juli 2008, Ernst Marijnissen OP   


De parel is teruggevondenWanneer ik met vakantie ben komt er altijd wel een dag of een moment, waarop ik droom over de toekomst, met name van ons klooster, maar vaak ook over ideeën, bepaalde plannen en verlangens. Soms gebeurt dat in een kerkgebouw, maar meestal op wandelingen, vooral in de bergen, op een stille plek met een fraai uitzicht. Ik ga er niet bepaald voor zitten, nee, maar het overkomt me. In de loop van de jaren zijn me een paar dingen opgevallen. Voor een goede droom moet er stilte om je heen zijn, en hoe rustiger en beter je je voelt hoe meer de droom te maken heeft met de werkelijkheid, waarvan je deel uitmaakt. Ik heb daarbij in toenemende mate het gevoel gekregen dat de droom niet alleen van binnen uit komt maar ook op je toekomt. Er is iets van mezelf en iets van wat ik maar noem de overkant, de andere oever, ja soms zelfs een andere wereld. Wat me ook is opgevallen is dat ik me dan meer met de inhoud van wat ik droom bezig houdt dan met concrete ideeën om de droom ook te realiseren. De droom heeft iets tijdloos.
En nu wilt u natuurlijk horen waarover ik dan droom of gedroomd hebt, maar dat vertel ik nu niet. Maar ik heb wel iets belangrijks ontdekt. Idealen en dromen zijn kwetsbaar. Zou het daarvan komen dat veel sprookjes beginnen met "er was eens" of 'lang geleden"? Wat mensen verlangen of waarvan ze dromen is dikwijls moeilijk te realiseren. Dat is vooral zo als het gaat om grote dingen als levensgeluk, vrede op aarde, een onbedreigd bestaan. Ons leven lijkt vaak zo verschrikkelijk kort. Dagen en weken flitsen voorbij. En als we iets bereiken, waarnaar we vurig hebben uitgezien, heeft dat toch maar een tijdelijk karakter. En dan sta ik maar niet stil bij alles wat je hebt gedaan, dat goed bleek te zijn, waaraan je met anderen plezier hebt beleefd, dat je leven inhoud en betekenis heeft gegeven, maar dat toch weer voorbij is gegaan of aan je ontnomen is.
Er was eens, lang geleden. Betreft het een verlangen naar iets groots dan hebben we het over de toekomst. Toch projecteren we zo'n verlangen niet zelden in het verleden. Eens was het zo, eens was het goed, eens was er een paradijs. Maar we bedoelen te zeggen: nu moet het anders en nu moet het beter. Misschien kan het niet aanstonds, maar graag wel op een redelijke termijn in de toekomst. Maar wie alleen maar verliefd is op zijn droom, zich er door laat bezitten, er door geobsedeerd wordt, ruimt daarvoor geen plaats in. Fanatieke mensen en fundamentalisten zijn daarvan een voorbeeld.
Toch is dat nodig, die termijn, die tijd. Zie naar koning Salomo. Wat beschikt hij over een benijdenswaardige zelfkennis en hoe weet hij dát aan God te vragen, wat hij nodig heeft om een goede en wijze koning te zijn. Dus werd hij met grote wijsheid gesierd. Zo ging dat, lang geleden.
Hoeveel verhalen over verborgen schatten zijn er niet in omloop! We horen ze graag. Óns overkomt zoiets niet, maar we zouden het best willen. Daarom blijven we zulke verhalen vertellen. We zouden willen zijn als die mens uit het evangelie. Een schat vinden en dan een prachtig stuk land kopen. We zien het droomhuis al staan. Misschien wel in Italë of Spanje. Ook wij willen parels vinden. Wat een mogelijkheden. Maar zo'n geluk zal aan ons wel voorbijgaan. Lang geleden, in de tijd van Salomo en Jezus, konden die dingen nog gebeuren.


Nu zouden we de fraaie lezingen makkelijk terzijde kunnen schuiven. Maar dat moeten we niet doen. De Schriften zijn geen sprookjes. Er wordt wel vaak gedroomd over toekomst, vrede, geluk en gerechtigheid. Dat doen we ook elke dag. Maar we doen dat niet zonder grond. In de bijbel gaat het steeds over echte mogelijkheden. Dat wordt ons niet uit menselijke berekening maar uit Gods genegenheid verkondigd. God wil het goede leven voor alle mensen. Dat geloof en die overtuiging zijn voor mij betrouwbaar. Maar daarbij zijn twee overwegingen belangrijk.
In de eerste plaats moeten we durven kiezen. Dat hoor je in het gebed van Salomo. Hij vraagt niet om een lang leven of grote rijkdom. Hij bidt om wijsheid en onderscheidingsvermogen. Hij vraagt dat, omdat hij koning is en beseft dat hij in dienst staat van zijn volk. Daarvoor kiest hij. Hij kent zijn plaats en zijn opdracht. Door te kiezen voor anderen wordt hijzelf een wijs mens. Dus zegt de Eeuwige: Ik voldoe aan jouw verzoek en Ik geef je een geest vol wijsheid en inzicht.
Zo is het ook gesteld met de gelijkenissen van de schat, die in de akker verborgen is, en de parel van grote waarde. Jezus spreekt over het rijk der hemelen, over een samenleving van mensen, zoals God die gerealiseerd wil zien. Zo'n samenleving, waarvan we in eerste aanzet alleen maar kunnen dromen, wordt vergeleken met een schat en een fraaie parel. Je inzetten voor een vredige en veilige mensenwereld is de eerste keuze, zegt Jezus.
Toch klinkt dat weer als een sprookje! Is het niet een beetje zwevend? Het zijn beelden maar geen concrete invullingen hoe die wereld van ons er dan zou moeten uitzien. Ik kan er wel voor kiezen, maar hoe moet ik dat dan waarmaken? En als ik het al zou weten, met de Schrift in de hand, dan staan er aanstonds andere mensen klaar, die het anders zien en beter zeggen te weten dan ik, óók met de Schrift bij de hand.
Daarom is er een tweede aandachtspunt nodig. Het valt me in de gelijkenissen op, dat er een zekere beweging in zit. Eerst komt de mens in contact met de droom van het rijk der hemelen. Met vreugde kiest hij daarvoor. Maar daarmee is het doel nog niet bereikt. In beide gelijkenissen staat het woordje 'gaan'. Die de schat in de akker gevonden heeft gaat alles te gelde maken wat hij bezit. Die de parel vindt gaat alles verkopen wat hij heeft. Pas dan komt hij in het bezit van wat hij gekozen heeft. Tussen kiezen en bereiken ligt de lange tijd om tot het doel te komen. De tijd van zoeken en proberen, van werken en spanning, van vreugde en tegenslagen, van volhouden en de moed verliezen, van bijna bereikt hebben en weer helemaal opnieuw moeten beginnen.
Wil het nieuwe land van de Eeuwige en de mensen bereikt worden, dan moeten we durven kiezen met wijsheid en inzicht, én we moeten onszelf en vooral anderen de tijd gunnen, die onherroepelijk nodig is - naar ieders maat en kunnen - om alles tot stand te brengen. Leid ons niet in bekoring bidden we, opdat we niet gewelddadig worden, mensen niet verstoten of als blinde fanatici te werk gaan. Verlos ons van het kwade voegen we er direct aan toe, opdat we niet de machtsmiddelen van deze wereld gebruiken, doch ons wapenen met de goede gaven van de Geest.
Kort samengevat: durf te kiezen en neem de tijd!

   18e zondag door het jaar: Jesaja 55,1-5; Matteüs 14,13-21 3 augustus, Henk Jongerius OP   


Je hoeft bepaald geen wiskundige te zijn om je vragen te stellen bij de betekenis van de getallen die in ons evangeliegedeelte voorkomen. Als je je ervan bewust bent dat de evangelieverhalen zorgvuldig opgebouwd zijn, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat getallen een sleutel vormen om de boodschap ervan te verstaan.
Maar eerst en vooral is de plaats waar de gebeurtenissen zich afspelen van groot belang: het is een eenzame plaats. Wie wel eens in de woestijn of op een onherbergzame plaats is geweest kan zich voor-stellen dat daar iets met je kan gebeuren. Je wordt er in zekere zin op jezelf teruggeworpen en dan ga je beseffen en nadenken waar het nu in je leven werkelijk op aan komt. Tijdens zijn ziekte heeft mijn broer Jan mij een paar keer gezegd dat hij die periode voor geen goud had willen missen want daarin heeft hij op een bijzondere wijze de wijsheid, liefde en kracht van zijn kinderen ervaren. Hij vertelde me dat er in zo'n uitzichtloze situatie werkelijk iets nieuws geboren wordt!
En zo is het ook hier: de leerlingen worden zich ervan bewust dat de mensen geen eten hebben zoals ook Jezus diep bewogen was om hen en genezingen verrichtte. Op die eenzame plek beseffen mensen hoezeer zij voedsel nodig hebben om in leven te kunnen blijven, dat zij zoeken naar heil, genezing van al wat hen gewond heeft gemaakt.
Jezus speelt de vraag van zijn leerlingen naar hen terug: 'geven jullie hen te eten'. En zij  staan daar dan met vijf broden en twee vissen, dat is al wat zij hebben om de levenshonger van mensen te voeden. Nu  


wordt het tijd om ons te realiseren waar die vijf broden voor staan. Zij verwijzen ons naar de  vijf boeken van Mozes, de Thora, de richtingwijzer voor een gelukkig leven. Daarin vinden wij verhalen, gelijkenissen, spreuken en gebeden die ons behulpzaam zijn om de goede weg door het leven te vinden, aan de hand van het volk van Israël. Want alles wat er over dat volk geschreven is, is tot onze onderrichting geschreven, zoals Paulus zegt. Het verhaal wordt gehoord opdat wij onszelf erin zouden herkennen. En dat verhaal, dat getuigenis, is betrouwbaar. Daarom zijn er die twee getuigen, de vissen. Zij bewonen het overgangsgebied tussen onze wereld en de onzichtbare, zoals ook de vogels dat doen, en zij zijn de stille getuigen voor de waarachtigheid van al wat geschreven staat. Jezus gaat staan in die verbinding tussen hemel en aarde als hij zijn ogen opslaat en bidt en dan blijkt er een goddelijke overvloed te zijn aan voedsel, want driemaal 10 is duizend en dat getal verwijst ons naar God. Wat betekent dat alles voor ons? Dat wij het woord van Jesaja ook tot ons moeten laten klinken: door te luisteren naar de Eeuwige zullen wij waarachtig gespijzigd worden want wij worden voor altijd in verbinding gebracht met de Levende die ons levensadem geeft en geestkracht om te kunnen leven. Wij mogen ons wenden tot die Vader in het verborgene die ons, naar het woord van Jezus, zijn geestkracht zal geven. Dan kunnen wij tot in de donkerste uren van ons leven, in de schaduw van de dood, ervaren dat er nieuw leven in ons geboren wordt in het voetspoor van Jezus die ons leert om lief te hebben en recht te doen aan mensen. Op die weg mogen wij vol vertrouwen gaan in het licht van Gods aangezicht.

   19e zondag door het jaar: 1Koningen 19,9-13a; Matteus 17,22-27 10 augustus, Antoon Boks OP   


storm op het meerMag ik u vertellen wat Elia aan het doen is daar in die grot? Hij schuilt daar en dat is niet voor het Nederlandse weer. Hij had ruzie met koning Achab, of nog erger met koningin Izebel, want er zijn vierhonderd vijftig profeten van Baal gestorven. Een engel leidt hem naar de Sinai of Horeb, waar ook Mozes de almachtige had ontmoet.
Daar spreekt God hem aan en het is wel duidelijk, dat zijn leven in gevaar is. Wie van ons zou dat ook niet doen?
Als we het niet meer zien zitten, dan zouden we het maar wat aardig vinden, als God even op kwam dagen met een paar tekenen van zijn kracht en als het dan niets anders is dan een zacht fluisterend geluid, dan hebben we zin om te vragen: waar was U toen ik u het hardste nodig had, maar we kennen al dat verhaal, die preek van de voetstappen in het zand!
Na Dachau, maar ik kan ook zeggen na Afganistan, Darfur, Irak en China, om maar niet te praten van Guantanamo, weten we dat wij mensen heel wat keren foute dingen doen. We weten dat we het God niet kwalijk kunnen nemen, dat in onze Kerk, of in ons land, of in onze wereld de dingen niet gaan zoals wij het zouden willen. Trouwens zou het zoveel beter gaan, als wij het voor het zeggen hadden in al die gebieden? Ik zou geen oplossing weten, maar ik weet wel, dat het niet in orde is. Ik kan me ook wel indenken, dat Elia zich in een grot verschool en eigenlijk maar liever dood wilde. Hij vond het genoeg en vroeg God om er maar een eind aan te maken.
Maar God heeft andere plannen met Elia en stuurt hem terug naar zijn werk.
Op een andere berg verschenen Mozes en Elia aan Jezus en de apostelen met de gedaanteverwisseling. Iedere keer als mensen krachtige tekenen van Jezus vragen, dan weigert hij. Hij nodigt de mensen uit op hem te vertrouwen zelfs als hij niet meteen helpt. Elia kreeg die boodschap en hij probeerde het om op God te vertrouwen. Verdergaand moest hij wel blijven luisteren naar die stem van God in hem. Dat moeten wij ook.
Als we er dan toekomen om ons terug te trekken in een grot van vrees, nederlaag of wanhoop, dan kunnen wel eens denken, dat we alleen staan in onze strijd. Verleden week hoorden een aantal van ons van de broodvermenigvuldiging. Die mensen daar waren natuurlijk buiten zichzelf van dit buitenkansje. Lekker eten voor noppes. Zo goed als zeker waren er mensen die dachten: Hier hebben we iemand die kan zorgen voor al onze problemen. Zo gaat dat soms bij ons denken over godsdienst, als we maar zorgen aan de kant van God te staan, dan zorgt God wel voor al mijn problemen. Jezus wilde dat zijn leerlingen niet zo zouden denken, dus wilde hij ze weg hebben van die opgewonden menigte, vandaar dat hij zijn leerlingen dwong in de boot te gaan.
Als goede leerlingen deden ze dat, maar toch kwamen ze in een storm terecht. Ze voelden zich gescheiden van Jezus; ze moesten het alleen 


zien klaar te spelen. Hoe vaak voelen wij ons in die situatie? Als we er even de tijd voor nemen, maar die hebben we natuurlijk niet onder een preek. Ik kan moeilijk even een paar minuten stilte inlassen. Maar misschien gaat het wel heel vlug, dat er door ons hoofd het een en ander komt van wat er allemaal fout ging in ons leven.
We hebben ons misschien ook wel een aantal keren afgevraagd: waar was God toen we hem nodig hadden? Waar was Jezus in het midden van de storm? Het duurde wel een beetje lang want hij kwam pas na drie uur in de morgen. Denken we dan toch teveel, dat Jezus alles wel in orde zal maken? Die gekke Petrus maakte het nog bonter. Toen hij hoorde dat het Jezus was, wilde hij meteen de proef op de som nemen en jawel hoor, hij kon over die door de storm bewogen wateren lopen, totdat hij schrok van zijn eigen durf en meteen weer bang werd en toen was het ook mis met dat wandelen. Nadat Jezus de leerlingen gezegd had om in de boot weg te gaan, stuurde hij ook de andere mensen weg en daarna ging hij bidden. We kunnen lezen dat hij bidt op de belangrijkste momenten van zijn leven: voor grote beslissingen, voor en gedurende zijn lijden en nu voordat hij de storm bedaart. Zou het kunnen dat een aantal van onze stormen ook aan te pakken zijn als we tijd hebben om te bidden? Er zijn heel wat mensen, die dat verlies van tijd vinden in moeilijke omstandigheden. Maar gebeden en uitdrukkingen van afhankelijkheid van Jezus zijn niet alleen te maken op stille plaatsen, ergens op een berg, maar ook midden in problemen. Dan moeten het wel korte gebeden zijn, die laten zien dat we vertrouwen hebben en dat we weten dat God tot ons spreekt met lieve zachte woorden van zekerheid. Wat doen we vandaag hier? Lopen we over door storm geteisterde golven? Hebben we zoveel last van allerlei moeilijkheden, in ons gezin, onze familie, in onze gemeenschap. Het is niet rustig om ons heen, maar we zijn niet alleen. Dat laten we zien voor onze dienst begint, als we elkaar vrede toewensen; steeds weer houden we onze ogen gericht op Jezus en op elkaar. Hij komt naar ons toe door de mensen om ons heen. We zijn hier bij elkaar omdat we weten dat we niet alleen zijn. Samen breken we het brood en delen we de beker. Soms zijn wij in nood en soms mogen we anderen hulp bieden. Samen komen we door stormen. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, maar mogen dat brood en die beker van leven met elkaar delen.
Hopelijk blijven we vertrouwen en horen we niet dat we te weinig vertrouwen hebben, maar het is wel fijn, als iemand onze hand vastpakt, iedere keer, dat we wegzinken.
Zo is er een blijde boodschap voor ieder van ons. Zoals we hier zitten kunnen we niet in de spiegel kijken om een verstandig en gelovig mens te zien, dat mag u na de dienst doen, thuis of al in de auto, maar hier kunnen we naar elkaar kijken en heel veel wijze, verstandige en gelovige mensen zien.
Zolang we dat blijven zien is Jezus in ons midden en leven we vol vertrouwen.