PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2008 (A)


   20e zondag door het jaar: Jesaja 56, 1+6-7; Matteus 15,21-28 17 augustus 2008, Theo Koster OP  


De profeet Jesaja"Ge hebt een groot geloof!" Deze woorden fascineren mij. Het is heel bijzonder een persoon te ontmoeten met een groot geloof. Dat geldt voor nu, dat geldt voor toen. We kennen allen dit verhaal, terwijl de naam van deze vrouw niet eens wordt genoemd. Die was toen en is nu van minder belang dan het vertrouwen dat zij uitstraalt. Het woord 'vertrouwen' doet de zaak beter recht dan het woord 'geloof',
omdat we geloven onwillekeurig verbinden met kerk, religie, God, en daarvan is geen sprake, althans niet op het eerste gezicht. Zij is een Kananeese, en met deze aanduiding was destijds direct duidelijk, dat iemand niet bij Israël hoorde, dus een heiden was.
De leerlingen vinden deze vrouw lastig, willen van haar af. Mij valt op dat ze haar niet zelf wegsturen, maar Jezus verzoeken dit te doen. Hoe zat het met het vertrouwen van deze leerlingen, vraag ik me af. Zelf had Jezus totaal niet gereageerd op het geschreeuw van de vrouw. Is dit niet lomp, of arrogant? Deze vrouw doet een dringend beroep op hem en weet als heiden ook nog precies, hoe zij hem behoort aan te spreken, maar Jezus geeft geen antwoord. Om dit goed te duiden dien je te weten wat aan dit verhaal vooraf ging. Jezus heeft een aanvaring gehad met de farizeeën en schriftgeleerden, omdat zijn leerlingen met ongewassen handen brood aten, en dat was onrein, dus verboden. Jezus spreekt deze vrome mensen die in aanzien stonden aan met 'huichelaars', en noemt ze tegenover de leerlingen blinden die blinden de weg wijzen. Om de zaak niet op de spits te drijven trekt Jezus zich terug, niet in joods gebied, maar nota bene in Kanaän, dus onrein gebied. Daar laat hij zich aanspreken door een heiden. Jezus reageert niet op haar, zo blijkt uit het vervolg, om deze vrouw en zijn leerlingen de ruimte te geven. Als ik u de ruimte geef ervaart u dit niet als lomp of arrogant, vermoed ik, maar als een uiting van vertrouwen.
De leerlingen nemen de hun geboden ruimte, maar Jezus reageert niet op hun verzoek deze vrouw weg te sturen, maar zegt waar hij voor staat: ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël. Ook de vrouw neemt de ruimte die zij krijgt door dichterbij te komen. Nu zij Jezus ontmoet heeft en het niet meer moet doen met 'van horen zeggen' laat ze alle plichtplegingen vallen. Het vertrouwen dat Jezus uitstraalt wekt vertrouwen bij haar en werkt bevrijdend; de vrouw gaat door de knieën en zegt in drie woorden wat zij op het hart heeft. Ook Jezus wordt nu directer in de woorden die hij tot haar richt: "Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven". Haar reactie is ontwapenend en tegelijk heel zelfbewust: de honden eten immers ook de kruimels die van de tafel vallen. Deze vrouw maakt zich niet groter dan zij is en voelt zich ook niet minderwaardig. Zij doorbreekt de scheiding tussen rein


en onrein, tussen wie er bij hoort en wie niet en opent de ogen van Jezus, die in tegenstelling tot zijn leerlingen al oog voor haar had, nog verder.
Deze vrouw zit goed in haar vel en dat bevestigt Jezus met de woorden: "ge hebt een groot geloof!" Jezus ziet met behulp van deze vrouw, dat het Rijk Gods dat hij verkondigt omvangrijker is dan hij wellicht dacht. Er horen ook mensen tot dat rijk, voor wie men destijds totaal geen oog had, zoals deze Kananeese vrouw. Haar verlangen, de genezing van haar kind, wordt ingewilligd. Het zal u nu duidelijk zijn dat dit niet is omdat ze volhield. De wijze waarop Jezus formuleert maakt duidelijk,
dat hier ook geen sprake is van een gunst die Jezus haar verleent. Het passieve 'worden' dat Jezus hier en vaker gebruikt drukt uit, dat wat hier gebeurt Gods werk is. Het vertrouwen dat deze Kananeese uitstraalt is hetzelfde vertrouwen dat Jezus bezielt. Blijkbaar hoef je niet expliciet een geloof te belijden, bij Israël of de kerk te behoren, om toch geraakt te kunnen worden door deze God. Zelfs als je nog niet precies weet dat in jou God aan het werk is, er geen woorden aangeeft kun je dit al wel uitstralen en is dit vertrouwen van grote waarde.
Nieuw is dit niet, hoorden we al uit de eerste lezing, uit de mond van Jesaja, maar we vergeten het zo makkelijk. Ook nu hoor je mensen zeggen, binnen en buiten de kerk: voor mij zal er wel geen plaats zijn, ik tel niet mee, of: houd met mij maar geen rekening want ik ben al oud, of maar een vrouw. Veel sterker is momenteel het geluid en het beeld van hen die zich zeker wanen: kijk eens, dit kan ik mij allemaal permitteren, of: in vergelijking met anderen heb ik het niet slecht gedaan, of: ik doe wat ik doen moet, mij kun je niets maken. Het is de andere kant van dezelfde medaille.
Mensen met een groot geloof, mensen die met andere woorden vertrouwen uitstralen doen het een noch het ander. Mensen die goed in hun vel zitten, niet groter noch kleiner zijn dan het leven dat hen geschonken is, werken aanstekelijk; zij wekken vertrouwen dat in ieder van ons steekt, maken het weer wakker.
Waar vind je deze mensen, waar vind je met andere woorden deze sporen van God? Het antwoord laat zich raden: je vindt deze daar waar je, wij, ze dit niet verwachten. Voor elk van ons zullen dit andere plekken zijn. Iets concreter kan ik nog worden. Op basis van wat ik vandaag in de lezingen hoorde is mij duidelijk, dat we situaties moeten mijden van je op een eigen eiland of in je eigen groep opsluiten. Funest is het voor een mens om steeds in zijn mening bevestigd of ontkend te worden. De Barmhartige overstijgt ons allen, laat zich niet opsluiten in concrete mensen noch in instituten, zelfs al is dit een kerk. De Barmhartige overstijgt ons allen, weet ons waar we ook zijn te vinden, en verbindt zich met mensen, binnen en buiten de kerken. Mensen met geloof, met andere woorden, mensen die ondanks alles wat in hun leven speelt blijven vertrouwen zijn richtingwijzers naar en uitingen van de aanwezigheid van de Barmhartige onder mensen.

   21e zondag door het jaar: Jesaja 22,19-23; Matteus 16,13-20 24 augustus 2008, Paul Minke OP   

 
Een volk, dat onderdrukt en vernederd wordt, roept om een bevrijder, zo leert ons telkens weer door de eeuwen heen de geschiedenis. In een heel ver verleden werd het volk van Israel in Egypte onderdrukt en riep het God aan om hen te bevrijden uit hun ellende en nood. En God riep Mozes en zei hem: "Ik heb gezien de ellende van mijn volk, hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord. Daarom ben ik afgedaald om hen te bevrijden uit de macht van de Egyptenaren. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israelieten, uit Egypte wegleiden." En zo geschiede. Die ervaring van een God, die Bevrijder is, heeft zich voorgoed vast gehecht in het collectieve geheugen van het volk Israel. In dagen van nood, in dagen van gevaren en bedreigingen van andere volken richtte het volk zich telkens opnieuw in hun gebeden tot hun God om bevrijding. Profeten stonden op. Zij spraken zich uit om een komende Messias, die, zoals Zacharias in zijn lofzang verwoordde, hen zou bevrijden uit de handen van de vijand en uit de macht van al die ons haten. Dat was het beeld, dat de joden van de Messias hadden in de tijd van Jezus: een die hen zou bevrijden uit de onderdrukking van de Romeinen. De verwachting van zijn komst was heel sterk in die dagen. Des te verwonderlijk of misschien ook niet, dat het antwoord op Jezus'vraag: Wie zeggen de mensen dat ik ben, niet luidt: de lang verwachte Messias maar wel een profeet, een van de grote zoals Elia of Jeremia. Dat wel! Was Jezus te zachtmoedig? Te a-politiek? Te meegaand t.a.v. de bezetter? Had hij in de ogen van zijn tijdgenoten te weinig de allure van de Bevrijder? Zelfs Johannes de Doper was gaan aarzelen of Jezus wel degene was, waarvoor hij hem aangezien heeft: Zijt Gij de komende of toch niet. Nee, Jezus had niet de allure van een Redder en Bevrijder naar hun beeld. Op de man af gevraagd aan de apostelen: wie zegt gij, dat ik ben? ant-woordde Petrus niettemin: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de le-vende God."
Net als in Jezus' tijd houden mensen zich steeds bezig met de vraag: Wie is die Jezus toch? Zijn woorden en optreden intrigeren mensen. Jong en oud, gelovig of niet, stellen zich die vraag, zoeken een antwoord. Je hoort mensen zeggen: Hij is een idealist, een wonderdoener, partijganger van de armen, een dromer, een visionair, een fantast. Maar een Messias, een gezondene van God, de Zoon van  God? Tot zo'n belijdenis kun je


alleen maar komen als je Hem volgt, als je je laat leiden door zijn woord; als zijn Blijde Boodschap je heilig is. Zoals Simon Petrus en de andere apostelen en zoveel gelovigen deden in de loop van 20 eeuwen, velen zelfs met prijsgeven van hun leven. Alleen die in Hem geloven, op Hem ver-trouwen, op Hem bouwen kunnen van harte belijden, dat Jezus de Messias is, de Zoon van God.
Zalig ben je Petrus; op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen. D.w.z.: het bouwwerk van de kerk staat rotsvast gegrondvest op die door Petrus uitgesproken belijdenis dat Jezus de Messias is. Dit bouwwerk kan door geen macht ter wereld worden ontwricht. Het vormt de toegang tot het koninkrijk van God.
Waarom hecht Jezus zoveel waarde aan deze belijdenis? Het staat zo vast als een rots; het is je houvast; je bezwijkt niet, als je eraan vasthoudt ook in moeilijke zware tijden. Het is je licht in de duisternis, je hoop in alle wanhoop; het is je troost door je tranen en verdriet en pijn heen. Je geloof in de toekomst staat of valt met deze belijdenis. Het doet je gaan en staan met het vertrouwen: God is met me. Wat Jezus voor ons tot Messias, de Christus, maakt, is dat wij in Hem mogen zien, dat God niet op afstand staat maar mens en wereld, ieders lot, Hem zeer aan het hart gaat. Een kerk, die deze belijdenis loslaat, is geen kerk meer. Hooguit een sociale instelling, die wellicht veel goed doet maar op andere gronden en overwegingen, dan deze belijdenis. De kerk leeft vanuit de overtuiging Gods Rijk nabij te brengen, en handelt vanuit de opdracht vrede en gerechtigheid te brengen als volgeling van Jezus, die ons daarin is voorgegaan.
Toch verbood Jezus de leerlingen ook maar aan iemand te zeggen dat Hij de Messias was. Is dat niet uiterst vreemd? Ik heb het eigenlijk al toegelicht: vanwege het verschil in de verwachtingen. Jezus is zo anders Messias, dan de Messias die wordt verwacht. Jezus is een on-verwachte Messias, een Messias, die mee-lijdt met wat het volk moet doorstaan, maar niet een geweldenaar, die even orde op zaken stelt en de onderdrukker verjaagt. Jezus belijden als de Messias, is geen formule die je opzegt. Gelukkig ben jij Simon, mijn vader in de hemel heeft je dit onthuld. Het belijden is de vrucht van het omgaan met Hem, van leven in zijn Geest. Die geeft je de geloofservaring: Hij is de Christus, de Zoon van de God.
Al wat wij hier doen, bidden, zingen, horen, breken en delen het is explicatie van de allesomvattende belijdenis, getuigenis van ons ge-loof, van onze hoop en liefde jegens God. Het zal u en mij tot zegen zijn: Zalig jij, want het is de Vader, die het je openbaart. Amen

   22e zondag door het jaar: Jeremia 20, 7-9; Matteüs 16,21-27 31 augustus 2008, Henk Jongerius OP   


JeremiaHet is niet moeilijk om ons de teleurstelling van Jeremia voor te stellen: hij heeft verwijtende woorden gesproken tot het hoofd van de tempel en voorspeld dat het volk een verschrikkelijke toekomst tegemoet gaat. Zij zullen in ballingschap worden weggevoerd. Maar dit alles is voor hem geen aanleiding om zichzelf geweldig te vinden, in tegendeel: hij wordt door mensen bespot en geminacht en laat een klacht horen die menigeen van ons zou kunnen na zeggen. Het kan zwaar en ontmoedigend zijn om dat wat je van je leven, je gezin, je werk of levensroeping had voorgesteld, uit je handen te zien vallen. Het kan verschrikkelijk zijn om te beseffen dat hetgeen je doet op drijfzand lijkt gebouwd!
Eenzelfde teleurstelling moet Petrus overvallen zijn toen hij Jezus, die hij vlak van te voren als de gezalfde van God heeft aangeprezen, hoorde spreken over zijn komende lijden en vernedering, de afgang van alles wat hij zich van zijn leven had voorgesteld. Daarom antwoordt hij dat dit niet aan zijn Meester zal gebeuren. Maar Jezus maakt hem het verwijt dat hij niets van hem begrijpt. Hij moet zijn eigen gedachten, verwachtingen en ideeën opgeven en zijn plaats innemen achter Jezus. Het is een zwaar verwijt dat Jezus hem maakt als hij hem 'satan' noemt, omdat hij zich laat leiden door wat hij zelf wil en niet door wat God wil. En dan komen daar die indringende woorden van Jezus die het geheim van het echte leven onder woorden brengen. Wij moeten ons leven 'verliezen', horen wij hem zeggen. Wat mag dat betekenen? Dat wij geen waarde


hechten aan wat wij doen en de manier waarop wij proberen geluk te vinden?
Het is niet moeilijk om ons de teleurstelling van Jeremia voor te stellen: hij heeft verwijtende woorden gesproken tot het hoofd van de tempel en voorspeld dat het volk een verschrikkelijke toekomst tegemoet gaat. Zij zullen in ballingschap worden weggevoerd. Maar dit alles is voor hem geen aanleiding om zichzelf geweldig te vinden, in tegendeel: hij wordt door mensen bespot en geminacht en laat een klacht horen die menigeen van ons zou kunnen na zeggen. Het kan zwaar en ontmoedigend zijn om dat wat je van je leven, je gezin, je werk of levensroeping had voorgesteld, uit je handen te zien vallen. Het kan verschrikkelijk zijn om te beseffen dat hetgeen je doet op drijfzand lijkt gebouwd!
Eenzelfde teleurstelling moet Petrus overvallen zijn toen hij Jezus, die hij vlak van te voren als de gezalfde van God heeft aangeprezen, hoorde spreken over zijn komende lijden en vernedering, de afgang van alles wat hij zich van zijn leven had voorgesteld. Daarom antwoordt hij dat dit niet aan zijn Meester zal gebeuren. Maar Jezus maakt hem het verwijt dat hij niets van hem begrijpt. Hij moet zijn eigen gedachten, verwachtingen en ideeën opgeven en zijn plaats innemen achter Jezus. Het is een zwaar verwijt dat Jezus hem maakt als hij hem 'satan' noemt, omdat hij zich laat leiden door wat hij zelf wil en niet door wat God wil. En dan komen daar die indringende woorden van Jezus die het geheim van het echte leven onder woorden brengen. Wij moeten ons leven 'verliezen', horen wij hem zeggen. Wat mag dat betekenen? Dat wij geen waarde hechten aan wat wij doen en de manier waarop wij proberen geluk te vinden?

  23e zondag door het jaar: Ezechiël 33,7-9; Matteus18,15-20 7 september 2008, André Lascaris OP   


EzechiëlVorige zondag ging er een mobieltje af tijdens de preek. Ik realiseerde me weer eens hoeveel mogelijkheden we hebben om elkaar te bereiken, met elkaar te communiceren. In de tijd van zowel Ezechiël (c. 550 v. Gr) en in de tijd van Matteüs (rond 90 na Chr.) kon je een brief schrijven - dat was al iets bijzonders- en met elkaar praten. Dat was alles. Tegenwoordig hebben we mobieltjes, gewone telefoon, fax, internet, e-mail, tv, en ja, de brief en het persoonlijk gesprek.
Maar al deze mogelijkheden tot contact hebben 'het' niet gemakkelijker gemaakt: 'het', dat is waartoe profeet en evangelist ons vandaag oproepen.
Als je iemand ziet die een gedrag vertoont en een weg gaat die voor hemzelf en dus ook voor zijn omgeving.schadelijk is, kwaadaardig, onvruchtbaar, dodelijk, dan moet je hem waarschuwen. Anders ben je mede schuldig aan zijn ondergang. En Matteüs schrijft: als iemand tegen je zondigt, moet je contact met hem opnemen. De evangelist ontwikkelt een hele procedure die kennelijk in de jonge kerk gebruikelijk was. Je spreekt iemand eerst aan onder vier ogen. Werkt dit niet, haal er dan anderen bij. Als dat niet werkt, leg het voor aan de gehele plaatselijke kerk, lokale gemeente.
Het is wel duidelijk dat deze woorden niet van Jezus zelf zijn, maar van de evangelist die deze procedure kent en ze in de mond van Jezus legt.Want ze is in de geest van Jezus. Dit betekent niet dat wij precies deze procedure moeten volgen - we kunnen ook voor een andere kiezen, als we de bedoeling ervan maar respecteren.
Als de hele procedure niets oplevert, dan mag de gemeente, de kerk, een notoire dader excommuniceren, maar moet zich wel herinneren hoe Jezus omging met tollenaars en zondaars: hij bleef vergeving en liefde aanbieden. Zelfs als we hebben moeten besluiten geen contact meer te hebben, moeten we proberen het goede aan te bieden, wanneer de gelegenheid zich voordoet.
Wat we ook doen, moeilijk blijft het. Zoiets eenvoudigs als iemand aanspreken op het feit dat hij rommel op de straat gooit in plaats van in de afvalbak, vijf meter verder op, is al een heel avontuur. De aangesprokene kan heel agressief reageren, 'waar bemoei jij je mee?'. Je kunt bedreigd worden. Is het niet handiger om maar te doen alsof je het


niet ziet, eventueel de rommel zelf op te ruimen of een straatje om te lopen? Of met en bij anderen te gaan klagen.
je helemaal in te zetten voor het slachtoffer en de dader er eens flink van langs te geven. Maar de dader breng je zo niet op het goede spoor. Je moet meerzijdig partijdig zijn, partij trekken voor beiden. Moeilijk1
En waarom dit alles? Toch niet omdat Ezechiël en Matteüs dit zeggen? Neen, maar omdat zij zeggen wat we diep in onszelf weten, dat niemand van ons een eiland is. Dat we met allerlei touwtjes met elkaar zijn verknoopt. Zoals in een mand met appels, één rotte appel al de anderen kan aansteken, zo ook kunnen kerk, maatschappij en gezin gaan rotten door één persoon. En omdat we verantwoording voor elkaar dragen. We kunnen binden en ontbinden. Wanneer wij niet vergeven, ons verzoenen, blijft ook voor God onze relatie gebroken, onverzoend, onvergeven.
Het is niet vreemd dat Matteüs hier op het gebed wijst. Het zou wel eens kunnen zijn dat het gebed, hoe kort ook, niet meer dan een verzuchting, ons over de grens helpt en ons de goede woorden in de mond geeft.
Zich met elkaar verzoenen moet niet alleen plaats vinden in ons privé leven. Ze moet evenzeer gebeuren in de grote politiek. Over het algemeen zijn de reacties in die wereld tamelijk primitief. Als jouw land, partij of wat dan ook, mijn land, partij, iets aandoet, dan zal mijn land je dat hard laten betalen. De een zegt dat de ander begonnen is. Maar in feite is er geen begin, en als je niet uitkijkt geen einde. De zaken lopen uit de hand. Meer landen en meer groepen gaan zich ermee bemoeien, en weer kan de wereld in vuur en vlam staan.
Wij zijn nu in staat zowel onze privé wereld als de grote publieke wereld te vernietigen. Dat doen we mede door anderen niet aan te spreken op hun gedrag en geen poging te doen ons te verzoenen met wie ons gekwetst hebben. Maar de enige weg naar de toekomst is die van vergeving, verzoening, verantwoordelijkheid, elkaars wachter zijn. Waar twee of drie mensen die weg gaan, is Jezus is hun midden Zij bewaren de wereld en er komen nieuwe mogelijkheden.
Wachter zijn, dat is niet: elkaar bewaken, maar aandacht hebben voor individu en gemeenschap. Dat blijft moeilijk. Maar als we eensgezind vragen om wijsheid zal ons dat gegeven worden.

   Kruisverheffing: Numeri 21,4-9; Johannes 3,13-17 14 september 2008, Ernst Marijnissen OP   


kruisverheffingEr stonden drie kruisen op Golgotha …" Zo begint een beroemd gedicht. Maar waarom spreken wij dan bijna altijd over één kruis, het kruis, waarop Jezus was vastgebonden? Waarom verdwijnen die twee andere kruisen, behalve op goede vrijdag, uit ons blikveld. Waarom vertellen alle evangelisten van drie kruisen en hebben wij er één over gehouden: in onze huizen, op en in onze kerken? Laat ik het nog anders zeggen: waarom vieren we vandaag het feest van kruisverheffing? Is dat een feest? Voor wie en waarom dan? Gaat het alleen maar over Jezus of zijn ook anderen ermee gemoeid? En wat moet ik aan met dat woord verheffing? Is het kruis dan zo verheffend?
Ik denk dat Jezus zelf ons de weg wijst als hij in zijn nachtelijk gesprek met Nicodemus het verband legt tussen het verhaal van Mozes en de bronzen slang tijdens de woestijntocht en zijn eigen kruisiging buiten Jeruzalem. De vergelijking van Jezus, hangend aan het kruis, én de bronzen slang in de woestijn is opmerkelijk en veelzeggend. Het is in de pure zin van het woord onderricht, het wijzen van de weg: Tora. Als we daarvan uitgaan zullen we ook begrijpen dat de evangelisten over drie kruisen spreken om ons te onderrichten en niet om een verslag van een terechtstelling te doen.
Jezus onderricht Nicodemus in een nachtelijk gesprek. Nicodemus is niet zo maar een vooraanstaand man, maar hij is het beeld van het godsvolk, dat in duisternis tast omtrent de betekenis van Jezus, de Messias en de zoon van God. Daarom vindt het onderricht ook plaats in de duisternis van de nacht.
In het boek Numeri wordt ons verteld dat het volk van God versaagt op de weg van de Tora: de ziel van het volk wordt verdrietig op deze weg! De kinderen van Israël komen in opstand tegen Mozes, en dus tegen de Wet, de Weg, én dus ook tegen God. Ze willen desnoods terugkruipen, de weg terug gaan naar de oude zekerheden van het leven, ook als dat leven een slavenbestaan is, vol onderdrukking en vernedering. Dat kunnen wij ons wel voorstellen. Zo zijn wij zelf immers ook. Onze moderne samenleving lijkt verdacht veel op een slangenkuil. Hoe moeilijk is het om de verworvenheden van ons leven en deze wereld in te ruilen tegen het vertrouwen op Gods toekomst. God zal het wel goed met ons voor hebben, maar toch….? Dat we opnieuw slaaf willen zijn van de oude begeerten wordt uitgebeeld in een menigte van slangen, kronkelend als onze hersenspinsels, die met hun beten het volk decimeren. Door deze overmacht aan slangen ervaart het volk weer de tirannie van heersers met hun geweld. De slang is namelijk het symbool van verwarring, van de omkering van waarden. De slang herinnert aan een manier van leven, welke volkomen tegenovergesteld is aan onze bestemming als mens. Dat handelen schept verwarring, onzekerheid. Het is misleidend en vergiftigt de menselijke geest. Daarom kermen en roepen de mensen dat Mozes iets moet ondernemen. Op bevel van God richt hij dan een bronzen slang op, die bovenop een stang is bevestigd. Zo wordt het volk geconfronteerd met zijn eigen begeren en tegenstrijdige gedachten. Ze krijgen deze als het ware onder ogen. Ze kunnen er 


 niet omheen! Wie ernaar opziet, en dus niet het hoofd afwendt zoals meestal gebeurt, zal erkennen dat mensen en samenleving door de dood worden bedreigd als ze achter hun begeren blijven aanhollen. Daarom wordt ieder, die door de slangenbeet vergiftigd is en sterven moet, genezen. Zo, aldus leert Jezus aan Nicodemus, zal de zoon van de mens worden verhoogd. Waarom zegt hij dat?
Hangende tussen hemel en aarde zien we Jezus in de gedaante van de arme, gemanipuleerde en uitgeklede medemens. De begeerte wordt te kijk gesteld en voorgehouden aan hen, die mensen stelen en vermoorden. Door dit gekruisigde woord onderricht God zelf ons, dat Hij partijganger is en gekozen heeft voor de weeskinderen der aarde, voor het recht van de zwakken.
Het kruis is een krachtiger teken dan het slangenbeeld in de woestijn. Het volk kon dáár opzien naar het eigen en diabolische handelen, toen het wilde terugkruipen naar de vleespotten van Egypte in het slavenhuis. Ze zagen op naar een ding, de verzakelijking van hun chaotisch gedrag. Ze wisten zich zelf daarvan het slachtoffer. Wie echter opziet naar het kruis ziet de mens, die wij tot slachtoffer maken van onze drift naar geld en vele bezittingen, van ons verlangen naar hoge posi-ties, prestige en onafhankelijkheid. Opzien naar het kruis is meer dan het aanschouwen van onze boze begeerte. We worden geconfronteerd met de slachtoffers van die begeerten. Wie dat inziet en zich bekeert verzoent zich met het Woord van God, en neemt het op voor hen, die wonen in het huis van de arme.
Daarom staan er drie kruisen op Golgotha. Jezus bevindt zich midden tussen de slachtoffers, die dagelijks gemaakt worden en vaak achteloos vergeten. Natuurlijk is die aanblik niet plezierig. Wie wil er nu aan dat Jezus de kant kiest van twee veroordeelden? Het is veel eenvoudiger om naar Jezus te kijken en te zeggen: dat heeft hij gedaan om ons te verlossen. Maar we worden niet verlost door te kijken! Elke keer als we het kruis zien, in onze kerken, in onze woningen of waar dan ook, zouden we moeten zeggen: dit kan niet. Dit mag je mensen niet en nooit aandoen. Daarom staan er drie kruisen op Golgotha, en wel als Tora, als een wegwijzer voor ons handelen. Jezus is niet hoog boven de aarde verheven. Hij bevindt zich tussen de arme, gekwelde en misleide mensen om ons heen. En juist hij is sprekend God, Woord en Beeld van de liefde bij uitstek. Drie kruisen op Golgotha zijn drie woorden van God. Ze komen van omhoog, want het getal drie verwijst in de Schrift herhaaldelijk naar de wereld van God, naar de oogmerken van God. God is daar aan het woord en daarom vermelden de evangelisten dat als een blijde boodschap: een 'evangelie'. Als ik mag geloven dat God partij kiest voor de slachtoffers dan staan de werkelijk schuldigen in hun hemd, hoe fraai ze ook zijn uitgedost en gekleed gaan en hoe onaantastbaar hun positie ook moge lijken. Dan en daarom wordt de aanblik van drie kruisen een feest. We worden namelijk getuigen van de opheffing van allen, die gering zijn of geen naam hebben, terwijl de onderdrukkers in zogenaamde onschuld hun handen wassen. Wie verhoogd wordt is door God gezien, niet wie zichzelf verhogen! Wie zich dáárom bekruist is van goede huize.

   25e zondag door het jaar: Jesaja 55, 6-9; Matteüs 20, 1-16a 21 september 2008, Theo Koster OP   


wijngaardWat we hoorden is een typisch Jezus' verhaal: het laat je niet onberoerd; je wordt er misschien zelfs beroerd van, want het gaat over onze identiteit: wie ieder van ons ten diepste is en wie we denken te zijn.
Er zit soms of moet ik zeggen vaak een groot verschil tussen wie ik ben en wie ik denk of verwacht wordt te zijn. Net als andere gelijkenissen speelt dit verhaal van Jezus in op onze verwachtingen; op onze ambitie: iemand te zijn die zichzelf redden kan, zich niet laat kennen. Het verhaal speelt in op onze relaties tot elkaar en tot God, de rechten en plichten die wij aan deze relaties ontlenen.
Loon naar werken drukt een vanzelfsprekende verwachting uit, waar de landeigenaar zich niet aan houdt. Als iemand voor een uurtje werken het loon krijgt, waarvoor ik me een dag lang in het zweet heb gewerkt heb ik reden tot mopperen: dit is niet eerlijk, niet rechtvaardig. Van de andere kant: ik kreeg de kans direct aan het werk te gaan en hoefde niet 3, 6, 9 of zelfs 11 uur in onzekerheid te verkeren of een beroep op mij gedaan zou worden, en ik en zij die van mij afhankelijk zijn te eten zouden hebben.
Werken betekent niet alléén, dat je in je levensonderhoud kunt voorzien; werk betekent zoveel meer. Het is een manier om je mogelijkheden te ontplooien en je in te zetten voor de samenleving. Als dit zo is, waarom wordt werk dan zo verschillend gewaardeerd? Met een uur werken verdient de één een salaris waar de ander een week of maand voor moet werken.
Aan werk ontlenen mensen ook status. Werk helpt ons de neiging, die in je schuilt om jezelf te redden of waar te maken, uit te leven. Dit kan zover gaan, dat onze identiteit gaat samenvallen met het werk dat je doet: ik ben wat ik doe. Vraag het jezelf af: wie zou ik zijn, wie ben ik zonder het werk dat ik doe of deed? Als het lang duurt voordat er een antwoord komt op deze vraag, zal dit typische verhaal van Jezus je wellicht schokken en op het goede been zetten.
Leven zelf, het feit dat ik er ben, kan een vorm van werken, van verdienen worden. Door dit of dat te doen krijg ik waardering, verdien ik aandacht, dien je mij te respecteren. En zo zie je dat werken, vaak ongemerkt maar onmiskenbaar, onze relaties tot elkaar gaat beïnvloeden of zelfs gaat bepalen. Alsof je de waarde van jouw leven zelf in handen hebt, kunt vergroten, verkleinen, moet verdienen.
Wat is meer waard: persoonlijke aandacht die je krijgt, of het soms riante inkomen dat


je verdient? Door het zo te stellen wordt direct duidelijk, dat aandacht en inkomen grootheden zijn die je niet met elkaar kunt vergelijken laat staan door elkaar gooien. Toch doen we dit door de dag heen maar al te gemakkelijk. We sloven ons uit, niet enkel om in ons onderhoud te voorzien, en/of ons te ontplooien, maar ook om gewaardeerd te worden, aandacht en complimenten te krijgen, gezien te worden, aanzien te verwerven. Talloze Nederlanders is niets te gek om maar gezien te worden, in beeld te zijn.
Niet enkel elkaar, ook God maken we tot een object van werken, verdienen, recht hebben op. Als ik precies doe wat ik denk dat God van mij verwacht, -wat ingewikkeld hè- als ik doe wat van mij verwacht wordt heb ik er recht op, dat God naar mij omziet; recht op, dat God voor mij opkomt, recht op, dat God het mij naar mijn zin maakt. Op een milde manier steekt Jezus de draak met deze berekenende wijze van leven.
Jesaja hoorden we al eerder, in de eerste lezing, zeggen, dat God van een totaal andere orde is dan wij mensen denken. "Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden, roept Hem aan nu Hij nabij is." Je hoeft je dus niet uit te sloven, integendeel: uitsloverij, het zelf allemaal uitzoeken en je eigen weg gaan, is een obstakel. Mensen die zich niet uitsloven, of dit niet kunnen, zoals kinderen, zieken, gehandicapten, mensen die niet in tel zijn, vinden God. Mensen die helemaal zichzelf, nog helemaal dat cadeautje zijn, dat destijds hun ouders kregen, dragen in zich nog de sporen van de schenker van dit cadeau. Je hoeft slechts goed naar hen te kijken om iets van God te zien.
Het is geen willekeur, dat de landeigenaar aan iedereen één denarie geeft, aan hen met wie hij dit afsprak en hen die op het laatste moment nog een kans kregen om hun handen uit de mouwen te steken. Dat is geen willekeur, maar pure goedheid. Gek, dat precies mensen die vanaf het eerste uur in Gods tuin werken, deze God zo slecht kennen.
Dit geldt niet voor iedereen. Jezus was zelf zo'n werker van het eerste uur; op zijn twaalfde bleef hij al eens in het huis van zijn Vader hangen, en veroorzaakte hij grote onrust bij zijn ouders. Hem hoor je niet mopperen; hem hoor je van Gods goedheid getuigen.
Zijn getuigenis is in mijn ogen betrouwbaar. Zijn verhalen helpen mij, ons christenen, op te houden met rechten op God te laten gelden, God te claimen en in onze kerken op te sluiten. Zijn verhalen helpen ons de vreemdeling, de moslim, ietsist of atheïst hun glimp van Gods licht in de ogen te gunnen.

   26e zondag door het jaar: Ezekiel 18: 25-28; Mattheus 21, 23-32. 28 september 2008, Antoon Boks OP   


Johannes de DoperAls we vandaag vieren, dat predikers van Gods woord 150 jaar in deze kapel, samen met het klooster zijn, dan praten we over geschiedenis. Maar onze voorgangers en wij vieren hier iedere keer de geschiedenis van Jezus Christus, die in de tegenwoordige tijd voort gaat naar een toekomst.
We vieren een blijde boodschap. We zijn predikers van een Blijde Boodschap. Wanneer is die voor het eerst verkondigd? Was het Jezus, die de eerste blijde boodschap verkondigde? Nee natuurlijk. Abraham kreeg al een blijde boodschap, al was hij er misschien niet zo blij mee, want weg trekken uit je moederland, gaan naar een onbekend land, was vroeger nog gevaarlijker dan nu. Hij wist toen nog niet, dat God niet een lokale God was, maar een universele God.
De mens en de moeder van alle levenden kregen een blijde boodschap, dat de slang niet het laatste woord zou hebben. Dat waren beloften. Ook wij hebben die belofte, die blijde boodschap jarenlang gehoord.
Dat is nog wel veel meer dan honderd en vijftig jaar geleden. Toch herhalen we deze blijde boodschap constant en niet alleen als geschiedenis, want het is voor ieder van ons tegenwoordige tijd.
Laten we nu eens persoonlijk worden:
Hoe vaak is het voorgekomen, dat iemand u iets beloofde en het geen werkelijkheid werd? Daar mag ook bij opgeteld worden het aantal keren, dat iemand het zei en die belofte ook waar wilde maken, maar het gebeurde niet. Hoe teleurgesteld waren we niet?
Soms wilden we in een dergelijk geval wel, dat iemand dan maar liever zonder meer "Nee" hadden gezegd, dat is nog beter, dan dat ja nee werd.
U weet natuurlijk uit eigen herinnering ook best, dat het omgekeerde ook gebeurd is. Wij zeiden, wij beloofden iets en deden het niet. We kunnen natuurlijk niet maar voetstoots aannemen, dat wat ons betreft alles steeds mooi en gaaf is.  Maar we kunnen ook naar waarheid zeggen dat we gedoopt zijn, dat we onze doopbeloften hebben 


hernieuwd: we hebben Ja gezegd tegen God, tegen Jezus. Is het nee geworden? Natuurlijk niet en zeker vandaag willen we alleen maar praten over hoe goed het allemaal was en is en hopelijk zal zijn.
Maar misschien is het ook bij een feestelijke viering van 150 jaar bestaan goed om hier te denken aan de teleurstellingen, die we hebben ondervonden, maar ook de teleurstellingen, die we anderen hebben aangedaan. Dan is dit een viering om honderd en vijftig jaar af te sluiten en te beginnen aan een nieuw jaar, of als u het liever hebt aan een nieuwe tien of twintig jaar.
Dat doen we hier in deze Eucharistie, want Jezus is hier aanwezig en die wist er van mee te praten. Hij heeft ook heel wat teleurstellingen meegemaakt, soms van de mensen, die hem heel nabij waren, maar altijd bleef daar de blijde boodschap.
Die blijde boodschap mogen wij ook blijven uitdragen, niet alleen wij, de predikers, wij, die aan deze kant van deze lezenaar staan. Als wij van anderen vergiffenis krijgen, dan kunnen, respectievelijk moeten we het ook aan die anderen geven.
Het gaat niet in de eerste plaats hoeveel we beloven, ook niet hoe mooi we wel preken, zelfs als we de blijde boodschap preken, maar het belangrijkste is en blijft, wat we doen. Soms mag de nadruk ook liggen op het feit, dat we echt proberen te doen wat we beloofd hebben. Als we dat doen beantwoorden we aan de uitnodiging van God. Misschien vindt God dat wel het beste: dat we proberen te beantwoorden aan zijn uitnodiging, aan zijn oproep. Dan is er altijd nog genoeg plaats voor God om de gaten te vullen, de grote en de kleine.
Daarmee breng ik God niet voor het voetlicht als een vuller van gaten, maar wel als een genadegever, en wij als kinderen van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, mogen dat God in dankbaarheid nadoen, niet alleen vandaag. Honderd en vijftig jaar werd het gedaan in dit klooster. Eeuwen is het gedaan door andere kinderen van God, door andere predikers. De toekomst is aan ons voor nog een jaar, voor nog tien jaar, voor nog heel veel jaren: iedere dag opnieuw. Amen

   27e zondag door het jaar: Jesaja 5,1-7; Matteus 21,33-43 5 oktober 2008, Paul Minke OP   


De directe aanleiding voor Jezus om deze parabel uit te spreken was het ongeloof en het wantrouwen van de godsdienstige leiders en hun vast voor-nemen om Jezus ter dood te brengen. Dat blijkt duidelijk uit het slot waar Je-zus tegen hen zegt: "Het rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt."
Jezus grijpt terug op het lied van de wijngaard bij de profeet Jesaja. Voor dat lied was ook een directe aanleiding zoals blijkt uit het slot: Waarin Jesaja het sociale onrecht in Israel met name noemt. Het lied begint zo prachtig: "Ik wil zingen voor mijn vriend, zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard." En dan vertelt Jesaja al de moeiten die de vriend ondernomen heeft. Jesaja noemt vijf werken op: Hij spitte de grond om, maakte hem vrij van stenen, plantte een eerste klas wingerd, bouwde een wachttoren en kapte een pers-kuip uit. Zo getuigde de vriend van zijn zorg voor de wijngaard. Zo getuigde God van zijn weldadige liefde voor zijn volk, bij monde van de profeten vaak liefkozend genoemd: mijn bruid. Hoe bitter dan te zien dat de wijngaard geen vruchten opbracht. Hoe hard dan dat Gods liefde niet door het volk wordt beantwoord, Israel zich niet stoort aan de vijf boeken van Mozes, de Thora.
Beide verhalen overstijgen hun tijdgebonden karakter. Zij zijn tijdloos of liever gezegd, eeuwig actueel. Gelovend dat God alle mensen in zijn liefde betrekt en gelovend, dat God met veel zorg de wereld heeft geschapen mogen wij in de wijngaard Gods schepping, onze wereld, herkennen. God heeft aan ons de aarde toevertrouwd om haar te beheren Hij heeft het werk van zijn handen in onze handen gelegd. Maar wat zien we: De mens gedraagt zich als heer van de schepping In plaats van als beheerder, meer als koning dan als pachter, meer als eigenaar dan als iemand die alles slechts te leen heeft. Wilde vruchten brengt de aarde voort: onrecht, armoede, honger, angst en vertwijfeling onder de mensen, onveiligheid en geweld, haat, afgunst, bedrog, ongeloof, ontrouw en afgodendienst. Nog steeds als in de dagen van Jesaja. En nu, inwoners van Jeruzalem, gij, bewoners van Gods aarde, Nu moet gij rechter zijn over Mij en mijn schepping "Wat had Ik nog meer kunnen doen en heb ik niet gedaan? Maar wat zien en horen we: Waarom laat God toch toe, dat er zoveel mis gaat in zijn schepping, t.a.v. het welzijn van mensen? Waarom komt Hij niet tussenbeide? Waarom ons aan ons lot overgelaten? Maar wie laat wie in de steek? Wie staat in feite onder kritiek? God of mens? Wie is aansprakelijk voor al dat nodeloze leed dat mens en volk lijden? Wie beschaamt wiens vertrouwen? Ja, wie gedraagt zich als een god? 


Keren wij niet de rollen om door God voor de voeten te werpen, dat Híj on-trouw is, dat Híj ons niet horen en zien wil, Híj zijn liefde verzaakt?
Wij hebben de wijngaard, de aarde, in pacht, zo verklaart ook Jezus ons. Wij zijn geroepen om de wereld tot een huis te maken voor ieder, om bij te dra-gen aan het geluk en welzijn voor ieder volk, om eensgezind elkanders vrede en geborgenheid te dienen. Wij zijn geroepen om vruchten voort te brengen, onze vriend waardig: vreugde, liefde, dankbaarheid, rechtvaardigheid, saamhorigheid, vruchten zoals hoop op een nieuwe toekomst, rijk aan zegen en genade. Dienaren zendt God ons om ons aan onze roeping te herinneren en niet om hen het zwijgen op te leggen, te kleineren, monddood te maken. En God geeft niet op: Hij zendt zijn geliefde Zoon, zijn welbehagen. Die, zo-als Jezus in de parabel voorzegt, ook verworpen wordt, Maar niet in de dood blijft. Hij zal die kostbare hoeksteen blijken te zijn, die de hele schepping bij-een houdt en haar nieuw aanzien zal geven.
Het ligt niet aan God, dat er zoveel mis is in onze wereld. Beide verhalen nodigen ons uit, kritisch naar onszelf te kijken. Zelfkritiek, die de hogepries-ters en oudsten van het volk in die dagen in hun zelfgenoegzaamheid en betweterigheid ontbeerden. Zelfkritiek, je levensinzichten, je geloof en je verwachtingen kritisch bekijken in het licht van de Schriften, waarin Gods liefde voor zijn schepping en ons mensen oplicht. Zelfkritiek, dat is ook horen naar de profeten van onze dagen, die ons wijzen hoe om te gaan met Gods schepping en elkaar. Zelfkritiek is mezelf afvragen of ik kerk en wereld nog wel zie zitten en ze de moeite waard vindt om me ervoor in te zetten.
Het laat God niet onverschillig wat er met en op de aarde gebeurt, wat u en mij overkomt, onze vreugde en verdriet, onze hoop en wanhoop, onze on-macht bij wat geschiedt, onze goede wil en onze zwakte. Mocht het lied van de wijngaard nog wel die indruk wekken, dat God het opgegeven heeft: "Ik maak van hem een verwilderd stuk grond," dan worden wij door Jezus tot andere gedachten gebracht. Sprekend van het Rijk Gods zegt hij dat het ge-geven zal worden aan een volk, dat wel de vruchten daarvan zal opbrengen, aan hen, die één van geest en één van hart zich niet laten weerhouden om goed te doen, om te delen met en recht te doen aan wie niets heeft, aan hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en vrede stichten. Er is hoop, en God geve, dat wij hier die hoop belichamen en vóór leven, dat wij geloof en vertrouwen in Gods liefde en trouw jegens allen uitstralen, dat wij als wa-re pachters schepping en mens eerbiedigen en dienen. Dan zal een rijke oogst van vruchten niet uitblijven. Amen.

   Priesterjubileum: Johannes 10,1-18 12 oktober 2008, Theo Koster OP   


De aanduiding 'pastor', herder, is in de r.k.-kerk voorbehouden aan priesters. Priesterschap is een roeping, dus een kwestie van horen, de stem herkennen en volgen. Ik werd me bewust van mijn roeping, toen ik op het eind van mijn studie stage liep in Dukenburg. Na een doopsgesprek in groepsverband wilde een stel ouders een afspraak maken. Ik wimpelde dit af; het was niet gebruikelijk dat de begeleider van zo'n doopgesprek ook de dopen deed, en als niet priester en bovendien stagiaire kwam ik al helemaal niet in aanmerking. Daar dachten deze ouders anders over, want een week later zei mijn werkbegeleider me: deze mensen hebben nadrukkelijk gevraagd, dat jij hun kind doopt; durf je dit aan? Toen werd dit voor mij een zaak die me raakte. We spraken erover op de faculteit theologie en binnen het team van de parochie: kan dit? Ik heb het kind gedoopt en realiseerde me op de terugweg naar huis: hier kan ik niet meer achter terug.
Toen mij jaren later, in Huissen, gevraagd werd ook voor te gaan in het breken en delen van brood en wijn, en mij dus te laten wijden, was mijn belangrijkste obstakel het besef, dat collega's van mij in het kerkelijke werk deze vraag niet gesteld wordt, resp. een vraag in deze richting niet serieus nemen, omdat zij vrouw zijn of gehuwd. Pijnlijk is het voor alle betrokkenen, dat om die reden een roeping tot het priesterschap door de kerk niet herkent laat staan bevestigd wordt. De vraag of zij geen priester kunnen zijn was toen en is nu voor mij geen vraag.
Dat is het ook niet voor de gemeente van Johannes. Bij schaapskooi dachten de gesprekspartners van Jezus, dit keer Farizeeën, direct aan de tempel: Gods verblijfplaats bij de mensen. De deur maakt deze verblijfplaats tot een huis, waar het veilig is. De deur is immers toegang én een hindernis; voor iemand die je niet herkent doe je niet open. Ik ben die deur, zegt Jezus. Zijn leven is het om voor mensen toegang te zijn tot God, tot onze oorsprong, ons thuis; én uitgang naar buiten, waar ons leven zich afspeelt.
De grote religieuze leiders van Israël, van Abraham, Mozes tot David, werden allen geroepen en vanachter hun kudde gehaald; het waren herders. Zij kregen opvolgers die niet echt bekommerd waren om de schapen. 'Herder' werd daarom gaandeweg de exclusieve aanduiding voor God en zijn Messias. In zijn optreden vandaag maakt Jezus duidelijk, dat de tempel de kudde in de steek heeft gelaten. Het is geen plek meer van uittocht uit slavernij, maar een gevangenis van wetticisme. De religieuze leiders slachten er schapen, leven ervan, maar laten deze in de steek bij gevaar. De schapen volgen hen niet, lopen weg, omdat ze de stem van deze vreemden niet kennen; het zijn leiders geworden zonder gemeente.
En dan verspringt Jezus van beeld door te zeggen: ik ben die echte, de goede herder. Jezus identificeert zich dus met de gezalfde, de Messias. Jezus is door God zelf gestuurd. Dit kunnen slechts zij herkennen, die beseffen dat ze zoals Jezus zelf van


goddelijke oorsprong zijn, zijn schapen. De Farizeeën begrijpen dit niet. Zij zijn binnen hun eigen groep of kudde buitenstaanders geworden. Begrijpen wij het?
Beseffen dat je van goddelijke afkomst bent kun je niet afdwingen, je ontdekt het: anderen zien dit soms eerder dan jezelf. Zo had ik onlangs drie studenten onderwijskunde op bezoek bij een meditatieles. Zij maakten studie van mijn wijze van instructies geven. Hun was niet ontgaan wat mij steeds opvalt bij deze lessen: mensen zijn prachtig, als zij ontspannen, helemaal zichzelf zijn; vanuit wat deze mensen dan uitstralen bieden zij inderdaad zicht op God. Dat beseffen, ontdekken, je eigen maken heeft al met roeping van doen. De gastvrijheid die deze kapel en het DAC biedt wil deze roeping wekken. Hier hoef je jezelf niet waar te maken; je bent welkom. Waar je vandaan komt is niet belangrijk, maar waar je naartoe wilt.
Het besef dat je van goddelijke oorsprong bent en dus met respect bejegend wordt maakt mogelijk Jezus stem te herkennen en hem te volgen. De r.k. kerk gebruikt voor dit laatste de aanduiding 'algemeen priesterschap'. Het priesterschap waartoe ik gewijd ben ligt in het verlengde hiervan. Het is nauw verbonden met Jezus en diens optreden. Jezus gaf zijn leven voor zijn schapen. Je kunt dit zien en beleven als een offer, dat Jezus moest ondergaan. De woorden waarin Jezus vandaag praat over zijn leven geven om het ook weer terug te nemen maken duidelijk dat Jezus' dood geen offer is waar God om vraagt. Jezus zet zijn leven op het spel vanwege het leven van zijn schapen dat in zijn ogen belangrijker is dan het eigen leven. Jezus doet dit in het vertrouwen dat wie hij ten diepste is hierdoor niet verloren zal gaan, maar juist aan het licht zal komen.
In het breken en delen van brood en wijn ontmoeten we deze Jezus, de Christus. Het verzoek aan priesters om iedere dag eucharistie te vieren kan de priester een dieper besef geven van het gedrag van Christus, maar maakt van de priester geen Christus. Een priester is niet de deur noch de herder. Zijn taak is het vertrouwen te wekken, mensen te wijzen op de deur en hindernissen weg te halen, opdat de stem van de herder gehoord wordt, herkent en gevolgd kan worden.
"Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapsstal zijn", hoorden we Jezus zeggen. Als kerk kunnen en mogen we ons Christus niet toe-eigenen. Terecht bieden we gastvrijheid aan sommigen van u, die in hun eigen parochie of gemeente niet welkom zijn, of er zich niet veilig voelen. Jezus' praten over andere schapen kan niet oecumenisch verstaan worden. Of je nu rooms katholiek of protestant bent, als christen behoor je tot dezelfde kooi, ben je afgestemd op dezelfde stem.
Als kapel zijn we echter geen vrijplaats. We behoren ten volle tot de rooms katholieke kerk. Zoals we hier elke zondag samen zijn werken we aan een kerk die katholiek is, waar dus alle christenen uit de nu nog diverse kerken thuis horen, veilig zijn en de stem van hun herder herkennen. Dat geeft spanningen en conflicten. We zoeken deze niet op, maar gaan ze ook niet uit de weg. Wat we hier vieren en beleven mag immers niet verborgen blijven, laat staan verstopt worden; daarvoor is het te kostbaar.

   29e zondag door het jaar: Jesaja 45, 1-6;  Matteüs 22, 15-21 19 oktober, André Lascaris OP   


romeinse munt Ik zie hier gezichten om me heen van blijde belastingbetalers. Telkens als de aanslag binnenkom, juicht heel Uw huisgezin. U mag weer meebetalen aan wegen (en files), aan kinderopvang, verpleeghuizen, onderwijs, ontwikkelings- samenwerking enz. En de volks- vertegenwoordiging, onze vertegenwoordiging beslist over hoeveel en waarvoor.
Ik denk dat niemand ooit graag belasting heeft betaald. Maar wij zien de noodzaak ervan in en betalen. Dat is een andere situatie dan in het evangelie. In het Romeinse rijk moest elke man tussen de 14 en 65 en elke vrouw tussen 12 en 65 belasting betalen op roerende goederen. Bij de armen gold het eigen lichaam als roerend goed. Je bezit, maar dus ook je lichaam behoorde niet aan jezelf, maar aan de keizer van Rome. Belasting betalen was de erkenning van de oppermacht van de keizer. Het was een blijk van loyaliteit. Het teken dat je in laatste instantie zijn bezit, zijn knecht was. Belasting betalen had zo een religieuze betekenis: de keizer is je Heer. Op hem moet je je oriënteren. Hij is de bron van je rijkdom.
 Voor joodse mensen was dit moeilijk. Immers het land behoorde aan God (Lev. 25, 23). Land mocht niet verkocht worden, want de aardse bezitter is slechts een vreemdeling die bij God te gast is. God is de Heer, niet de keizer. Sterker nog: God is de Heer van de keizer. Jesaja ziet de bevrijding van de joden uit de ballingschap in Babylon in 538 v. Chr. door Cyrus, koning van de Perzen, als het werk van God. Of zoals de geloofsbelijdenis van Israël, geschreven in diezelfde tijd, ruim vijfhonderd jaar voordat dit evangelie werd geschreven, luidt: ‘Luister Israël: de Heer onze God is de enige’. (Deut. 6,4)
Mocht je belasting betalen? De Farizeeën vonden eigenlijk van niet, de Herodianen van wel. Samen maken ze gemene zaak tegen Jezus. Ze vleien hem en stellen hem voor de keuze: betalen of niet. Zoals zo vaak, gebruikt Jezus weer een soort judotechniek: het is eigenlijk heel humoristisch en zijn leerlingen zullen er wel over gelachen hebben. Hij laat ze een munt van de keizer produceren; zelf heeft hij die niet.En dan zegt hij: wel, als je zulke munten hebt en gebruikt, zou ik ze teruggeven aan de keizer. Leef liever zonder die munten, zonder die loyaliteit aan de keizer, die van zichzelf een beeld maakt. Richt je op God, aan wie ook de keizer onderworpen is: de God die mensen uit ballingschap en onderdrukking bevrijdt. De God aan wie het land toebehoort zodat niemand eigenaar is en je er niet over kan vechten. De God die onzichtbaar is en zo vrijheid geeft. De God die we  voornamelijk kennen uit zijn afbeeldingen, God schiep ons naar zijn beeld en


gelijkenis. (Gen 1,26-27) om namens God het land, de gehele aarde te beheren, niet als eigenaars, maar als pachters, als vreemdelingen die bij God te gast zijn.
Onze vraag is niet of we al of niet belasting moeten betalen. Dat is voor ons vanzelfsprekend. Het evangelie gaat niet over de scheiding van kerk en staat. Ook niet over de plaats van religie in de publieke ruimte. Maar de kernvraag van dit evangelie is: van wie/wat voel je je afhankelijk, voor wie/wat heb je respect, wie/wat laat je heer zijn van je leven? Die vraag blijft actueel.
We willen het liefst niets boven onszelf, iets dat groter is dan onszelf. We willen baas zijn in eigen huis, in eigen lichaam, in eigen leven. Aan niemand belasting betalen en verantwoordelijkheid afleggen.
Maar daarmee komen we niet weg: niemand is een eiland; niemand heeft zichzelf verwekt of gebaard. Je leeft in een wereld die groter is dan jezelf. Er is meer dan jijzelf. We moeten kiezen tussen verschillende mogelijkheden. Zo kun je de waardigheid van elke mens of het goede leven voor elk mens centraal stellen in je leven. namelijk mannen en vrouwen. Want je kunt daarvan je passie maken. Maar wat die waardigheid is en waarvan ze komt blijft onduidelijk.
Voor Jezus is het duidelijk: je moet respect hebben en open staan voor degene die hij God noemt. De God van Israël, van wie hij een nieuwe verwoording geeft. Voor ons is dat minder vanzelfsprekend. God als de ‘enige’ en God als de ‘Heer’ – dat klinkt ons dwingend in de oren i.p.v. bevrijdend.
Maar de God van Israël en van Jezus het enig goddelijke noemen, betekent dat de wereld en onze leiders niet goddelijk zijn, dat de kerk zoals die nu is niet goddelijk is, dat onze cultuur niet absoluut en goddelijk is. Wij mogen alles veranderen, bij de tijd brengen.
En God als Heer? Dat ‘heer’ wordt gebruikt in plaats van de godsnaam, en zou beter anders vertaald moeten worden zoals bijv met de ’levende’, de ‘eeuwige’, de ‘aanwezige’. Die godsnaam betekent: ‘ik ben met je’, ‘ik zal er zijn’. God beschikt niet over jou, maar is je bondgenoot, degene die je draagt, met je meegaat. Maar ook uitdaagt, op je hoopt, je inspireert, je verwijst naar zijn beelden, zijn muntgeld, nl de andere mensen, je verantwoordelijkheid geeft voor onze wereld.. Een God die zich het beste laat zien in het beeld van degene die de voeten wast van zijn leerlingen en onder hen is als degene die dient. Een God die ook voor jou opkomt.
Aan deze God geven wat hem toebehoort betekent dankbaarheid, in het Grieks: eucharistie. Eucharistie vieren, daartoe nodig ik U allen uit.

   30e zondag door het jaar: Exodus 22,20-26; Matteüs 22,34-40 26 oktober 2008; Henk Jongerius OP   


Bij het luisteren naar de woorden van Mozes kwam bij mij spontaan de uitdrukking naar boven "wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet", en moest ik denken aan de tien geboden die wij vanouds moesten leren en uit ons hoofd kennen. Wanneer je maar wist wat je niet moest doen, kwam je wel goed terecht in het leven!
Tot op de dag van vandaag is de officiële ethiek en moraal van de kerk vooral gebaseerd op hetgeen wij niet mogen doen: er mogen geen voorbehoedsmiddelen gebruikt worden om aids in landen als Afrika te voorkomen, vrouwen kunnen geen priester worden en leken mogen de Schriftuitleg niet verzorgen tijdens de viering van de Eucharistie, om maar een paar voorbeelden te noemen....
Er gaat een merkwaardige manier van denken schuil achter dit alles die erg veel lijkt op een risicoloos in het leven staan, waarin vooral veel duidelijk is: als je maar weet wat je niet moet of mag doen, leef je kennelijk als een goed mens. Het is in de grond van de zaak een heel egoïstische manier van denken die er enkel en alleen op uit is zijn eigen zielenheil veilig te stellen!
Dat alles staat loodrecht op de diepste bedoeling van de woorden van Mozes en Jezus die vandaag geklonken hebben. Daarin gaat het helemaal niet om je eigen geluk en zaligheid, maar juist om het welzijn en de levensvreugde van anderen, om weduwen en wezen die niemand meer naast zich hebben en zodoende onvolledige mensen zijn, om mensen die gebrek lijden, arm zijn en het belangrijkste in hun leven missen.


Als wij in hun schoenen zouden staan, zouden wij heel goed weten waar wij het meeste behoefte aan hebben! Op die houding doelt Mozes als hij zegt: dat wij zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte. Wie nood en verdrukking heeft meegemaakt weet goed wat hem of haar kan helpen.
Het komt erop aan niet langer bezig te zijn met wat ons leven veilig of vlekkeloos maakt of toekomst geeft, maar leren aan te voelen wat anderen nodig hebben en vervolgens doen wat er gedaan moet worden. Het negatief geformuleerde geboden zullen wij dan gaan verstaan als een uitdaging om op een positieve manier met onszelf en anderen om te gaan. Zij perken het leven niet in maar geven ons juist ruimte om andere mensen het leven mogelijk te maken. 
Wet en Profeten concretiseren het ene gebod dat wij God zullen liefheb-ben en de naaste die is zoals wij. Alles wat er geboden en voor-geschreven is zal een creatieve manier van liefhebben moeten zijn, een levenskunst die weet heeft van wat een ander nodig heeft om hoopvol te kunnen bestaan. Het betekent dat wij het schijnbaar veilige bestaan dat om onszelf heen cirkelt verlaten en zo goed als God zijn voor elkaar. Jan van Kilsdonk heeft eens gezegd: ‘ik weet niet wie God is, maar weet wel wat hij wil’. De menswaardige wereld die de Eeuwige voor ogen staat komt tot stand  als wij doen als God en door elkaar lief te hebben zullen wij gaan beseffen wie Hij is. Of zoals Johannes zegt: ‘ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God’. Daartoe nodigt Jezus ons uit: om zo voor een ander te doen wat wij willen dat er voor ons gedaan wordt: "vrees is er in de liefde niet; zij is de ruimte van een lied dat iemand nieuwe adem geeft en dankbaar stemt omdat hij leeft."     

 

  Allerzielen: Wijsheid 4, 7 - 15; Johannes 11, 17 - 27 2 november 2008; Antoon Boks OP   


Wat zijn wij als Kerk toch wijze mensen. Dat waren we al in het verleden en dat zijn we nog steeds, want we vergeten met de viering van vandaag en gisteren (en het zou eigenlijk morgen ook nog moeten zijn) geen van onze familieleden, geen van onze medegelovigen.
Als wijze Kerk hebben we zoveel te vieren. We hebben zoveel familie, dat het niet op één dag kan gebeuren. Dat doen we trouwens in onze gewone familie ook niet. Daarom gisteren Allerheiligen, vandaag Allerzielen en morgen zou het dan maar moeten zijn Elkerlijck, alle mensen, want laten we eerlijk zijn het is niet eerlijk om wel alle mensen te gedenken, die overleden zijn, maar niet stil te staan bij de levende mensen, met wie wij verbonden zijn.
Het is natuurlijk mooi om te zeggen, dat we allemaal, levenden en doden in de hand van God zijn, maar God heeft geen handen. Wel werden er handen gebruikt om de eerste mens te boetseren uit rode klei, maar daarna kwamen er ook heel veel woorden totdat het WOORD met hoofdletters kwam en mens werd.
Ik heb vaak horen praten door diverse mensen over de warme en de koude kant van de familie. Ik heb dat niet zo erg begrepen, ofschoon ik wel weet, wat ze er mee bedoelen. Het is misschien net zo iets als wanneer u in een vreemde taal spreekt en weet wat de scheldwoorden, die in onze richting komen betekenen, maar ze raken onze ziel niet, want onze ziel, ons gevoel spreekt die taal niet. Onze hersentjes weten wel wat het betekent.
Als we over Gods handen praten dan begrijpen we of we denken allemaal te begrijpen wat we bedoelen, als we dit zeggen. Zo kunnen we elkaar troosten of sterken.
Wij allemaal als gedoopte mensen mogen onze moeilijkheden, onze problemen, ons lijden aan God aanbieden, want we zijn kinderen van God, geschapen als de eerste mens en al die andere mensen als beeld en gelijkenis van God. In het verleden zeiden wijze mensen dat wij in liefde bij God zullen verblijven, want genade en barmhartigheid vallen ons ten deel. Dat geloven we en dat is genoeg voor ons mensen, die vertrouwen op God.
Dat vertrouwen, dat geloof, die liefde hebben we niet verdiend: het is genade, die God ons gaf. Omdat Jezus voor ons stierf, is het niet nodig bang te zijn voor de dood, kunnen we leven ook met de dood van mensen, die ons lief waren.
God heeft zijn liefde zo vaak getoond, natuurlijk in Jezus, maar ook in al die andere mensen met wie wij een band hebben. Soms denken we wel eens, dat we door God verlaten zijn: door tegenslag, door de dood van een geliefde, door een verschrikkelijke ziekte, maar hopelijk voelen we dan toch weer iedere keer door andere mensen, dat God van ons blijft houden. Niets, zelfs geen zonde of dood kan ons scheiden van de liefde van God. U moet het me maar niet kwalijk nemen, dat ik maar door blijf gaan met dat beeld van die handen van God, ik zou ook 


kunnen praten over de armen, die om ons heen geslagen worden. Ik zag eens een plakplaatje op de bumper van een auto: "Heb je vandaag al iemand omhelsd?"
Gelukkig dat we meer lezen in de Bijbel, dat we meer leren over onze voorouders, die geloofden in een God, die almachtig was en dus ook sterker dan de dood.
We, mensen, waren al vanaf de eerste mens onsterfelijk, maar door het geloof van mensen als Abraham en David en nog beter door de komst van Jezus mogen we geloven in een goed eeuwig leven. Onze relatie met God is begonnen en eindigt nooit meer. Daar kan de dood niets aan veranderen, want het leven is sterker.

We komen wel steeds bij elkaar op verjaardagen, op jubilee, maar ook op zondag om elkaar te herinneren aan het leven en om elkaar te sterken. Het teken van een gelovige, een vertrouwende, een liefdevolle gemeenschap moedigt ons steeds weer aan. Door het luisteren naar Gods woord komt de schepping kracht van God in ons. Nooit zullen we vallen uit de liefhebbende handen van God.
In veel landen is het gisteren, vandaag en misschien ook morgen druk op begraafplaatsen. We kunnen het ook anders doen.
Een fotoalbum, of een powerpoint-presentatie, of de heilige schrift mogen we openen om te vertellen van wat anderen voor ons deden. Het zijn geen sprookjes voor kleine kinderen, want in echte sprookjes vertellen we de wijsheid van onze voorouders.
We mogen elkaar vertellen van onze voorgangers, want wij kunnen doen, wat we doen, omdat zij ons zijn voorgegaan. Wij vertellen of we luisteren in iedere Eucharistie viering naar wat gelovigen voor ons in vertrouwen uitspraken en opschreven. Daarna gaan we verder en eten en drinken van de tafel, waar Jezus steeds weer aanwezig is. Dat geeft ons vertrouwen dat we met elkaar verenigd zullen blijven met elkaar en met de verrezen Christus.
Daarom is het een geluk, dat de liturgische kleur van Goede Vrijdag veranderd is in rood. Gelukkig bestaat de liturgische kleur zwart niet meer. Gelukkig is er op veel plaatsen een vijftiende statie van de Kruisweg bij gekomen: de Verrijzenis.
Wat een schoonheid is er in de herfst. Ook al komt er een winter, we blijven elkaar ook vertellen van de lente die na de winter komt en die is dan weer de voorbode van een zomer. De zomer is niet altijd de fijnste tijd van het jaar. Voor sommige mensen is het dan te warm, maar ook al vallen de bladeren, al die prachtige kleuren van de herfst vertellen van de schoonheid van de natuur en daar horen wij mensen bij.
Zonder mensen, die kijken, die luisteren, die wandelen, is er alleen maar een dode schoonheid. Wij kunnen elkaar liefde aankondigen en werkelijkheid maken. Zo vertrouwen we dat er leven is en wel voor altijd. Amen.

   32e zondag door het jaar: Ezekiël 47,1-12; Johannes 2,12 22 9 november 2008, Ernst Marijnissen


Ezekiël, Daniël en Johannes. Drie beroemde namen uit de bijbel. Drie beroemde en begenadigde profetische mannen. Zij hebben gemeen dat ze zieners waren, visionairs, diepzinnige vertellers, die ons prachtige visioenen hebben overgeleverd. Hun beelden zijn wereldwijd, hemelsbreed, en omvatten alle tijden. Doormiddel van hun visioenen openbaren ze aan ons Gods trouw aan mensen in verdrukking, zijn bekommernis om de gang van zaken in onze wereld en zijn zorg voor onze toekomst. Alle drie hebben ze geleefd in tijden dat hun volk werd onderdrukt. Ezekiël profeteerde in de tijd van de Babylonische gevangenschap. Daniël deed dat in de tijd van de Makkabeën en hun strijd tegen de godsdienstige en culturele dictatuur van Syrische overheersers. Johannnes bemoedigde zijn zusters en broeders van de jonge Christusgemeenten, toen zij werden vervolgd door de Romeinse bezetter, en van binnen uit werden bedreigd door tweespalt in hun kerken, en de aanvallen van sommige Joodse groeperingen. Door hun sprankelende en fantasie prikkelende visioenen en uitspraken bemoedigden zij hun geloofsgenoten om vol te houden, want aan het eind zou de kracht van de liefde en de zorg van God de tegenstanders verslaan en doen verdwijnen. Een voorbeeld daarvan is het visioen van Ezekiël, dat we in de eerste lezing hebben gehoord. De profeet ziet een hemelse tempel. Natuurlijk heeft hij daarbij gedacht aan de tempel van Jerusalem, die in zijn dagen was verwoest. Die tempel was een symbool van het wonen van God midden tussen zijn volk Israël. De tempel is dus een beeld zowel van God als van het volk van God. Ezekièl. Hoe troost hij? Wat ziet hij?
Een engel brengt hem naar de grote toegangspoort. Hij ziet hoe er water onder de deur naar buiten sijpelt. Het stroompje glijdt oostwaarts naar buiten het tempelgebouw uit. Ezekiël moet in opdracht van de engel door het water waden. Hoe verder hij komt hoe dieper het wordt. Het stroompje wordt een beek. De beek wordt een riviertje en dat op zijn beurt groeit uit tot een brede en diepe stroom, zodat de profeet er in rond kan zwemmen. Dan roept de engel hem op het droge. Ezekiël staat op de oever en ontdekt dat deze vruchtbaar is. Er is gras, er groeien bomen, het land is één en al vruchtbaarheid. Het brede water is rijk aan vis en zo biedt de rivier, geboren en opgeweld in de tempel van God en in het midden van het volk, voedsel en drinken aan al wat leeft.
Wat een visioen! Ik denk dat we dit beeld wel verstaan. We hoeven alleen maar onze ervaringen serieus te nemen. Goed en kwaad lopen door elkaar. We ondervinden de schoonheid van de natuur, maar weten ook hoe wij mensen zelf onzorgvuldig met haar omgaan, zodat zij zich tegen ons kan keren. We genieten van het voedsel dat het land en het water ons biedt. Tegelijkertijd roven we dat alles leeg en laten de gevolgen over aan de mensen, die na ons komen. We dromen ook vaak van een schone omgeving, stranden en meren, bergen en fraaie landschappen. We houden van de bomen en hun vruchten, van dieren, die leven in de vrije natuur en ons gezelschap houden. En zo is het ook met onze menselijke verhoudingen. Haat en liefde, oorlogen vrede, begrip en onbegrip, verdriet en vreugde, waarheid en leugen, ziekte en gezondheid: dat alles ligt naast elkaar, en soms lopen ze door elkaar heen. Dan is het leven helder en inzichtelijk, dan weer raken we verward in de kluwen van gebeurtenissen, die zich om ons heen maar ook in onszelf afspelen. Wie dan met Ezekiël het water ziet stromen, dat vanuit God zelf op ons toekomt, begrijpt waarover het gaat. God is de bron van alle leven, en alleen wanneer we ons aan de Levende durven toevertrouwen, zal het alles wat leeft goed gaan.


Die kleine stroom welt dus ook op in óns midden. We voelen ons vaak onmachtig als we als kleine kudde naar de grote mensenwereld zien. Wat doen we met zo weinigen? Zo hebben de eerste leerlingen van Jezus het ook gevoeld, toen ze na Jezus' dood samen wegdoken in hun huizen, en ramen en deuren gesloten hielden, omdat ze bevreesd waren voor de Joden. Wat doe je met een verdeelde kerk, die ook nog eens verstrooid raakt onder de druk van grote maatschappelijke veranderingen? We hebben dan wel een opdracht om de liefde van God in woord en daad aan de wereld bekend te maken, maar is die boodschap niet een maatje te groot voor ons? Moeten we het niet afleggen tegenover hen, die de macht in handen hebben en het alleenrecht van spreken menen te bezitten?
Het antwoord hierop wordt ons aangereikt door Johannes. Al is zijn verhaal niet zo groots en meeslepend als zijn visioenen in het laatste bijbelboek, de Openbaring geheten, toch is ook hier sprake van een visioen. Jezus reinigt de tempel met een symbolisch zweepje. Het is gemaakt van verschillende touwtjes. Stuk voor stuk zijn die touwtjes niets waard en krachteloos. Maar als ze gebundeld worden zijn ze sterk en vol effect. Jezus begint met de eenheid te herstellen. Één volk, verzameld rondom de Levende, de Bron van leven, het begin van een nieuwe levensstroom. In de tempel. Midden onder ons. Zo reinigt hij de tempel en geeft haar terug aan de oorspronkelijke bedoeling: huis van God, huis van gebed, huis van samenscholing en eensgezindheid. Maar ook huis van vertrouwen.
Zijn tegenstanders begrijpen er niets van. Ze doorzien niet dat dit huis van God en zijn volk juist door hun opvattingen over leer en uitleg van de Schriften en de vaststaande gang rond de eredienst er oorzaak van zijn, dat de levensbron van de tempel als huis van God is opgedroogd. Ze zeggen: "kunt u ons met een teken aantonen dat u dit alles mag doen?". Jezus antwoordt dan: "ontbindt dit tempellichaam en in drie dagen zal ik het oprichten!" De tempel, zegt hij, is niet zozeer een stenen bouwwerk. Het is het huis van God, die woont temidden van zijn volk. De mensen, zijn volk, vormen de bouwstenen van een tempel, een heiligdom, waarvan de Levende zelf de kern is, de ziel, de binnenkant.
Maar de meesters van de tempel begrijpen er niets van. Daarom zeggen ze boos: " veertig en nog eens zes jaren is er aan deze tempel gebouwd, en ú wilt het in drie dagen oprichten?". Hun vraag is óók het antwoord. De tempel is het beeld van een uittocht, die veertig jaren, een mensenleeftijd duurt. Maar het moet wel doorgaan zolang er mensen zijn. Het is de zesde dag uit het scheppingsverhaal, de zesde dag, die heel de geschiedenis omspant. Veertig (een mensenleven lang) en zes gedurende heel de geschiedenis)! Met andere woorden: die tempel, de woning van God temidden van hen, die zijn wegen volgen, moet er zijn als een levend bouwsel, altijd, en vandaar uit moet het water stromen en de aarde doordrenken, vruchtbaar en vol vrede maken. Verliest dus nooit de moed.
Hoe bescheiden ook, hier begint het, ons vertrouwen op het komen van Gods rijk, zijn wereld. Vanuit déze tempel sijpelt het water naar buiten
Het stroompje glijdt naar buiten het tempelgebouw uit. Hoe verder het komt hoe dieper het water wordt. Het stroompje wordt een beek. De beek wordt een riviertje en dat op zijn beurt groeit uit tot een brede en diepe stroom. Dan gaan we zien en ontdekken dat deze stroom vrucht brengend is. Er is gras, er groeien bomen, het land is één en al vruchtbaarheid. Het brede water is rijk aan vis. Zo biedt de rivier, geboren en opgeweld in de tempel van God én in het midden van het volk, van ons, voedsel en drinken aan al wat leeft. Zo zal het eens zijn. Wat een visioen!

  33e zondag door het jaar: Spreuken 31,10-31; Matteus 25,14-30 16 november 2008, Paul Minke OP


Op reisEen man vertrekt naar het buitenland, zo begint de parabel en vertrekt om ooit na een lange tijd terug te keren van zijn reis. Het lange wachten begint, het wachten op zijn terugkeer. Maar het is geen passief wachten zoals in de wachtkamer van de dokter. God heeft zijn dienaren, ons, zijn bezit toevertrouwd, zijn talenten. En dat aan ieder naar zijn bekwaamheid met de bedoeling, dat wij er iets mee gaan doen, zijn bezit vermeerderen. Het woord toevertrouwen is rijk aan betekenissen. Het drukt uit: dat zijn bezit hem dierbaar is, voor hem van grote waarde is; verder, dat hij in zijn dienaren, ons, het volste vertrouwen heeft, ja, ons zijn vertrouwen geeft, vertrouwen in onze bekwaamheid om dat wat hem aan het hart ligt te koesteren en te bewaren; en ook zijn bede aan ons: ga er in Gods naam zorgzaam mee om.
Wat is het bezit, dat hij ons toevertrouwt, ons in handen geeft? Dat is de aarde, die wij met elkaar bewonen, zijn schepping, ons toevertrouwd om haar te beheren en vruchtbaar te maken, al wat leeft op de aarde, haar heelheid, ieders leefmilieu, van mens en dier, van planten en bomen, en van het water en de grond. In dit licht kun je je de vraag stellen of wij met elkaar wel goed bezig zijn als we natuur en milieu opofferen aan slechts economische belangen om nog meer welvaart te verwerven, nog meer gemakken en luxe. Wat God ons ook toevertrouwd heeft is zijn woord en het Koninkrijk. Ook zijn woord moet kunnen vrucht dragen in de liefde en zorg voor elkaar, Het woord is ons gegeven om ervan te getuigen en hoop te wekken, dat al het kwaad uiteindelijk door God ten goede gekeerd zal worden. Mét God, die een God-bevrijder is, moet ons bijzonder ter harte gaan: de vrede en vrijheid van mensen dichtbij en van volkeren overal op aarde. Dit strookt niet met een star nationalisme: eigen volk eerst, met allerlei vormen van racisme, discriminatie en superioriteitsgevoelens, met vasthouden van eigen welvaart ten koste van andere volkeren. Eens zal je gevraagd worden zoals aan Kaïn: Waar is je broer Abel? Wat heb je met mijn broeder gedaan? Wat met mijn zuster, Wat met mijn volk? Je kunt je de vraag stellen: zitten mensen wel om onze boodschap verlegen? Ik ben ervan overtuigd van wel, als wij maar de goede boodschap uitdragen. Niemand gaat graag ongeteld, onbekend en onbemind door het leven. Ieder kent het verlangen naar zin en samenhang in zijn/haar leven. Wie verlangt niet naar vrede en geborgenheid, naar goedheid en aandacht? Niettemin helaas, de realiteit leert dat er uitzonderingen zijn. Maar toch, wat velen zoeken: hoop, levenszin, liefde, gemeenschap: dat alles ligt besloten in het Woord van de menslievende God.
De eerste twee knechten gaan met het hun toevertrouwde bezit aan 


het werk. Zij hebben verstaan: het grote vertrouwen dat de heer in hen stelde en zij wilden hem niet teleurstellen, zijn vertrouwen niet beschamen. Je komt dagelijks die mensen tegen, die met veel inzet en toewijding zich inzetten voor het recht en de vrede van mensen en volken, die zich ontfermen over zieken, vereenzaamden, vluchtelingen, die zich hard maken voor een goed milieu, voor het welzijn van dieren. Zij hebben de trekken van de sterke vrouw uit de eerste lezing. Ze werkt en zorgt niet alleen vlijtig en bekwaam voor haar gezin, maar is ook bedrijvig buitenshuis, drijft handel, koopt een akker, plant een wijngaard. Zij is vol daadkracht, onvermoeibaar is zij in de weer. Wie doet als zij, wie doet als de dienaren van de vijf en twee talenten, zij zullen mogen horen: uitstekend goede en trouwe dienaar, over weinig waard ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.
Hoe anders vergaat het de derde dienaar, die een talent kreeg. De heer wilde hem niet overvragen maar ook hem toevertrouwen wat hij aankan. Maar hij heeft niet gehoord en gezien het gebaar en woord van vertrouwen die de andere twee zo sterk hebben gemotiveerd, bemoedigd en aangezet om met de gegeven talenten aan het werk te gaan en ze te vermeerderen. Hij heeft zich een verkeerd beeld van de heer gevormd, een negatief beeld. Het ontneemt hem de moed en het zelfvertrouwen om iets te ondernemen. Hij stopt zijn talent in de grond en wacht - passief- de komst van de Heer af.
Het is niet goed dingen te laten lopen zoals ze gaan, te laten voor wat ze zijn; de wereld, de kerk en mensen te nemen zoals ze zijn en ze te laten begaan; Het is niet goed te leven vanuit de gedachte, dat je de wereld toch niet kunt veranderen, of dat wat je ook doe, dat het toch helemaal niets uithaalt, mijn tijd duren zal. Wij dragen allen onze verantwoordelijkheid, de een meer dan de ander, afhankelijk ook van de positie die je inneemt in de samenleving en kerk. Hoe bescheiden je mogelijkheden ook mogen zijn, hoe beperkt je kunde, ze ontslaan je niet van dat te doen wat wel in je macht ligt, wat je wel aan kan.
We wachten op de terugkeer van de heer. Het wachten duurt lang. We zien niet altijd de vruchten van ons werk in deze tussentijd. Vrede, vrijheid, het Koninkrijk van God, ze lijken verder weg dan ooit. Kerk en wereld verkeren in een crisis. Hoeveel krediet hebben we nog van God? Maar toch, bedenk God heeft vertrouwen in u en mij, gelooft in u en mij. Wat telt, waar het op aan komt: actieve en trouwe dienst. Hij rekent op ons. Het gaat om persoonlijke inzet aan de taak die ons in het leven is toebedeeld. Naar beste kunnen en naar beste weten, hoe simpel die taak ook moge zijn. Wie zo doet zal eens uit de mond van God zelf moge horen: Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw over veel zal ik u stellen: Ga binnen in de vreugde van uw heer. Amen.

   Christus Koning: Ezechiël 34,11-17; Matteus 25, 31-46 Mies Singendonk OP   

   
Lieve mensen, Vandaag is de voleindigzondag, in de protestantse kerken bekend onder de naam eeuwigheidzondag. Voleinding, daar lijk je mee te zeggen dat er een eind komt aan de tijd en de aarde. Zo klinkt het ook wel in Matteüs. Astronomen kunnen ons vertellen dat tijd en ruimte inderdaad een keer zullen ophouden. Maar of dat ge-lijkstaat aan de Bijbelse eindtijd? Als we niet goed genoeg bevonden worden dan belanden we in de hel. Een woord dat we niet zo gauw meer gebruiken, behalve als we over iets zeggen dat het de hel op aarde is. In het verhaal van Willem Wilmink: "Daan is dood", wordt aan de 12-jarige Daan die zojuist in het hiernamaals is aangekomen, uitgelegd hoe het in de hel is. "Daan vroeg of je daar echt eeuwig moest branden. Nee, dat niet, maar erg is het er wel, kreeg Daan te horen. De hel is drassig laagland waar het altijd motregent. Je mag er geen liedjes zingen, je mag er niet vrijen, je mag er op zondag niet zwemmen. En er is geen enkel café." Zo had je ook voorstellingen van de hemel, die net zo weinig aanlokkelijk waren: een eeuwig du-rende kerkdienst waar je je een ongeluk verveelde. Maar, ik zal u ge-ruststellen, Daan was in een gezellige, katholieke hemel terechtge-komen. Daar laten we hem met een gerust hart achter om vandaag eens wat na te denken over voleinding en herderschap.
Ja, er wordt in de theologie gesproken over God de schepper en God de voltooier. De Bijbelse gedeelten van vandaag doen in het licht van een voleinding een appèl op de leiders en de sterken om goede her-ders te zijn. Te weten: de zwakken te beschermen, en hen niet te ver-dringen. Niet meer en minder dan dat.
Toch weten we dat deze eenvoudige opdracht met zeer veel vallen en opstaan in zijn werk gaat. Bijvoorbeeld, je hebt een financiële mee-valler gehad en je schenkt daar ruimhartig van aan een goed doel. Bijvoorbeeld aan ontwikkelingshulp. Of, je geeft al jaren maandelijks iets. En dan krijg je van een stel wijsneuzen te horen dat je geld he-lemaal niet bij die arme mensen terecht komt maar bij de strijdende partijen; anderen eigenen zich dus toe wat wij bestemd 


hadden voor de zwakken. Waardoor de ellende doorgaat, ondanks goede bedoelingen. Wat is het toch ingewikkeld om rekening te houden met een kwetsba-re schepping. Wij zijn geboren in een onrechtvaardige wereld en we zijn er erfgenaam van.
God zegt tegen zijn profeet: zeg maar tegen de herders: als jullie geen goede herders zijn over mijn schapen dan doe ik het zelf wel. Maar een paar verzen later stelt God toch een mens aan zoals koning David, die met God de schapen hoedt. Hen behoed. Het is een oproep om de zwakkeren te beschermen. God is ons hierin voorgegaan in zijn profeten en in zijn gezalfde Jezus van Nazareth, onze broeder. Maar toch kunnen we moedeloos worden van alle misbruikte goede bedoelingen. In "Nader tot u", richt dichter Gerard Reve zich tot God, en er zit een aanklacht in wat hij zegt: Hij zegt: "Dat koninkrijk van u, weet u nog wel? Wordt dat nog wat"?
Het nieuws is om machteloos van te worden. Emotie-tv roept op tot actie en als dat fout uitpakt zet het aan tot machteloosheid. Maar machteloosheid is een verleider. Het zet aan tot het bij de pakken neerzitten, of tot het gelijk van de verbittering. Dan geven we de hoop op. Maar wat moeten we dan? Kunnen we nog naast God gaan staan? Kunnen we met God nog goede herders worden? Om goed genoeg te zijn in Gods ogen hoeven wij geen Messias te worden. We mogen gewone mensen blijven. We mogen zelfs God aanklagen. We mogen God aanklagen als we ook durven te rouwen om de plaatsen waar het een hel is. Pas in rouw wordt hoop weer mogelijk. Of in da-gelijks taal: uithuilen en opnieuw beginnen. En dan bidden: geef mij dat ik de hoop niet opgeef…Hoop is niet onzinnig want hoop doet le-ven. Hoop opent de oren van het hart voor Gods stem die ons aan-moedigt om het niet op te geven, die ons uitnodigt om naast en na-mens God herder te zijn. Niet omdat wij meer of beter zijn maar om-dat wij zijn als onze naasten. Als we blijven hopen dan is er altijd weer een nieuw begin mogelijk. Misschien niet altijd voor ons per-soonlijk maar wel voor hen na ons die op onze schouders durven te gaan staan omdat wij de hoop niet hebben opgegeven. Dat het zo mag zijn.