PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2010 (C)


3de zondag door het jaar: Nehemia 8,2-10; Lucas 1,1-4+4,14-21 24 januari 2010, Ernst Marijnissen OP

Lukas, uit wiens evangelie ik u zojuist heb voorgelezen, heeft Jezus waarschijnlijk niet persoonlijk gekend. Daarom heeft hij eerst alles wat in zijn tijd over Jezus is verkondigd grondig en nauwkeurig onderzocht. Hij wil een getuigenis afleggen, vooral voor mensen, die net als hij en wij Jezus niet persoonlijk hebben gekend. Mensen, die vaak niet zo thuis zijn in de eerbiedwaardige geschiedenis van het bijbelse Israël. Hij schrijft voor een breed publiek. Dat publiek vat hij samen in één naam: Theophilus. Deze naam betekent vertaald door God bemind. Hij schrijft dus aan ieder van u en aan mij als iemand, die door God wordt bemind. Ieder van ons is een Theophilus! Door ons aldus aan te spreken verraadt hij al iets van de inhoud van de blijde boodschap over Jezus: deze is voor alle mensen bestemd, want God heeft ons allen lief. De inhoud van het evangelie zal ons dus tot zegen en bevrijding strekken.
Lukas tekent Jezus van Nazaret als een Joodse man, die is groot gebracht volgens de Joodse tradities en gewoonten. Hij was besneden, vierde de Joodse feestdagen en ging op de sabbat naar de synagoge. Uit zijn onderricht aan de mensen blijkt dat hij een kenner is van de Tora, de Wet van Mozes. Hij was ook trouw aan die Wet, maar raakte desondanks in conflict met de kerkelijke overheid van die dagen. Hij beleefde de Tora namelijk zo van binnenuit dat hij heeft begrepen én geleerd dat de Wet geen dode letter is, maar een bron van voortdurende inspiratie voor ons dagelijks leven. Schriftgeleerden, Farizeeën en hoge kerkelijke leiders begrepen niets van zijn omgaan met de sabbat. Ze begrepen ook niet waarom de schare, de bijbelse aanduiding voor gewone mannen en vrouwen, wel naar hem luisterde, maar zich verder voelde als een kudde zonder herder. Zijn manier van doen op de sabbat is een prachtig voorbeeld geworden hoe je de dode letter van de Wet tot leven brengt. Je begrijpt dan ook aanstonds waarom die Wet voor ons, óók voor ons in deze tijd, zo belangrijk is. De Tora, de gids en richtingwijzer, welke God ons meegeeft, is niet een boek, dat weinige mensen eerst moeten bestuderen om het daarna aan veel mensen uit te leggen, die zich dan vervolgens in gehoorzaamheid aan die uitleg onderwerpen. Dan wordt de levende bron vervangen door leidingwater. Je hoeft niet zelf meer te putten maar slechts de kraan open te draaien. Geen wonder dat mensen daar eens genoeg van krijgen en wat anders gaan zoeken. In navolging van Jezus lees je de bijbel niet als een boek, en doet het dicht en zet het weg als je het uit hebt. Je hébt de bijbel nooit uit omdat alles wat geschreven staat steeds opnieuw geboren wordt. De bijbel is geen boek maar een bron.
De lezingen van deze zondag laten dat zien. We hoorden in de eerste lezing hoe Nehemia het volk bijeenroept. De Joden zijn juist teruggekeerd uit de grote ballingschap, uit het land van Babel. Ze hebben hun tempel, hun heiligdom, weer nieuw opgebouwd. Het verhaal, dat we hebben gehoord, moeten we verstaan als één grote liturgie. Heel het volk is samengestroomd op het plein voor de Waterpoort. Natuurlijk bestaat er geen plein ter wereld waar een heel volk tegelijk op kan, maar in het verhaal kan het wel. Het moet zelfs. Het is niet zo maar een plein, maar een plein voor de Waterpoort. Want wat komen gaat, gaat over een bron, een bad, een douche, het gaat over nieuw leven en opgericht worden. In 

deze grootse liturgie wordt de Tora voorgelezen. Niemandheeft de tekst in zijn handen maar allen horen toe, met alle energie en volharding, die nodig is. De woorden, die klinken, moeten tot leven komen in het hart van de mensen en niet stollen tot letters in een boek. De mensen horen, de oren wijd open en gespitst. De Tora galmt over het plein voor de Waterpoort en wordt zo uitgestort over allen die toehoren. Levend water! Allen die daar staan en soms diep buigen zijn net als wij: kapelgangers! Ze zijn ontroerd, want geraakt door de zuiverheid van het gebeuren, de warmte van de teksten en de onderlinge saamhorigheid. En we roepen: Amen. Amen!

Ook Jezus treffen we aan in de liturgie. Hij is op sabbat naar de synagoge opgegaan. Dat was zijn gewoonte. Als het moment gekomen is wordt hem de boekrol gegeven en leest hij de tekst van de profeet Jesaja, welke het keurmerk voor de Messias, de Gezalfde van God, is geworden: de Geest des Heren is over mij, want hij heeft mij gezalfd. Deze zalving heeft een inhoud, een opdracht, en luidt: ik ben gezalfd om goede tijding aan te kondigen aan armen, hij heeft mij uitgezonden om vrijlating te prediken aan gevangenen en een nieuw gezicht aan blinden,– om verdrukten uit te zenden in vrijlating, om te prediken een welkom jaar des Heren!’.

De woorden van Jesaja zijn een kernachtige samenvatting van de Tora, welke alleen wordt overtroffen door een andere uitspraak: heb God lief en de naaste, die is zoals jijzelf bent. Want jij, mijn broeder of zuster, bent een Theophilus, een door God beminde. Jezus sluit de boekrol. Het wordt stil. De ogen van allen richten zich op de man in het spreekgestoelte. De spanning ligt als gesmolten lood over de aanwezigen. Want de boodschap van Jesaja is allen bekend en allen zien uit naar de verwezelijking ervan. Dan zegt Jezus: heden is dit schriftwoord voor uw oren in vervulling gegaan! Wat een uitspraak! Jezus zegt niet: heden is dit schriftwoord in vervulling gegaan. Neen, hij zegt: het is voor uw oren (!) in vervulling gegaan. Hoort Israël. Hoort, jullie mannen en vrouwen op het plein voor de Waterpoort. Hoort jullie, in de synagoge. Hoort jullie mensen hier in deze kapel.. Want daarmee begint het steeds weer. Wat we nu horen is onze diepste wens. Het rust op de bodem van onze ziel, soms zelfs zonder dat we eraan denken of bij stil staan. Dat verlangen moet altijd weer tot leven worden gebracht. Altijd weer ‘opstanding’, opstaan! Daartoe is Jezus van Nazaret tot ons gekomen. Daartoe buigt God zich over onze wereld. Daartoe zijn ook wij geroepen: om anderen tot opstaan te bewegen. Om zelf door anderen tot opstaan bewogen te worden. Wie daarvoor zijn oren opent zal de woorden als water drinken:

om goede tijding aan te kondigen aan armen,
om vrijlating te prediken aan gevangenen
en aan blinden nieuw gezicht,
om verdrukten uit te zenden in vrijlating,.
Dan worden wij gezalfd met heilige geest.

4de zondag door het jaar: Jeremia 1,4-19; Lucas 4,21-30
31 januari 2010, Antoon Boks OP

De taak van een profeet is niet gemakkelijk. Jeremia zal zich tegen zijn eigen volk moeten keren: tegen de koningen, priesters en het volk van Juda. Als hij er niet onder door wil gaan, dan moet hij vertrouwen op God die hem heeft geroepen voor deze opdracht.
In de lezing van het Evangelie stappen we binnen in een gesprek tussen Jezus en het volk, dat God looft in de synagoge van Nazaret. Tegen het einde van het gesprek staan de mensen klaar om Jezus te doden. Hij heeft hen net verteld, dat hij gezalfd is door de geest van God. Hij gebruikte woorden van de profeet Jesaja om zijn zending te beschrijven en vertelt hen dat hij is gekomen om het goede nieuws te verkondigen aan de armen, vrijheid voor gevangenen, genezing van de blinden en vrijheid voor de onderdrukten. En nadat hij dit gezegd heeft kondigde hij aan: Vandaag is dit Schriftwoord vervuld.
Als we er bij waren geweest, dan hadden we de mensen kunnen horen zuchten van opluchting. Nu horen ze, dat God zal komen om hen vrij te maken; eindelijk dachten ze, God zal overwinnen en hun vijanden straffen. Ze hebben een lange lijst van gerechtvaardigde grieven tegen hun vele onderdrukkers. God was hun enige en laatste redmiddel voor hulp. Aangezien zij het uitverkoren volk waren, verwachtten ze dat God eindelijk beslissend voor hen zou kiezen. Want: alle vijanden van Gods uitverkoren volk zijn ook de vijanden van God! Die vijanden verdienden toch straf? Is dat niet de manier waarop de logica werkt?
Maar als ze goed hadden geluisterd dan hadden ze gehoord dat Jezus in zijn lezing van Jesaja een zinnetje heeft weggelaten, een zinnetje dat ze wilden horen van iemand van wie ze dachten, dat hij hen zou helpen om de boeien van hun onderdrukkers te verbreken. Wat Jezus niet aanhaalde was de afsluiting van een verwijzing naar de dag van de wraak van de Heer om alle treurende mensen te troosten. Jezus belooft geen wraak van God. Evenmin kunnen zij beweren, zo vertelt Jezus hen, dat ze speciale voorrechten hebben alleen vanwege hun geboorte. Hij illustreert dit laatste punt door de woorden en daden van twee van hun meest gerenommeerde profeten: Elia en Elisa. Jezus herinnert hen aan de heidense weduwe van Sarepta die werd geholpen door de profeet Elia tijdens een hongersnood. Tot overmaat van ramp zinspeelt Jezus ook op een andere heiden, de legeraanvoerder Naäman, een militaire leider van de natie die Israel tot slaaf maakte. Jezus wijst zijn toehoorders er op dat deze heiden, een vijand, werd genezen door de profeet Elisa! Zo herinnert Jezus de mensen er aan dat God van 

alle mensen houdt. Het uitverkoren volk zou een profetisch teken voor de wereld moeten worden van Gods liefde - zelfs voor hun vijanden. Maar de lieve mensen in de synagoge hebben die dag de boodschap gemist.
Wat had de weduwe gedaan om de gunst van God te verdienen? Niets! Wat had Naäman gedaan om door God genezen te worden van zijn melaatsheid? Niets! De boodschap van Jezus gaat over een God die ook buitenstaanders liefheeft. Jezus prijst zelfs heidenen die open staan voor Gods hulp. Geboorterecht en voorrechten hadden daar niets mee te maken. Jezus spreekt tot mensen in een synagoge, religieuze mensen net zoals wij. Hij nodigt hen en ons uit om Gods allesomvattende liefde te erkennen en te vieren, niet die te bekritiseren.
De mensen in de synagoge hadden gedacht aan een speciale behandeling, want ze vragen zich af: “Is dit niet de zoon van Jozef?” Lucas zegt dat ze eigenlijk wel wat in hem zagen en ze waren verbaasd over de woorden, die uit zijn mond kwamen. Omdat hij een van hen was vonden ze dat ze wel konden hopen op een aandeel in zijn heerlijkheid voor hen als zijn buren en stadgenoten. Moesten zij niet als eersten de zegeningen ontvangen die God had beloofd aan Israël? Als hij dan mensen komt genezen, moeten zij dan niet de eersten zijn om dat mee te maken?
Een verontrustend aspect van het evangelie van vandaag is dat de mensen die bereid waren Jezus van de top van de heuvel te gooien religieuze mensen waren. Ze hielden de sabbat. We komen dan wel aan een moeilijke vraag: hoe kunnen we weigeren om, hoe subtiel ook, te leven volgens het evangelie dat wij belijden? Ik hoop dat we ons niet zien als bijzondere en bevoorrechte mensen, die op de een of andere manier God waardig zijn alleen omdat we soms mensen tegen komen, die vervelend tegen ons zijn. Wij krijgen van God de genade van een onbaatzuchtige liefde. Op welke manier proberen wij die genade te delen met buitenstaanders, zelfs als die ons een beetje vervelen? In termen van Bijbelse beelden van vandaag: wie is de weduwe van Sarepta of de vreemdeling en de melaatse Naäman, waar wij van moeten houden, ook al denken en doen ze niet zoals wij?
Tegelijkertijd zijn we net als Jeremia vanaf ons doopsel door God gevormd om profetische mensen te zijn. We kunnen natuurlijk ons verstoppen voor God en de zending die we gekregen hebben. Toch stuurt God ons op weg om onze mond open te doen elke keer als we onrechtvaardigheid van welke soort dan ook ontmoeten. Amen

5de zondag door het jaar: Jesaja 6,1-8; Lucas 5,1-11
7 februari 2010, Theo Koster OP

Twee roepingverhalen hoorden we. Zij verleiden je tot de vraag: ben ik geroepen? Voel ik mij geroepen? Wellicht is deze vraag te direct, maar zo gek is het niet om jezelf deze vraag te stellen: we zitten hier immers niet omdat dit hoort of moet, maar omdat we dit zelf willen, en ons willen is mede gevormd op basis van de verhalen die we hier horen.
Vooraf aan de roeping gaat een overweldigende ervaring die met God van doen heeft. Jesaja zegt het heel direct: ik heb de Heer gezien. In feite zag hij niet meer dan zijn sleep, maar toch. Het evangelie is minder direct. We hoorden dat de mensen op Jezus aandrongen om het woord Gods te horen.
Hebben wij in ons leven wel eens iets van God gemerkt; we geloven immers in God? Deze vraag brengt mij, ik spreek maar voor mijzelf, in verlegenheid. Natuurlijk geloof ik in God anders zou ik hier niet zijn, alhoewel: het elkaar hier ontmoeten is ook alleszins de moeite waard. Anderzijds is het niet gemakkelijk aan anderen te vertellen wat ik van God merk in mijn leven. En dan ben ik op dit punt nog bevoorrecht, omdat ik regelmatig over mijn geloven in God bevraagd wordt door jongeren, en deze laten zich terecht niet met een kluitje in het riet sturen. De vraag naar wat je merkt van God in je leven vinden vele mensen lastig. Toch kunnen we niet om deze vraag heen; we laten hem nog even liggen.
De overweldigende ervaring, verbeeld in serafs, schuddende drempels en rook in het eerste verhaal, in de enorme vangst van vissen in het tweede verhaal, roept een schrikreactie op: “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen”, zegt Jesaja. “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens”, horen we Petrus zeggen. Beiden voelen zich nietig, machteloos, zondig. De ervaring van volledig op jezelf teruggeworpen worden, je kleinheid ervaren, je kwetsbaarheid, is velen van ons vertrouwd; hierover hoor ik regelmatig mensen praten. Bijvoorbeeld als zij net moeder of vader zijn geworden, ernstig ziek zijn en de dood in de ogen zien, een zonsondergang ervaren, of natuurgeweld zoals onlangs in Haïti, geprezen worden bij een jubileum, of als de grond onder je voeten wegzakt of je in de grond zou willen verdwijnen. Zo’n crisiservaring, zo’n zelfconfrontatie kan je de ogen openen voor wie je ten diepste bent: voor de kwetsbaarheid van én het wonder dat je bestaat. Het kan je de ogen openen voor de nabijheid van God.
Vanzelf gaat dit niet. Daarmee doel ik niet op de crisiservaring; die hoef je niet op te zoeken. Ervaringen van crisis komen vanzelf af op wie voluit leeft; zij overkomen je, zij overvallen je. Velen hier hebben dit meegemaakt, en ben je nog jong dan zeg ik je: ze komen vanzelf. Maar deze ervaring van crisis toelaten, er tijd voor nemen, ze verwerken kost ons moeite. De huidige samenleving zit vol prikkels, afleiding, biedt ons volop mogelijkheden om voor jezelf op de loop te gaan. Als je moeder,

vader wordt, getroffen wordt door een zonsondergang, of als je zo zwaar wordt geraakt dat je niet weg kunt lopen voor de crisis waarin je zit, valt de te nemen moeite wel mee. In andere situaties kunnen de verhalen die wij hoorden ons helpen, helpen om tijd te nemen voor verwerking, moeite te doen om wat je overkomt te bevragen. Deze verhalen ervaar ik als een bemoediging om niet te vluchten, bij de pakken neer te zitten, maar de eigen crisiservaring te bevragen op de aanwezigheid van God.
In het evangelie is het Jezus die de schrik die tussen hem en Simon staat wegneemt, bij Jesaja is het een engel die hem uit zijn onmacht haalt. Beide verhalen maken duidelijk, dat voor God onze onmacht, ons falen, onze nietigheid geen onoverkomelijke hindernis zijn, integendeel: juist dan is God dichterbij dan je denkt. Wie is deze God?
Jesaja duidt in zijn boek op vele plaatsen, ook in dit verhaal God aan met heilig. Met heiligheid drukt Jesaja op de eerste plaats uit dat God totaal anders is dan wij mensen. God is geen verlengstuk van ons denken; God kom je niet op het spoor met je hersens, met de bekende waaromvragen. Op de tweede plaats, daaraan gelijk, drukt Jesaja met heiligheid het nabij zijn van God uit. God ervaar je, God ontmoet je in en door onze ervaringen heen als een loutering. Prachtig wordt deze ervaring verwoord in het beeld van de gloeiende kool, die de zonden van Jesaja doet verdwijnen, de misstappen vergeven. In het evangelie wordt de heiligheid van God, Gods anders en nabij zijn voelbaar en zichtbaar in de mens Jezus, die zegt: voortaan zul je mensen vangen. Dat brengt ons van de ervaring van God naar het doen van God, de roeping van Simon, van Jesaja, van ieder van ons.
Zee is in de bijbel vaak het beeld van een verzamelplaats van kwade machten, chaos; ook wij kennen de uitdrukking ‘zee van moeilijkheden’. God laat ons niet over aan deze machten, wil dat wij leven, niet onze dood; vandaar dat prachtige beeld van ‘mensen vangen’. Wie deze God ontmoet, God ontdekt in zijn of haar leven -weet wel: crisis is vaak de deur naar deze God- wie zich vervolgens op deze God verlaat, zich aan God toevertrouwt, kan nauwelijks nog anders dan zelf een redder van mensen worden. Bij Jesaja hoorden we dit spontaan gebeuren. Als Jesaja hoort: “wie moet ik zenden?” is zijn reactie: “Hier ben ik, zend mij!” Jesaja wordt zelf verlengstuk van deze God, die zo anders is dan mensen en tegelijk mensen zo nabij is. Getuigen van deze God is waar je ook bent er zelf zijn voor mensen.
Getuigen van deze God is deze God doen, zoals Jezus dat deed. Hier ben ik; ik doe jou recht. Omdat je dit verdient? Dat weet ik niet, dat interesseert me niet… ik kan niet anders. Zo wordt de roeping van de ene mens een zegen voor de ander. God bewandelt verrassende wegen om mensen nabij te zijn.

6e zondag door het jaar: Jeremia 17,5-8; Lucas 6,12-26
14 februari 2010: Paul Minke OP

Ik hoor wel eens verhalen over wat er zich onder kapelgangers afspeelt. Hoezeer zij elkaar zeer nabij zijn, het lief en leed van elkaar ter harte gaan. Hoe mensen worden geholpen, bemoedigd, getroost, gesteund in hun nood. Hoe geduldig naar elkaar wordt geluisterd met een vanzelfsprekendheid, meelevend en liefdevol, en hoe vriend en vreemdeling verwelkomd worden. En wij, als communiteit, mogen ook voortdurend blij ervaren, dat u ons leven, onze toekomst, onze hoop en geloven met ons deelt. Wanneer je dat overweegt en goed tot je door laat dringen besef je, hoe rijk je bent te mogen leven en verkeren in een gemeenschap van mensen, waarbinnen je opgenomen weet, je ademen mag, thuis komen mag. Wat je beleeft en ervaart is een glimp van het Rijk Gods, vrede en warmte.
Het is deze ervaring, die mij helpt de beide lezingen van vandaag te verstaan. Na een nacht in gebed doorgebracht te hebben riep Jezus zijn leerlingen en onder hen koos hij er twaalf uit, die hij ook apostelen noemde, gezondenen. Twaalf, naar de twaalf stammen van Israel, het gehele uitverkoren volk, het prille begin van de gemeenschap, dat eens alle mensen zal omvatten, het zaad, klein als het mosterdzaadje, dat zal uitgroeien tot een boom, de bron, waaruit het Rijk Gods ontspringen zal tot heil van de wereld. Met hen, zo hoorden wij, daalde Jezus af naar een vlak terrein. Daar waren zijn leerlingen, in grote getale, en een grote volksmenigte. Dan neemt Jezus het woord en spreekt zijn zaligsprekingen en wee-roepen uit. Eigenlijk verbijsterende woorden, die je zelf niet in de mond durft te nemen als je staat tegenover een arme, iemand, die je niet kent noch hij jou kent. Zeg dan maar eens: “Zalig jij die arm bent, want aan jou behoort het rijk Gods.” Of tegen een onbekende die aan je deur klopt en om brood vraagt. Zeg je dan: “Zalig jij, die nu honger lijdt, want je zult verzadigd worden”? Dat gaat niet. Terecht gaat het niet. Jezus’ woorden geven je niet het alibi om niets te doen t.a.v. de ander. En anderzijds: lijden, armoede, honger, verdriet, al dat leed op zich is geen paspoort voor de hemel, niet de enige weg naar de zaligheid. En de hemel hiernamaals is geen beloning voor al het hiernumaalse lijden. God wil geen aards tranendal ‘nu’ en een hemels paradijs ‘straks’. Jezus brengt ons precies het Rijk Gods ‘nu’. Nu is nabij Bij het uitspreken van de zaligsprekingen keek Jezus zijn leerlingen aan, zo staat er, mensen geroepen tot elkaar. Zo hoor ik Jezus hen zeggen: Zo ‘zalig’ is het in het Rijk Gods, in een wereld omgekeerd waar plaats is voor vreugde, liefde, broeder- en zusterschap, vrede en gerechtigheid; in 

een gemeenschap van mensen, die elkaar dragen en dienen, elkaars lief en leed  kennen, oog hebben voor elkaars geluk en welzijn. Ja, dan kun je zeggen: Wat een geluk, jij die huilt of het moeilijk hebt, jij, dat je je omringd weet door mensen, die je zeer genegen zijn, naar je omzien, je zult lachen door je tranen heen. Zo vergaat het mensen in het Rijk Gods, of je nu arm bent of rijk, gezond of ziek, of je nu huilt of lacht. Zo vergaat het overal, waar, zoals de Handelingen van de apostelen verhalen, waar gelovigen één van hart en ziel zijn en waar niemand iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel alles stond ter beschikking van de gemeenschap.
Maar wee u, rijken, wee u die nu verzadigd zijt, wee u die nu lacht. Veroordeelt Jezus het hebben van bezit, het verzadigd zijn en het lachen? Nee. Hij roept zijn wee uit over mensen, die zich niet storen aan anderen, mensen die zich verrijken ten koste van anderen, alleen zichzelf zien, bindingen schuwen, van waaruit een beroep op hen gedaan zou kunnen worden, mensen, die hun eigen onafhankelijkheid koesteren en zeker stellen, mensen die niet dromen van een wereld omgekeerd, van breken en delen. Zij jagen een schijngeluk na en zullen geen vrede vinden in zichzelf omdat zij niet hebben willen zien waar het in het leven echt op aan komt. Zij zijn een kale struik in de steppe; hij staat in dorre woestijngrond, on-vruchtbaar, woorden, ontleend aan de eerste lezing van de profeet Jeremia.
Hoezeer een mens ook een individu is, heeft hij toch een gemeenschap nodig. Wie alleen voor zichzelf leeft, verwijdert zich van de anderen en vervreemdt. Wie op-groeit in een geloofsgemeenschap is als een boom, die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water, om het beeld van Jeremia te gebruiken. Hij heeft geen last van de hitte en droogte deert hem niet. Hij weet op wie hij terug kan val-len in tijden van nood en beproeving. Gods zorg komt aan het licht. Hij weet zich opgenomen in zijn geborgenheid. Hij verkommert niet als een kale struik in een dorre vlakte. Het is een zaligheid te mogen leven in een gemeenschap van geloofsmensen, die je vertrouwd maken met een God van liefde, met een niet aflatend geloof in de bescherming van God; die in hoop je aandacht richten op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij weet dat hij mag zijn zoals hij is. Dat hij mag hunkeren en mag wenen, zonder dat het hem als een zwakheid wordt aangerekend. Hij weet dat hij mag vragen om brood zonder zich vernederd te voelen. Hij weet, dat hij mag leven met een perspectief die de wereld niet geven kan. Amen.

Drievuldigheidszondag: Spreuken 8,22-31; Johannes 16,12-15
30 mei 2010, Paul Minke OP

"Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God wij willen U zien. Geef ons vandaag een teken van uw liefde." Zo zingen wij vaak de psalmist na, een lied van zo'n 2500 jaar geleden. Een heel andere tijd, vanuit 'n andere cultuur, 'n andere denkwereld, maar toch, voor ons is de vraag niet minder actueel, niet minder herkenbaar. Hoe is uw naam? Toen God aan Mozes verscheen in de woestijn en hem opdracht gaf het Volk te bevrijden uit het slavenhuis Egypte vroeg Mozes: “Als zij mij vragen Hoe is zijn naam? Wat moet ik dan antwoorden?” En God antwoordde: “Ik ben die is.” Als iemand of iets geen naam heeft, is het alsof hij/zij of het niet bestaat. Zo ook, als ik van de ander niet alleen geen naam heb maar ook geen beeld.
Wie is God? Wat is God? Heb ik wel 'n beeld van Hem? Of meer beelden? Wie zich een beetje verdiept in de geschiedenis van het oude Godsvolk ontdekt al gauw, dat er niet één beeld van God te vinden is, maar vele naargelang de omstandigheden waarin het volk leefde. In tijden van onderdrukking zag men in God vooral de Bevrijder; in tijden van welvaart in het bijzonder als de Schenker van alle goeds; wat later toen de wereld groter werd dan het eigen land Israël werd God meer ervaren als de Schepper van hemel en aarde. Je komt beelden van God tegen als de Herder van zijn volk, als Beschermer van weduwen en wezen, als Drager van het leven.
Er bestaat niet één beeld van God. Ook voor ons zelf niet. Ook wij hebben veel beelden of voorstellingen van God, mede gekleurd door wat wij in ons leven meemaken of doormaken. Voor wie gelooft in een persoonlijke God, speelt Hij een rol in z'n leven, in zijn goede en kwade dagen, in ziekte en gezondheid, in armoede en rijkdom, telkens wanneer wij op deze levensterreinen op levensvragen stoten. Wij roepen Hem ter verantwoording: Waarom moet mij dit overkomen? We kunnen vaak gebeurtenissen niet rijmen met zijn almacht en zijn goedheid Wij smeken in onze nood Hem om hulp: Gij toch zijt een liefdevolle God! Soms wijzen wij Hem af: Zoals Gij nu doet, wil ik U niet langer kennen. Soms voelen wij ons geroepen Hem te danken: God is 'n God die hoort.
Vandaag op Drievuldigheidszondag vraag ik me af of niet in onze godsbeelden drie hoofdlijnen zijn aan te geven.
- Wij hebben een beeld van God, die schept, leidt, bestuurt, bevrijdt. Wij voelen ons gedragen door God, ons ook afhankelijk van Hem. Wij vestigen onze hoop op Hem, stellen vertrouwen in Hem, dat Hij in ons leven alles ten goede leidt, zelfs onze dood.
- Wij hebben een beeld van God, die ons oproept, ons uitdaagt, zendt, een God, die ons onderricht om 't goede te doen en 't kwade te laten, een God, die op óns rekent als geweld moet worden gekeerd, onrecht moet worden hersteld, armoede moet worden bestreden; een God, die ons tot zijn bondgenoten kiest, tot zijn 

 medewerkers bij het herscheppen van deze aarde tot een nieuwe hemel en aarde.
- En wij hebben een beeld van God, die ons bezielt en inspireert, die ons geestkracht geeft om onze taak in de wereld te vervullen; die ons bemoedigt waar wij - ontmoedigd - dreigen op te geven; die ons opnieuw vurig maakt, waar onverschilligheid binnensluipt; die ons troost, waar inzet en toewijding geen erkenning krijgen.
Drie hoofdlijnen, die wij, geïnspireerd door het Nieuwe Testament, door de wijze waarop Jezus en de apostelen over God spraken, die wij mogen benoemen met namen of beelden als:
- De Vader, schepper van hemel en aarde, oorsprong van al wat leeft; een Vader bij wie wij ons geborgen en veilig mogen weten, die over ons waakt, vergeeft, heiligt. Een staf en stut in ons leven.
- De Zoon, Gods woord, onder ons mens geworden; in wie Gods menslievendheid is verschenen, een rechtvaardige, die, zoals Hij zei: weg, waarheid en leven is, een gids voor ons leven.
- De Geest, vuur van het begin, wind die ons aanblaast, ons begeestert, dynamische kracht, die ons uittilt boven onze zwakheid en onmoed, die ons in herinnering brengt al wat Jezus ons heeft toevertrouwd. Tussen deze drie hoofdlijnen, namen bewegen onze Godsbeelden.
Eén God: Eén in drie personen, zo vatten de kerkvaders een paar eeuwen later onze beelden samen, een zegswijze, die berust op onze ervaringen in omgang met God en het verstaan van de Schriften.
Wij maken het ons bewust op deze Drievuldigheidszondag: om beter te gaan verstaan, wie God in ons leven is, mag zijn wellicht; ook, om beter te verstaan, hoezeer God verweven is met ons bestaan: met onze hoop en teleurstellingen, met onze vreugde en verdriet, met ons verleden, niet alleen het eigen verleden maar ook die van de kerk met onze toekomst, met die van mij en u, met ons leven en onze dood. Hoe prachtig heeft de dichter van psalm 139 dit verwoord: “Heer, Gij doorgrondt en Gij kent mij, Gij weet van mijn zitten en opstaan, Gij verstaat mijn gedachten van verre; mijn op weg zijn keurt ge, mijn rusten, al mijn wegen zijn U vertrouwd.”
Het feest van de H. Drievuldigheid volgt na Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Als we van harte alles hebben gevierd wat de Schrift ons vertelt over het handelen van God-Vader, Jezus Christus en de heilige Geest kan de zondag volgen om stil te staan bij 't geheim van de levende God, een God die niet in één beeld te vangen is noch in hoeveel beelden ook, een God even ondoorgrondelijk als ons nabij in al ons lief en leed. Moge het ons gegeven zijn vandaag een glimp van Hem te zien en dat Hij deze viering make tot een teken van zijn liefde voor ons allen. Amen.

Sacramentsdag: Genesis 14,18-20; Lucas 9,11b-17
6 juni 2010, Ernst Marijnissen OP

Sacramentsdag is een vreemd feest, maar ook een typisch volksfeest. In dat opzicht heeft Paus Urbanus IV in 1264 deze dag terecht tot een universele feestdag voor heel de kerk uitgeroepen. Tot op dat ogenblik werd sacramentsdag al enige tijd gevierd in het bisdom Luik en op nog een paar andere plaatsen in Europa. Sacramentsdag slaat maar op één enkel sacrament, dat we ook wel aanduiden als het allerheiligst sacrament das altaars. Daar steekt een hele wereld van redeneringen achter, maar we bedoelen vooral te zeggen, dat Jezus tijdens het avondmaal op Witte Donderdag de heilige eucharistie heeft ingesteld, waarbij brood en wijn worden veranderd in zijn lichaam en bloed. Je hoort in deze manier van spreken uitsluitend kerktaal. De bijbelse taal is praktisch geheel achterwege gebleven. Als je er eenmaal zo mee bezig bent is het niet meer zo’n lange weg naar de monstrans en een uitgestelde hostie tijdens het lof, het rondgedragen van de hostie tijdens de sacramentsprocessie. De Umdracht, zeggen we hier in Huissen! Ja, een vreemde zaak. Als we het volkse karakter van sacramentsdag even vergeten moeten we vaststellen dat dit feest een verdubbeling van Witte Donderdag is. En ik voeg daaraan toe: een duidelijke verarming. We zijn wel een eind uit de buurt van wat er op Witte Donderdag gebeurt en wat wij ervan moeten leren en in praktijk brengen. Neem nu eens de eerste lezing. Daar wordt verteld hoe Melchisedek brood en wijn offert. Melchisedek betekent koning van gerechtigheid. Wij vinden hem terug in de verhalencyclus rond Abraham. Tijdens een moeilijke periode in het leven van de aartsvader, als hij wel ouder maar geen vader wordt en daarover zijn beklag bij God doet, want zo heeft hij immers geen toekomst, bestrijdt hij wél het onrecht om hem heen. Van de buit, die deze strijd ter wille van de gerechtigheid hem oplevert, schenkt Abraham een tiende deel aan Melchisedek. Hij doet dat nadat deze hem bij zijn terugkeer brood en wijn heeft aangeboden. De symboliek van dit korte verhaal is dat Abraham begrijpt dat zijn overwinning op het onrecht hem door de Levende wordt geschonken. Als we terugdenken aan het laatste avondmaal blijkt deze symboliek opnieuw en veel indringender. Jezus vier met zijn leerlingen het joodse paasfeest. Hij gedenkt met de zijnen de uittocht uit het angstland Egypte en de bevrijding uit onderdrukking en slavernij. Het is het feestelijke herdenken van recht op vrijheid. Terwijl zijn tegenstanders hem willen doden omdat hij juist de kleine en kwetsbare mensen wil vrij maken van de loodzware lasten, die de tempel met zijn priesters en schriftgeleerden opleggen, reikt Jezus zijn leerlingen brood en wijn aan. Hij weet dat zijn dood voor de deur staat omdat hij is opgekomen voor recht en vrijheid. Van ons, zijn leerlingen en vrienden, vraagt hij hetzelfde. Als we de betekenis en de bedoeling van Jezus’ spreken en doen bij het laatste avondmaal willen begrijpen is het voldoende de evangelies zelf te raadplegen. Vandaag hebben we gehoord over het teken van de broodvermenigvuldiging, zoals Lucas het heeft opgetekend. Het komt er wel op aan dat we de beelden, welke Lucas gebruikt, verstaan. Vijfduizend mensen bevinden zich met Jezus en de leerlingen op een eenzame plaats. De plaats is dus niet eenzaam door gebrek aan mensen. Welke eenzaamheid is dan bedoeld? Ik denk aan het gebrek binnen onze samenleving aan saamhorigheid, rechtvaardigheid, duurzame vrede. Rondom ons zijn we getuigen van ontelbare hongerlijders, omdat we niet eerlijk omgaan met het voedsel dat 

voorradig is. Er zijn veel arme mensen, omdat de rijken steeds meer hebben te besteden en de minima beroofd worden van het weinige dat ze hebben. De wereld verschraalt tot een door economische wetten en technische hoogstandjes gestuurde samenleving. Het leven wordt beheerst door statistieken, prognoses, cijfers, marktwerking en pasjes. Terwijl de wereldbevolking toeneemt groeit ook het aantal mensen, die zich eenzaam en verlaten voelen en weg vluchten in vele vormen van verslaving. Jezus roept zijn leerlingen, en daar horen ook wij toe, bij zich en zegt: geef ze te eten. En dan begrijp je aanstonds dat hij het niet alleen over brood en wijn heeft, maar over het recht op je dagelijks brood, een veilige plek om te wonen en te slapen, menswaardige arbeid, zorg en hulp als je ziek of oud bent geworden. En in deze tijd beginnen we ook in te zien dat hij het heeft over een zorgvuldig omgaan met ons natuurlijk milieu, met plant en dier. Jezus ziet ons aan en zegt: doe er wat aan! En wij staan met neergeslagen ogen en stamelen: tegen zo veel onrecht is toch geen kruit gewassen! Als je op de ene plaats vrede brengt beginnen ze op een andere plek autobommen tot ontploffing te brengen op plaatsen waar veel vrouwen en kinderen zijn. Je hoort dat in de opmerking: we hebben wel vijf broden en twee vissen, maar dat is toch niets voor zoveel mensen! Het evangelie zegt niet dat Jezus toen zijn schouders ophaalde, maar hij neemt wel zelf het initiatief en zegt: laat de mensen gaan zitten in groepen van vijftig. Hij deelt de grote menigte van vijfduizend op in kleine en overzichtelijke groepen van vijftig mannen en vrouwen. In dit verband is het getal vijftig interessant. Dat is gelijk aan vijf maal tien. Vijf wijst naar de vijf boeken van Mozes of de Tora,. De wet, de weg en de levenswijsheid van God. Richtingwijzer in ons leven. Alsof Jezus zegt: neem het woord van God serieus, spreek er samen over en vraag je af wat je samen moet en kunt doen. Tien wijst op de weldaden van God. Denk maar aan de tien geboden, of goede woorden van God. Als je in de geest van de wet elkaar vasthoudt en zorgvuldig te werk gaat worden de heilsdaden van een liefdevolle en bevrijdende God zichtbaar in onze wereld. Wat Jezus doet lijkt me een beter pastoraal beleid dan wat we in onze tijd zien gebeuren: steeds grotere pastorale eenheden en minder mensen om leiding te geven bij het verstaan en het in praktijk brengen van het spreken van de Levende. Het gebruik van het woord ‘eenheid’ klinkt in dit verband bijna potsierlijk. Lucas vermeldt uitdrukkelijk dat Jezus omhoog zag naar de hemel voordat hij het brood brak en zegende. Evenals bij het manna in de woestijn, dat van bovenaf in het kamp van de Israëlieten neerdaalde en er genoeg was voor iedereen, zó dient ook ons bijeenzijn en het breken en delen onder de weldoende zegen van de Levende plaats te vinden. Dan zal er, zoals Lucas vertelt, voor allen voldoende zijn en blijven er na afloop nog twaalf korven met eten over. God sluit niemand uit. Het teken van het broodwonder hebben we nodig om het spreken en doen van Jezus tijdens het laatste avondmaal te verstaan. We mogen best spreken van het sacrament des altaars, maar dan wel in de zin van ‘sacrament van het leven’. Jezus is sprekend God. Hij is daarom het woord van God. Dat woord zullen we tot ons nemen, ons ter harte nemen, het breken en delen met elkaar. Daarom heeft Jezus gezegd: doet dit steeds opnieuw tot mijn gedachtenis. Met dit woord gaan we samen op weg. Zijn we in processie. Met het woord in ons hart als een levende bron van inspiratie.

11e zondag door het jaar: 2Samuel 12,7-13; Lucas 7,36-50
13 juni 2010, Henk Jongerius OP

In de landen van het Oosten is de gastvrijheid een van de belangrijkste gegevens in de omgang van mensen met elkaar. Ik heb dat ook tijdens mijn vakantie in Griekenland weer mogen ervaren. Ook in de Bijbelse verhalen horen wij daar veelvuldig over verteld. Denk aan het bezoek dat Abraham ontvangt van de drie mannen die hem uiteindelijk een zoon in het vooruitzicht stellen. In de werkelijke gastvrijheid van mensen speelt gelijkwaardigheid een heel belangrijke rol. Je ontvangt een gast door hem of haar de voeten te wassen en het hoofd te zalven met geurende olie en toont daarmee je respect voor de unieke mens die een ander is.
Het is tegen dit respect voor een ander waar David door de profeet van beschuldigd wordt. Hij heeft de vrouw van Uria op een listige manier tot zich genomen, maar het kind dat uit hun samenzijn geboren, wordt heeft geen toekomst, het sterft naamloos! Want David gebruikte de vrouw als een object van zijn lustgevoelens en ging daarmee in tegen alle waarden van respect die wij een ander verschuldigd zijn.
Ook Simon in het verhaal van het evangelie ontvangt Jezus weliswaar aan tafel, maar betoont zich niet werkelijk een gastheer. Dat moet hij leren van de vrouw die in het gezelschap binnenkomt en de voeten van Jezus wast en zijn hoofd zalft met olie! Wat zij doet is heel bijzonder en zal, zoals Marcus het in zijn evangelie vermeldt, bekend gemaakt worden overal waar de blijde boodschap verkondigd zal gaan worden. Deze vrouw betoont de ware gastvrijheid. Daarom zullen haar fouten vergeven worden, maar er is meer over te zeggen. David als de gezalfde 

van God, de koning, aan wie wij zouden mogen zien hoe God met mensen omgaat, beantwoordt niet aan zijn roeping, maar deze vrouw wijst de ware gezalfde van God aan in de mens Jezus die te gast is onder de mensen en maaltijd met hen houdt. In hem zullen wij mogen horen en zien hoe het koninkrijk van God zich baan breekt onder ons. Dat gebeurt waar mensen van hun armoe delen, elkanders lasten vanzelfsprekend gaan dragen! In mensen die verzoening stellen boven schuld en vreugde vinden in een leven waar liefde haat en onmacht heelt wordt zichtbaar en voelbaar hoe het leven van mensen op aarde bedoeld is. In hen ontwaren wij het koninkrijk van God dat niet alleen verkondigd wordt als komende werkelijkheid, maar dat zich al onder ons laat zien. Met de profeet Jesaja zou je mogen zeggen: ‘het is al begonnen, zie je het nog niet?
De vrouw uit het evangelie heeft het gezien en zij staat daar als de eerste apostel die Jezus aanwijst als de gezalfde van God, als de welbeminde knecht! Van haar mogen wij gastvrijheid leren en de openheid voor anderen die Paulus in zijn brief aan de Hebreeën verwoordde door te zeggen: ‘Vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald’. In de liefde voor de gast, de vreemde en onbekende, kan ons zo maar het geheim van het gelukkige leven opengaan.
Zo kunnen wij mensen worden die voorbij zien aan het verleden van een ander en als gelijkwaardige mensen hier en nu met elkaar leven in het licht van de zon die opgaat over goeden en kwaden. Aan de tafel van dat koninkrijk zijn wij vanmorgen genodigd opdat de droom van een goede toekomst voor allen niet verloren gaat!

12e zondag door het jaar: Zacharia 12,10-11; Lucas 9,18-24
20 juni 2010; Antoon Boks OP

Herinnert u zich nog de catechismus van vroeger: vraag en antwoord. Vandaag stelt Jezus de vragen en de leerlingen komen zo snel mogelijk met de antwoorden. Op de vraag van Jezus wat de mensen van Hem zeggen, komen meerdere antwoorden: “Johannes de Doper, Elia, of een van de oude profeten.”
Kunt u zich bij het horen van de antwoorden ook voorstellen hoe op de gezichten van de apostelen bij hun antwoord te zien was, dat zij denken het bij het goede eind te hebben? Ambitie of minstens tevredenheid staat op hun gezicht te lezen. Zij liepen toch achter een Bekende Jood aan. Zij reisden samen met een charismatische leider die door vele mensen bewonderd werd. Ze vonden dat ze Jezus maar moesten vergelijken met een van die belangrijke mensen van het verleden. Ze vonden dat zij op de goede weg waren. Dat klopte, maar het lag wel allemaal een beetje anders dan ze eerst hadden gedacht.
Kennelijk gaven ze toch niet het goede antwoord, dus ging Jezus maar verder met zijn vragen. Wat doet hij? Hij legt druk op die leerlingen in de hoop dat ze met hun eigen ervaringen komen. Van “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” wordt de vraag nu: “Wie zeggen jullie dat ik ben?" Petrus is weer haantje de voorste en in tegenstelling tot een flink aantal andere keren heeft hij nu het goede antwoord: “de gezalfde van God.” ## Wat was er bij dat antwoord te zien op het gezicht van Petrus? Verering en ontzag? Tevredenheid en trots omdat hij het goede antwoord had gegeven? De woorden klopten wel, maar hij zag nog niet hoe Jezus dat beeld van “de Gezalfde van God” werkelijkheid zou maken. Petrus en de andere leerlingen hebben nog veel te leren over de ware identiteit van Jezus, dus vertelt Hij maar meteen dat ze maar beter hier nog niet over moeten praten met andere mensen. In feite begint Jezus meteen met de volgende les als Hij een stukje Goede Boodschap aan hen vertelt ook al lijkt het daar in het begin helemaal niet op. “De Mensenzoon moet veel lijden, maar… op de derde dag zal Hij worden opgewekt”.
Spoedig zal Jezus op weg gaan naar Jeruzalem en onderweg geeft hij nog meer onderricht, geneest zieken en vergeeft zondaars. Wij horen daarover de komende zondagen.
De leerlingen zullen meer inzicht krijgen in wie Jezus is; maar uiteindelijk zullen velen Hem verlaten. Jezus, de leraar, geeft het niet op. Hij zal lijden en sterven maar zoals Hij ze vandaag al vertelt, dat zal niet het eind van het verhaal zijn. Zij begrijpen niet wat Hij hun nu vertelt over zijn weg naar de glorie. Jezus zal hen blijven onderwijzen tot hij naar zijn Vader terugkeert. Daarna zal Hij hun de Heilige Geest sturen zoals aan het begin van het evangelie volgens Lukas al door Johannes de Doper is aangekondigd.
De leerlingen moesten leren dat zelfs al de wonderen van Jezus en de bewondering van de mensen nog niet het hele antwoord zijn op de vraag, wie zij vonden dat Hij was.
We leven na Pinksteren. De Heilige Geest is over ons neergedaald, maar zijn wij wijzer dan de leerlingen waarover we vandaag hoorden? Wat betekent het om zijn

volgeling te zijn. Misschien zijn wij net schoolkinderen, die iets moeilijks te horen hebben gekregen en eigenlijk maar hopen, dat het gauw speelkwartiertje is.
Heel fijn als we dankbaar zijn voor de gaven van de Heilige Geest, maar de weg naar Jeruzalem is ook voor ons geen pretje. Ook tegen ons zegt Jezus, dat het niet zo makkelijk is om Hem te volgen! Als het volgen van Jezus naar een overwinning voert, dan zouden we kunnen denken, dat we het alleen kunnen bereiken. Zoiets als: we hebben er hard voor gewerkt en we hebben het klaar gekregen. Bij het navolgen van Christus komen we er achter, dat het niet zo makkelijk is, maar wel ervaren we veel geluk als we doorzetten, want dan ondervinden we dat er veel genade komt van de Geest van Jezus.
Begrijpt u nu waarom we ook nog wat hoorden van Zacharia? Zijn tragische figuur werd door de vroege Christenen gezien als een voorafbeelding van Jezus. Hij beschreef niet alleen heel wat mensen uit het verleden maar ook zoveel andere mensen tot onze dagen, die slachtoffer zijn geworden van hun pogingen om goed te doen aan andere mensen. Zoveel mensen zijn bloedgetuigen geweest en zijn het nog, want wie God en de manier van leven volgens God wil verkondigen krijgt met heel wat tegenwind te maken.
Toch komt er een geest van mededogen over veel mensen. Als we zien, hoeveel kwaad er nog dagelijks gedaan wordt, dan komt er hopelijk een ommekeer en keren we ons allemaal naar God. Gods mededogen en vergiffenis zullen ons zuiveren van zonde.
Stel je voor: het speelkwartiertje is voorbij. Wij zijn weer in de klas. Als we berouw hebben, dan lijken we op de leerlingen omdat we net als zij soms niet doen, wat we hier in de viering belijden. We zeggen dat Jezus de Gezalfde is, maar gedragen ons niet altijd naar zijn voorbeeld:vinden wij soms ook niet winnen belangrijker dan helpen; populariteit belangrijker dan eerlijkheid; bijeen schrapen belangrijker dan geven; overheersen belangrijker dan anderen als gelijke behandelen.
Als we leerling van Jezus zijn dan geldt dat altijd: op zondag en door de week. Ons kruis opnemen is niet iets voor Goede Vrijdag alleen. We moeten allemaal getuigenis blijven geven.
Weet u nog dat de lezing begon met Jezus die alleen aan het bidden was. Dat doet Hij vaak als er iets belangrijks staat te gebeuren.
Wij zijn echte leerlingen als we onderweg met Hem bidden. Ook als we ons eigen Jeruzalem binnen gaan om met Hem mee te lijden. Dat klinkt niet zo leuk: lijden om Hem te volgen. Niet zo nu en dan iets goeds doen, maar altijd!
Lukas vertelt ons in zijn tekst van de Blijde Boodschap dat we niet alleen zullen zijn op de weg als leerling. We zijn gedoopt in de Heilige Geest die ons iedere dag van de week sterk maakt. Daarom legt Lukas misschien wel die nadruk op het bidden, want gedurende het bidden worden onze ogen geopend en zullen we zien dat we niet alleen zijn als we samen met Jezus opgaan naar Jeruzalem. De heilige Geest is iedere dag bij ons bij iedere stap die we zetten

13e zondag door het jaar: 1 Koningen 19,16-21; Lucas 9,51-62
27 juni 2010, André Lascaris OP

Ik denk dat de meesten van ons niet erg worden aangesproken door het radicalisme van de twee lezingen. Elia die zomaar Elisa van de akker wegneemt. In de Hebreeuwse tekst is het niet helemaal duidelijk of hij nu wel of niet afscheid kan nemen van zijn ouders, maar hoe dan ook,de oproep is een soort overval. Ook het evangelie straalt een grote radicaliteit uit. Jezus reist vastberaden met een strak gezicht naar Jeruzalem om daar de confrontatie aan te gaan met de wereld van de duisternis; daar zal hij sterven, naar God gaan. Zijn leerlingen schijnen de sfeer van radicaliteit goed op te pakken. Want zij stellen voor het dorp dat hem niet wil ontvangen te vernietigen. Maar Jezus wijst dit af. Hij is niet gemakkelijk voor degenen die hem benaderen. Mensen die hem wil volgen wijst hij min of meer af. Want de eerste weet kennelijk niet wat Jezus navolgen inhoudt of toen inhield: leven zonder hulpmiddelen, in armoede. Een ander wil eerst zijn doden begraven. Het gaat hier over geestelijke doden wanneer Jezus zegt: laten de doden de doden begraven; immers de doden kunnen geen doden begraven. Het gaat om geestelijk doden. Dat dode bestaan radicaal achterlaten. Weer een ander wil afscheid nemen thuis; dat lijkt toch redelijk. Maar Jezus zegt: wie de hand aan de ploeg slaat,moet niet omkijken; dan deug je niet voor het rijk van God.
Het is allemaal radicaal wat hier de klok slaat. En dat kan ons makkelijk tegen de borst stuiten. Wij denken bij radicaal aan moslim fundamentalisten en aan christelijke fundamentalisten. Ook wij kunnen soms de verleiding niet weerstaan radicaal te zijn. Omdat we ons ergeren aan het feit dat alles zo langzaam gaat en dat het zo moeilijk is veranderingen te brengen, gaan we hopen op een sterke man, sterke vrouw die alle problemen voor ons gaat oplossen. Maar als we even nadenken, dan beseffen we dat de wereld zeer ingewikkeld is, en dat de sterke man/ vrouw meestal de situatie nog erger maakt dan zij al is.
Radicaal zijn is daar nog plaats voor? Het woord radicaal komt van het Latijnse woord ‘radix’. Dat betekent wortel. Bij ‘radicaal’ gaat het om het wezenlijke, om wat werkelijk belangrijk is, om wat de moeite waard is voor te vechten. Maar wat is de moeite waard om voor te vechten? Wij aarzelen immers bij alles. We twijfelen over alles. Wij zoeken onze levensweg. Aftastend, voorzichtig, met kleine pasjes. Niet 

vastberaden, maar afwachtend. En natuurlijk is daar ook plaats voor. Dan moet ik denken aan bezoeken aan mensen die ik heb gebracht wanneer een geliefde is overleden of ook wel aan doop gesprekken en aan huwelijks- gesprekken. Maar vooral de gesprekken kort voor de uitvaart van de ge- liefde. Bij die gesprekken over mensen die overleden zijn en die ik maar nauwelijks kende, heb ik nooit geleerd hoe duur de auto was die hij of zij gebruikte. Er werd wel gezegd wat hij of zij gedaan had in het leven en misschien iets over zijn/haar carrière, maar al die zaken die zo belangrijk zijn in de ogen van reclamemakers, die zaken kwamen niet ter sprake. Maar het gaat dan altijd over hoe goed iemand is geweest als partner in het leven. Hoe goed hij/zij zijn kinderen heeft opgevoed. En ook over het falen daarin, over het niet kunnen uiten van gevoelens of gedachten. Het gaat over vriend- schap, de trouw van iemand. De manier waarop iemand omging met de mensen om hem heen met de mensen die met wie hij/zij werkte, met de mensen die hem of haar als een vriend beschouwden. Hun bereidheid om zich te geven komt ter sprake. En zo ontdek je niet alleen wat over een persoon, maar over wat allen echt belangrijk vinden. De belangrijke waarden van het leven die ons wortels geven om op te bloeien en te bestaan voor anderen, voor God en voor onszelf. 
Radicaal zijn betekent dan opkomen voor deze waarden. Over vormgeving daarvan kun je nog twijfelen maar over de waarde zelf van vriendschap van trouw, van goed ouderschap, goed partnerschap daar kun je niet in overdrijven. Je kunt er niet radicaal genoeg in zijn. Alles moet wijken wanneer zo'n waarde in het geding is. Het kind dat gevaar loopt; je partner in moeilijkheden; wanneer je eigen ouders oud worden en ziek. Wanneer je vrienden in nood verkeren. Voor hen moet alles wijken. Plotseling is er tijd genoeg. Je maakt gewoon tijd.
En die radicaliteit moet wij bewaren want die radicaliteit is evangelisch, is Bijbels, profetisch. Ze wordt ons ter navolging voorgehouden. Ja, wijzelf kunnen niet anders dan radicaal zijn op zulke momenten. We willen niet anders. Het is een radicaliteit die we moeten bewaren in een wereld waarin consumptie als het hoogste wordt voorgesteld. Het gaat hier over onze eigen wortels, wortels van ons menszijn, wortels van ons christen zijn.

14e zondag door het jaar: Jesaja 66,10-14c; Lucas 10,1-16
4 juli 2010, Theo Koster OP

Beide lezingen getuigen van een God die op mensen betrokken is. Hoe merken wij deze betrokkenheid? Immers: als je God het hardst nodig hebt lijkt Hij juist afwezig; alsof Hij niet bestaat.
De eerste lezing is geschreven na de ballingschap. Het volk is terug in eigen land, na een lang gedwongen verblijf elders. Zij zijn nu terug en wat treffen zij aan? Zij zien wat vluchtelingen zien als ze na lange tijd terugkomen in eigen land: anderen wonen in hun huis, als het er nog staat. Zelfs Jeruzalem, stad van God, heeft haar fierheid verloren, is gehavend. 
De God van wie Jesaja getuigt is geen machtig man die ingrijpt als je dat nodig hebt. Jesaja gebruikt de beelden “borsten vol troost”, “zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten.” God is er wel, zoals Jeruzalem er nog steeds is, niet als macht maar als troost. Dit klinkt als een doekje voor het bloeden. Zo wordt in onze mannelijke samenleving inderdaad het vrouwelijke nog vaak aangeduid. Troost is een kracht waarvoor wij wellicht te weinig openstaan. Toen we kinderen waren, onbekommerd en ontvankelijk, wisten we bij wie we zijn moesten als we pijn en verdriet hadden: bij moeder. Die kon de letterlijke pijn niet wegnemen, maar in haar aanwezigheid voelde het anders, kon je ermee verder.
Jeruzalem is gehavend, maar roept het beeld op van de moeder die troost biedt, vrede die naar ons toekomt, als een rivier. Een ander prachtig beeld van Gods aanwezigheid voor wie het zien wil. Als je weinig merkt van God in je leven, ga dan eens na hoe jij je God voorstelt. Als het enkel mannelijke beelden zijn, van macht en kracht, kan het zijn,dat deze beelden Gods betrokken zijn op jou versperren.
De betrokkenheid van God op mensen beperkt zich niet tot het Joodse volk. Op basis van de heilige boeken van het Joodse volk weten we, dat de 72 leerlingen staan voor alle volkeren ter wereld. Ieder moet weten dat zij, dat hij niet aan het lot wordt overgelaten. Er is iemand die zich om jou bekommert, en Deze is dichtbij. Jezus vertelt dat vele mensen uitzien naar het Rijk van God, er klaar voor zijn, maar arbeiders zijn er te weinig om hen te oogsten. Moeten we hier denken aan het huidige priestertekort, aan de hardnekkige gedachte binnen de kerk dat Jezus bij arbeiders op priesters doelt? Dan maak je het jezelf wel erg gemakkelijk en zet je priesters op een voetstuk waarop zij niet thuis horen. De lammeren waarover Jezus spreekt zijn een bredere groep van mensen, die in hun kwetsbaar zijn met elkaar overeen komen. Temidden van de wolven voor wie enkel de harde feiten tellen hebben zij niets anders te bieden dan vrede.
Vrede is hier een sleutelwoord. Stel je deze vrede voor als een rivier, zoals Jesaja dit doet. Een rivier bekommert zich niet om uiterlijkheden als geld, bagage, 

kleding, noch om plichtplegingen als de uitvoerige begroeting zoals deze in die tijd gebruikelijk was. Deze vrede is heilzaam, genezend, zoals het water van de rivier dorre planten weer tot leven brengt. Is deze vrede aan jou niet besteed dan gaat het aan je voorbij als stromend water.
Deze vrede is naast genezend verkondigend. Wie deze vrede ervaren heeft hoort vandaag de verwoording van deze ervaring: het koninkrijk van God is nu dichtbij je. Het is de zuster- en broederschap die wij ervaren als we hier samenkomen om als leerlingen van Jezus eucharistie te vieren, waarin wij God danken en opnieuw worden wie wij zijn: lichaam van Christus, zijn kerk. Wil men je niet ontvangen, staat men niet voor jouw goede nieuws open, maak dit dan duidelijk. Niet met dreigementen, maar met een gebaar: zelfs het stof uit uw stad mag u houden, maar weet wel: het koninkrijk van God is dichtbij. Dit rijk hangt immers niet van ons af, wij zijn en blijven met onze boodschap kwetsbaar; in onze kwetsbaarheid gaat schuil de fierheid van geloven, vertrouwen.
En dan wordt Jezus fel, spreekt harde woorden. Wanneer doet een mens dat? Als op het spel staat wat haar/hem lief is. Jezus houdt van genoemde steden, waarin hij heilzaam werk verrichtte; met name van Kafarnaüm, zijn eigen stad. Deze steden gaan hem aan het hart, Jezus is fel in zijn woorden, je zou er bang van worden, maar angst wil Jezus niet zaaien. Dat zou ook in tegenspraak zijn met wat hij de steden verwijt. Angst maakt immers blind, en juist het ‘niet zien’ door deze steden raakt Jezus diep. Zij zagen wel de wonderen die Jezus deed. Zijn eigen stad Kafernaüm is er zo trots op, dat het zich in de hoogste hemel waant. Zij zien wel, maar kijken niet verder dan hun neus lang is. Het brengt hen niet tot inkeer, tot de wortel van hun eigen bestaan, het besef, dat je een geschenk bent, net zoals de mensen met wie je dagelijks omgaat. Zij zagen de wonderen en machtige daden, die Jezus deed, maar zij herkennen er niet de hand Gods in.
Mij maken deze woorden duidelijk, waarom ik zo verknocht ben aan kerk. Bij kerk denk ik niet op de eerste plaats aan de hiërarchie, aan paus, bisschoppen en priesters. Nee, de recente schandalen, het toedekken ervan, de machtspolitiek van mijn kerk maken mij woedend, maar vervreemden mij niet van wat de kerk voor mij, voor ons is: de plaats en ruimte waarin wij Jezus ontmoeten, een gezondene van God die zichzelf aan ons geeft.
Hem wil, hem kan ik niet afwijzen, maar zal ik steeds weer opnieuw ontvangen, in de kerk, waar de hiërarchie even vanzelfsprekend bij hoort als u allen, hier aanwezig. Hier ontmoeten we Jezus, hier eten, drinken we hem en ontvangen we de kracht om in zijn voetspoor in onze wereld te getuigen, dat het koninkrijk van God dichtbij is.

15e zondag door het jaar: Deuteronomium 30-10-14; Lucas 10,25-37
11 juli 2010, Henk Jongerius OP

Zoals in het Evangelie herhaaldelijk gebeurt, weet Jezus op een heel confronterende manier de vraag van de wetgeleerde om te keren! Je moet niet vragen ‘wie is mijn naaste’ maar ‘van wie ben ik de naaste?’ Maar dit druist wel helemaal in tegen onze gebruikelijke manier van denken, waarvan de leviet en de priester in het verhaal heel duidelijke voorbeelden zijn.
Zij zien de gewonde man wel liggen aan de kant van de weg, maar gaan waarschijnlijk naar de tempel en dan betekent het in aanraking komen met het bloed van een gewonde dat je onrein wordt en derhalve niet aan de eredienst kunt deelnemen. En ze hebben het eerste gebod goed gehoord dat je God boven alles moet beminnen. De tempel is hen heilig want daar heeft God zijn woning onder de mensen, daar wordt eer gebracht aan zijn Naam. Daarbuiten is het een andere wereld, lijkt het wel.
Je kunt zeggen dat zij eigenlijk in twee werelden leven en zo is het nog steeds met de priesters en levieten in onze dagen. Ook de leiders in de kerk van nu lijken vooral bekommerd te zijn om de waarheid over God die vaststaat als een huis. De normen en waarden, de geboden van de kerk en de voorschriften voor moraal en leven zijn onaantastbaar en onfeilbaar, de kerk kan niet falen want dat is ook beloofd: ‘de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen’. Dat er inmiddels ik weet niet hoeveel mensen lijden aan Aids in Afrika weerhoudt de kerk er niet van om voor-behoedsmiddelen te verbieden. Dat er kinderen in de afgelopen jaren zijn misbruikt, is geen reden om de regels van het celibaat zelfs maar te betwijfelen of er vragen aan te verbinden en datzelfde geldt voor de gehuwde of vrouwelijke

 voorganger in een tijd waarin er aan pastorale nabijheid zoveel nood bestaat.
Hebben zij wel geluisterd naar wat wij vandaag horen in het boek Deuteronomium dat het spreken, het roepen van God niet ver over zee, in de hemel of in de tempel gebeurt maar dichtbij, in ons hart en onze mond?
De priester en de leviet zijn op de verkeerde weg: zij bevinden zich dan ook op de weg van Jeruzalem naar Jericho, de stad die staat voor onherbergzaamheid. Daar vallen mensen ten prooi aan rovers, daar weten zij niet meer dat de waarheid van onze eredienst zal blijken in ons leven van alledag. God woont niet in een ivoren toren, in een hemel ver weg, maar daar waar mensen zo goed zijn als god, niet zelf het middelpunt zijn maar gaan kijken vanuit de ogen van een ander. Daar wordt de vraag omgekeerd: het is niet wie is mijn naaste, maar voor wie word ik de naaste. De vreemdeling, een Samaritaan, heeft het begrepen en daarom moeten wij doen zoals hij: ingaan op het beroep dat op ons gedaan wordt. Daar klinkt de stem van God in ons hart, daar worden wij uitgenodigd om mens te worden, om zo met anderen om te gaan als wij willen dat wij bejegend worden. Daar is de ware kerk waar de eerste stem ge-hoord wordt die ons wegroept uit chaos, ellende en matheid. Waar wij het aandurven om ‘er te zijn voor elkaar’ daar gebeurt God en wordt er eer gebracht aan zijn Naam. Dan leven wij niet langer in twee werelden leven, verdeeld en vervreemd van elkaar, maar als kinderen van de Allerhoogste in vrijheid zonder vrees. Daar zullen wij ons barmhartig laten raken door elkaar en anderen in liefde begroeten. Zo volbrengen wij het ene gebod: ‘Hebt elkander lief’ en zullen wij waarachtig leven.

16e zondag door het jaar: Genesis 18,1-10; Lucas 10,38-42
18 juli 2010, Paul Minke OP

Martha breekt in in het gesprek van Jezus met Maria, geërgerd als zij was, zonder eerst te horen wat Jezus haar te zeggen had en zonder op te merken dat zij daartoe aan de voeten van de Heer zat. Ze zou dan geweten hebben, dat haar zus werd onderricht in de Thora want zoals zij deed, zo doen de leerlingen t.a.v. hen die onderricht: zitten aan de voeten van de meester. Zo zat b.v. ook Saulus aan de voeten van Gamaliël, zijn leraar. Dan zou ze ook getroffen zijn door het feit, dat Jezus hier een vrouw onderricht. Een ongehoorde daad, want dan was volstrekt ongewoon in die dagen. Vrouwen namen een zeer ondergeschikte positie in in de toenmalige cultuur. Voor Jezus waren beide vrouwen wel degelijk gesprekpartners en leerlingen. Maar Martha had het te druk en was geheel door het werk in beslag genomen en raakte steeds meer geirriteerd door het feit dat zij er alleen voor stond. Zij vuurde haar vraag af op Jezus: “Heer, laat het u onverschillig dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan mij te helpen.” In de vraag ligt al de verwachting besloten van het antwoord van Jezus, ongeveer als: “Martha, je hebt gelijk. Het is niet goed dat je er alleen voor staat. Maria, ga je zus helpen en praten we straks na het werk wel verder.” Maar dat verwachte antwoord kwam niet maar wel zei Jezus haar: “Martha, Martha, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.” De reactie van Martha kennen we niet. Wel is de eeuwen door gebleken, dat velen, vooral vrouwen, geschokt zijn van dit onverwachte antwoord en menen, dat de goede zorgen van Martha volkomen onterecht worden gekleineerd. Het antwoord choqueert, zo voelt het althans wel. Maar ís het wel zo, dat hij het dienstwerk niet of minder hoog aanslaat?
De beide vrouwen en Jezus waren ongetwijfeld bekend met de eerste lezing, het verhaal, waarin Abraham met veel respect en gastvrij drie mannen ontving, die langs kwamen. Vreemden voor hem, maar dat maakt geen verschil. Gastvrijheid gaat alles te boven. Daarvoor zet je alles opzij. Gasten eerst. We hoorden met hoeveel zorg Abraham zich inspant voor zijn gasten, opdat het hen aan niets ont-breken zal: rust, schaduw, het beste voedsel. Ook ten tijde van Jezus werd de gastvrijheid op dezelfde wijze hoog gewaardeerd. Vandaar ook dat Martha zo druk en bedrijvig in de weer was voor haar gast. Dat Jezus geen waardering voor het werk van Martha zou hebben, geloof ik niet, laat staan haar een verwijt zou maken, dat zij met praktische zaken bezig is. Bovendien, het gaat er Lucas niet om ons een anekdote te vertellen, nee, het gaat om de boodschap, die in Jezus’woorden te beluisteren is. Met zijn uitspraak wil Jezus haar en ons iets anders duidelijk maken. Het is een eyeopener. Jezus opent ons de ogen voor iets heel belangrijks.

“Martha, Martha, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.” Bezorgd, druk: het zoijn deze sleutelwoorden, die mij op weg helpen. Het is goed en noodzakelijk dat we zorg dragen voor elkaars welzijn en geluk, dat we tijd en energie steken in alles wat ten goede komt aan anderen, maar is het goed dat we ons daardoor helemaal in beslag laten nemen en ons de tijd niet gunnen om stil te staan bij ons zelf, bij het eigen leven? Zijn we niet vaak zo doende met allerlei materiële zaken, werk, hobby’s, met de dagelijkse problemen, ernstige en zorgwekkende problemen, dat we onszelf voorbij lopen, en niet de tijd en gelegenheid nemen om eens een pas op de plaats te maken, om ons even terug te trekken. Totdat er iets knapt in je en al je energie uit je weggevloeid is. Tot je op een gegeven moment ervaart: ik ben moe, helemaal leeg, uitgeblust, en zegt: ik zie het niet meer zitten. Wat voor zin heeft het leven nog? Niet voor niets wordt er gesproken over onthaasting, take your time.
Toen Jezus werd bekoord in der woestijn om van stenen brood te maken zei hij tegen de satan: “de mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord, dat komt uit de mond van God.” Het doen alleen is niet genoeg, verliest op den duur zin en betekenis, als niet die zin en betekenis verdiept wordt en overwogen wordt. Martha en Maria vertegenwoordigen in feite twee levenshoudingen, die beide in ieder mens aanwezig zouden moeten zijn in goede harmonie. Enerzijds het actieve leven waartoe alle werk in welke vorm dan ook behoort en anderzijds het passieve, het stil staan bij wat je doet en dit verdiepen. Zo voorkomen wij dat wij als blinden doorhollen in allerlei activiteiten zonder ons af te vragen wat we doen, waartoe, waarom, ja, zonder nog stil te staan bij de bron van ons leven, God, zijn woord. In onze orde bestaat het gevleugelde woord – u kent het vast wel - : comtemplari et comtemplata aliis tradere. Beschouwen, je verdiepen, m.n. de Schrift in je opnemen, doorleven en dat wat je je eigen gemaakt hebt en je vertrouwd geworden is, doorgeven, overgeven, toevertrouwen aan anderen, delen met anderen. Dit woord veronderstelt dus diezelfde twee levenshoudingen. Dienstbaarheid en zorg gaan niet zonder bewogenheid en aandacht. Bewogenheid en aandacht veronderstellen luisteren en hartelijke nabijheid. Het belang van rust en stilte, van terugtreden, van horen naar je hart van luisteren naar wat God jou te vertellen heeft in jouw situatie, het wordt zo gemakkelijk onderschat, uitgesteld, of opgegeven. Als het ware om dat belang te onderstrepen zegt Jezus: éen ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen. Het zal haar niet ontnomen worden. Stilte, rust, beschwouwen, stilstaan bij jezelf en wat je doet: het mag niemand ontnomen worden in het belang van zijn/haar geluk, Niet door anderen en niet door jezelf. Amen.

17e zondag door het jaar: Genesis 18,20-32, Lucas 11,1-13
25 juli 2010, Mies Singendonk OP

Nadat Jezus de leerlingen heeft onderricht hoe te bidden, geeft hij een toelichting. En hij doet dat door te vertellen hoe de ene vriend midden in de nacht bij de andere aanklopt omdat ze midden in de nacht om brood verlegen zitten.
In zijn toelichting spoort Jezus ons aan om te vragen: vraagt en u zal gegeven worden, klopt en u zal worden opengedaan, zo drukt hij ons op het hart. Het is goed om hier eens bij stil te blijven staan. Anders blijft de uitspraak vraagt en u zal gegeven worden en klopt en u zal worden opgengedaan, wel erg verheven klinken. En hoe moet je je dat verhevene dan voorstellen.. ver weg misschien, of in de toekomst of heel lang geleden of in een andere dimensie? Maar Jezus heeft het niet over ver weg of heel lang geleden, of een andere dimensie. Nee, hij maakt het levensecht. Alsof er bij u of bij mij ’s nachts wordt aangeklopt, en ons bij nacht en ontij wordt gevraagd de deur open te doen voor bezoek. Dan zeggen we: wat is er zo dringend, laat me met rust, morgen komt er weer een dag. Maar dan zijn die onaangekondigde bezoekers zo brutaal om niet weg te gaan, in tegendeel, ze hebben een heel verhaal waarom het niet tot morgen kan wachten. Het moet nu. 

We hebben het allemaal wel eens aan den lijve meegemaakt, iemand die nogal onbescheiden blijft aandringen. Daar ben je dan dan geërgerd over, maar je gaat toch overstag, inwendig mopperend misschien. Je zou het zelf namelijk niet in je hoofd halen om iemand zo in verlegen-heid te brengen, maar je geeft toe want je wilt geen botterik zijn. Ach wat maakt het ook uit op de eeuwigheid..denk je bij jezelf.

In Jezus lering over hoe we moeten bidden horen we de uitnodiging om te vragen, om aan te dringen en te blijven aankloppen. En lieve mensen, blijven aandringen dat is precies wat Abraham doet als hij onwille van slechts een paar rechtvaardigen in de steden Sodom en Gomorra, bij zijn Heer en bondgenoot pleit voor het behoud van die steden. Voor die paar rechtvaardigen temidden van alle onrecht blijft Abraham aandringen. 
Mensen, psalm 138 geeft in een paar zinnen de kern aan waar het om gaat bij dat vragen en dat aankloppen. Ik geef u die zinnen nog eens. We hoorden ze straks zingen:
De Heer is de verhevene die let op de geringe 
 En ook: 


U wil ik prijzen, Heer, uit heel mijn hart,
omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd.
Verhoor mij elke dag dat ik U aanroep,
dan geeft Ge mij weer nieuwe kracht.

Jezus nodigt ons uit om te bidden zoals de psalmist en aan te dringen zoals Abraham. We hebben het weer eens gehoord vandaag hoe hij blijft aandringen om allen te sparen terwille van slechts 10 rechtvaardigen. Weet u nog? Ik ben slechts stof Heer, zegt hij. Nadat de Schepper aan Abraham zijn vriend heeft toevertrouwd wat hij van plan is met de steden Sodom en Gomorra, krijgt hij van deze slimme mens van kwetsbaar vlees en bloed, een ethische vraag voorgelegd: Wat vindt u er nou van als schepper en de rechter van de hele wereld, is het rechtvaardig om de goeden onder de kwaden te laten lijden?
Bijzonder eigenlijk, de Verhevene, de Schepper en rechter van hemel en aarde heeft sporen van zijn rechtvaardigheid in Abraham ingeschapen, en krijgt een koekje van eigen deeg. Want Abrahams rechtvaardigheidsgevoel komt tot spreken. En op Abrahams vraag of de goeden onder de kwaden moeten lijden, kan je natuurlijk geen ja zeggen. Abraham schrikt zo van wat zijn Heer hem toevertrouwt, dat hij gewoon begint te onderhandelen. Hij begint bij slechts 50 rechtvaardigen. Maar Abraham houdt niet op bij die 50. Maar stel nou dat er aan die 50 rechtvaardigen eens 5 ontbreken..oppert hij.
En zes keer waagt Abraham het om aan te dringen, tot hij is aangekomen bij een getal van slechts 10 rechtvaardigen. Abraham vertrouwt. De Ene is voor hem geen leeg loket, maar degene aan wie hij rechtstreeks vragen stelt. Met verschuldigde eerbied maakt Abraham zich sterk voor de schrijnende gevallen.

Lieve mensen, dat pleidooi met al die vragen van Abraham, dat is een vertrouwend gebed in een relatie van vertrouwelijkheid. Net zo vol vertrouwen en vertrouwelijk als het gebed dat Jezus aan de leerlingen leerde. En dat wij kennen als het Onze Vader.
Laten we daarom zo leven alsof God ons vertrouwen waard is, laten we leven, bidden en handelen als Abraham, op uitnodiging en in navolging van Jezus, de levende. Dat het zo mag zijn.

18e zondag door het jaar: Prediker 1,2+2,21-23; Lucas 12,13-21
1 augustus 2010, Ernst Marijnissen OP

Misschien is het u in de vakantietijd ontgaan, maar Tony Hayward heeft het veld moeten ruimen. Hij is de man, die aan de top van BP, het Britse olieconcern stond, en de eindverantwoordelijke was voor de misschien wel smerigste milieuramp van onze moderne geschiedenis. Maar met hem verdwijnen er ook ettelijke miljoenen, die hij mee naar huis mag nemen. Niet om hem te belonen, hoop ik. Maar waarom dan wel, vraag ik me af? Ik denk om zijn veelhebberij, zoals Jezus dat noemt, veilig te stellen. Hoe hoger je standaard van leven is des te moeilijker om die te minderen.
Daarom waarschuwt Jezus ons als hij zegt: ziet toe en waakt voor alle veelhebberij, want ook als iemand overvloed heeft is zijn leven niet iets dat hemzelf toebehoort! Hebzucht en veelhebberij hebben altijd bestaan. Maar onze tijd voegt daar nog iets aan toe. Door de meestal overvloedige stroom aan informatie worden we dagelijks op de hoogte gebracht van vormen van gigantische hebzucht en veelhebberij. Dat is een uiterst schrijnende zaak. Want dezelfde informatiestroom brengt ons óók op de hoogte van hongersnood en armoede, van mensen, die van een bescheiden toelage moeten leven om een beetje te kunnen rondkomen, maar zichzelf en hun gezin nauwelijks iets extra’s kunnen gunnen. Maar Tony Hayward is het symbool voor allen, die zich niets hoeven te ontzeggen, ongeacht of ze verantwoordelijk leven of niet. En terwijl de miljoenen verdwijnende of falende managers achternalopen kampen zorginstellingen met tekorten, omdat er vaker bezuinigd en minder voor voldoende middelen wordt gezorgd. En als banken, concerns en internationale instellingen een economische crisis veroorzaken betaalt de burger het gelag en worden de niet-vermogenden ook nog eens het slachtoffer van bezuinigingspolitiek en politieke touwtrekkerij.
Hebzucht, veelhebberij en economische belangen beheersen het journaal. Daarom begint de evangelielezing met de veelzeggende zin: rabbi, zeg tot mijn broer dat hij moet zorgen dat hij het erfgoed met mij deelt! We spelen het klaar om over erfenissen te twisten terwijl de dode erflater nog boven aarde staat. Hebzicht schept onenigheid, onenigheid groeit uit tot oorlog, oorlog vernietigt de beschaving, die we nodig hebben om goed met elkaar om te gaan. Daarom moeten we het antwoord van Jezus horen en verstaan als Hij zegt: wie heeft mij over u aangesteld als rechter en verdeler? God is, volgens het onderricht van Jezus, afwezig waar hebzucht en veelhebberij het voor het zeggen hebben. God heeft geen boodschap aan hen, die menen het leven te bezitten en er naar believen mee te kunnen omgaan. God is daar zelfs niet te vinden, want zijn naam luidt: Ik zal er zijn voor jullie. God hoort en ziet en verstaat het klagen en kermen van hen, die slachtoffer zijn van de liefhebbers van macht en het grote geld. Voor hen heeft God gekozen en vanuit hen worden de regels van het recht vastgesteld. God heeft een onderdrukt volk uit de Egyptische duisternis weggeleid, niet de farao en zijn legerscharen. Die gingen ten onder in de wateren van de chaos.

Het is deze chaos, die in het verloop van het evangelieverhaal onderwerp van beschouwing is. Het beeld van de man, die steeds grotere schuren moet bouwen om zijn bezittingen te kunnen bevatten, is zeker in onze tijd duidelijk herkenbaar. Het opkopen van bedrijven, fusies van banken en concerns, gaat op de kortere of langere termijn altijd gepaard met het werkeloos maken van mensen en weer uit elkaar spatten van wat eerder is bijeen gegraaid. Het is als een dodelijk virus, dat naderbij sluipt. Eerst merk je het niet, maar op een bepaald moment is het ziekteproces onomkeerbaar geworden. Het eindigt als een vloedgolf, die alles meesleurt en wegvaagt. Verbanden worden verbroken. Relaties tussen mensen en groepen van mensen bezoedeld. Het kleine, veilige en overzienbare erf van wonen en werken raakt vergruizeld. Vertrouwen en compassie, zorg en zorgvuldigheid, warmte en nabijheid krijgen steeds minder ruimte om onze samenleving te behoeden voor rampen en calamiteiten. Dat leidt tot chaos, woede, onbeheersbaarheid, terrorisme. De olieramp in de golf van Mexico is een samenvatting van waartoe hebzucht en veelhebberij ons voeren. De dikke smurrie van het bederf verstikt alle leven. 
Ook als iemand overvloed heeft is zijn leven niet iets dat hemzelf toebehoort! Deze woorden van Jezus kan ieder van ons zich ter harte nemen. We maken ons dikwijls meer zorgen om wat we hebben of niet hebben dan om wie we zijn of zouden moeten zijn. Met andere woorden: de normen, die we hanteren om onszelf te rechtvaardigen, ontlenen we eerder aan ons zelf dan aan iemand, die groter is dan wij. Wij pakken het leven, houden het, ieder op zijn eigen wijze, stevig vast en werken ermee als ware het ons bezit. En wat we hebben laten we ons natuurlijk niet afnemen. En zo doen we - als is het dan op kleinere schaal – evenals de groten der aarde aan schaalvergroting, vermeerdering en dus ook van het vergroten van macht over anderen. Ook dat ontaardt in rampen en ellende, niet op wereldschaal maar op het erf dat wij met anderen dichtbij moeten delen. Ook dan brokkelen relaties af, verdampen vriendschappen en gaan mensen elkaar naar het leven staan. En het einde is altijd weer chaos, verwarring, leegte. We zétten onszelf niet op de wereld, maar wórden geboren. Het leven is niet te koop maar een geschenk, dat je hanteert zonder de schenker uit het oog te verliezen. Het leven is dus een blijvende herinnering. In je manier van leven moet de liefde oplichten, waarmee dit leven je gegeven is. En overal waar dit niet zo is zouden we ons moeten inspannen om daar verandering aan te brengen. Daarom kun je niet volstaan met het vermeerderen van goederen, ook als dat rechtmatig gebeurt, maar moet zich tegelijkertijd het inzicht verdiepen om licht, ruimte en perspectief te brengen daar waar duisternis en wanhoop heersen. Aan rijkdom zit een prijskaartje: het gebrek en het tekort van de naaste. Als we dat voor ogen houden zullen we leven, echt leven. Zo niet, dan zullen we de woorden van Prediker ervaren: alles is ijl, leeg, damp. Dan leven we in de nacht, waarvan Jezus zegt: stuk onverstand!, deze nacht nog zullen ze je ziel van je afeisen! Je houdt niets meer over.

St Dominicusfeest: 1 Korinthiers 2,1-10; Lucas 9,57-62
8 augustus 2010, Henk Jongerius OP

De afbeelding van Dominicus hier bij de altaartafel is een wel heel bijzondere: het is geen levensgetrouw portret van hem maar laat ons de grondidee van zijn Orde zien. Dominicus werd in zijn dagen sterk geraakt door de geestelijke armoede waarin de mensen verkeerden. Door een officiële kerk die zich meer bezig hield met het verwerven van land, bezit en macht, waren zij voor het gelovig vorm geven van hun leven aan zichzelf overgelaten. Zij zochten een levensstijl die als ‘kathaars’, als ‘zuiver’ gekenmerkt werd. In een nachtelijk gesprek met een herbergier rijpte bij dominicus het plan om een gezelschap van rondtrekkende predikers te vormen die zouden zorgen voor een vernieuwd en op het Evangelie gebaseerd leven. Hij stuurde zijn volgelingen naar de universiteiten van die dagen om een goede theologische vorming te krijgen en grondde zijn Orde op drie pijlers die het officiële wapen van de Orde sieren: ‘Laudare, Benedicere, Praedicare’.
Tot op vandaag laten zijn volgelingen daardoor leiden: de lofzang, het zegenen en het verkondigen. Daarbij is de grondgedachte van de Orde belangrijker dan het navolgen van de persoon van Dominicus. Die heeft op de afbeelding geen gezicht en dat is ook goed, want zijn volgelingen geven ieder een persoonlijk gezicht aan het ideaal van de orde van de Predikers. 
Zij zijn te herkennen de toewijding aan de lofprijzing van God, waarin zij de naam en het geheim van de Ene hoog houden en eerbiedigen zij ‘wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat God heeft bereid voor wie hem liefhebben’.Zij leren en overwegen dat Geheim door zich te buigen over de Schrift, zoals Dominicus die afgebeeld wordt met het 

evangelie van Mattheüs in zijn hand. Van daaruit uit ‘zegenen’ zij, spreken zij uit dat mensen goed zijn en bevestigen zij het goede dat in hen leeft, want het Koninkrijk van God is midden onder ons. En zij prediken, niet met vertoon van welsprekendheid of geleerdheid over ‘hoe God met mensen omgaat’ zoals dat in de grote Schriftverhalen aan ons is doorgegeven.
Op die manier kunnen zij een licht zijn in onze wereld omdat zij leren om die te zien vanuit Gods perspectief!
Wij mogen predikers zijn van Gods woord omdat wij ons laten gezeggen door het Bijbels visioen dat ons een wereld belooft in vrede en gerechtigheid, waar mensen kunnen leven in hoop en vertrouwen en in de liefde die de maatstaf is van ons spreken en handelen.
De wereld waarin Dominicus zijn plan opvatte tot een gezelschap van predikers verschilt misschien niet veel van de onze. Ook in onze dagen zijn mensen op zoek naar een zinvol leven, naar een diepe geborgenheid in Gods Geheim, naar waarachtige gemeenschap en solidariteit. Een Kerk die zich te weinig gelegen laat liggen aan de vragen van concrete mensen in hun alledaagsheid, heeft behoefte aan een verkondiging, een wijze van vieren en verstilling die een nieuw zicht kunnen geven op de zin van hun leven. Daar moeten wij naar blijven zoeken ondanks de weerstand die wij ontmoeten, want dat woord van God, dat spreken van de Verborgene in ons midden, laat zich niet binden. Integendeel, het maakt ons vrij en zal de machthebbers beschamen opdat ook zij mensen van liefde worden die hoop geven aan onze wereld.