PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2010 (C)


Maria Tenhemelopneming: 1Korinthe 15,20-27; Lucas 1,39-56 15 augustus 10, Antoon Boks OP

Iedere dag is er wel wat anders te vieren. Iedereen heeft zijn eigen geschiedenis. Van sommige mensen hier aanwezig kennen we die en van andere weer niet.
Allerlei gedachten kunnen door ons hoofd gaan, vandaag kan ik praten over Maria en over mezelf. Maria is een model voor ons geloof. Van haar weten we allemaal, dat zij Jezus in de wereld bracht en door ons leven als Christen maken we Christus bekend in de wereld. In de verrijzenis van Christus is het leven van ons mensen dus ook van Maria verzekerd. Wij kunnen iedere dag weer zeggen, dat de verlossing een feit is.
Daarom kunnen wij net als Maria blij zijn met wat God deed en doet, al zullen we daarvoor misschien niet de woorden van haar lofzang gebruiken. Hoe kijken we tegen ons leven aan? Heel vaak heb ik geluisterd naar gesprekken daarover en heb er zelf ook over gesproken.
Praten over leven kunnen we op allerlei manieren doen, bijvoorbeeld als wetenschapper of als een gewone christen ook al kan dat natuurlijk ook samengaan. Volgens mij is iedere mens een eenheid van geest en lichaam. Daarmee bedoel ik dat ik kijk en niet mijn ogen; ik denk en niet mijn hersenen en zo kan ik door gaan. Bovendien eenmaal geboren blijven we voor eeuwig als die eenheid bestaan.
Een filosoof heeft eens gezegd, dat ik tegelijk moet zeggen: Ik ben een lichamelijke geest en ik ben een geestelijk lichaam, want u weet allemaal, dat een zelfstandig naamwoord belangrijker is dan een bijvoeglijk naamwoord. Omdat ik dat moeilijk tegelijk kan zeggen, zeg ik het maar achter elkaar. Maar je kunt het ook op een heel alledaagse manier tot uitdrukking brengen: ik ben een kind van mijn vader en moeder en vaders en moeders kunnen tegelijkertijd ook zeggen: ik ben vader of moeder van een zoon of dochter. 
Als mens zijn we tegelijkertijd een kind van God en een kind van onze vader en moeder. Dat kun je ook niet van elkaar scheiden. 

Als wij deze gedachtegang vasthouden dan hoeven wij helemaal geen moeite te hebben met het feit dat de Kerk aangeeft dat Maria met ziel en lichaam voor eeuwig gelukkig is. Dat zouden wij van ieder mens kunnen zeggen. 
Lang voor 1950 had van Maria en ook van ieder ander die voor eeuwig gelukkig voortleeft gezegd kunnen worden, dat ze dit met ziel en lichaam doen. Dat heeft niets te maken met de vraag of er al dan niet een graf van Maria te vinden is. Mag ik proberen dat duidelijk te maken door een hele goede vraag stellen: Wat doet U met de haren die de kapster of kapper afknipt of met de nageluiteinden? Gaat u die iedere keer weer begraven of cremeren? Nee toch. Haren en nagels zijn delen van ons lichaam, maar als de tijd gekomen is, dan gooien we de resten gewoon weg.

Maria deelt net als al die andere mensen met ziel en lichaam in de verrijzenis van Christus, die de dood overwint en vertrouwen geeft aan alle mensen dat er ook voor ons een opstanding is; van ons, niet alleen van onze ziel, maar van ons als eenheid van lichaam en ziel.
Tegelijk met de viering van dit feest van Maria durf ik dan ook te zeggen over mijn viering van vandaag: Ik vier dat ik al zeventig jaar lid ben van de familie Boks, al vijftig jaar lid van de Orde van de predikers en pas een jaar of zeven van deze kapelgemeenschap.
Je kunt mij niet scheiden in aparte delen; ik ben een mens die zowel bij de familie Boks thuishoor als bij de Orde van de predikers.
En dat is bij ons allemaal het geval. In ons dagelijks leven merken wij dat steeds, want we kijken, luisteren, voelen en denken. Dat geldt voor iedereen, maar we zijn natuurlijk allemaal anders. Door de ene persoon worden sommige geluiden prachtig genoemd en een andere noemt datzelfde geluid luid geraas.
Als wij –vanuit het idee van de mens als een eenheid— kijken naar de dood dan kunnen wij ons ook beter voorstellen dat de dood niet het einde is, maar net zoals iedere morgen het begin van iets nieuws.
We mogen blijven zeggen, dat alle mensen sterfelijk zijn, maar even goed mogen we van ieder van ons zeggen, dat we onsterfelijk zijn en dat geldt niet alleen voor Maria of voor bekendheden zoals Bach en de Beatles. Die Beatles durfden te zeggen, dat zij nog bekend zouden zijn, als de mensen al lang niet meer denken aan Jezus Christus..
Vandaag, nu wij vieren dat Maria voor eeuwig voortleeft, mogen wij ook herinnerd worden aan onze eigen opstanding. De woorden van Paulus geven ons nog meer steun hierin: Christus ging ons hierin voor als eerste en wij die in Hem geloven zullen Hem volgen.
In dat vertrouwen op ons eigen eeuwig leven kunnen wij ook iedere dag vol goede moed beginnen, denkend aan heel veel leuke en gelukkige jaren in het verleden en hopend op nog meer in de toekomst. Als wij dan even stilstaan bij wat er in een Psalm staat, dat voor God duizend jaar zijn als een dag. Dan is zeventig of vijftig jaar in ieder geval een goede gelegenheid om weer een keer met elkaar te vieren, dat God liefde is en dat wij als Gods beeld en gelijkenis nog heel wat liefde aan elkaar kunnen geven.
Ieder van ons, man of vrouw, lang of kort, zwart, bruin of wit en allemaal mooi, zijn op onze eigen manier een beeld van God: we leven voort voor eeuwig en kunnen aan elkaar door onze liefde voor elkaar laten zien, dat wij ook allemaal door God bemind worden.
Is dat geen reden om feest te vieren?

21e zondag door het jaar: Jesaja 66,18-21; Lucas 13,22-30
21 augustus, Theo Koster OP

We hoorden een deel uit het slotwoord, waarmee Jesaja zijn boek besluit. Jesaja laat in een visioen God aan het woord. Dat is riskant. In de tijd van Jesaja was God niet anders dan wie wij met deze drie letters aanduiden. En hebben jullie God wel eens horen praten? Of waren het je eigen verlangens en visioenen die je hoorde? God in en vanuit jou zelf laten praten veronderstelt een hechte band, een grote vertrouwdheid met dit mysterie. Ik hoor, ik zie God soms als een vrouw, een man mij vertelt: we hebben een kind gekregen. Het is een flits, een vonk van God, dat een vuur kan worden naarmate ik met vallen en opstaan ontdek dat u, dat jij, en ook mensen verder weg als Geert Wilders, moeder Teresa, ja ik zelf een cadeautje ben. Ten diepste ervaren dat ik geen eigen baas ben, dat ook ik met al mijn eigenaardigheden een geschenk ben dat erom vraagt uitgepakt te worden, doet een mens stralen, gloeien, mens worden, beeld van God. Jesaja heeft zichzelf uitgepakt en ruimte geschapen voor het mysterie in en rondom hem, voor God die aan ons begin staat, in ons woont, in ons kan spreken en naar ons uitziet.
Er zijn mensen die aan deze ervaring niet toe komen, aan wie het mysterie van hun leven ontgaat; mensen die het te druk hebben met zichzelf, niet uitpakken, zelfs bezig zijn zichzelf nog verder in te pakken en op te poetsen.
Er gaan mensen verloren, maar die gespaard zijn gebleven worden uitgezonden. Uitgepakt zijn het levende getuigen van onze Bron, van God; maken zij Gods glorie zichtbaar, voelbaar bij volken die het Joodse geloof niet kennen, maar ook hebben uitgepakt en zichzelf hebben laten kennen als broeders en zusters. In Jeruzalem, stad van Gods hart, worden zij teruggegeven aan de Barmhartige.
Is het niet kwetsend een cadeautje dat je hebt uitgepakt terug te geven? Nee, zeker niet als het om mensen gaat. Het kost ons mensen moeite, pijn, verdriet, om niet opgesloten te raken in onszelf, ons niet vast te klampen aan allerlei zekerheden, elkaar te bevrijden van de maskers die we dragen. Terecht wordt gesproken over “een offer voor de Levende”. Jesaja heeft het in het slotwoord van zijn boek over iets sacraals, iets prachtigs wat de wereldbewoners te wachten staat. Hij ziet mensen waar ook ter wereld vandaan geroepen worden door God, aangeboden worden aan dit mysterie van ons leven, aan God.
Er gaan ook mensen verloren, ik zelf misschien of u. Jezus is onderweg naar Jeruzalem, waar het visoen van Jesaja gaat gebeuren. Geen wonder dat iemand hem vraagt: zijn het er weinig die gered worden? Op het aantal gaat Jezus niet in. Omdat hij het niet weet? Nee, het aantal interesseert hem niet.

Jezus is geïnteresseerd in mensen; hen roept hij op zich tot het uiterste in te spannen om door de nauwe deur binnen te komen.
Is het dan zo moeilijk door een deur als die daar (sacristie) binnen te komen? Ik ben erdoor naar binnen gekomen; geen enkel probleem. Maar als we straks allemaal tegelijk naar de koffie willen, dan is die deur ineens veel smaller. En zit die deur eenmaal dicht, probeer er dan nog maar eens door te komen.
Jezus vergelijkt het koninkrijk van God, daar waar God thuis is, met een feestelijke maaltijd. Abraham, Isaäk en Jakob, de stamvaders van joden, christenen en moslims zullen aanzitten; de grote profeten en allerlei mensen, uit oost, west, noord, zuid, dus zelfs mensen die niet toegelaten werden bij de eucharistie of het avondmaal, omdat ze niet Rooms Katholiek of goed Gereformeerd waren. We hoorden mensen zeggen: wij hebben in uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken; in onze straten, in onze kerken hebt gij onderricht gegeven. Dan is het keihard te horen te krijgen: ik weet niet waar gij vandaan komt. Keihard inderdaad, als je met Jezus gegeten en gedronken hebt, geluisterd hebt naar zijn onderricht. Eten met iemand of in tegenwoordigheid van iemand is totaal iets anders. Wie met Jezus eet en drinkt opent zich, laat zich kennen, schept ruimte voor God, is met andere woorden al binnen.
Wie al binnen denkt te zijn, of je nu jood bent of christen, gelovig of een God loochenaar, die komt van een koude kermis thuis. Het probleem is niet de smalte van de deur. De deur is breed genoeg dat ieder erdoor kan. Het probleem zit in onze afkomt, of beter gezegd: hoe wij omgaan met onze afkomst. Twee keer hoorden we: ik weet niet waar gij vandaan komt. Weet ik, weten wij waar wij vandaan komen? Gedragen we ons hier naar? Als het een wonder ik dat ik besta, waarom leef ik dan in een sleur? Als een mysterie aan mijn wortels ligt, waarom laat ik me dan beheersen door het zeker willen weten? Als u, als ik een geschenk ben, waarom doe ik dan zo weinig of geen moeite dit geschenk uit te pakken? Waarom ben ik niet benieuwd naar wat in jouw verpakking zit en help jou zo,jou zelf uit te pakken? Wie zichzelf, wie anderen recht doet, dus het beeld van God dat in ons schuilt naar bovenhaalt, doet God recht. In haar, in hem zal God aan het woord komen.
Tot slot nog even terug naar die dringende oproep aan ieder van ons: “Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen,”. We worden opgeroepen tot onze laatste ademtocht te leven, alsof we niet binnen zijn. We zijn niet binnen. Denkt eraan: er zijn laatsten die eersten zullen zijn.

22e zondag door het jaar: Sirach 3,17-29; Lucas 14,1+7-14
29 augustus 2010, André Lascaris

Wanneer gasten onze eetkamer binnenkomen, vragen zij: ‘waar kan ik gaan zitten? Hebben jullie vaste plaatsen?’ En wij roepen dan als in koor: ‘neen, we hebben geen vaste plaatsen, u kunt overal gaan zitten.’ Zo doet u dat waarschijnlijk thuis ook, zelfs als u in feite wel altijd op dezelfde plaats aan tafel zit.
Het gaat vandaag over ‘een plaats hebben’. Jezus heeft kennelijk daarover een paar opmerkingen gemaakt, maar Lucas wist niet meer in welke samenhang. ‘Bij een bruiloft’, zegt Jezus – en we moeten natuurlijk denken aan de bruiloft tussen God en Israël en tussen God en ons, mensen. Lucas heeft vooral gedacht aan zijn situatie, die van de nog heel jonge kerk. De genodigden zijn hier eerder de vroege christenen dan de tijdgenoten van Jezus. Lucas moet dezelfde ervaring hebben gehad als Paulus die in 1 Kor 11,33 schrijft dat de leden van de kerk, op elkaar moeten wachten, wanneer zij gezamenlijk brood breken. De laatkomers zijn vaak de mensen die bij anderen in dienst zijn, ze zijn niet zo rijk. Ze zitten niet op de belangrijkste plaatsen. En de brief van Jacobus klaagt erover dat de rijken de goede plaatsen krijgen en de armen mogen blijven staan. (Jac. 2, 1-7)
Ik geloof dat deze kwesties in onze kapel geen grote rol spelen, maar voor ons, die sterk individualistisch zijn, is ‘een plaats hebben’ wel heel belangrijk. U herinnert zich misschien nog de preek van H. Oosterhuis bij de begrafenis van prins Claus: hoe hij vertelde dat de prins naar de uitzending keek van Koninginnedag, en toen volmondig kon zeggen: ‘ja, zie je, dat is mijn plaats’. Jonge mensen zijn heel actief op zoek naar een plaats, en dat zoeken doen ze zonder een beroep te doen op traditionele instellingen als de kerk. Ieder van ons zoekt een plaats in het leven.
Een thuis hebben, er te mogen zijn, een plaats waar je jezelf kunt zijn. Een woning waarin je je kunt terugtrekken en een scheiding kunt maken met een wereld waarin je vooral als een functionaris wordt gezien. Daar is de vraag: ‘hoe functioneer je’? En je functioneren wordt vergeleken met het functioneren van een computer. Op je eigen plaats is de vraag ‘wie ben je, hoe ben je?’ Die is een binnenwereld, een plaats van geborgenheid, waarin je intimiteit kunt beleven met anderen. Een plaats waar we gastvrij willen zijn en anderen willen ontvangen, niet omdat het moet, maar omdat we willen delen met anderen wat we bezitten.
Je kunt proberen een dergelijk plaats te veroveren, en dan streef je natuurlijk naar de betere plaatsen. Maar een dergelijk plaats wordt ook door anderen begeerd. Je leven wordt dan een slagveld, je botst steeds op mensen die jouw plaats willen innemen en bij je pogingen hoger op te komen, veranderen vele mensen in even zovele blokkades.

Je kunt beter op de laatste plaats gaan staan. Die plaats wil niemand. Maar eigenlijk is dat een plaats van belofte. Je staat daar in afwachting. Je bent iemand die luistert. (Sirach,3, 28) Doordat jij niet mee doet met het slagveld, maar luisterend aanwezig bent, straalt er van jou rust uit. Die rust, die vrede, is welkom. Altijd zal er dan iemand zijn die je een hogere plaats toedenkt. ‘Vriend, ga hoger op’. Ik denk dat die hogere plaats niet hoger is, omdat de stoel beter is, of meer versierd, of dichter bij de bruid en bruidegom staat, maar die plaats is hoger omdat die je door anderen wordt toegewezen en je van harte gegund wordt. De hogere plaats is de plaats die je van harte gegund wordt. Een betere plaats is er niet. Wanneer we worden geboren, wordt ons tegelijk een plaats aangewezen, meestal gelukkig van harte. Wanneer in ons leven anderen geen respect voor ons hebben en ons geen plaats onder de zon gunnen, worden we diepgaand verwond.
Je kunt die plaats die je van harte gegund wordt weer veranderen in een uitgangspositie om nog hoger op te komen – dat loopt altijd op een mislukking uit. Je kunt je plaats verwaarlozen en er een puinhoop van maken. Je kunt tot je plaats, tot jezelf, alleen maar mensen uit dezelfde omgeving uitnodigen, die jou op hun beurt weer uitnodigen. Netwerken! Je raakt dan terecht in eindeloze cirkels van ‘ik geef jou wat, opdat jij mij iets van dezelfde waarde geeft’. Je raakt opgesloten; jouw plek wordt eerder een gevangenis dan een woning waar je jezelf kunt zijn en die je graag wilt delen met anderen.
Ieder van ons zoekt individueel een plaats zoals prins Claus. En de goede plaats moet je gegeven worden. En gezamenlijk staan we voor de vraag hoe geven wij hen die van elders komen, met name de moslims, een plaats in ons midden? Ik denk niet dat ik hier en nu daarop een antwoord heb. Welke plaats geven we aan hen, en welke plaats geven zij aan ons? Kun je wel van te voren vaststellen,wat de grenzen en de openingen in die grenzen van hun plaats zijn? We kunnen alleen proberen om op bescheiden wijze luisterende mensen te zijn en zo mogelijk hen mede tot onze gasten maken.
Hoe geven we de armen en gehandicapten een plaats? Ook voor hen geldt dat wij ze tot onze gasten moeten rekenen.
U bent allen van harte uitgenodigd bij deze viering. Hier is God zelf onze gastheer .In de Joodse traditie wordt God vaak ‘dé plaats’ genoemd: ‘hamakoom’. Hij verandert deze plaats tot zijn plaats, maakt het een ‘makoom’, een Mokum, waar voor ieder van ons een plaats, een woning is. Vrienden, ga hoger op, God zelf wil jouw plaats zijn.

23e zondag door het jaar: Wijsheid9,13-18b; Lucas 4,25-33
5 september 2010, Ernst Marijnissen OP

“Jullie zijn het zout der aarde”. Ik vind dat een verrukkelijke uitspraak van Jezus. Ik ken geen kortere en bondiger beschrijving van de kerk, die Jezus voor ogen staat. Zout is smaak makend en bederf werend. Stel je voor dat je het eten zo toebereidt dat alles naar zout smaakt. Daar moet je toch niet aan denken! Je moet het juist niet proeven. Het geheel van het voedsel moet smaakvol zijn. Zout is daarbij een hulpmiddel. De kerk moet in onze samenleving zijn als zout. Het moet helpen de mensengemeenschap smaakvol te maken. Stel je voor dat onze wereld alleen maar naar kerk zou smaken. Ook daar moet ik niet aan denken! Wie goed toeziet in de wereld van vandaag zal zo zijn vragen hebben bij het zoutgehalte dat Jezus bedoelt. Daarom zegt hij ook: “maar als zelfs zout flauw wordt, waarmee moet je het dan kruiden? Op het land kan het niet terecht en op de mestvaalt ook niet: ze gooien het weg!”. En er is de laatste jaren wat weggegooid!
Welk land bedoelt Jezus eigenlijk als hij zegt dat het smakeloos geworden zout niet op het land terecht kan? In veel Toraverhalen verwijst het land (ha’arets) naar het volk van God. Het land is de plek waar de vrienden en vriendinnen van God hun sporen trekken over de aarde, waar hun voeten staan en gaan om in woord en daad de blijde boodschap aan te kondigen en vorm te geven. Dat volk zijn wij. Dat volk heeft zich gebonden aan de tien goede woorden, die de Levende vanaf de Sinaï heeft doen klinken én aan de uitleg daarvan in de boeken, verhalen en gezangen van de Schrift. Horen en doen. Horen naar de Stem en de getuigenissen van de Schrift, en steeds opnieuw het gehoorde dagelijks vorm geven binnen het reilen en zeilen van onze wereld en je eigen mogelijkheden. Dat is onze roeping, maar tegelijkertijd ons probleem.!
Goede dingen hóren is namelijk iets anders dan goede dingen dóén! Uit de evangelies, die ons zijn overgeleverd, mogen we afleiden, dat Jezus onderricht gaf op een manier, die voor zeer veel mensen verstaanbaar en goed te volgen is. Zij voelen zich aangesproken. Ze voelen zich opgenomen door woorden en tekens in een wereld, die hun hoop geeft op betere tijden. Jezus sprak hun taal. In het openingslied zongen we vanmorgen: “Hoort hoe God met mensen omgaat”. Die ervaring moeten de scharen van het evangelie hebben ondergaan.!
Maar woorden en tekens vragen om daden. Daarom zegt Jezus: wie naar mij toekomt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven durven afwijzen; anders kan hij geen leerling van mij zijn. Het is dus goed om naar Jezus te horen. Het is nog beter om te doen zoals hij heeft gedaan.!
De taal, die hij gebruikt om dat doen te onderstrepen klinkt behoorlijk hard. Wie een leerling van Jezus zijn wil moet kiezen. Dat wordt in krasse beelden en in twee korte gelijkenissen nader toegelicht. Als het je als leerling van Jezus zou overkomen - en daar zit je natuurlijk niet op te wachten - dat je moet kiezen tussen de trouw aan Jezus aan de ene kant én foute of slechte inzichten of daden van je ouders, kinderen, broers en zussen aan de andere kant, dan moet je voor Jezus durven kiezen.!
Als het er op aankomt moet je rekening houden met de mogelijk¬heid, dat je een kruis te dragen krijgt. Zo'n kruis bestaat dikwijls hierin dat we afstand hebben te doen van dingen en rechten, die ons toekomen, en niet van zaken en  gedragingen, die niet deugen. Want in het laatste geval dien je er altijd afstand 

van te nemen. Wat niet deugt moet je niet doen! Als we datgene, wat ons in normale omstandigheden toekomt, prijsgeven of ons laten ontnemen omwille van het koninkrijk van God, is dat te vergelijken met het opnemen en dragen van een kruis. Heel wat vrienden en vriendinnen van God hebben dat in hun leven voor de Heer ondervonden. Opkomen voor het recht van de zwakken, je verweren tegen het bedriegen en manipuleren van je medemens of jezelf zijn mooie woorden, maar aan die woorden vorm en inhoud geven en ze óók nog volbrengen eist veel inzet. Het kost ons energie en vraagt om volharding. De last wordt dan als het dragen van een kruis.
Jezus vergelijkt het kiezen voor zijn weg met het bouwen van een toren. Dat is een kwestie van goed rekenen en het aankopen van de juiste materialen. Als je de kosten te laag hebt geraamd kun je het bouwwerk niet voltooien. Zoals de mensen de slechte bouwheer zullen nawijzen, zo zullen de mensen dat ook doen met de slechte leerlingen van Jezus.
In een tweede gelijkenis wordt het kiezen voor Jezus vergeleken met een koning, die een andere koning wil bestrijden. Is zijn leger wel sterk genoeg? Kan hij de soldij blijven uitbetalen als hij zijn leger moet uitbreiden? Zo niet, dan stuurt hij - als hij wijs en verstandig is - het aan op onderhandelingen.
De beide vergelijkingen leren ons dat we goed moeten nadenken als we Jezus willen volgen. De kern van dat nadenken vat hij in één zin samen: ieder van jullie moet afstand doen van alles wat hij bezit, anders kan hij geen leerling van mij zijn. Beschouw alles wat je hebt en kunt nooit als je persoonlijk bezit. Pas dan kun je delen met anderen en samen gelukkig worden. Voor wie zijn weg wil gaan geldt dubbel en dwars het gezegde: bezin eer je begint!
Maar dat is nog niet alles. Jezus volgen wil niet zeggen dat je dus alleen goed moet doen en nooit mag falen. Dan kun je er beter niet aan beginnen. Aan zo’n eis kan geen mens volledig beantwoorden. Heel de heilige Schrift leert ons daarom dat met de keuze voor Jezus ons een kostbaar geschenk wordt mee gegeven. Al vallen we nog zo vaak en gaan we doorlopend onderuit, er is altijd een weg terug dank zij het talent van de vergeving. Wie God aanroept om vergeving en zich verzoent ontvangt de mogelijkheid van een nieuw begin. De voorwaarde om geheeld te worden is wel, dat wij elkaar zullen vergeven zoals de Eeuwige doet aan ons. De weg van Jezus gaan kun je niet alleen, al heb je een eigen verantwoordelijkheid. Daarom hebben wij elkaar nodig. We zijn elkanders hoeder. Mensen, die samen door het leven willen gaan weten daar alles van, of zij nu in een leefgemeenschap of met zijn tweeën zijn. Misschien zijn we juist daarom het huwelijk geleidelijk aan als een sacrament gaan beschouwen. Een heilig teken van verbondenheid, niet alleen tussen God en zijn volk maar ook tussen man en vrouw. We hebben daarbij de Heilige Schrift aan onze zijde. Veel verhalen vertellen ons hoe mensen hebben geworsteld met hun trouw aan het verbond, over vallen en weer opstaan, over verwijdering en verzoening. Zo is het ook gesteld met hen, die de weg van Jezus proberen te volgen. We kunnen verdwalen of zelfs geheel van de weg afwijken, maar terugkeer blijft altijd mogelijk daar waar mensen elkaar van harte kunnen vergeven. Die terugweg kan worden ervaren als het dragen van een kruis. Van Jezus leren we dat juist die last ons bevrijdt.

24e zondag door het jaar: Exodus 32,7-14; Lucas 15,1-32
12 september 2010, Paul Minke OP

Een wonderlijk verhaal, de eerste lezing, waarin van God gezegd wordt, dat Hij verteerd wordt door een brandende toorn en Hij het volk met onheil dreigt maar dan zich laat ver-bidden door Mozes en toen afzag van het dreigende onheil. Maar we hebben het hier dan ook over de God van het Verbond, over wie wij niet anders dan heel menselijk kunnen en mogen spreken en hebben we het niet over de god van de filosofen, die over God zeggen, dat Hij almachtig is, alwetend, alomtegenwoordig, onbewogen Albeweger, enz., woorden, begrippen, waar je noch koud noch warm van wordt. Van de God van het Verbond zeggen de Schriften op vele plaatsen, o.a. tot Mozes, dat Hij een barmhartige en medelijdende God is, lankmoedig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht. uitspraken die hoop geven, woorden waar je wel koud en warm van wordt. Zo bewees God zijn genade en barmhartigheid aan zijn volk in de woestijn, een ervaring, die het mogelijk maakte staande te blijven bij alle tegenslag. God laat zich verbidden. Onze ontrouw is, God zij dank, niet rampzalig.
Een ervaring, die Jezus zo diep in het hart besloten lag, dat hij in een paar prachtige gelijkenissen de farizeeën en schriftgeleerden mild en barmhartig terecht wees. Zij hadden nl. gemord, dat Jezus tollenaars en zondaars van allerlei slag ontving. Jezus begint: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één verliest.” Deze aanhef was al voldoende om de herinnering op te roepen aan Ezechiël, tot wie aldus het woord van de Heer gericht was: “Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israel, profeteer en zeg hen: “Zo spreekt de Heer God, Wee de herders van Israel die zichzelf weiden. Moeten de herders van Israel niet hun schapen weiden? Het zwakke dier geeft u niets om aan te sterken. het gewonde dier verbindt u niet, het verdwaalde dier brengt u niet terug en het verloren dier zoekt u niet.” Jezus vervolgt: “Wie laat niet de negenennegentig achter”,. Ja, wie niet? Of: Wie wel? Jullie soms? Morrende farizeeën en schriftgeleerden? Een gewetensvraag voor wie echt horen wil. Toen en nu. Zij, die geroepen zijn om leiding te geven aan wie in het Verbond van God staan, zij dienen allereerst herders te zijn, mild en barmhartig als de hemelse Vader, ja zelf het hart van de Vader te hebben, die van al zijn kinderen houdt en oog hebben voor de zondaars en hen niet afschrijven voor het Koninkrijk van God.
Hoor opnieuw, gaat Jezus verder: Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: “Vader geef mij mijn deel van de erfenis.” De vader doet wat zijn zoon vraagt. Hij geeft hem zijn deel. Onvoorstelbaar dat de vader zijn vaderlijk gezag niet liet spreken. Maar nee, hij zwijgt, tracht hem niet vast te houden, hij laat hem gaan met zijn deel. De parabel laat in de vader zien hoe God met mensen omgaat, met u en mij. Hij laat ons volledig vrij, heeft respect voor onze eigen eigenheid en vrijheid. Het is de uiterste consequentie van een onvoorwaardelijke

 liefde voor de ander. Liefde dwingt niet, legt niet de eigen wil op aan de ander. Liefde eist niets, maar schept ruimte voor de ander om te zijn die hij wil zijn, in alle vrijheid, zelfs als hij mogelijkerwijs een weg gaat, die hem niet gelukkig zal maken.
Zo vergaat het ook zijn jongste zoon, die, dronken van zijn gekregen vrijheid, zijn erfdeel verkwistte en hij tenslotte met lege handen kwam te staan, berooid, hongerig, in den vreemde aan wie zelfs varkensvoer ontzegd werd. Kun je nog dieper vallen? Kan je leven nog uitzichtlozer zijn, hopelozer?
Wat hem nog rest is de herinnering aan zijn Vader, aan het leven met hem. Maar kun je wel hem onder ogen komen, gezondigd als je hebt tegen hem? Mag je er wel op rekenen, dat hij je vergeeft en in genade aanneemt? Hij herinnert zich zijn liefde, die groter is dan het leed de Vader aangedaan.
Hij keert terug naar zijn Vader. Hij zal zeggen: “Vader, ik heb gezondigd. Ik ben niet waard uw zoon te heten. Behandel mij als uw knecht.” Maar zover kwam het niet. Op het zien van zijn zoon in de verte werd de Vader ontroerd, snelde naar hem toe, viel hem om de hals en kuste hem. En hij zei: “Viert feest, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden.” Gods barmhartigheid kent geen grenzen. Zijn liefde is onvoorwaardelijk. Zijn liefde gaat ook uit naar tollenaars en zondaars, de slechteriken.
De oudste zoon dacht er anders over. Hij voelt zich miskend, teruggezet, hij, die zijn vader trouw heeft gediend, dat nu vergeten lijkt. Hij doet niet mee. De oudste mist jegens zijn broer de barmhartigheid die de vader eigen is. In een poging om hem te verzoenen met zijn broer roept hij uit: “Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat ik heb is van jou. Maar bedenk: Je broer was dood en weer levend geworden, verloren en teruggevonden.”
Jezus sprak de parabel tot de Farizeeën, die de wet strikt naleven en er schande van spraken dat Jezus omging met tollenaars en zondaars. De betekenis kon hen moeilijk ontgaan. De parabel is geen veroordeling, maar een milde aansporing anders aan te kijken tegen zovele mensen, die niet aangepast zijn, vertwijfeld zijn, gefaald hebben, zonder zelfrespect, die menen God-Vader niet meer onder ogen te kunnen komen. Een aansporing, die niet beperkt mag blijven tot de Farizeeën alleen; die zo fundamenteel is, dat zij alle tijden en geslachten aangaat, Ons aangaat, die wellicht ook van tijd tot tijd niet kunnen nalaten te oordelen. Temeer, ook dat moeten we bedenken, als we heel eerlijk zijn tegenover onszelf dat wij ook meer dan eens de streken hebben van de jongste zoon, d.w.z. onze vrijheid misbruiken, ons uitleven op een niet goed te praten manier. Wij zijn allen kinderen van een Vader, die onmetelijk barmhartig is. Allen zijn wij van tijd tot tijd op zijn barmhartigheid aangewezen en op de barmhartigheid van elkaar. De enige weg, die tot verzoening leidt en vrede stichten kan tussen mensen onderling en volkeren, elkaars buren, tussen kerken diep verdeeld, tussen partijen die het niet eens zijn. Weest barmhartig zoals uw Vader barmhartig is, voor u, voor mij. Amen.

25e zondag door het jaar: Amos 8,4-7; Lucas 16,1-13
19 september 2010, Henk Jongerius OP

Wie zou denken dat er de Bijbel vooral vrome en mooie verhalen vertelt die ver afstaan van onze concrete werkelijkheid, wordt vandaag op andere gedachten gebracht. In de Bijbel gaat het vanaf de eerste tot aan de laatste regel over het leven van de mens op aarde en al wat er gezegd, geprofeteerd of verkondigd wordt, wil een richtingwijzer zijn voor wie luistert hoe waarachtig en gelukkig menselijk leven hier mogelijk is! Het gaat over ons en dat wordt dat wel heel duidelijk als wij de profeet Amos beluisteren. Hij was maar een gewone boer uit Tekoa die naar de tempel in Jeruzalem ging om zijn toehoorders wakker te schudden en hen de les te lezen hebben.
Dat liegt er niet om: hij houdt zijn toehoorders een spiegel voor als hij hen wijst op hun corrupte gedrag. Zij zijn uit op het maken van winst over de rug van arme en gewone mensen, verkleinen de maat en verhogen de prijs, of nog erger zij kopen de kleine man voor geld en de arme voor een paar schoenen. Deze manier van doen betekent de ondergang van de wereld. Daarom zegt hij dat de zon verdwijnt op klaarlichte dag en het leven op aarde onmogelijk wordt voor mensen. Daar waar wij geen recht meer doen aan elkaar en elkaar niet meer recht in de ogen zien, is het einde van de wereld nabij! De aarde is immers bedoeld om een goede woonplaats voor mensen te zijn en waar aan die bedoeling afbreuk wordt gedaan, is er geen perspectief meer voor ons.
Het is niet moeilijk om de wereld van Amos te vergelijken met die waarin wij leven: is het hier zo anders gesteld met de verhouding tussen welgestelden en mensen die van een minimum moeten rondkomen? Worden onder ons de rijken niet steeds rijker en de kleinen alsmaar armer? Hoe is het politieke klimaat in onze dagen? Wij zitten in een cirkelbeweging waar wij niet meer uit komen, een geweld-spiraal die ook onze wereld in haar greep heeft.

De rentmeester uit het evangelie is er een schoolvoorbeeld van: hij verrijkt zich aan de mensen waarover hij is aangesteld totdat hij zelf in hun positie terecht komt. En dan doet hij iets uitzonderlijks waarvoor hij door Jezus als voorbeeld wordt gesteld. Hij vermindert hun schuld en doorbreekt daarmee de spiraal. Dat hij het doet om zijn eigen positie te redden, kan wellicht een verkeerd motief lijken maar vast staat dat zij er zodoende allemaal beter van worden.
Hoe kunnen wij in onze dagen die cirkel van geweld en onder-drukking doorbreken? Door onszelf in de positie te verplaatsen van een ander, door hen recht in de ogen te zien. Dan wordt het oorspronkelijke perspectief van mensen op aarde hersteld en kan zij weer gaan beantwoorden aan haar bedoeling! Wat een wijze leermeester is Jezus eigenlijk, want hij laat ons zien dat er een weg is uit de draaikolk waarin wij gevangen lijken. Pas als wij durven kijken vanuit de ogen en de situatie van anderen mensen zullen wij een nieuwe weg kunnen vinden en bouwen aan een rechtvaardige samenleving. De boerenwijsheid van Amos zou ons jaloers moeten maken! Wanneer wij dezelfde moed opbrengen als hij en de slimheid van die rentmeester tot de onze maken, zal er weer licht gaan schijnen voor mensen. Het is het vriendelijk licht van God die zijn zon laat opgaan over goeden en kwaden en ons tijd van leven geeft. Wie durft te leven in dat licht zal de vreugde van leven smaken en dankbaar zijn voor elke dag die ons geschonken wordt. De wijsheid van de Meester uit Nazareth moge daartoe ons richtsnoer zijn: hij maakt ons vrije mensen! Dat ik deze wijze Leermeester 50 jaar als dominicaan temidden van mijn broeders heb mogen volgen en verkondigen, stemt mij tot diepe vreugde: Gode zij dank!

26 zondag door het jaar: Amos, 6,1-7; Lucas 16,19-31
26 september 2010, Antoon Boks OP

Ik durf niet te garanderen, dat de vragen die in u opkwamen bij het horen van de parabel beantwoord worden. Er zijn vele details waarover we ons vragen kunnen stellen. Bij voorbeeld: Waar kwam die rijkdom vandaan? Was het een erfenis? Had hij er hard voor gewerkt? Had hij verstandig geïnvesteerd?
De parabel zegt over die rijke niet meer dan "Jij hebt het je hele leven goed gehad". Sommige mensen schijnen te denken dat rijkdom een zegen van God is. Zijn arme mensen dan niet gezegend? De parabel zegt ook niet dat de rijke man slecht was; dat hij zijn personeel slecht betaalde waardoor hij rijk geworden was. Wat had hij gedaan om te rechtvaardigen dat hij pijn moest lijden? Misschien was het wel, dat hij niets deed voor die arme man aan zijn poort. Hoeveel keer ging hij langs die man en de honden en zag ze niet zitten? De rijke man deed niets verkeerds, tenminste dat staat niet in het verhaal. Hij sloeg alleen maar geen acht op de man die op zijn stoep zat en dat zorgde er misschien voor dat hij aan de andere kant van die diepe kloof in het volgende leven belandde.
Om eerlijk te zijn hebben we misschien nog een paar vragen over die andere man: Hoe werd Lazarus zo arm? Was hij te lui om iets te ondernemen? Behoorde hij vanaf zijn geboorte bij die 95% die verschrikkelijk arm was in de tijd van Jezus? Was hij blind geboren of op een andere manier gehandicapt? Had hij psychische problemen of zoals ze dat toen noemden was hij "bezeten" en in de steek gelaten door allen die hem kenden?
Het verhaal vertelt niet dat hij een heel goed mens was die zijn plaats naast Abraham had verdiend. Jezus sprak niet over de deugden van Lazarus. Eens als pastoor kreeg ik geld om te geven aan armen die het volgens de gevers nodig hebben. Maar wie kan onderscheid maken tussen arme mensen die deze hulp verdienen of niet. Denken we nog eens terug aan Mgr. Muskens over dat brood dat je mocht stelen, als je echt honger had?
Er wordt niet gezegd dat Lazarus goed, arm en edel was. Lazarus is gewoon of liever ongewoon een arme man bij de poort waar iedereen langs liep zonder hem te zien – een van die onzichtbare armen. Hij was onzichtbaar voor die rijke man, die zoveel andere en belangrijkere dingen aan zijn hoofd had. Lazarus was als een stuk behang voor die rijke man. Misschien zien we ook geen armen, of vinden we ze gewoon.
Het verhaal gaat verder en vertelt wel over hun volgend leven. Er is heel wat veranderd: zelfs grote veranderingen. Lazarus zit nu "in de schoot van Abraham." Voor een Jood kon je het niet beter hebben en de rijke werd gekweld door helse pijn. Maar iets is niet veranderd voor de rijke, zelfs nu vraagt hij dat een ander iets voor hem gaat doen. "Vader Abraham, heb medelijden met me. Stuur Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur." Hij is nog steeds die rijke man die zelfs nu Lazarus niet direct aanspreekt. Er is nog iemand niet veranderd: God is dezelfde gebleven.

Naast al die parabels van Jezus over vrouwen die deeg kneden; boeren die zaaien; landeigenaars die mensen huren voor de oogst, is dit de enige parabel, waar iemand een naam heeft. -- Dat is in onze wereld wel anders; we kennen de namen van de rijke en belangrijke mensen terwijl de armen onzichtbaar zijn en geen naam hebben--. In dit verhaal van Jezus heeft de rijke man geen naam en de arme wel. Zijn naam is Lazarus, wat betekent "de ene God helpt." Jezus herinnert ons er aan dat God niet veranderd is. God ziet de mensen die niet gezien worden. God vindt de onbelangrijke mensen belangrijk. God wil mensen helpen die door de wereld achtergelaten worden. God kent de namen van de armen en houdt van hen. De dood van die twee mannen wordt ook op een andere manier verteld. Engelen dragen Lazarus naar de schoot van Abraham; terwijl van de rijke niets anders gezegd wordt dan dat hij stierf en begraven werd. Dat was zijn einde.
Parabels kunnen schokkend zijn, als een wekker die afloopt. Die van vandaag wil ons wakker maken en vertelt ons waar het hart van God is. Het zegt dat armoede en rijkdom geen bewijs zijn dat God zijn goedkeuring al dan niet aan ons leven heeft gegeven.
Jezus zegt: Wordt wakker! Er is nog tijd. Kijk om je heen en doe wat je moet doen. De armen zitten op onze stoep en wij moeten kijken en reageren op alle mensen die onze tijd en aandacht nodig hebben. Dat kan iedereen zijn: onze echtgenoot, een zieke ouder, een buurvrouw waarvan de moeder Alzheimer of kanker heeft en ga zo maar verder.
We bidden in de Eucharistie dat Jezus ons weer zijn Geest geeft. We bidden dat wij zullen zien wie onze hulp nodig heeft en misschien zijn dat wel de mensen die we iedere dag tegen komen.
Moderne vormen van communicatie, televisie, kranten, het Internet, enz. laten ons verder kijken dan onze neus lang is. Wij zien de armen van de wereld op onze deurmat. Daarom geven we aan giro 555 of we steken misschien onze handen uit de mouwen. We zien beelden van Lazarus dichtbij tot in onze huiskamer. Daarom is ook voor ons de vraag: zien we ze? Als we ze zien, hoe reageren we dan?
Hoe behandelen we allochtonen? Wie spreekt er over de rechten van in en buiten Nederland geboren vreemdelingen? Natuurlijk is het goed om te spreken over menselijke waardigheid en zorg voor onze familie, maar iedereen is belangrijk. We kennen hun namen niet, maar de Bijbel zegt dat God al hun namen kent en dat hij naast de getroffenen staat en dat Hij verwacht dat wij hetzelfde doen. De parabel nodigt ons uit om de mensen op de drempel van onze deur te zien.
Kunnen we vandaag bidden: "Heer, open onze handen en ogen om de mensen te zien die onze hulp nodig hebben." Dan kijken we naar mensen als Lazarus. Andere plaatsen in de heilige Schrift herinneren ons aan de hongerige, de naakten, de zieken en die mensen in de gevangenis; wij zullen geoordeeld worden door de Mensenzoon voor onze daden tegenover al die mensen.

27e zondag door het jaar: Habakuk 1,2-3+2,2-4; Lucas 17,5-10
3 oktober 2010, André Lascaris OP

Begin deze week konden we horen en lezen dat er veel klachten zijn over de bureaucratie in ons land. Een onderwijzeres vertelde me iemand hetzelfde. Want behalve ouderavonden, collegiale besprekingen en de voorbereiding van het onderwijs, moeten er vaak dagelijks rapporten gemaakt worden over de kinderen. De school wil graag op de hoogte blijven wat elke klas betreft, de gemeente wil weten wat de school doet, de provincie wil dat ook weten, maar heeft natuurlijk haar eigen vragen, en op een ander tijdstuip komt het ministerie langs en wil een rapport dat waarschijnlijk in een la verdwijnt.
Die bureaucratie geldt niet alleen het onderwijs, ook de verpleging, de thuiszorg, de politie, het jeugdwerk, de psychische hulpverlening, allerlei stichtingen. Veel van die rapporten gaan over geld en hoe het besteed wordt.
Iedereen zal het er mee eens zijn dat enige controle nodig is. Mensen moeten aan elkaar verantwoording afleggen. Maar ik heb de indruk dat er teveel controle is. Aan de wortel van onze bureaucratie ligt het gebrek aan vertrouwen, het gebrek aan geloof dat mensen doen wat zij moeten doen. Er zijn mensen die zich willen indekken en met wantrouwen kijken naar hen die bij hun in dienst zijn. Ieder die zo’n rapport maakt, dekt zich in, stelt zichzelf veilig, kan beweren dat hij of zij gedaan heeft wat hij/zij moest doen. Dat geldt ook van zo’n regeringsovereenkomst; weken is er gepraat, omdat uiteindelijk er weinig vertrouwen is en dus alles op papier gezet moet worden.
De vreemde parabel die Lucas ons voorzet, heeft daarmee te maken. Die slaaf is maar eens doodgewone slaaf. Hij/zij kan nergens aanspraak op maken. Al doet die een beroep doen op wat hij gedaan heeft op de dag, hij heeft nergens recht op. Hij kan een hele boekhouding erbij halen om te laten zien hoe goed en zorgvuldig hij gehandeld heeft, het helpt hem niet vooruit. Hij heeft gewoon gedaan waartoe hij verplicht was. Lucas wil niet suggereren dat mensen slechts slaven van God zijn. In een hierop gelijkende parabel zegt hij dat de meester van de slaven, zelf hen gaat bedienen wanneer hij laat terugkomt ene hen wakende vindt. (12, 35-40)
Hij wil duidelijk maken dat je wat God betreft geen boekhouding en geen bureaucratie nodig hebt. Je kunt je niet op iets beroepen bij God. Je kunt niet eisen dat God dit of dat zal doen omdat jij veertig dagen gevast hebt, of vandaag  

zo aardig bent geweest of zoveel gestort hebt op een of ander noodfonds. Wanneer je probeert een goed en verantwoordelijk mens te zijn, dan doe je precies waartoe je geroepen bent, namelijk beeld te zijn van God en zijn liefde te vertegenwoordigen op aarde. Tegenover God kun je geen eisen of voorwaarden stellen; als jij, God, dit doet, dan doe ik dat. Of: als ik dit doe, dan heb ik er recht op dat God dat doet. Want God is degene die alles wat je bent aan je gegeven heeft. Je waarde en betekenis dank je aan God. God kun je geen eisen stellen. Dat betekent niet dat God willekeurig handelt,: laat ik nu hem of haar het leven zuur maken of juist plezierig maken. God is liefde en wil onze dienaar, vriend, helper zijn, zoals andere parables aangeven.
Een boekhouding bij God indienen, rapporten maken over je leven, een religieuze bureaucratie opzetten, ter wille van God is onzinnig. Dat niet doen is bevrijdend. Heel die last van jezelf voortdurend controleren valt weg, en hopelijk heb je ook minder behoefte anderen te controleren. Bij God een boekhouding bij houden is een gebrek aam vertrouwen.
Versterk ons vertrouwen, vragen de leerlingen van Jezus. Vertrouwen dat er een God is die een God van liefde is. Vertrouwen dat het goede het zal winnen van het kwade, vertrouwen dat ieder mens, ieder kind, iedere bejaarde recht gedaan zal worden. Vertrouwen dat er van je gehouden wordt.
Dat vertrouwen is niet gemakkelijk. De profeet Habakuk die misschien leefde rond 600 v. Chr. ziet veel onrecht om zich heen. Er is lijden. Er zijn conflicten. En dat alles duurt maar voort. Maar hij draagt dat visioen bij zich van een God die de wereld rechtvaardig maakt. De rechtvaardige mens, de gelovige mens houdt het vol dankzij zijn vertrouwen.
Blijf vertrouwen, begin met vertrouwen. Tegenover God en daarom ook tegenover mensen met wie we dagelijks optrekken en met mensen verder weg. We zullen soms of zelfs vaak teleurgesteld worden en bedrogen. Maar ik denk dat dit beter is dan voortdurend rond te lopen met wantrouwen, en tot in het kleinste toe te eisen dat er gecontroleerd wordt, dat er gerapporteerd wordt. Rapporten schrijven kan je een goed gevoel geven: zo van ‘ik vervul mijn plichten’ en ‘ik blijf van de straat’, ‘ik ben rechtvaardig’. Maar je vergeet te leven. Je raakt verslaafd aan de drukkende last van het plichtsgevoel.

28e zondag door het jaar: 2 Koningen 5,14-17; Lucas 17,11-19
10 oktober 2010, Theo koster OP

Geld en macht openen vele deuren die anders gesloten blijven. Ieder mens heeft zijn prijs; alle kennis en kundigheid is te verkrijgen, als je de weg maar weet en het geld hebt.
De Syriër Naäman leed aan een ernstige huidziekte die niet te genezen was. Van een van zijn slaven, een meisje uit Israël, had hij gehoord, dat daar een profeet woonde die hem zou kunnen helpen. Naäman had invloed; via zijn contacten kwam hij bij Elisa. Die deed niet wat hij verwacht had: voor hem gaan staan, de naam van zijn God aanroepen, over de zieke huid strijken en de ziekte wegnemen. Nee, Elisa ontving hem zelfs niet in zijn huis, liet hem via een boodschapper weten dat hij zich zevenmaal moest wassen in de Jordaan. Woedend is Naäman dat hij zo wordt afgescheept. Als hij op aandringen van zijn dienaren dan toch naar de Jordaan gaat wordt hij genezen. Hij gaat terug naar Elisa om hem de kostbaarheden te schenken die hij had meegenomen. Elisa weigert; hij doet dit persoonlijk, in zijn huis, en hij blijft weigeren ook als Naäman aandringt.
Het is een kostbaar en vermakelijk verhaal. Het vertelt, wat we allemaal ten diepste wel weten: wat werkelijk van belang is voor mensen, geluk, liefde, gezondheid, kun je niet kopen; in onze diepste kern zijn we kwetsbaar. Dit wil ik niet weten, en daarom ben ik zo gehecht aan geld en macht. Dit mogen we niet vergeten; daarom is dit verhaal opgetekend en horen we het vandaag.
“Zowaar de Heer die ik dien leeft, ik neem niets van u aan”, horen we Elisa zeggen. Degene die waakt over ons geluk en ons leven is niet te koop. De God van Israël is een god van alle mensen, niet speciaal voor de rijken, hoor ik. De God van Israël is een god voor alle mensen, niet enkel voor de Joden, hoor ik. De God van Israël staat open voor vreemdelingen, voor hen die niet bij Israël horen.
De God in wie Elisa gelooft en die hij dient hoef je en kun je niet naar je hand zetten. Elisa voert niet de rituelen uit die Naäman verwacht. Rituelen zijn belangrijk; zij helpen ons in onze omgang met elkaar, in onze omgang met God. Het ritueel dat Elisa Naäman aanreikt maakt Naäman kwetsbaar; hij moet zich bloot geven, al zijn macht en invloed afleggen, en zo zichtbaar maken, dat hij een kind is, geen god, een schepsel naar wie wordt omgezien. Het ritueel dat Elisa Naäman aanreikt houdt Elisa zelf kwetsbaar; het voorkomt dat hij een god wordt, dat de God van Israël van hem afhankelijk is.
De soevereiniteit van God wordt in dit verhaal benadrukt, en de soevereiniteit van de mens. Onze soevereiniteit, onze diepste schoonheid, schuilt in onze kwetsbaarheid, en zoals ik al zei: dat willen we niet weten. Ons kwetsbaar zijn …. dat mogen we niet vergeten, en daarom lezen we hier elke zondag deze verhalen.
Ook het evangelie gaat over ons kwetsbaar zijn. Tien melaatsen gaan Jezus tegemoet. Zij blijven op grote afstand van hem, zoals was voorgeschreven,

maar overbruggen de afstand door Jezus om ontferming te vragen. Op deze wijze maken zij duidelijk dat ze in hem geloven. Ook Jezus houdt zich aan de regels, raakt hen niet aan zoals hij elders doet, en geeft hen opdracht zich aan de priesters te laten zien. Melaatsheid was een dusdanig ernstige ziekte, dat bij een eventuele genezing de priester dit moest vaststellen. Onderweg genezen zij.
Slechts een van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was. Als terloops wordt opgemerkt dat hij een Samaritaan was, in de ogen van de doorsnee Jood een bastaard die niet bij hen hoorde, een vreemdeling. Deze Samaritaan gedraagt zich als een soevereine mens; hij brengt God eer. Vervolgens werpt hij zich vol dankbaarheid voor Jezus’ voeten. Deze Samaritaan erkent op deze wijze Gods nabij en werkzaam zijn in Jezus. Jezus zegt hem op te staan en: uw geloof, dat wil zeggen uw vertrouwen heeft u gered. In zijn vertrouwen is elke mens kwetsbaar; daarom sprak ik van soeverein gedrag.
Dit verhaal laat zien hoezeer het ons mensen, mensen die zich gelovigen noemen, moeite kost om werkelijk in God te geloven, op God te vertrouwen. Helder is dat de negen die niet terugkomen geen vreemdelingen zijn, dus gelovige Joden. Vinden zij het zo vanzelfsprekend wat zij ervaren, dat er geen dankjewel af kan? Maar zo vanzelfsprekend is het toch niet dat mensen van zo’n vreselijke ziekte genezen? Talloos zijn de mensen die gebukt gaan onder ziektes, ongeluk, lijden, mensen die God uit de hemel bidden, met vragen bestormen, maar geen god die reageert, laat staan ingrijpt.
Waar zijn dan de negen anderen? De god die ik straks soeverein noemde hangt niet af van zijn prestaties. Zijn soevereiniteit is juist dat hij zichzelf niet bewijst, noch zichzelf opdringt. Wil dit zeggen dat God er niet toe doet? Ja en nee. Zoals je geluk, liefde, gezondheid niet kunt verkrijgen door macht en geld, ook al is het geloof hierin uiterst hardnekkig, zo kun je geluk, liefde, gezondheid ook niet verkrijgen door God. Het geloven in zo’n god is een hardnekkig misverstand, dat oprecht vertrouwen ondermijnt en welhaast onmogelijk maakt.
De God die in Jezus’ woorden en daden opgloeit is een God, die totaal afhankelijk is van oprecht vertrouwen. Het verbaast me dan ook absoluut niet, dat zowel in het eerste als in het tweede verhaal een vreemdeling oog heeft of krijgt voor het eigene van God. Vreemdelingen zitten immers niet gevangen in gewoontes, zijn niet blind geworden door het oude en vertrouwde. Waar mensen kwetsbaar zijn, zich laten kennen zonder zich hiervoor te schamen, waar ‘ik red mezelf wel’ geen optie is, omdat dit niet kan of ik dit niet wil, ontstaat ruimte voor de soevereine God.
God is dichterbij dan je denkt. Stop dus met alleen maar te denken en open je helemaal.

29e zondag door het jaar: Exodus 17,1-13; Lucas 18,1-8
17 oktober 2010, Mies Singendonk OP

Slaapt God?
De onrechtvaardige rechter uit de gelijkenis van Jezus houdt zich slapend. Zalige onwetendheid, daar verlangt hij naar. Daarom komt hij niet naar buiten en houdt hij de deur dicht voor de berooide weduwe. Maar het lukt hem niet zich doof te blijven houden want die weduwe komt steeds misbaar maken. De rechter heeft alles te verliezen, zijn aanzien en dat van zijn familie. De weduwe heeft niets te verliezen en schreeuwt moord en brand, krabt en bonkt op de deur van zijn huis. Zit daar in zak en as en jammert.
Dit lijkt nergens op. En al helemaal niet op psalm 121 waarin bezongen wordt hoe de Schepper van hemel en aarde onophoudelijk waakt. En je bewaarder is, je volgt als je eigen schaduw. Nee, voor die weduwe moet het wel lijken of God zelf slaapt
Toch spoort Jezus ons aan vertrouwen te hebben en nooit op te houden met bidden.
En in psalm 121 komt het woord bewaren, waken wel zes keer voor. De Schepper van hemel en aarde slaapt of sluimert niet maar bewaart jou, en jou en jou. Het evangelie houdt ons voor dat biddend leven het antwoord is op het waken van de Schepper. Als wij denken dat God slaapt, dan slapen wij zelf. Wij zelf moeten wakker worden en bidden. Maar waarom moet een mens eigenlijk bidden? Waarom bidt Mozes? En waarom Jezus? Jezus en Mozes worden ons als toonbeeld van van kwetsbaarheid ten voorbeeld gesteld.
Als het volk Israel aangevallen wordt, gaat Mozes de berg op, en bidt hij. Hij neetm Chur en Aaron mee als helpers. En dan Jezus, in de hof van olijven, daar had hij toch een wonder kunnen doen om aan het kwaad te ontkomen? Maar nee, hij onthult zijn kwetsbaarheid en bidt. Gedurende de nacht, de tijd waarin de mens zich het meest kwetsbaar voelt, bidt hij. Ook hij heeft zijn kameraden meegenomen. Omdat het ze niet lukt om wakker te blijven, dringt Jezus er op aan dat zij wakker blijven en waken, en hem vergezellen in het gebed.
Schrijnend, deze kwetsbaarheid. Catharina van Siena, de Dominicaanse kerklerares uit de 14e eeuw, legt ons daar iets over uit. Wij zijn niet almachtig maar kwetsbaar. Dat is, zegt zij, omdat het Gods wil is, dat wij elkaar nodig hebben en gemeenschap worden, het samen doen.
Bidden, dat doe je samen, ookal weet je van te voren niet wat dat bidden uithaalt. Misschien wel niets. Waarom zou je er dan aan beginnen. Maar ondanks dat doen Chur, Aaron en Mozes het samen. Ze zijn bij hem en ondersteunen zijn opgeheven armen. Het is geen magisch ritueel maar het gebaar van een biddende gemeenschap.

En Jezus spoort ons aan om juist dat te doen, een biddende gemeenschap te zijn en daarin te volharden, elkaar trouw te zijn en te blijven bidden. Met de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter leert Jezus ons nóg iets: hij leert ons dat de Ene God zich niet doof houdt.
God luistert naar ons gevloek, naar de menselijke schreeuw, de menselijke onmacht en de menselijke smeekbede. De Ene troont op onze lofzangen én leent het oor aan alles wat in ons woelt. Luistert naar ons gevecht met het kwaad.
Jezus leert ons dat God niet op een dag zegt: ik heb het zo langzamerhand wel gezien met jou, schepsel. Nee, hij bindt ons op het hart dat ieder oprecht gebed aankomt. Ieder gestamel, iedere woordeloze smeking wordt aanvaard.
De woorden van Jezus leren ons ook dat luisteren en bidden bij elkaar horen. Zelfs die onrechtvaardige rechter luistert. Om van het misbaar van die vrouw verlost te worden, is hij haar ter wille geweest. Uiteindelijk heeft hij geluisterd. Zoals het is in de gelijkenis, en bij Mozes, zo is het ook bij ons, gewone mensen. En zo kan het gebeuren dat wíj zomaar een mens tegenkomen die écht naar ons luistert. Die zonder eigenbelang iets van ons te voorschijn luistert. En het met eerbied aanvaardt en bewaart.
Wij zijn elkaar tot zegen als we onze pas vertragen om met aandacht te luisteren. Dan zijn we aanwezig ín de wereld én aanwezig voor God. Dan luisteren we mee met God.
Als je je pas vertraagt en luistert naar een ander mens, dan luister je naar Gods roep. Dan zeg je: Heer, hier ben ik.

Natuurlijk is dat niet alles, we moeten ook nog gewoon werken. Er zijn mensen die gewoon met hun poten in de modder staan, iedere dag. Moeten we niet net als Jozua als krijger in het veld staan en daar de confrontatie met de horden van Amalek, met het kwaad in de wereld aangaan? Ja, maar dat doe je ook als je, temidden van onrecht, naast een ander gaat zitten, en hoort wat er voor hem of haar op het spel staat. En als je dat doet, verwijl je bij een mens en bij God.
Als wij gaan zitten, ons oor lenen en niet weglopen voor de vernederden en de naamlozen en de onzichtbaren, dan kan het zomaar gebeuren dat de de vernederde wordt opgeheven, de naamloze een naam krijgt en de vergeten mens een gezicht krijgt. Als zelfs de onrechtvaardige rechter luistert, en als wij werkelijk luisteren, dan heeft het kwaad uiteindelijk niet het laatste woord, dan zijn wij met God wakker. Dan is daar Gods koninkrijk.

30e zondag door het jaar: Sirach 35,1-18; Lucas 18,9-14
24 oktober 2010, Ernst Marijnissen OP

De korte en krachtige gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar snijdt diep in het vlees. We worden geconfronteerd met de vraag: wat is nu eigenlijk oprechte godsdienstigheid? Om het anders te zeggen: wat is het enig aanvaardbare uitgangspunt voor de godsdienstige mens?
Het begin van de gelijkenis helpt ons op weg. De farizeeër, de vrome mens, kent zijn zaakjes. Hij weet hoe je God behoort aan te spreken, welke regels er onthouden moeten worden om God tevreden te stellen. Hij erkent leergezag en leerstellige uitspraken, kortom: hij weet zich gerechtvaardigd. De tollenaar verschilt hemelsbreed van deze vorm van godsdienstigheid. De tollenaar klopt zich op de borst en zegt: God, kom mij te hulp, ik ben een zondig mens.
De eerste mens vertelt God hoe alles in elkaar steekt en hoe hij daar correct mee omgaat. De tweede mens roept enkel om Gods armhartigheid, om bevrijding. Zo lijkt hij op het volk, toen het in Egypte werd onderdrukt. Daar schreeuwde het naar de hemel omhoog en smeekte om uit de slavernij te worden bevrijd. En we horen daar, hoe God dit roepen verstond, hoe Hij omzag naar de neergebogenen en trouw was aan de band met Israël. En toen het volk eenmaal uit Egypte was geleid en aan de voet van de berg hoorde naar de tien goede woorden van het verbond, klonk vooral die ene zin, die aan alles voorafgaat: ik ben de Aanwezige, jullie God, die jullie heeft bevrijd uit Egypte. God is de bevrijder bij uitstek. Die gedachte, die gelovige overtuiging, is de enige basis voor de godsdienstige mens. Zolang wij blijven roepen om bevrijding en ontferming, bevinden we ons op de goede weg. Elke andere weg wordt op den duur een dwaalweg. Op die weg denken ze: wij zijn bevrijd.
Je hoort wel eens zeggen: de slaaf van gisteren wordt de onderdrukker van morgen. Dat is ook wel te begrijpen. Zodra het juk van slavernij en verslaving van ons afvalt en we onze eigen zaken kunnen regelen, nemen we de manieren van hen die zelfstandig en onafhankelijk zijn over. We willen alles doen en bezitten wat onze voormalige onderdrukkers deden en bezaten. Dan duurt het niet zo lang of we gaan vergeten, niet alleen dat God ons eens hééft bevrijd, maar vooral dat we die bevrijding blijvend nodig hebben. Een mens te zijn op aarde is levenslang geboortepijn, zegt het lied. De mens valt altijd wel wéér eens ten prooi aan een nieuwe verslaving. Er is altijd bevrijding nodig. God daarentegen verandert en blijft een bevrijdende God. Hij is zonder ophouden doende ons uit een duister en onderdrukkend bestaan uit te leiden en te bevrijden. Daarom bidt de tollenaar om bevrijding en blijft dat doen. Hij ervaart dat een mens altijd weer bevrijd moet worden. Daarom laat niet de Farizeeër maar de tollenaar ons zien waarin de ware godsdienstigheid bestaat. De Farizeeër bidt tot het beeld van God, dat volgens hem correct is. De tollenaar roept: 'Kyrie eleison', zonder zich iets te verbeelden. De Farizeeër voldoet aan een religieuze verplichting. De tollenaar stelt zich bescheiden op voor de Tegenwoordigheid. Daarom zegt Jezus van hem: ik verzeker jullie dat deze man gerechtvaardigd naar huis afdaalde.

Het leven van de Farizeeër en de tollenaar spelen zich af in twee werelden, in twee verschillende werkelijkheden. Daar is de wereld van de chassidim, de vromen, waartoe de farizeeërs zich rekenen. Ze leggen zich erop toe om de uitleggingen en de regels, die uit de Tora voortkomen, nauwgezet in praktijk te brengen en te vervullen. Dat kost veel energie en je kunt er de dag geheel mee vullen. Onder hen zijn er, die geleidelijk aan gaan neerzien op allen, die minder nauwgezet met de Tora omgaan. De vrome acht zich een tsaddik, een rechtvaardige, want hij vaart recht door de zee van geboden en voorschriften.

De Farizeeër beschrijft zijn voortreffelijkheid door zich te vergelijken met anderen zoals de tollenaar. Voldaan dankt hij God voor zijn vroomheid. Wat hij onder anderen aanricht ligt buiten zijn interessesfeer. Hij leeft in een eigen wereld, welke gekenmerkt wordt door een gestructureerde godsdienstigheid. Hij houdt van regels en riten, maar niet van mensen!
De tollenaar weet uit hoofde van zijn beroep, dat het moeilijk is oprecht te leven, als je verkeert in de wereld van het geld. Corruptie, verrijking, oplichting, halve waarheden en bedrog komen dagelijks op je weg. Zo wordt de tollenaar, een ambtenaar van de belastingsdienst, geconfronteerd met de strijd om het bestaan en de zucht om je aan die harde realiteit te onttrekken. Zijn weg is niet altijd de weg van de Tora. Daarom bidt hij vanuit zichzelf en niet door zich met anderen te vergelijken. Hij is geen vrome, maar een realist, en komt er voor uit. Hij weet wat hij onder anderen aanricht. Daarom zegt hij niet, dat hij zich met God wil verzoenen, maar vraagt hij aan God of Deze zich wil verzoenen met hem. Hij heeft tegenover God geen been om op te staan en weet dat.

De gelijkenis is ook een schets van twee manieren van kerk zijn. Er is een kerk, die zich door God weet geroepen. Ze heeft zijn openbaring, en het leergezag waakt over de juiste uitleg van de bijbel, behoedt voor dwaling en verdeelt geest en genade overeenkomstig de plaats, die een christen in de kerk inneemt. Ze staat voor God en beschrijft haar voortreffelijkheid door te wijzen op de boosheden van de wereld. Voldaan dankt zij God daarvoor. Dat ze anderen beschadigt komt niet in haar op.
Er bestaat ook een meer bescheiden vorm van kerk zijn. De kerk weet zich geroepen tot dienstbaarheid en het opkomen voor het kleine en kwetsbare. In de eerste lezing zegt Jezus Sirach: God is niet partijdig ten nadele van de arme en Hij luistert naar het gebed van de ontrechte. De kerk slaagt daarin meer of minder. En ze faalt daarin meer of minder. Ze strompelt achter Jezus aan en went maar moeilijk aan het volbrengen van haar opdracht. Ze weet, dat in haar midden geen enkele vorm van menszijn ontbreekt. Van zeer goed en moedig tot zeer slecht en verwerpelijk is in haar schoot aanwezig. Zo'n kerk staat bescheiden voor haar God. Ze is zich ervan bewust schuldig en overspelig te zijn. Ze weet nu al, dat ze weer tekort zal schieten en heeft weinig om God aan te bieden: de handen zijn leeg. Daarom smeekt ze God of Deze zich opnieuw met haar wil verzoenen. God, zegt ze, wil je nog steeds met ons verder? Ze praat zich niet schoon door beschuldigingen jegens de samenleving te formuleren. Ze ziet naar zichzelf, volslagen afhankelijk van Gods barmhartigheid, want ze weet dat ze anderen verdriet doet.

Tenslotte leven de farizeeër en de tollenaar in ieder van ons. Voldaanheid en inzicht wisselen elkaar af in de kern van ons wezen. We kennen de zelfgenoegzaamheid én de wijsheid, de verblinding én de zelfkennis, de trotse kerkganger én de kleine strompelaar. De eerste ziet naar zichzelf en heeft nauwelijks oog voor het leed, dat aan anderen wordt berokkend. De tweede is ervan op de hoogte, dat anderen worden gekwetst, verwaarloosd en machteloos gemaakt. 'God, mijn handen zijn leeg, nog steeds. Ik heb jou niets anders aan te bieden dan vuile handen. Wil je toch met mij verzoenen.'
In alle gevallen gaat de tweede gerechtvaardigd naar huis. Voor de zoveelste keer heeft God onze kromme wegen recht getrokken. Als we dat beseffen zeggen we: God zij dank!

31e zondag door het jaar: Wijsheid 11,23-12,2; Lucas 19,1-10
31 oktober 2010, Antoon Boks OP

Ik hoef u niet uit te leggen wat tollenaars voor mensen waren. Zij kochten het recht om belasting te heffen van de Romeinen en haalden dat dan dubbel en dwars terug van de gewone mensen. Zij waren van alles op de hoogte en wisten hoeveel ieder verdiende en dus ook hoeveel ze konden vragen aan belasting. Daarom was Zacheus niet geliefd. Misschien hadden de mensen elkaar wel aangestoten en gezegd: “Kijk eens naar die gekke vent, hij is weliswaar rijk, maar maakt zich belachelijk”.
Toen Jezus Zacheus zag, stond hij stil. Voor Jezus had hij een nette man in een mooi pak kunnen betekenen. Of minder positief een verrader van zijn volk. Natuurlijk kon Hij in hem ook zien wat de andere mensen zagen – iemand die zichzelf voor gek zet.
Maar waarom klom Zacheus eigenlijk in die boom? Hij wilde wel eens zien wat Jezus voor iemand was. En... daarom stopte Jezus. Zacheus was een zoeker: hij kwam naar Jezus kijken.
Misschien wilde Zacheus wel eens zien of Jezus iets had wat hij zocht. Wat zocht hij eigenlijk...? Was hij zijn eigen manier van leven moe? Had hij geen zin meer in zijn rijkdom en in alles wat hij daarmee kon kopen, want laten we eerlijk zijn hij had geen prettig leven. Hij werd niet gerespecteerd door zijn buren. Het kan best zijn dat zijn familie uitgescholden werd. Zo in de trant van: “Daar heb je de vrouw en kinderen van die verdomde tollenaar”. Hij wist natuurlijk ook wel, dat hij rijk was geworden door kwalijke praktijken tegenover de mensen om hem heen. En heel wat mensen dachten dat hij zich ook afgekeerd had van God, want hij hielp de heidenen. Hij was rijk, maar was geestelijk failliet. Daarom probeerde hij uit te vinden wat Jezus voor iemand was.
De plannen van Zacheus waren misschien niet volmaakt. Maar we hoeven niet volmaakt te zijn om Gods aandacht en bezorgdheid op te wekken. En waarom bleef Jezus stilstaan; was er misschien ongenoegen en pijn te lezen op het gezicht van Zacheus? Of was het toch nieuwsgierigheid. Zag Jezus haat en boosheid op de gezichten van die andere mensen? Kennelijk had Zacheus geen berouw (hij vroeg ook niet om vergiffenis), toch hield Jezus stil, gaf hem een duwtje en nodigde zich zelf bij hem uit.
Waarom werden die mensen zo boos dat Jezus bij hem naar binnen ging? In de tijd van Jezus ging je het huis van een ander binnen om samen te eten; dan kwam je in een heilige privéruimte. Zelfs het huis van een arme was heilig. Vijanden kwamen daar niet binnen. Door een huis binnen te gaan zoals Jezus deed werd

 Hij lid van de familie. Als je een vijand uitnodigde om in je huis het brood te delen, een maaltijd te houden, dan was dat een gebaar van verzoening. Het betekende dat het verleden vergeven was en dat een nieuwe verhouding begonnen werd.Jezus zag die zoeker en nam de eerste stap. Hij rekende niet uit hoe goed Zacheus zich voorbereid had. Hij vroeg niet om een openbare geloofsbelijdenis of een volmaakt berouw. Jezus vulde de gaten en kwam het leven en het huis van Zacheus binnen. Vandaag is er redding gekomen voor dit huis, zegt Jezus.
Onze Eucharistieviering komt uit de traditie van het midden Oosten waar vijanden die samen aten met elkaar verzoend werden. Daar mogen we aan denken bij deze en alle andere Eucharistievieringen. Kijk maar eens om je heen en verzoen je met elkaar.
Iedereen in de familie zal er beter van worden als iemand Jezus in zijn of haar leven toelaat. We weten uit ervaring dat een gelovige in een huis het leven van iedereen in huis aanraakt. Iedere gelovige is een zegen voor ieder die in huis is.
Zacheus was niet volmaakt, er ontbrak heel veel aan zijn persoonlijkheid, maar de geest van God spoorde hem die dag aan om naar buiten te gaan en een zoeker te worden. Hij dacht dat hij Jezus zou zien. Er gebeurde veel meer: toen Jezus Zacheus zag, stopte Hij en aanvaarde hem zoals hij was; Hij kwam zijn leven binnen en ook dat van zijn hele familie.
Net zoals Zacheus hebben we ook een duwtje nodig van de Heilige Geest. Dat begon al bij ons doopsel en we hebben daarna heel wat duwtjes gekregen. Bij voorbeeld als we iemand zagen, die onze hulp nodig had, of soms alleen maar klaarstonden met een luisterend oor. Of om vandaag toch maar weer naar deze viering te komen. Misschien kwamen we op voor iemand die uitgescholden werd of niet gezien werd. Of zetten we ons als vrijwilliger in om iets te doen wat we in het begin niet eens zo leuk vonden, maar, wie weet, gingen we het nog leuk vinden ook! We hebben kracht nodig als we pijn hebben of tegenslag. Het is moeilijk, maar het lukt ons om te breken met een gewoonte, waarvan we dachten dat die niet te veranderen was en we deden het toch maar!
Ik kan me heel goed voorstellen dat er een ogenblik in het verhaal van vandaag was waarin Jezus en Zacheus elkaar aankeken. Dat kan ook ieder ogenblik met ons gebeuren. Wat doen wij als we ervaren, dat Jezus naar ons kijkt? Zoeken we Hem? Laten we tegen Hem zeggen: “Kom toch binnen. Voel je thuis. Ik ben blij dat Jij me gezien hebt!

H.Willibrord: Jesaja 52,7-10; Matteus 28,16-20
7 november, Theo Koster OP

Wat Jeruzalem was voor het Joodse volk is Jezus voor alle volkeren: een krachtig symbool dat mensen die vertrouwen niet aan hun lot worden overgelaten, verloren zullen gaan. Wie naar de feiten kijkt heeft weinig reden tot vertrouwen. De eerste lezing klinkt in een tijd dat Jeruzalem in puin ligt, en het volk van huis is weggevoerd naar een vreemd en vijandig gebied. In het evangelie is Jezus vermoord en begraven; aan vrouwen is hij verschenen, maar de leerlingen zelf hadden hem nog niet gezien. En kijk je hier en nu om je heen, dan stoot je ook op geweld, honger, natuurrampen, ziekte en ongeluk, buiten en in Nederland, in je buurt, zelfs in je eigen huis. Wie naar de feiten kijkt heeft weinig reden tot vertrouwen. Feiten stel je vast; in feiten hoef je en moet je niet geloven.
Wat de profeet Jesaja verkondigt zijn geen feiten. Wil dit zeggen dat de woorden van Jesaja daarom van geen betekenis zijn? Als ik tegen u zeg dat ik u aardig, lief vind verkondig ik geen feit. Ik kan niet vaststellen, niet bewijzen of u lief, aardig bent, maar zowel voor mij als voor u heeft het betekenis als ik zeg dat ik u aardig, lief vind. Als ik hier zeg, dat dit weekend van de groep scholieren uit Den Haag er enkelen besloten hebben, om vanavond nog hun ouders te vertellen, dat zij dominicaan willen worden, haalt het gros van u uw schouders op en terecht; dit is niet de plaats noch de gelegenheid om zoiets bekend te maken.
U zult echter niet uw schouders ophalen als u in deze verkondiging hoort, dat momenteel vele jongeren niets met kerk hebben, maar niet afwijzend zijn. U weet immers dat ik veel met jonge mensen omga en doorgaans hier geen onzin sta te vertellen. Precies daarom hebben de woorden van Jesaja voor het volk in ballingschap grote betekenis, ook al weten zij wel ter degen, dat hij geen feiten verkondigt.
Jesaja was een profeet, een door God geroepene die veel met God verkeerde. Je kon het aan hem zien dat hij kracht putte uit deze omgang. Jesaja had het volk vanuit zijn omgang met God dingen gezegd die zij liever niet hoorden, omdat het pijnlijk voor hen was of zij er zich voor schaamden. Jesaja praatte mensen niet naar de mond, hield niet van stroop smeren, en zei de mensen wat hij op zijn hart had, wat hij van binnenuit moest zeggen. Vandaag hoort het volk dat in de verdrukking en ellende zit hem praten over een vreugdebode die goed nieuws verkondigt, die tegen Sion, een andere aanduiding van Jeruzalem, zegt: uw God is koning. Voor het volk betekenden deze vier woorden, dat niet de harde feiten het laatste woord hebben, de puinhopen, de ellende die zij ervaren; dat de koning van Babel hen wel kan kleineren, maar niet kapot krijgt.

Het volk putte moed en vertrouwen uit deze woorden van Jesaja. Zij gingen niet bij de pakken neerzitten, lieten het hoofd niet hangen, voelden van binnen, in zichzelf, de kracht en fierheid zich melden, kracht en fierheid die God elke mens geschonken heeft, kracht en fierheid die niet verborgen kan en mag blijven. Tot op de dag van vandaag putten mensen moed en energie uit deze woorden van Jesaja, al zolang geleden uitgesproken en nog steeds vertrouwen wekkend.
De leerlingen hadden van de vrouwen die Jezus gezien hadden gehoord, dat ze naar Galilea moesten gaan. De berg waarover gesproken wordt zul je op landkaarten niet vinden. Deze berg vertelt ons dat we hier van doen hebben met een hoogtepunt in Jezus’ leven, een toppunt in het leven van zijn leerlingen. Wat de vrouwen vertelden klopt: hem in wie ze geloofden maar die vermoord werd, Jezus, leeft. Zijn verschijnen is geen verrassing, roept geen blijdschap of angst op bij de leerlingen, maar diep respect, en bij sommigen enige aarzeling. Jezus neemt het initiatief, neemt de afstand die door de leerlingen is ingenomen weg en treedt hen tegemoet met de woorden: mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Bij macht moet je niet denken aan spierballen, jezelf redden, de baas spelen. God en dus ook Jezus hebben daaraan geen boodschap. Met dat soort macht raak je los van God, los van jezelf, ga je verloren. Politieke en godsdienstige machten hebben Jezus een vernederende dood laten sterven, hebben geprobeerd de verbondenheid tussen God en Jezus te verbreken, maar dat is, zoals we hoorden, niet gelukt.
De macht waarover Jezus spreekt heeft alles van doen met leven, liefde, geluk, met het verbonden zijn van mensen met God en dus ook met elkaar. Als geen ander weten de leerlingen hoe Jezus met mensen omging. Hij hield van mensen, voelde zich voor geen enkel mens te groot, was anderzijds voor geen enkel mens bang, want elk mens is immers zoals jij bent, jouw zuster, jouw broeder. Voor mensen die om wat voor reden niet in tel waren, werden genegeerd, was de ontmoeting met Jezus een verademing, een kick. Bij mensen die zichzelf erg belangrijk vonden riep Jezus weerstand, angst, agressie op. Gaat dus, horen vervolgens de leerlingen; maakt alle volkeren tot mijn leerlingen door hen te dopen en te leren onderhouden alles wat ik u bevolen heb. Wat wordt hiermee bedoeld?
Jezus zelf is en blijft ons in dit leerproces nabij als een steuntje in onze rug. Soms kun je dat bijna lijfelijk ervaren, bijvoorbeeld in het eten en drinken van het brood, de wijn die Jezus ons aanreikt. We maken er ons nu voor klaar.

33e zondag door het jaar: Maleachi, 3,19-20; Lucas 21,5-19
14 november 2010, Paul Minke OP

Zie de dag gaat komen, profeteert Maleachi. Waar de profeet op zinspeelt is: de dag van de eindtijd, de laatste dag, de oordeelsdag. En ook Jezus spreekt over het einde der tijden: er zal een tijd komen. Het kerkelijk jaar loopt naar zijn einde. We vieren de eerste Voleindingzondag. De liturgie doet ons uitzien naar de voltooiing van de heilsgeschiedenis.
Jezus spreekt over schrikwekkende dingen als voorteken van de eindtijd. Schrikwek-kende dingen zien en beleven we volop. We horen ervan dagelijks. Wie staat niet de beelden voor ogen van de rampen, die Haïti heeft getroffen, van de watersnoodramp in Bangladesh, de beelden van de diepe ellende van de slachtoffers, hun nood, ar-moede, hun onderkomen, hun tranen? Wat niet te denken van het leed van de bewo-ners op de flanken van de Merapi, die zich beroofd zien van hun huizen, hun akkers, hun leefwereld, alles bedolven onder een dikke laag as van de vuurspuwende vulkaan. Voor hen die het van nabij meemaken is het een wereld die instort. Op de website van katholiekNederland las ik: De angst onder christenen in de Irakese hoofdstad Bagdad is de afgelopen dagen hand over hand toegenomen. De mensen in Bagdad zijn totaal in paniek. Nergens zijn wij veilig voor het geweld. Leren deze tekenen en zoveel andere verschrikkingen dichtbij en ver weg ons dat we onze tijd hebben te verstaan als het begin van het naderende einde? Je kunt inderdaad de indruk krijgen van onze tijd en onze wereld dat alle machten van de Boze samenspannen op alle terreinen van het leven. Corruptie alom in de politiek, in het recht, op economisch en financieel vlak. De kerk verkeert in een crisis. Gelovigen verliezen hun vertrouwen in haar leiding Dat alles lijkt allemaal zó oppermachtig, dat God het verliezen gaat. En hoe valt het zinloos geweld te keren, de onverschilligheid overal, de vernielzucht, de spilzucht, het ongeremde verlangen naar luxe, enz? En hoe de vernietiging van ons leefmilieu om te buigen? Hoe? Hoeveel conferenties daarover zijn er al niet gehouden, ook nu weer, maar echt dat geweldige probleem eens goed aanpakken is er niet bij. Kortom: bevinden wij ons niet met zijn allen op een doodlopende weg? Is er niet terecht reden tot vrees dat het met onze wereld gedaan is?
Wat Jezus zegt over de eindtijd is evenmin exacte informatie als het scheppingsver-haal een juiste wetenschappelijke weergave is over het ontstaan van de wereld en over al wat er groeit op aarde. Iedere tijd is eindtijd. Iedere tijd kent zijn verschrikkin-gen. Iedere generatie heeft te maken met valse profeten en dwaalleraren. Dat gelovi-gen, die zich inzetten voor meer recht en vrede in de wereld gevangen genomen worden, gemarteld en ter dood gebracht, dat is de eeuwen door de realiteit van de wereldkerk en de wereldgemeenschap.
De boodschap van het evangelie is niet: “Weest beangst voor dit alles.” Maar: “Weest op uw hoede, kijk uit. Laat niet je niet misleiden. Verlies de hoop niet

en je vertrouwen in God en zijn zorg niet.” Jezus is geen doemdenker, alsof alles in de wereld kommer en kwel is. Jezus is geen paniekzaaier. Hij verzet zich juist tegen iedere paniek en angst. Paniek is verlammend. Angst doet mensen verkeerde keuzes maken. Paniek doet mensen onbezonnen en blindelings achter fanatici en dwepers aanlopen. En Jezus’ oproep is juist: Hol niet achter valse profeten en dwaalleraren aan. Ga niet in op wat zij zeggen en beweren, hoe redelijk ook hun verhalen klinken, ja, zelfs de schijn hebben redelijker te klinken dan het woord van God. Volhard in wat je gelooft, volhard in je geloof in God en zijn woord ook al roepen velen en steeds meer dat geloven maar een achterlijk gedoe is. Volhard in wat je hoopt: een nieuwe wereld van recht en vrede, ook al lijkt de wereld regelrecht op haar ondergang af te stevenen. Volhard in wat je doet, wat je door je geloof wordt ingegeven, waartoe de liefde tot God en de naaste je inspireert en aanzet ook al weet je, dat de kans bestaat dat je door een ander misbruikt wordt. Volhard in de trouw aan de kerk, aan deze geloofsgemeenschap, ook al moet je tot je verdriet ervaren, dat zelfs zij niet zonder zonde is. Dat is de boodschap die Jezus verbindt aan de verschrikkingen van alle dag. En, zegt Jezus, door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.
Niettemin, velen zijn – m.i. terecht – zeer bezorgd over het lot van Gods schepping, over het trieste lot van vele mensen, die door een dal van ellende moeten gaan, over het verlies van aanzien en respect van de kerk, soms door eigen schuld. Een be-zorgdheid, die soms grenst aan angst en vertwijfeling, vooral dan, als je ziet hoe stom en kortzichtig, corrupt en inhalig mensen handelen en beslissen. Persoonlijk deel ik dat gevoel en vraag ik met hen me af: waar loopt dat allemaal op uit? Hoe te volhar-den in mijn geloof, mijn hoop, in de trouw aan mens en kerk? Ik denk eerlijk gezegd, dat we dat ook niet kunnen op eigen kracht. Onze kracht moet komen vanuit een levende relatie met God en zijn zoon Jezus, vanuit het doorleven van het getuigenis, dat we hebben ontvangen in de Schriften. Onze kracht moet komen vanuit het delen van de vrucht van elkaars geloven en hopen, van het zien, soms even, van het Rijk Gods, zichtbaar in de zorg voor elkaar, in de vrede en de liefde die we elkaar geven, in de warmte die we daarbij ontvangen. In een wereld waarin zoveel mensen lijden aan depressies, onzekerheid en moedeloosheid. In een wereld waarin mensen wor-den gemarteld, kinderen gedood, de aarde geschonden is de noodzaak van zo’n getuigenis van hoop en geloof in de toekomst overduidelijk.
Vergeet niet: Wij zijn dragers van een visioen, het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Besef wel: Het is een visioen, dat krachtig genoeg is om het op te nemen tegen valse profeten, om de dwaalleraren te weerstaan en te ontmaskeren en de doemdenkers te beschamen. Amen.

Christus Koning: 2 Samuel 5, 1-3, Lucas 23,35-43
21 november 2010, André Lascaris OP

We hebben een koningin van de Nederlanden, een koningin van Denemarken, de koning van de Belgen, een koningin van Engeland, Schotland, Noord-Ierland, Canada, Australië en Nieuw Zeeland, de koning van Thailand, en de koning van het heelal. Horen ze allemaal thuis in dit rijtje? Als U één van deze figuren uit deze rij mag weegstrepen, dan toch wel: ‘koning van het heelal’, Het suggereert dan Jezus koning is van het heelal op min of meer dezelfde manier als de andere koningen – alleen met meer land, alle land, en met meer macht, alle macht.
De tekst van het evangelie wijst in een andere richting. Het woord ‘koning’ komt van ‘kunnen’. En koning is iemand die wat kan. Jezus kan op een bepaald niveau helemaal niets; hij is vastgenageld aan het kruis. Het volk waarvoor Jezus was opgekomen, en voor wie hij brood heeft vermenigvuldigd, blijft passief: ze kijken toe. Hun leiders zijn actief en proberen het volk wijs te maken dat Jezus terecht gekruisigd is. Ze geven toe dat Jezus in zijn leven mensen gered heeft, maar laat hem nu zichzelf redden. Ze projecteren op hem een titel: ‘koning van de joden, de Messias, de gezalfde’, een ander woord voor koning, een koning van de eindtijd, ‘de uitverkorene’ zoals David. De soldaten doen hun werk, maar om zicht re rechtvaardigen herhalen ze de woorden van de leiders van het volk. Een van de misdadigers wil toch nog zich verheffen boven Jezus uit. Hij sluit zich aan bij de leiders en hoopt dat hun glans ook een beetje op hem afstraalt.
De tweede misdadiger erkent de onschuld van Jezus en zijn koningschap, en vraagt aan Jezus hem te gedenken.
Het meest onverwachte is dat Jezus positief op dit verzoek ingaat. Een schurk, een schoft, een moordenaar misschien ontvangt toekomst, ruimte om te er te zijn, hij mag met Jezus zijn. Deze eist niet dat de misdadiger berouw laat zien, en geeft meer dan waarop de misdadiger gehoopt had. Zoals in de parabel van de verloren zoon, de vader zijn zoon niet laat uitspreken, maar hem verwelkomt en feestviert omdat hij teruggekomen is. Jezus sterft niet voor de zondaar, maar neemt hem met zich mee, de dood en de verheerlijking in. Jezus doet hier wat hij zijn leven lang heeft gedaan. De meest verwerpelijke mensen sluit hij in zijn armen, en zo gaat hij in tegen de diepe overtuiging van zijn tijdgenoten en ook tegen die van ons: dat wie goed doet, goed ontmoet, en wie slecht doet, zal worden gestraft. Hij gaat zelfs in tegen de catechismus die we geleerd hebben die ons verzekert dat we eerst berouw moeten hebben voor er van vergeving sprake kan zijn. Bij Jezus gaat het vaak omgekeerd: hij sluit iemand in zijn hart en dat wekt berouw; en berouw is hier niet allereerst een soort gevoel, maar is een echte ommekeer in je leven, het is met andere ogen, met die van Jezus, naar anderen en de wereld kijken. Dat is het messiaanse, het Koninklijke van Jezus, niet dat hij zou beslissen wat er in het heelal gebeurt, maar dat hij diep ingeslepen patronen doorkruist.

 Als ons tekort gedaan is, dan verwachten wij dat de dader ons tegemoet komt en de schade herstelt. En dan zijn wij groots genoeg om de daderweer te accepteren als een medelid van onze familie, onze samenleving, onze kerk, onze kring. We gaan er vanuit dat wie zelf rechtvaardig is, ook rechtvaardigheid moeten ontvangen. En we vinden dat mensen die soms de vreselijkste dingen doen, moeten worden opgesloten en dat onze samenleving tegen zulke mensen moet worden beschermd. We moeten de rotte appelen uit de mand van de samenleving werpen. Jezus kiest partij voor deze rotte appelen. Wat is rechtvaardigheid anders dan dat je ieder geeft wat hem toekomt en dus ook straf. We moeten bepalen wie de koek krijgt, wie de gard.
Jezus, doorbreekt het verwachtingspatroon dat diep in ons is ingesleten. Jezus schept zo een geheel nieuwe toekomst en ruimte. Hij schept een nieuwe wereld. Hij schept nieuwe verhoudingen tussen mensen. Ze zijn vaak zo nieuw dat we ze eigenlijk niet goed aan kunnen, ze geen vorm kunnen geven en terugvallen in wat ons bekend is dat boontje komt om zijn loontje en dat wie goed doet, goed ontmoet. Jezus bevrijdt ons van het handelen volgens een vast patroon. Ons wordt geleerd te onderhandelen, tussen man en vrouw, tussen mensen in hetzelfde bedrijf of groep. Volgens mij kunnen we beter elkaar in het hart sluiten en dan doen wat er gedaan moet worden. Dat kan best betekenen dat je besluit dat je niet alles samen moet doen.
Daarin bestaat het kunnen van Jezus, zijn ‘koning zijn’. In de eerste lezing hoorden we dat David en de tien stammen van het noorden zich met elkaar verzoenen en besluiten één volk te worden. Verzoening en vergeving spelen zich niet alleen af in het kleine bereik van je gezin, familie, vrienden, collega’s, maar ook in de politiek en soms in de economie. Onze wereld zou er heel anders uit gaan zien als onze politici niet meer zouden afwegen, wat we kunnen inleveren en wat we kunnen binnenhalen, maar als zij – wij - voor de wereld opkomen, niet alleen voor eigen land.
Het koninklijk optreden van Jezus is niet dat hij van bovenaf gratie verleent, maar dat hij naast mensen durft te gaan staan die door iedereen worden afgewezen. Hij betaalt onecht niet met eigen munt terug. De Koninklijke weg is de ander die jou schade heeft gebracht te accepteren en te ontvangen als een mens zoals jezelf. We worden uitgedaagd de rotte appels en de zwarte schapen in ons midden op te nemen, te stoppen met onderhandelen en mensen die we ver van ons willen houden welkom te heten.
Kunnen we dat? Ik denk van niet. Maar soms stijgen we boven onszelf uit. Dan verzoenen we ons met mensen die we hadden afgeschreven. Onmachtig op het kruis, toont Jezus zijn kunnen: toekomst geven aan hen die geen toekomst hebben.