PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2010-2011 (A)

20e zondag door het jaar: Jesaja 56,1-7; Matteus 15,21-28
14 augustus 2011, André Lascaris OP

Ieder mens heeft één, meestal een paar, voorbeelden, die hem, haar, ondersteunen in het leven. Figuren die je inspireren, je op de kruispunten van je leven helpen de juiste beslissing te nemen. Vaak zijn het je moeder en je vader die je inspireren: hen volg je na. Of een onderwijzer of lerares, of iemand over wie je gelezen en gehoord hebt, inspireert je. Nelson Mandela is voor vele mensen een model van moed, voor anderen is dat Ghandi of Anne Frank of…
Het merkwaardige is dat deze mensen geloofwaardiger bij ons overkomen, als ze niet volmaakt zijn. Ze zijn geen hemelse figuren die onbereikbaar zijn, en die je niet kunt navolgen, zo perfect als ze zijn. We horen ook van hun fouten en duistere kanten, en dat helpt om hen na te volgen wanneer we hun inspiratie nodig hebben.
Jezus is ook een voorbeeldfiguur. We noemen ons zelfs leerlingen van Jezus, christenen. Voor velen is hij zo perfect dat hij geen voorbeeldfunctie voor hen heeft. Je vereert Jezus, maar je volgt hem niet na. Hoogstens volg je mensen na die zich door hem hebben laten inspireren, heiligen bijvoorbeeld.. Maar zo blijkt uit het evangelie van vandaag, Jezus was perfect in zijn verhouding tot God en tot mensen, maar ook hij was een mens die moest leren. Hij was kennelijk opgegroeid zoals de meeste Joden toen met de idee dat God hen boven alle andere volkeren had uitgekozen om zijn volk te zijn. De anderen waren maar ‘hondjes; . Hij leert van een vrouw, hij leert van een Kananese, dat uitverkoren zijn betekent een zegen te zijn voor andere volken en mensen, een licht te zijn, een wegwijzer en gids te zijn.
En zo zullen zijn leerlingen na zijn dood de heidenen opnemen in hun gemeenschap. Ze zullen van de heidenen leren dat het mogelijk is tot het volk van Abraham en Sara te horen zonder te moeten voldoen aan al die wetten die Joden probeen te onderhouden.
Jezus is niet alleen onze leraar, hij is ook medeleerling en juist als deze medeleerling is hij onze leraar. Hij leert ons leerling te zijn door zelf leerling te worden.
Het is een Kananese vrouw, zegt Matteüs. Dat woord ‘Kananees’ werd door niemand in die tijd nog gebruikt, maar de evangelist doet dat wel. Het is alsof wij onszelf Bataven zouden noemen, de Duitsers Germanen, de Fransen Galliërs, de Schotten Picten enz. Matteüs wil ons herinneren aan het feit dat van oudsher de Kananesen de grote vijanden van de joden waren geweest - met hun verschrikkelijke kinderoffers. Het boek Joshua vertelt dat Joshua – in het Grieks ‘Jezus’ - het volk van Israël binnenvoerde in het land van de Kananesen en het veroverde met veel geweld.
Opnieuw waagt zich een Jezus, een Joshua, in het land van de Kananesen, die

 vreselijke vijanden. En Jezus wordt wederom hun heer en meester, maar nu op een geheel andere manier dan bij een Joshua. Hij laat zich veroveren, hij laat zich overtuigen, hij luistert, hij wordt een leerling van de Kananese vrouw. En hij wordt degene die het kwaad verdrijft, haar dochter geneest, en hij wordt een voorbeeldfiguur voor deze vrouw. Door haar leerling te worden, wordt hij haar leraar, haar bevrijder.
Wij hoeven niet ver te reizen om onze Kananesen of Kanaanieten te ontmoeten. Ook in onze kleine stadjes en dorpen kunnen we bijvoorbeeld moslims ontmoeten, en vooral mensen die het christelijk geloof hebben opgegeven, en vaak vijandig staan tegenover christenen. Zij verwijten hen alles en nog wat. Veel is daarvan terecht - want christenen zijn maar mensen met hun kleine en soms grote fouten. Vele verwijten komen voort uit onwetendheid of omdat mensen een zondebok zoeken.
In de ontmoeting met ‘onze’ Kananesen mogen wij erop vertrouwen dat wij iets belangrijks en bevrijdends te zeggen hebben. Namelijk dat God liefde is; zodat ieder mens erop mag vertrouwen dat er van hem, haar, gehouden wordt. Dit maakt het mogelijk te leven zonder je met anderen te vergelijken, met anderen te concurreren. Je hoeft je niet groter of kleiner te maken dan je bent’. Je hoeft geen zware lasten op te nemen. Zijn juk is vriendelijk. Wat we zeggen, kan mensen genezen, hen oprichten, aan hen toekomst geven.
Maar we zeggen dat alles niet alsof we een zwaard in ons hand hebben, niet met vliegende vaandels, onder tromgeroffel en schetterende trompetten, niet met paarden en wagens of met tanks. Als wij willen vertellen dat God liefde is,dan moeten wij die liefde zichtbaar maken. Zij zal vaak de vorm hebben van bereid zijn te luisteren. We moeten de leerling worden van onze gesprekspartners, van moslims en ’seculieren’. We moeten hun pijn horen die zij geleden hebben en oog hebben voor de wonden die zij opgelopen hebben door het optreden van kerken en van individuele christenen, misschien ook van ons. We proberen dan aandacht te hebben voor hun ervaringen, hun overtuigingen, hun geloof, hun hoop en hun liefde. We leren begrip te hebben voor hun beeld van God, voor hun spirituele reis in het leven..
Alleen door zo leerling te zijn kunnen we leraar worden, en zonder het te beseffen, voor anderen een voorbeeld worden van wie kracht uitgaat die een mens kan genezen van wat hem/haar in zijn greep houdt, ziek maakt en onmachtig. We zijn niet alleen leerlingen van Jezus. Om leerling van Jezus te zijn moeten we ook leerling zijn van de wereld waarin wij leven Moge de geest van Jezus ons daartoe inspireren.

21e zondag door het jaar: Jesaja 22,1923; Matteus 16,13-20
21 augustus 2011, Henk Jongerius OP

In de kloosters van de Franciscanen kent men geen prior zoals bij ons maar een gardiaan. Dat is de man die de sleutels heeft en het zo aan zijn broeders mogelijk maakt om binnen te komen. Zo gaat van de apostel Petrus de legen- de dat hij de deur van de hemel bewaakt en erover moet waken of iemand wel of niet binnen mag komen. Dat alles berust dan op de tekst uit het evangelie die wij vandaag gehoord hebben. Op die manier heeft hij een beetje de macht van God overgenomen en dat lijkt me nogal een twijfelachtige zaak. Trouwens, de woorden uit het evangelie hebben geleid tot een plaats van Petrus die naar mijn gevoel buiten alle proporties gaat. Zo zien wij op de Sint Pieter in Rome met reuzenletters de tekst staan: ‘Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn kerk bouwen’ en die kerk is uitgegroeid tot een machtsinstituut dat zijn gelijke niet kent op heel de wereld. Is dat ooit de bedoeling geweest? Wat betekenen die ‘sleutels tot het koninkrijk’ der hemelen eigenlijk? Wij hoorden in de lezing uit de profeet Jesaja over Sebna – een soort minister van financiën en beheerder van het koninklijk paleis – dat hij uit zijn ambt wordt gezet omdat hij voor zichzelf een geweldig grafmonument laat bouwen. Hij gebruikt zijn ambt om zichzelf op een troon te zetten en daarom wordt hij vervangen door Eljakim die als koning weer een vader zal zijn voor de bewoners van Jeruzalem. Die zal de sleutels van Davids huis ontvangen, horen wij, en dat betekent dat hij moet waarmaken waar David voor staat: die is het voorbeeld van de ware koning die als een herder over zijn mensen waakt en hen leiden zal naar het goede land, naar een gelukkig leven onder Gods ogen. Zijn ambt en leider- schap hebben niets te maken met zelfverheerlijking maar met echte dienstbaarheid aan mensen.

Wanneer Petrus de sleutels tot het koninkrijk ontvangt gebeurt dat op grond van zijn belijdenis dat Jezus de Messias is, de ware zoon van David. Hij heeft dat getuigenis niet van zichzelf, niet vlees en bloed hebben dat geopenbaard maar het is hem van Godswege gegeven. Zelf is hij eenvoudig de zoon van Jona en die naam doet denken aan de nukkige profeet die eigenlijk helemaal niet Gods woord wilde verkondigen maar voor zijn roeping op de vlucht gaat. En van Petrus weten wij ook dat hij zijn Meester tot driemaal toe verloochend heeft.
De sleutels tot het koninkrijk worden in handen van mensen gelegd die tekortschieten en twijfelaars zijn maar toch geroepen worden om de gemeenschap van Jezus’ volgelingen leiding te geven. Zij zullen geen macht uitoefenen, geen praalmonumenten voor zichzelf bouwen, zich niet gedragen en spreken alsof zij God zelf zijn en heersen over mensen. De enige macht die een kerk zal kenmerken is de kwetsbare kracht van de liefde, want zij moet verwijzen naar die ene mens die de ware koning en herder voor mensen is en die van zichzelf gezegd heeft ‘Ik ben de deur, wie door mij binnengaat zal het leven vinden’. Zij die de sleutels tot het koninkrijk in handen hebben gekregen zullen anderen mogen wijzen op hem die de goede weg wijst en ons het juk van de liefde te dragen geeft.
Aan een gemeenschap van twijfelende en zondige mensen rondom zijn Messias heeft God zijn onvoorwaardelijke trouw toegezegd, niet aan een kerk die slechts bekommerd is om haar eigen gezicht en gezag en niet omziet naar de werkelijke nood van de mensen. Iemand die voor 50 miljoen beveiligd moet worden om een bezoek te brengen aan jongerendagen in Madrid lijkt niet veel op de herderlijke koning die op een ezel Jeruzalem binnenrijdt! Toch bezat hij de sleutels van Davids huis! Wie zou ze nu in handen hebben?

22e zondag door het jaar: Jeremia 20,7-9: Matteus 16, 21-27
28 augustus 2011, Ernst Marijnissen

Omwille van hen die lijden

Als mensen een langere tijd met elkaar optrekken ontstaan er na verloop van tijd bepaalde verbanden. Je leert elkaar kennen, er groeit een zekere vertrouwelijkheid en dat leidt er weer toe dat aandacht en zorg voor elkaars wel en wee toenemen en zich verdiepen. Zo zal het ongetwijfeld ook Jezus, zijn leerlingen en de vrouwen, die met hen meetrokken, zijn vergaan. De vorige week hoorden we in de evangelielezing hoe Jezus hun vroeg: wie zeggen júllie dat ik ben? Zo’n vraag veronderstelt al dat je langere tijd met elkaar bent omgegaan. De leerlingen, die door Jezus geroepen zijn en hem vervolgens achterna gingen, hebben natuurlijk aan hem moeten wennen. Zijn onderricht was anders en meer bij de tijd dan dat van schriftgeleerden, farizeeërs en priesters. Waarschijnlijk stonden ze ook verbaasd over Jezus’ openheid, zijn directheid in de omgang met kerkleiders en zijn onverschrokkenheid in het debat met kerkgeleerden. Er ging een nieuwe wereld voor hen open. De eerbiedwaardige Schriften waren ineens opengeslagen en een nieuw verstaan bood onvermoede vergezichten. Dat moet een indrukwekkende ervaring zijn geweest voor mensen, die door een vreemde mogendheid werden onderdrukt en kerkelijk gesproken leefden als een kudde zonder herder. Deze ervaring was zo diepgaand dat het antwoord van de leerlingen bij monde van Petrus verrassend zuiver was: jij bent de Messias, zoon van de levende God. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Jezus deze vraag niet heeft gesteld aan het begin van zijn optreden. Zo’n antwoord vereist begrip voor Jezus’ onderricht en een geest van vriendschap. In de Joodse gedachtewereld is de Messias een onverdachte persoon en een bron van verwachting. Ik ben ervan overtuigd dat de vraag ‘wie zeggen jullie dat ik ben’ vertrouwen en vriendschap vereist.
Petrus is dus een goede vriend van Jezus. Ze zijn zeer op elkaar gesteld. Is het dan zo vreemd dat Petrus Jezus probeert tegen te houden als de laatste zegt, dat hij in Jerusalem zal lijden en gedood worden? Maar dán lijkt de reactie van Jezus wel bijzonder hard. Hij zegt -letterlijk vertaald-: Vooruit! Achter mij! Satan! Mensenkinderen, wat een terechtwijzing! Heeft Petrus dat verdiend na zo’n prachtige belijdenis? Hij heeft met Jezus toch alleen maar het goede voor. Dat is, natuurlijk, volkomen terecht. Maar dan is er slechts één conclusie mogelijk. Hier moet iets anders aan de hand zijn dan zo maar een gesprek of een meningsverschil tussen vrienden.
In de botsing tussen Petrus en Jezus tekent zich de confrontatie af tussen twee werelden. Petrus is niet zo maar een privé persoon. En Jezus is niet zo maar Jezus. Petrus is de kerk, de kerk van toen en de kerk van vandaag. Daarom heeft Jezus gezegd: mensen, die geloven, dat ik de Christus ben, de zoon van de levende God: zij zijn degenen op wie ik mijn kerk bouw. Die mensen zijn mijn vrienden en vriendinnen als ze in hun denken en doen mijn volgelingen willen zijn. Het gaat hier dus om een gesprek tussen de Messias en zijn kerk. De botsing tussen Jezus en Petrus is dus Tora, onderricht en wegwijzer voor alle tijden, dus ook voor ons. Jezus is de Messias, want dat wordt ons na dit gesprek verhaald in het volgende hoofdstuk. Daar wordt Jezus op de Tabor verheerlijkt tussen Mozes en Elia. Hij is de Messias, die Wet en Profeten (Mozes en Elia) tot vervulling brengt. Het gesprek van Petrus en Jezus staat dus precies tussen de belijdenis van Petrus en de verheerlijking van Jezus. Petrus wordt verheven tot de kerk. Jezus wordt verheven tot de Messias.

Jezus is de Messias omdat hij Wet en Profeten doet en tot vervulling brengt. Maar dan moeten we weten wat dat betekent. Alles wat geschreven en geleerd wordt door de Schriften heeft als middelpunt en kern de Naam van God: Ik zal er zijn voor jullie. Wie zijn die 'jullie'? Dat zijn de zonen en dochters van Israël in de woestijn. Het is een volk, dat net is weggevoerd uit de slavernij. Dat volk bestaat uit mensen, die zijn misbruikt door de harde dienst in Egypte onder de dictatuur van de farao. Dit oeroude verhaal over de uittocht en bevrijding van Israël openbaart ons de grote keuze van de Eeuwige. Waar was Deze te vinden in de dagen van de exodus, de grote uittocht? Niet in de paleizen van farao en diens groten. Niet in de huizen van de opzichters en slavendrijvers. Niet onder de ontwerpers van de piramiden en de bouwers van de grote handelsteden. Hij was te vinden bij allen, die onderdrukt en vernederd werden. "Voor jullie zal Ik er zijn" is daarvan de samenvatting. Om het nog eens op een andere manier te zeggen: Ik, jullie God, kies voor jullie, zonen en dochters van Israël, als jullie kiezen voor de mensen, die sneuvelen in de strijd om het dagelijks brood, die honger lijden omdat mensen liever miljarden aan oorlogstuig fabriceren, die worden gemarteld, omdat weinigen willen heersen over velen. Daarom kiest de Eeuwige voor Jezus van Nazaret, want hij kwam voor doven, blinden, kreupelen, lammen en melaatsen. Hij is gekomen voor de machtelozen. Hij heeft zijn en onze God goed verstaan: Ik zal er zijn voor jullie. Jezus kwam omwille van hen, die lijden. Daarom is hij de Christus, de Messias geworden.
Petrus, de kerk en dus wij, zegt tot Jezus: jij bent de Messias. Met zo'n belijdenis kies je voor hem. Maar als je kiest voor hem, kies je voor allen, die lijden. Anders houden we niet van de Messias. Ik geef direct toe, dat het trouw blij¬ven aan deze keuze een zeer zware opgave is. We zullen dikwijls proberen zo'n keuze naar onze hand te zetten. Weet u nog wat we zongen deze morgen bij het begin van onze viering? “Die om mij smeekt, die ik heb afgeweerd zolang ik kon”. Het staat met zwarte letters op onze liturgie! Zo’n levenshouding kan ertoe leiden, dat we onze profetische opdracht -van Godswege kiezen voor hen, die lijden – toch uit het oog verliezen. We doden of vervolgen desnoods onze profeten, zoals Jeremia klaagt (20,7-11). Zoals het Jeremia verging is het ook aan Jezus overkomen, die moest lijden en sterven in Jerusalem, dat zich de stad van God noemt. Zo doet ook de kerk en juist dat vertelt ons de botsing tussen Jezus, de Messias, en Petrus, de kerk. Petrus belemmert Jezus om te laten zien en te begrijpen wie hij werkelijk is. Zo kan juist de kerk Jezus tot een struikelblok of een valkuil worden. We keren de bedoelingen van God om en zetten de visie van God op haar kop. Wij gooien wat God wil door elkaar. In het Grieks is dat een woord, waarvan diabolos is afgeleid. Wat Petrus doet is diabolisch, duivels, door elkaar gooiend. We maken er een potje van en de kerk wordt misvormd tot een soort roerei. Dus roept Jezus ons terug naar onze plaats: vooruit! Ga de goede weg! Ga achter mij, anders loop je de Messias voor de voeten en moeten de armen eronder lijden. Wat je zegt of doet is duivels. Vooruit! Achter mij! Satan!
Met Jeremia kunnen we uitroepen: 'soms denk ik: ik wil er niets meer van weten; ik spreek niet meer in zijn Naam'. Het is ook heel wat om de weg van Jezus te gaan. Maar God, die hart en nieren doorgrondt, weet hoe we daarmee worstelen. Daarom is ons naast de Godsnaam (Ik zal er zijn voor jullie) nog een ander schriftwoord gegeven: hoor Israël! Luister, luister en blijf luisteren! En hoe koppiger we zijn des te harder en scherper klinken de woorden van de profeten. Petrus heeft het ondervonden: achter mij, satan! Aan die profetische uithaal zullen ook wij niet ontkomen. Laten we de moed niet opgeven, ons verzet staken en met de profeet verzuchten: Jij, God bent mij te sterk. Tegen Jou kan ik niet op!

23e zondag door het jaar: Ezechiël 33,7-9; Matteus 18,15-20
4 september, Theo Koster OP

Als ik u vraag: wie bent u, vertelt u mij uw naam, en allerlei gegevens: waar u vandaan komt, wat u doet, of u getrouwd bent, naar welke school je gaat, wat je wilt worden. Interessante informatie, maar geen antwoord op mijn vraag. Over wat ik ben, wat ik heb meegemaakt, wat mij overkwam, hoe ik hierop reageerde kan ik moeiteloos een, twee, drie uur praten, maar vraagt u me wie ik ben dan kom ik niet veel verder dan mijn naam.
Wie ben ik? Laat ik die vraag tot mij doordringen, dan merk ik dat het stil wordt, een stilte waarin ik dichter bij mezelf kom. Probeer het maar, en neem het waar: naarmate je dichter bij jezelf komt, het wát je bent minder belangrijk wordt, komt er ruimte voor wie ik ben, word ik wie ik ben…. Naarmate ik meer mijzelf ben merk ik dat ik open ga, en dat ik verbonden ben.
Dit verbonden zijn is geen afhankelijkheid. Natuurlijk zijn mensen van elkaar afhankelijk, maar naarmate ik dichter bij mezelf kom doet die afhankelijkheid er niet toe, bespeur ik in mijzelf een grote vrijheid, waarin ik verbonden ben, een vrijheid die ik deel met anderen.
Dit verbonden zijn is dus ook geen vriendschap al komt het daar dichterbij. Vriendschap overkomt mij, ik kies ervoor, wij geven er vorm aan en ontwikkelen het, maar het verbonden zijn is er al; ik ontdek het naarmate ik mij verdiep, dichter bij mezelf kom. Dit verbonden zijn is fascinerend en vervult me met huiver: jij bent er omdat ik er ben…. ik ben er omdat jij er bent…. wij roepen elkaar wakker.
Dit wakker worden, jezelf zijn, verbonden zijn heeft iets kinderlijks, zoals kinderen elkaar betrekken in hun spel, zelfs al kennen zij elkaar niet, spreken zij elkaars taal niet. Zoals jullie met elkaar verbonden waren dit weekend in Onder de Pannen. Zoals wij hier met elkaar verbonden zijn.
Hier doet het er niet toe wat je bent. Hier wordt je aangesproken op wie je bent. De anderen hier zijn jouw vrienden niet; jij hebt hen niet uitgekozen, en zij jou niet. Hier zijn we met elkaar verbonden zoals zussen en broers met elkaar verbonden zijn.
De lezingen die we hoorden spreken ons aan of wie we zijn, op dit verbonden zijn. Er is ook sprake van de Levende, door Jezus aangeduid met mijn Vader in de hemel. Deze ontmoet je als je nog dieper afdaalt in jezelf. Je komt hem tegen in die vele anderen met wie je verbonden bent. Ik, mensen, God zijn intens met elkaar verbonden.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk wat Jezus bedoelt met: wanneer uw broeder gezondigd heeft. Zonde is alles wat dit verbonden zijn op het spel zet.
Zonde is een obstakel, verbreekt of verhindert de verbinding van mensen.

Zonde is als ik boven mensen ga staan, alsof ik de enige ben die er toe doet; zonde is met andere woorden het oog verliezen voor wie ik ben. Zonde is geminacht of zelfs genegeerd te worden; gebruikt te worden, zoals je een artikel gebruikt. Zonde is met andere woorden het oog verliezen voor de anderen om je heen. Omdat zonde een obstakel is spreekt Jezus terecht niet over straffen. Straf maakt de muur die tussen mensen kan staan alleen maar hoger. Muren slecht je door elkaar aan te spreken, een beroep te doen op het wie iemand is. Vandaar een gesprek onder vier ogen, en als dit niet helpt: een verbreding naar twee of drie, en als dat ook niet helpt de kerk. Het zal duidelijk zijn dat met de kerk niet het instituut, niet Rome bedoeld wordt, maar deze gemeenschap hier, waar je broeder/zuster wordt. Als je daarvoor geen oor, geen oog hebt sta je buiten spel, buiten de gemeenschap.
Dan is de verbinding verbroken, dan ben je niemand.
Ook Jezus legt een direct verband tussen ons onderling verbonden zijn en het verbonden zijn met wie ik zojuist het grote Wie noemde. Wie van de mensen los is, van zichzelf los, is ook los van God. Jezus geeft hiermee antwoord op de vraag die mij nu en dan gesteld wordt: moet je kerkelijk, moet je gelovig zijn om in de hemel te komen? Nee is daarop mijn antwoord. Waar het om gaat is niet wat je bent maar wie je bent: een mens die zich menselijk gedraagt opent ogen voor wie ik het grote Wie noemde. Een mens die oog heeft voor wie zij of hij is, is verbonden, ook met de hemel.
Helder is dat wie zich gelovige noemt hierop ook aangesproken zal worden. We hoorden dit in de eerste lezing. Ezechiël is een profeet, is door de Levende aangesteld als wachter. Als de Levende zegt: boosdoener, jij moet sterven, klinkt dit als een straf maar is dit geen straf, eerder een conclusie. Sterven is in de Schrift zoiets als er niet meer zijn, niemand zijn. Waarschuw de boosdoener hiervoor. Doe je dat niet, dan zal je merken, dat dit van invloed is op jouw relatie als profeet met de Levende. Als ik een ander laat vallen merk ik dat dit mij niet onberoerd laat, dat dit mij zélf beschadigd.
Wat Ezechiël hier zegt over zichzelf als profeet, breidt Jezus uit naar zijn leerlingen, naar ieder die in hem gelooft, naar ons hier. Menigeen hier heeft mogen ervaren wat het met je doet, als kapelgangers oog voor je hebben, je aanspreken als je dit nodig hebt. Wie dit hier ontdekt zal dit in andere milieus niet vergeten, ook daar mensen wakker maken en verbinden. Wie ben ik dat ik dit doen mag als gelovige, doen moet? We zijn terug bij het begin: wie ben ik? Neem deze vraag mee en sta er iedere dag bij stil; de rest komt vervolgens vanzelf.

24e zondag door het jaar: Jezus Sirach 27,30-28,7; Matteüs 18,21-35
11 september 2011, Henk Jongerius OP

In de taal van de Bijbel hebben getallen altijd een bijzondere betekenis. In het scheppingsverhaal horen wij dat de aarde in zeven dagen geschapen is, want zeven staat voor de dagen van de week. De week is als het ware de meeteenheid van ons leven, het tekent de menselijke maat. Op de zevende dag, de sabbat, moet de mens gedenken waartoe de aarde geschapen is en hoe wij mensen bedoeld zijn om die te maken tot een plaats waar het goed wonen is, waar wij geroepen zijn om voor elkaar zo goed te zijn als God het is voor ons. Hij geeft ons de adem en de ruimte om elkaar als zusters en broeders te behoeden opdat de aarde een plaats wordt die ‘tof’ is goed, die beantwoordt aan de bedoeling van God.
Vandaag horen wij dat wij elkaar zeventig maal zevenmaal moeten vergeven! Ook hier horen wij weer dat getal ‘zeven’ terug. Wij mogen daaruit opmaken dat vergeven iets is dat behoort bij de maat van de mens, zoals het ritme van de zeven dagen. Ons leven zal getekend moeten zijn door vergeving. Wat wil dat zeggen?
Mensen die elkaar over en weer vergeven zijn mensen die beseffen dat wij maar al te vaak niet beantwoorden aan het beeld dat God van de mens heeft, of om het met andere woorden te zeggen, dat wij de roeping van de mens om voor elkaar een broeder en zuster te zijn vergeten en in de fout vallen van Kaïn die jaloers was op zijn broer Abel en hem het licht in de ogen niet gunde. Die afgunst is de oorsprong van alle kwaad en geweld in onze wereld, tot op vandaag!
Wat zou onze wereld er anders uit zien als wij weer zouden gaan beseffen dat wij allemaal zwakke en kwetsbare mensen zijn die elkaar broodnodig hebben om gelukkig te kunnen leven.
Om die cirkel van kwaad en vergelding te doorbreken horen wij Jezus tot Petrus zeggen dat het tienvoud van zeven keer moet vergeven!

Wat kan dat betekenen?
Het getal 10 in de Bijbel verwijst naar God. In hetzelfde scheppings-lied horen wij tot tienmaal zeggen dat God zag dat het goed is. Hij heeft de wereld bedoeld om ‘goed’ te zijn, in orde, dat de aarde, mensen dieren en dingen hun rechtmatige plaats hebben en op elkaar afgestemd zouden zijn. Daartoe geeft Hij aan Mozes de ‘tien woorden’ die het goede leven willen waarborgen. Deze geboden zijn het goddelijk richtsnoer voor een goed en gelukkig leven!
Als wij elkaar het tienvoud van zeven maal moeten vergeven dan horen wij in die opdracht dat vergeven van Godswege de levenswet is. Wie van vergeven weet beseft dat wij het allemaal nodig hebben om een nieuwe kans te krijgen in ons leven, want wie vergeving ontvangt, wordt niet langer gestigmatiseerd om wat hij of zij verkeerd deed, maar wordt aan zichzelf teruggegeven, mag weer opnieuw proberen om een waarachtig mens te worden.
Als wij elkaar vergeven zullen wij zo goed zijn als God die zijn zon laat schijnen over goeden en kwaden. Hij scheldt mensen hun schuld kwijt, zoals wij hoorden in het evangelie van vandaag opdat ook wij zo zouden handelen tegenover elkaar. Zo bidden wij het ook in het gebed des Heren. Ja, nog sterker, in de mate dat wij elkaar vergeven en nieuwe kansen geven zullen wij gaan beseffen wie God is, zullen wij handelen in het licht van God en zo opnieuw ervaren hoe het leven ‘goed’ bedoeld is. Dan mag je dankbaar zijn als je elkaar 50 jaar lang het leven mogelijk hebt gemaakt in goede en kwade dagen! Zo zijn wij allemaal mensen die worden geroepen om voor elkaar zo goed als God te zijn, elke dag opnieuw. Dan wordt het leven ‘tof’, goed, van God gegeven en worden wij tot 70 maal zevenmaal opnieuw geboren!

25e zondag door het jaar: Jesaja 55, 6-9; Matteus 20: 1-16
18 september 2011, Antoon Boks OP

Als frater in Zwolle hoorde ik een preek over de teksten van vandaag, waarvan ik me het volgende nog kan herinneren: Dit verhaal wordt zeker niet gebruikt om vakbondsmensen te leren hoe ze een CAO moeten sluiten met werkgevers.
We leven in moeilijke economische tijden. We hebben wel niet zoveel werk- lozen als andere landen, maar toch… Kunnen we wel een beetje meevoelen met de werkers die de hele dag gewerkt hadden in de gloeiende zon?
Want het is wel iets heel aparts dat de werkers van de hele dag hetzelfde krijgen als de laatkomers. Ze krijgen geen evenredig loon, maar de heer geeft aan de laatkomers wat ze nodig hebben om zichzelf en hun gezin te onder- houden. De werkers van het eerste uur vinden dat de eigenaar een contract met hen brak en daarom zijn ze verontwaardigd.
Met die eersten had hij een contract, maar bij het vorderen van de dag bleef hij nog meer arbeiders huren, maar sprak niet meer over de hoogte van het salaris. Hij vertelt de eerste groep, ingehuurd bij dageraad, dat hij het normale dagloon zal betalen. Bij de volgende groep zegt hij alleen: "Ik geef je wat rechtvaardig is." Daarna, voor de volgende groepen wordt ook geen beloning vermeldt, ze krijgen alleen de instructie: "Ga naar mijn wijngaard." Als we goed luisteren naar wat er gezegd is, dan hadden we al kunnen vermoeden dat er iets anders op komst is.
De eigenaar van plan was alle werknemers een volledige dag te betalen. Allen waren arm en kwetsbaar, elk van hen zou een dagloon goed kunnen gebruiken om hun gezin te voeden. Elke dag gingen ze als dagloners op zoek naar werk, verlangend ingehuurd te worden en in de hoop te krijgen wat nodig is om de hongerige monden thuis te vullen.
Ik heb niet zoveel zin om in te gaan op vragen als: Waarom stonden zij nog steeds te wachten op werk tegen het einde van de dag? Er wordt niet verteld dat ze lui waren en alleen op het eind van de dag op zoek waren naar een beetje werk. Misschien waren ze nog steeds zonder werk, omdat de sterkste en jongste eerst gehuurd werden. De resterende waren misschien wel de ouderen, gehandicapten, kinderen of ook vrouwen.
Op de meeste van onze werkplekken worden er periodiek evaluaties gedaan en de productiviteit van werknemers wordt regelmatig beoordeeld. Verhogingen moeten gebaseerd zijn op verdienste. Laten we eerlijk zijn: wat is een eerlijk loon voor eerlijk werk?
U begrijpt intussen wel, dat ik hier ben gekomen om te preken en niet om over economie te praten. Dat was ook niet de bedoeling van de gelijkenis van Jezus. Het gaat niet over hoe iedereen met werkgevers of werknemers om moet gaan.
In plaats daarvan beschrijft Jezus hoe God handelt ten opzichte van ons, hoe het toegaat in het koninkrijk, waar de invloed van God gevoeld wordt en Gods kracht aan het werk is. In dat koninkrijk is het leidende principe-- te oordelen naar de gelijkenis van vandaag-- vrijgevigheid en het wordt gegeven met een element van verrassing. Hoe konden die laatste werknemers zelfs maar gehoopt hebben om uit betaald te worden voor een volledige dag?
Ik weet niet hoe het met u gesteld is, maar ik leef zeker niet volgens alle geboden van de Heer. Ik probeer mijn best te doen. Er zijn dagen dat ik succes heb met mijn werk. Maar er zijn andere, minder bevredigende dagen en op die dagen hoop ik, dat de Heer een oogje dicht knijpt. We hebben allemaal wel van die momenten in ons leven die we maar zo gauw mogelijk zouden willen vergeten. We hadden 

andere en betere keuzes moeten maken. Hoe zou dat alles geëvalueerd worden aan het einde van ons leven?
Ik hoop dat we nooit over God denken zoals dat weergegeven wordt in het beeld van Vrouwe Justitie. Maar ik wed dat er nog steeds mensen zijn, die God zien als de rechtvaardige rechter, die op de weegschaal onze goede daden afweegt tegen slechte. Ik hoop dat ik niet zal vallen onder de menselijke gerechtigheid, maar onder die van God.
Jezus beschrijft vandaag een heel andere afrekening. In de gelijkenis laat Hij zien hoe het is tussen God en ons. In de details van het verhaal is de vrijgevigheid de standaard die Hij gebruikt voor mensen. Is dat wel normaal? Het is volgens onze redenering niet logisch. Het is niet gebaseerd op hoe we zouden handelen. God zij dank! Bij God zijn alle regels en wetten voor het uitdelen van punten of goedkeurende klopjes op de rug niets waard. Om een of andere vreemde reden, die wij niet kunnen bevatten, ontvangen degenen die daar het meest behoefte aan hebben meer dan ze verwachten of hebben verdiend. Wat zou ons er dan van kunnen weerhouden om God te benaderen die ons alsmaar genade te bieden heeft?
Heel wat mensen begrepen en begrijpen de gelijkenis van Jezus niet. Komt dat misschien omdat we een minder goedgeefs hart of een andere standaard van eerlijkheid hebben? Maar er waren in die gelijkenis ook mensen die aan de ontvangende kant van die vrijgevigheid stonden. Ze wisten wat ze nodig hadden en ze wisten dat ze een geschenk gekregen hadden, want ze hadden in hun handen het loon voor een hele dag werken. Wie zou niet blij zijn, wie zou zich niet gezegend voelen?
Wij zijn de ontvangers van die vrijgevigheid van God. Jezus geeft ons in de eerste plaats een concreet beeld van wat genade is.
Als we het idee hebben dat God denkt en handelt net als wij, dan moet de gelijkenis van vandaag die gedachte van ons wegnemen. Want de God die Jezus hier openbaart begon niet te leven met de eerste verzen van het Tweede Testament. Wat we vandaag lazen van Jesaja moet ons daarvan overtuigen. De profeet maakt duidelijk dat God niet handelt of oordeelt op de manier zoals wij dat doen.
We hebben soms de neiging ons vast te klampen aan wat anderen ons in het verleden hebben misdaan en denken dan dat God ook wel zo zal handelen. Maar Gods genade, zo vertelt Jesaja ons, is onbegrensd en rekent niet op onze menselijke manier, want de profeet openbaart een God die boven alle menselijke maatstaven uit gaat en die niet te vangen is in onze redeneringen en verwachtingen.
Als wij, die vandaag deze gelijkenis horen, in de gaten krijgen wat er ons aangeboden wordt in deze viering, dan zouden we ons moeten afvragen of we niet tegenover anderen even gul zouden moeten zijn, zoals God het voor ons is?
Van de andere kant denken we misschien wel eens dat we die goede God niet verdienen. Als dat het geval is dan nodigen de lezingen van vandaag ons uit om onze valse nederigheid op zij te zetten en blij te zijn met die goedgeefse God.
Met lege handen kunnen we de gulle gaven van God in deze eucharistieviering aanvaarden; het is een maaltijd die ons verenigt in de liefde met God en elkaar, want het is de bron van alle leven en heiligheid. We hebben het niet verdiend, maar het is een gave aan ieder van ons. Amen.

26e zondag door het jaar: Ezechiël 18,25-28; Matteus 21,28-32
25 september 2011, André Lascaris OP

In de dagen rond Prinsjesdag valt het mij op dat politici zelden toegeven dat ze zich vergist hebben of door omstandigheden hun standpunt moestem wijzigen. Ook als ze A gezegd hebben en B doen, houden ze toch vol dat B eigenlijk A is in een ander jasje. Ze zijn bang een draaitol genoemd te worden en, zo denken ze, alle vertrouwen van de kiezers te verliezen. Ze worden liever vastgeplakt op een bepaald standpunt en een bepaald gedrag dan de indruk te geven veranderlijke, onbetrouwbare mensen te zijn.
.Het stukje dat we uit de profeet Ezechiël gelezen hebben maakt deel uit van een groot dispuut, waarin God verweten wordt onbetrouwbaar en niet rechtvaardig te zijn. God heeft ons immers zijn geboden gegeven: niet doden, je ouders niet verwaarlozen, niet stelen, geen overspel plegen of een vals getuigenis afleggen, niet begeren wat anderen bezitten. Daarop wordt God vastgeplakt. Nu moet God die geboden ook handhaven en zo nodig straffend opreden.
Tegen de algemene opvatting in van die tijd in, zegt Ezechiël dat een zoon (dochter) niet hoeft te boeten voor het onrecht dat zijn vader bedreven heeft, noch de vader moet boeten voor de zoon – iedereen is persoonlijk verantwoordelijk. En als een rechtvaardige op een gegeven moment anderen onrecht doen, dan wordt hij een onrechtvaardige en moet hij de gevolgen van zijn daad dragen. En omgekeerd – en dat is wat de mensen echt steekt – wanneer een schurk, een corrupte misdadiger, verandert en zijn kwaad opgeeft, een rechtvaardige wordt, dan ontvangt hij nieuw leven. Wat hij misschien het grootste deel van zijn leven heeft gedaan, - onrecht - telt niet meer. Het is van geen belang wat hij in het verleden gedaan heeft. Wat hij of zij nu is, dat telt.
Is God wel rechtvaardig, is God wel betrouwbaar? Iemand kan heel zijn leven anderen kwaad doen en zich op het einde van zijn leven, misschien pas op zijn sterfbed bekeren, veranderen, is het aanvaardbaar dat zo’n mens door God niet bestraft wordt? Jijzelf hebt geprobeerd een goed mens te zijn en hebt pas op et einde van je even de teugels laten vieren om nog gauw gemiste kansen in te halen al is dit dan ten koste van anderen. En jij wordt negatief beoordeeld. We plakken God graag vast. God moet onveranderlijk zijn. Ezechiël benadrukt dat het hier en nu beslist wie je bent, dat ieder verantwoordelijk is voor zijn daden en dat een mens kan veranderen.
Dit doet me denken aan het verhaal van de profeet Jona die de stad Ninive tot bekering oproept, en met succes, want de inwoners van de stad bekeren zich tot een menswaardige gedrag. En Jona is teleurgesteld over zijn succes en gaat aan

de rand van de stad zitten te mokken en te wachten op de vernietiging van die stad. Tevergeefs.
In het evangelie bij de tweede zoon, weet je meteen dat wanneer hij ja zegt op de oproep te werken in de wijngaard, hij niet van plan is het te doenHij zegt ja, maar heeft al besloten dat niet te doen. Hij verandert niet. Je weet wat je aan hem hebt, namelijk niets. De eerste zoon verandert van standpunt en van gedrag. Hij zegt ja, ik ga, maar gaat aanvankelijk niet, dan maakt hij een ommekeer en gaat wel. Hij gaat eigenlijk een heel proces door. Zo zijn ook de tollenaars, de corrupte belastingambtenaren en de hoeren een heel proces doorgegaan toen zij Johannes hoorden prediken. Ze hebben zich bekeerd en zijn de weg van de gerechtigheid opgegaan. Zij durfden te veranderen. Maar de mensen die Jezus toespreekt, hebben dat wel gezien, maar hebben zich niet bekeerd. Zij bleven bij hun oude standpunt en bij hun oude gedrag. Jezus gaat er vanuit dat een keer maken, je bekeren, veranderen van gedrag positief is, tenminste als je gedrag zich ten goede keert.
God plakt jou niet vast op een bepaald gedrag, God staat open voor verandering in ons. Wij moeten God niet vastplakken: God is iedere dag nieuw. Ook wij kunnen iedere dag nieuw worden.
Wij nemen het anderen vaak kwalijk als zij veranderen. We plakken hen vast op hun gedrag. Veranderen is verwarrend. Je partner drinkt altijd thee bij het ontbijt en nu plotseling neemt hij/zij karnemelk. Volkomen onbelangrijk, en toch kan het je dwars zitten. Ernstig wordt het wanneer je iemand kent die heel zijn leven rotzooi heeft gemaakt en dan plotseling besluit een rechtvaardig mens te worden. Het hoort bij ons beeld en onze verwachtingen dat die mens een schoft is, En plotseling zit hij naast je in de kerk. Dat kan toch niet. Dat zit je niet lekker.
Er was ooit een Italiaanse kardinaal die als wapenspreuk had ‘Semper idem’: altijd dezelfde of altijd hetzelfde. Dat is volgens mij niet erg bijbels. Volgens mij moeten we het anderen en ook onszelf gunnen anders te zijn dan bij een vorige ontmoeting. Als je een gesprek aangaat met iemand, moet je dat doen met een open geest. Zonder iemand vast geprikt te hebben. Ons wordt gevraagd om een open houding. Telkens weer ons te bekeren, een keer te maken, de weg van de gerechtigheid in te slaan en te volgen. En open te staan voor de wending die anderen maken. We worden uitgenodigd in de wijngaard van God te werken, waarin zoals in elke wijngaard alles voortdurend verandert.

27e zondag door het jaar: Jesaja 5, 1-7; Matteus 21, 33-43
2 oktober 2011, Marijke Besteman OP

We horen vandaag over Gods wijngaard in drie verschillende versies Bij de profeet Jesaja, in psalm 80 en in de parabel van Matteus. In verschillende toonaarden wordt gesproken en gezongen over Gods wijngaard. “Ik wil zingen voor mijn vriend, zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard’. Het klinkt als een liefdeslied. Die wijngaard geeft het beeld van het geliefde volk Gods Israel. Vers 7, hier niet genoemd, geeft ook nog aan: Israël is de wijngaard van de Heer van de hemelse machten, de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.
Voor dit Israël profeteert Jesaja is geen toekomst. De Eeuwige koestert en bemint zijn volk. Daar spant hij zich voor in. Maar hij wordt teleurgesteld in de trouw en de onbeantwoorde liefde. De profeet legt het verhaal uit. De vriend die bezongen wordt is God zelf. God moet toezien dat, zijn verbondsvolk Israël, zijn eerste liefde, onrecht pleegt. Het volk gaat zijn eigen gang, zonder zich te bekommeren om God en gebod. Keer op keer stuurt God zijn dienaars, de profeten, om het volk te waarschuwen en te herinneren aan zijn opdracht. Maar geen gehoor. Gods liefde krijgt geen weerklank 
De thematiek van Jesaja, klinkt in psalm 80 als een klaaglied uit de mond van het volk. Een volk in ballingschap, bezet door vreemde machten. In de klaagzang klinkt de roep, de schreeuw, naar de Eeuwige: om het lot te keren. ‘Breng Gij ons de keer!’
In het evangelie dat Jezus vandaag vertelt gaat het om dezelfde thematiek. Matteus laat Jezus de hogepriesters en de oudsten toespreken. Met hen kijkt hij terug op het leven en de dood van Jezus. In de vorm van de parabel komt de geschiedenis van God met zijn volk in beeld. Hij houdt ze een spiegel voor.In die spiegel: een geschiedenis vol teleurstellingen en onvruchtbaarheid. De landheer is God, de Eeuwige. Met veel zorg voor zijn wijngaard. Een heining er omheen, een wijnpers en een wachttoren voor bescherming. Als hij vertrekt vertrouwt hij zijn wijngaard toe aan de pachters. Zijn de pachters (de leiders, de geestelijke leiders van het volk) betrouwbare leiders en geven zij de vruchten van de wijngaard wel aan de Heer? Zijn zij niet erg bezig met hun eigen positie en niet met de zaken van God? Deze wijze van werken maakt hen blind en drijft hen steeds dieper af van hetgeen bedoeld wordt met een wijngaard leiden zodat het goede vruchten voortbrengt. God zond dienaren, profeten, naar zijn wijngaard om de oogst binnen te halen. Maar de pachters/ leiders mishandelden hen en doodden hen tot twee maal toe. Zelfs de zoon moet er aan geloven. Knechten/Profeten en zoon zijn één en al bedreiging voor de pachters/de geestelijke leiders De leiders, de behoeders van de wet, doden juist degene die het dichtst bij God zelf staan. Ze doden ook deze vruchten van het veld! Het lijkt wel dat de behoeders van Gods wet en woord, God zelf weg willen hebben. Wie het dichtst bij God staan, in die zin, dat zij zijn woorden kennen en alle geboden onderhouden en de regels instellen, willen die God weg als hij te dicht op hun huid komt, te dicht in hun eigen leven. Uitschakelen en mond dood maken is de benadering.

Heeft deze parabel ook niet zijn geldigheid in deze tijd. God, blijft zich op één of andere manier zich openbaren in de tijd. In ‘tekenen van de tijd’. In hedendaagse profeten. Geestelijke leiders, sprekers, en heiligen. Voorbeelden die ons zijn voorgegaan. Leiders die zeggen ‘regels zijn regels’ en profeten en leiders die het lef hadden, om ondanks de regels maatwerk te leveren. Humaan te zijn. Uit de Dominicaanse geschiedenis, moeder Teresa, voorbeelden die met verkondiging door prediking, aandacht en zorg, opkwamen voor onrecht en rechtvaardigheid. De tekenen van het geknakte leven op te merken. Deze week een protest van illegale asielzoekers in Den Haag. Een opmerking die gemaakt werd: ‘Er bestaan geen onwettige mensen, er bestaan wel onmenselijke wetten. Dagelijks horen en lezen we over de graaicultuur. Een rechter deze week die flink uithaalde naar de heren van pensioenfonds en bouwfonds: ‘Het was de heren een worst wat deze graaikultuur doet met mensen. Pure hebzucht geheel uit eigen belang’ Helaas kennen we ook leiders in de kerk. Wat ik tegenkom in gesprekken is dat mensen meer lijden aan de kerk dan aan geloof..
Op het tekstboekje van de liturgie van Heeswijk van vandaag, een bezinning van Edward Schillebeeckx: ‘Wat Rijk Gods concreet inhoudt, gaat onze menselijke verbeeldingskracht te boven. We krijgen er een vermoeden van, enerzijds via menselijke ervaringen van goedheid en gerechtigheid, anderzijds in de spiegel van ons verzet tegen situaties waarin wij geknecht en ontluistering ervaren. Deze ervaringen krijgen pas hun eigen reliëf tegen de horizon van Jezus ’lichtende levensweg’; zijn voorbeeld vooral verteld in parabels van het Rijk Gods, zijn persoonlijke voorgaan in de praxis van het Rijk Gods, die hij volhoudt tot in de dood. Daarin komt het visioen van wat Rijk Gods voor mensen kan zijn tot sprekende gestalte.’ Ook in deze tijd ervaren we een voorbeeld van een ‘lichtende levensweg’ Zoals de opmerking: Er bestaan geen onwettige mensen, maar wel onmenselijke wetten. op het asiel beleid, zorgbeleid en armoedebeleid. Wij, hier bijeen, dienen onrecht te horen door naar de verhalen te luisteren en een stem, de schreeuw te horen. Want; ‘Wie schreeuwt wordt. Schreeuwt niet de wanhoop uit maar de hoop’ ( Dom spiritualiteit:Erik Borgman) We kunnen laten zien dat het anders kan. Dat betekent voor ons, als leken dominicaan, als dominicaan maar ook hier als aanwezigen in het dominicanenklooster: ‘Présence au monde – c’est présence a Dieu zoals broeder Lacordaire uit Frankrijk sprak. Attent zijn op wat er in de wereld gebeurt aan veranderingen op datgene wie daardoor in de knel komt. Hoe zijn we dan nabij met het besef van Gods nooit aflatende en zorgende aanwezigheid. Erik noemde het in zijn rede voor de leken dominicanen wereldwijd: Onderweg zijn: door levend in de chaos van de wereld te gaan staan. De tekenen van de tijd te verstaan. Daar stem aangeven Daarin te vertrouwen en opnieuw te ontdekken wat het betekent om op God te vertrouwen. Om God te midden van de veranderingen te ontmoeten moeten we zelf beweeglijk zijn en niet bang zijn om kwetsbaar te worden in ons handelen.
Daarbij hebben we elkaar en God nodig en zingen ook wij: ‘Keer U om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar.

28e zondag door het jaar: Jesaja 25, 6-10a; Matteus 22,1-14
9 oktober 2011, Theo Koster OP

Wie de afgelopen maanden de strijd in Libië gevolgd heeft, heeft zich wellicht met mij afgevraagd: waar haalt dit volk de moed vandaan om in opstand te komen, zich te verzetten tegen de jarenlange terreur van Kaddafi. Velen gingen een zekere dood tegemoet, want de macht van Kaddafi was groot en alom aanwezig, en toch trokken zij ten strijde om te kunnen worden die zij zijn: mensen. Het is God die ons drijft, hoorden we; Allah is groot. Ook Kaddafi sprak over Allah; Allah zal deze ratten, hij had het over zijn eigen volk, vernietigen.
Wie is Allah, wie is de Levende van wie Jesaja getuigt? Wat het volk van Libië ervoer toen het in opstand kwam was geen macht, waarover je kunt beschikken, geen schild dat je beschermt tegen alle ellende van het leven. De God van wie Jesaja spreekt is bron van hoop, grond waarop je kunt vertrouwen. Het is geen zekerheid die vroeger of later instort, maar een hand die jou draagt, als jij je dragen laat.
De vraag die in de lezingen centraal staat is: mensenkind, laat jij je dragen, blijf jij vooruit zien ondanks alle ellende die over je heen komt? De God van wie Jesaja getuigt is jouw vriend, maar geen vriendje dat er alleen voor jou is. Als je in jouw leven iets van deze God ervaren heb, een knipoog, een handgebaar, weet je dit: Deze is er helemaal voor jou, zoals deze er is voor de volken, voor alle mensen.
Maaltijd is in de Bijbel steeds een uiting van verbonden zijn, verbonden worden. Als de Heer van de hemelse machten voor alle volkeren een maaltijd aanricht betekent dit, dat Deze een verbond sluit met alle volkeren, dat met andere woorden allen met wie ik deze wereld bewoon mijn tafelgenoten zullen zijn. Haal maar voor ogen een mens die jij niet kunt uitstaan, een vreemdeling die je niet verstaat, een mens wiens gewoonten jij niet deelt. Verdraag je het dat deze naast je, tegenover je aan tafel komt te zitten? Voor hen die ondanks alles bleven uitzien zal dat geen probleem zijn. Zij zullen opgelucht ademhalen en zeggen: dat is de Levende, op wie wij hoopten.
Het is triest en ik ervaar het als een belediging van deze God, dat de kerk waartoe wij behoren zo weinig hoop, zo’n gering vertrouwen uitstraalt. Vele jonge mensen willen niets te maken hebben met kerk. Zij ervaren kerk als een gesloten bolwerk, een instituut dat zich wereldvreemd gedraagt. En voelen zij zich wel thuis in de kerk, want deze jongeren zijn er ook, dan gedragen zij zich vaak roomser dan de paus, strenger dan de synode. Dit is hen niet kwalijk te nemen; zij moeten nog leren wat het wil zeggen genodigde te zijn op een bruiloftsfeest. Jezus spreekt niet tot hen maar tot de hogepriesters en oudsten, de huidige leiders van de kerken: op wereldschaal, regionaal, en hier, plaatselijk. Hen en ons vertelt hij een gelijkenis die in de lijn ligt van wat we in de eerste lezing hoorden.

Het is niet moeilijk deze gelijkenis op onze kerken toe te passen. De koning is een beeld van God. De zoon is de Messias, Jezus, die in onze kerken aanwezig is in het woord dat we hier horen en de tekens van brood en wijn. De bruiloft is het vieren van de diepste verbondenheid van God met mensen, van de mensen met God. Wie zijn de genodigden? Zijn het zij die gedoopt zijn? Prima, maar waarom luisteren zij dan niet naar deze roep? Er staat zelfs: zij wilden niet komen. Hebben zij iets te verbergen, zijn ze bang voor verrassingen? Een indringender tweede oproep negeren zij botweg. Zij hebben er letterlijk geen boodschap aan en sommigen vergrijpen zich aan de dienaars die slechts deden wat hun opgedragen was. Zij verstaan de tekenen des tijds niet, negeren de knipogen die God geeft, of vergrijpen zich eraan. Als u denkt dat ik nu doel op het seksuele misbruik in de kerk maakt u het zich te makkelijk.
Zojuist zei ik het triest te vinden en het als een belediging van God te ervaren, dat de kerk waartoe wij behoren zo weinig hoop, zo’n gering vertrouwen uitstraalt. Het lichaam van Christus, want dat is kerk, is in een geharnaste leer verpakt geraakt. Dat is schadelijk voor dit lichaam. Een lichaam dat nooit de zon en de wind voelt verkommert. Dit harnas is ook schadelijk voor ieder die zich stoot aan dit harnas. Je stoten aan een keiharde leer is pijnlijk. De leer wordt en niet koud of warm van, maar degene die zich eraan stoot loopt minimaal blauwe plekken op.
God zal zijn mensen niet aan hun lot overlaten, zo hoor ik in het vervolg van de gelijkenis. Zoals het regiem van Kaddafi vrijwel is ingestort, en er ruimte is gekomen voor mensen om eindelijk weer te worden die ze zijn: mensen en geen gekooide dieren, zo zal ook dat keiharde instituut kerk instorten, zodat het lichaam van Christus weer voelbaar wordt, zacht en warm kloppend, zich ontfermend over wie zich eraan stoot, met mooie maar ook stevige spieren waar je niet alle kanten mee uit kunt. Er gaat een aantrekkingskracht vanuit. Een kerk dus die hoop en vertrouwen uitstraalt. Dit is voortdurend een gave en een opgave aan allen die zich kerkelijk noemen.
Ieder is welkom, goeden en slechten, hoorden we, maar voor één is er geen plaats, degene zonder bruiloftskleed. Wie zich met God inlaat, op diens uitnodiging ingaat, of je nu tot een kerk behoort of niet, goed bent of slecht, kleedt zich voor deze ontmoeting met het kleed van gerechtigheid. Dat is geen harnas, geen pantser, maar een kleed van mededogen, want de koning die jou begroet is geen almacht, maar een God van mensen. Is dat niet de God, op wie wij hoopten?

29e zondag door het jaar: Jesaja 45,1+4-6; Matteus 22,15-21
19 oktober 2011; Henk Jongerius OP

Zoals zo vaak in het Evangelie gebeurt, wordt aan Jezus door de Farizeeën en Herodianen een strikvraag gesteld. Zij doen dat listig door Hem eerst te prijzen omdat Hij ‘naar waarheid onderricht geeft over de weg van God niemand naar de ogen ziet’. Het is dus oppassen geblazen, want de Farizeeën waren geen voorstanders van de keizerlijke belasting maar de Herodianen wel. Geeft Jezus een ontkennend antwoord, dan kan hij van sympathie met de Zeloten beschuldigd worden; antwoordt hij bevestigend, dan kwetst Hij de nationale gevoelens van het volk.
Spaart Jezus nu kool en geit wanneer Hij zegt dat je aan de keizer moet geven wat hem toekomst? Dan kiest Hij toch eigenlijk partij? Ik denk het niet want kijk goed naar wat Hij doet en zegt! Hij vraagt om een munt waarop de beeldenaar van de keizer staat. Welnu, die munt is zijn eigendom en dus moet je aan hem teruggeven wat hem toekomt. Het is een nuchtere constatering die je kunt opvatten als een verwijt voor de domme vraag die hem gesteld wordt. Maar de diepste kern en de boodschap van Jezus’ reactie bestaat in de woorden die Hij er aan toevoegt: ‘geef aan God terug wat God toekomt’.
In de Bijbel horen wij dat wij geen beeld van God mogen maken. Elk beeld dat wij ons vormen van de Eeuwige haalt het niet bij het énige en waarachtige beeld van God en dat is de mens. Wij zijn geschapen tot Gods beeld en gelijkenis en zullen de wereld zo bewonen en inrichten als het Hem voor ogen staat. Wij zijn partners van God die ons roept: ‘laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis’. Bij dat beeld van God past het niet dat mensen zich groter maken dan ze zijn, elkaar onderdrukken en schatplichtig maken. Wij zijn elkaar alleen maar onderlinge liefde en solidariteit verschuldigd. Door zó met elkaar te leven geven wij aan God 

terug wat Hem toekomt, namelijk dat Hij degene is die ons ruimte en tijd van leven geeft. Op die manier weten wij onze plaats en houden die van de Eeuwige open in ons midden door ons te gedragen als beelddragers van God die elkaar behoeden en het leven mogelijk maken. Zo’n leven staat in fel contrast met de wijze waarop de keizer regeert want dat is een koning met onderdanen die hem schatplichtig zijn. Hij neemt de eerste plaats in en alles en iedereen zal daaraan onderworpen zijn.
In de eerste lezing horen wij dat Jesaja kritiek uitoefent op Cyrus, de keizer! Alle koningschap in deze wereld heeft alleen maar recht van bestaan als het lijkt op de koning die als een herder zijn mensen leidt en bestuurt. Voor die koning klinkt het lied: ‘verkondig dag aan dag dat Hij God is, Hij alleen!’
De keizer mag zijn munten terugkrijgen maar daarmee is niet gezegd dat hij heer en meester is over mensen. Alle werkelijk gezag zal berusten op de erkenning zoals Jesaja die onder woorden brengt: ’Ik ben de Heer en niemand anders, buiten mij is er geen God. Ik omgord u en u kent mij niet’. Wij zullen alleen weet krijgen van de Eeuwige als wij elkaar als gelijken in het leven begroeten en in de liefde tot elkaar proeven wat de echte bron van leven en vruchtbaarheid is: niet macht of gezag over elkaar maar de zachte kracht die mensen verbindt. Dat jullie, Nelleke en Ruud die liefde hebben ervaren aan elkaar, maakt jullie samen tot beeldenaar van God, die jullie samengaan van harte moge zegenen en behoeden tot in lengte van dagen, want Hij heeft jullie toegekeerd naar elkaar opdat jullie niet meer half zijn. Dat jullie de tijd ontvangen om elkaar te kennen en te troosten, om de dagen en de nachten uit Gods hand te ontvangen! Daartoe moge Hij jullie zijn zegen schenken.

30e zondag door het jaar: Exodus 22,20-26; Matteus 22,34-40
23 oktober 2011, Ernst Marijnissen OP

Heeft u wel eens gehoord van Jaakob Jitzchak? Als dat niet zo is hoeft u niet ongerust te worden. Hij is al enige tijd geleden gestorven. Jaakob Jitzchak leefde zo’n twee en een halve eeuw geleden in Oost-Europa. Hij was een beroemde rabbi en men noemde hem vaak gewoon de Jehudi, de Jood. Eens zat de Jood op een bankje en keek naar een ooievaarsechtpaar dat zich op het dak van een kleine boerderij genesteld had. Op een gegeven ogenblik kwam er iemand naast hem zitten. Hij zag de rabbi naar de ooievaars kijken en vroeg hem: ‘volgens de Talmoed wordt de ooievaar in het Hebreeuws chassida genoemd. En dat betekent toch de vrome of de liefdevolle?’. De Jood knikte. Toen zei de ander: ‘de ooievaar draagt die naam omdat hij liefde bewijst aan de zijnen. Maar waarom wordt hij dan tot de onreine vogels gerekend?’. De Jood keek hem een ogenblik aan en zei toen: ‘omdat hij alleen aan de zijnen liefde bewijst’.
Omdat hij alleen liefde aan de zijnen bewijst. Wie worden bedoeld met de zijnen? Dat zijn al diegenen, met wie u, ik en wij het om de een of andere reden redelijk tot goed kunnen vinden. Met wie de verhoudingen niet bedreigend, maar eerder bevestigend zijn. Het zijn degenen die aan onze kant staan. De oorzaak daarvan heeft een veelkleurig gezicht. Het kan gaan om je eigen gezin, familie, gemeenschap, cultuur, geloofsovertuiging, politieke geaardheid. Om materiële belangen en om vrienden. De zijnen staan tegenover de anderen. Maar wie zijn dan de anderen?
Laten we eerst nog eens naar de vraag van de wetgeleerde luisteren. Hij zegt niet: 'Rabbi, wat is het grootste gebod van de wet?' Neen, hij zegt: 'wat is het grote gebod van de wet?' Het gaat niet om één gebod uit vele geboden, welk groter is dan de andere geboden van de wet. Het gaat om de wet zelf! Deze wet is een menselijke verklanking van Gods eigen levenswijsheid. Deze wet is een leiddraad en een handgebaar van de Eeuwige in onze richting. Je kunt de vraag van de wetgeleerde dus ook zo stellen: 'Rabbi, kun je ons een korte samenvatting van de Tora geven?' 'Dat kán ik', zegt Jezus dan. 'In de Tora, de weg van de Eeuwige, draait alles om de liefde'. Je kunt de Tora slechts verstaan als je haar leest met de ogen van de liefde. Je kunt haar alleen dan vervullen als je haar beleeft met je hart. Het verschijnen van het rijk van God staat of valt met de erkenning of de afwijzing van de liefde als ziel en gistmiddel van alles wat leeft.
Waarom is de Tora zo groot? Het antwoord luidt: omdat zij de eigenliefde inschakelt als instrument om goed en respectvol naar andere mensen om te zien. Om dit te begrijpen moe-ten we eerst beseffen, dat God zichzelf zo liefheeft, dat alles in de Eeuwige liefde is en van liefde bestaat. God is de Eeuwige, omdat leven liefde en liefde leven is. In God is niets dat het leven in gevaar brengt, waardoor het verloren zou kunnen gaan. God kan niet anders dan zichzelf liefhebben en die liefde uitstralen in alsmaar nieuwe vormen, die het beminnen waard zijn. Van deze God zijn wij geroepen beeld en gelijkenis te zijn. We mogen dus, ja we moeten onszelf liefhebben. Anders kunnen we God niet uitbeelden.
Eigenliefde is een goede zaak. Eigenliefde is niet hetzelfde als eigenwaan, egoïsme, zelfverheerlijking of zelfvoldaanheid. Eigenliefde is kiezen voor een zelfontplooiing, welke je gaaf en goed maakt. Eigenliefde is de bekommernis om in dit leven de juiste bestemming te vinden en deze te bereiken. Eigenliefde vraagt van je om zorgvuldig naar jezelf te zien om te ontdekken wie je bent, wat je kunt, kortom : wat je wel en niet moet doen. Daarom moet eigenliefde niet enkel naar binnen en op mijzelf zijn gericht. Ware eigenliefde ontwikkelt zich pas volledig als ze steeds meer liefde uitstraalt. Naar buiten dus.

En zoals een mens nietniet ziet en niet bemint. zonder eigenliefde kan bestaan, zo heeft ook een groep van mensen, een volk, een natie eigenliefde: zij kiezen ervoor zichzelf te zijn of te worden. Denk maar eens aan Palestijnen, Koerden, Armenieërs. Daarom gaat een volk zorgvuldig om met alles wat zijn samenleving betreft. Het zal waken over goede onderlinge verhoudingen, eerlijke verdeling van goederen, werk, huizen en alles wat nodig is om samen volk te zijn. En zoals een mens, in waardige eigen¬liefde, zichzelf verzorgt of zich laat verzorgen als hij ziek is, zo zal een samenleving dat doen als het gaat over de zwakke en kwetsbare plekken in haar midden.
Daarom richt de Tora zich in de eerste plaats tot allen, die de Tora zullen onderhouden. Dan gaat het om Gods volk, gemeenschap, kerk. Dan gaat het om hen die God trouw hebben beloofd. Maar dat is nog maar één kant van het verhaal. Tot hier toe spreken we als het ware over de zijnen. Maar de zijnen, Gods vrienden en vriendinnen, hebben de zending, de missie meegekregen Gods liefde tot álle mensen te verkondigen in woord en levenshouding. Onze liefde mag zich niet beperken tot de Tora als een geschenk voor ons alleen. Ze wordt ons vooral gegeven om onze ogen te openen voor de anderen, die zijn zoals wij, maar die onze geloofsovertuiging niet of nog niet delen. Die zijn als vreemdelingen in Gods eigen wereld. Daarom hoorden we in de eerste lezing: 'Een vreemdeling zul je niet vernederen en niet ver-drukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest, toen je slaaf was in Egypte. Geen enkele weduwe of wees zul je vernederen'.
De wereld om ons heen is dus het domein van onze liefde tot de ander. Het grote gebod van de Tora of de samenvatting van de Tora draagt ons op het niet bij de eigenliefde te laten maar daagt ons uit ons te openen naar de ander, die is als wijzelf, de wereld rondom, de mens die je levensweg kruist. Het gaat om het grote geheel van de verhouding van Gods kerk tot de grote samenleving maar evenzeer om mijn persoonlijke verhouding tot de mens die op een bepaald moment mijn levensweg kruist.
Het is in het eigenbelang van een volk, ja van heel de mensheid tenslotte, op te komen voor het welzijn van allen. Vluchtelingen, asielzoekers, hongerlijders, arme en berooide mensen, de slachtoffers van oorlog en terrorisme, van onrechtvaardige wetten of luxe bezuinigingen zijn geen rotte maar zieke plekken in de samenleving. Daar moet je helend en genezend op betrokken zijn. Binnen onze gebroken mensenwereld zal ik altijd bedenken dat de mens, die ik ontmoet, er een is als ikzelf. Kies ik dus voor mezelf, dan kies ik ook voor de ander. Heb ík recht op leven, dan de ander evenzeer. Zo is de liefde, zo is de wet, d.w.z. dé le¬vens¬weg. In de mate, waarin wij dat niet volbrengen is er iets grondig mis met mensen en samen¬leving. Daarom wordt deze liefde ons geboden.
De eigenliefde en de liefde tot de naaste hebben een gemeenschappelijke bron in de liefde van God, de Levende, die zichzelf zozeer bemint dat Hij explodeert in vonken van beminnelijkheid, altijd weer: een eeuwig vuur van liefde.
Daarom is het beginsel van de heelwording van onze wereld de liefde tot God. Maar wat zou een beginsel voor waarde hebben als we het niet tot vlees en bloed maken in het leven van alledag? Daarom is de liefde tot God alleen dan te verwezenlijken als we ons bekommeren om de naaste, de ander: heb je naaste lief, die is zoals jij bent. Om met het onderricht van rabbi Jaakob Jitzchak te besluiten: als je de mensen liefhebt die jij graag mag of die jou welgezind zijn is dat goed. Maar je bent onrein als je het daarbij laat en de ander, die jou levenspad kruist

31e zondag door het jaar: Maleachi 1,14b-2,2b.8-10 Matteüs 23,1-12
30 oktober 2011, Ineke van Cuijk OP

Bij de inleiding van het boek van de Profeet Maleachi wordt deze profeet ook pastor genoemd. Er staat ‘Maleachi is tegelijk profeet en pastor’. Dat stelt mij wat gerust. Want de aanklacht van Maleachi is niet mis. En zeker als je deze tekst verbindt met het Evangelie – dan zou je haast niets meer durven. En als u Trouw leest, dan weet u ook dat het vandaag de dag van de Stilte is. Misschien is dat na deze lezingen ook wel de beste houding – en je wordt er stil van! Nu hebben kloosters en kapellen een goede traditie als het gaat om Stilte – maar om nu maar een uur stil te zijn, daarvoor bent u niet hier gekomen.
Toen Maleachi leefde, was het volk van God terug uit de Babylonische gevangenschap. De tempel was herbouwd maar de visioenen die in ballingschap zo sterk geleefd hadden, waren niet uitgekomen. Er was nog steeds machtsongelijkheid, er was nog steeds onvrede en wat Maleachi in deze perikoop vooral wil aanklagen was de godsdienstige laksheid. De voorgangers in de eredienst moeten het hier sterk ontgelden. De eredienst aan God stond in een hoog vaandel – daarmee kon het volk trouw betonen aan de Eeuwige, de Almachtige. En als die eredienst verwordt tot blasfemie – ‘wanneer gij u niet bekommert om de glorie van Mijn naam’ zo hoorden wij – dan dient de eredienst tot niets.
Ook in het Evangelie horen wij hoe Jezus van leer trekt tegen – laten we maar zeggen – in het algemeen – de voorgangers. De gespannen verhoudingen tussen Jezus en de schriftgeleerden zijn in het Evangelie van Matteüs al een paar zondagen achter elkaar aan de orde en naderen zo onderhand een climax. En we weten hoe het afloopt. Jezus begint heel open: Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoud daarom alles wat zij u zeggen. Jezus onderschrijft het belang van voorgangers. Er waren en er zijn ‘juiste’ voorgangers die in alle oprechtheid het dienen van God tot een heilige vorm maken. Zij willen het dagelijks leven heiligen en inrichten naar Gods bedoeling – eten,drinken, werken, gezondheid, kleding – alles valt en viel onder het woord Gods. Maar daarnaast heeft Jezus ook kritiek – en die is niet mals. ‘Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen’. Als dat het uitgangspunt is, ben je verkeerd bezig. Kritisch blijven kijken naar alles wat je doet is een groot goed. Reflectie en zelf-reflectie blijven een belangrijk aandachtspunt in een leven aan en voor God gewijd.
En al zijn de verhalen van vandaag al heel oud (enkele eeuwen) we herkennen het allemaal wel, denk ik. Ook wij zijn, haast allergisch, zou ik zeggen als het gaat om uiterlijk vertoon, grootspraak en machtswoorden van hoogwaardigheidsbekleders zowel binnen als buiten De Kerk. Maar het is natuurlijk te gemakkelijk om maar alles daar neer te leggen. Ook wij – in onze eigen, kleine kringen – kunnen macht uitoefenen – grootspraak voorhouden, en de ‘kleine mens’ in de hoek zetten - op het werk, in het gezin, op school – in leefgroepen en geloofsgemeenschappen. 

Ook wij kunnen bij bepaalde taken, zorgen, diensten (binnen en buiten de kerk) ons er ‘met een jantje-van-leiden’ afmaken. Jezus spreekt ook ons aan. Hij heeft het aanvankelijk over ‘hen’ over die farizeeën, maar dan zegt Hij ineens: ‘Maar u….. en daarin mogen ook wij ons aangesproken voelen. ‘Gij moet u geen rabbia laten noemen. Laat je niet ergens op voorstaan. Want wat toen gold, geldt ook nu. De buitenkant waar in onze maatschappij zo de nadruk op ligt – waarop mensen vaak al op voorhand worden beoordeeld: ereplaatsen, titulatuur…… Jezus kijkt er doorheen tot in het hart van de mens. En ook wij voelen wel wanneer iemand of iets ‘echt’ - authentiek is. Want ook in onze tijd kan geloven soms een ‘kwestie’ van buitenkant (lijken te) zijn. U, ik wij allemaal zijn daar in meer of mindere mate gevoelig voor. Ook wij willen dat het van binnenuit komt. In onze zoektocht naar en in Het Koninkrijk op Aarde zijn wij in het geding. Daar moeten wij ons hart laten spreken – daar gaat het om wie wij ten diepste zijn. En daarbij laten wij ons zo gemakkelijk leiden door ‘onze menselijke maat’. Maar naar Gods maat gemeten wordt alles anders: Al wie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. Liever iets minder ---- als het maar echt is! Het gaat er Jezus niet om ons te belasten met iets wat niet of nauwelijks te dragen is. Nee, Hij wil dat wij juist voluit kunnen leven en zo een weldaad zijn en een zegen voor elkaar. Vandaag waarschuwt Jezus ons voor het gebruik van eretitels: noem iemand geen rabbi, geen meester, geen vader. Al deze namen kunnen ons afleiden – maken onderscheid tussen mensen. En natuurlijk is niet iedereen dezelfde of hetzelfde! Gelukkig niet! Maar als het er om gaat ‘Kind van God’ te zijn – en dat willen we allemaal – dan is er geen onderscheid. Want wij hebben allemaal één Vader en wij zijn allemaal geschapen door Eén en Dezelfde God. En er is één Leraar, de Christus.
Wij mogen allemaal, ieder op een eigen wijze, met zijn of haar eigen talenten leerling zijn! En als leerlingen zijn we allemaal gelijk. Voor Jezus geldt: ‘Ik wil geen macht – ik wil broeder- en zusterschap’. Dan is het ook duidelijk dat wij zelf niet het middelpunt zijn – dat het niet om ons eigen ik gaat maar dat wij maar één en hetzelfde ijkpunt hebben. Dat is Jezus, Messias de Gezalfde.
Maleachi profeet en pastor – Matteüs beschrijft Jezus als leraar en pastor. Een echte profeet en een goede leraar houdt het pastorale voor ogen. Maleachi verzekert zijn volk van Gods trouwe liefde en roept het volk op de Almachtige te eren en de geboden te onderhouden. Datzelfde vraagt Jezus. Profeet, leraar en pastor kan allemaal in een goede verhouding – als je maar handelt vanuit een pastorale houding – mens met hart en ziel. Wij mogen ons richten op één God die ons geschapen heeft. Wij mogen geloven in één Vader / Moeder die in de hemel woont. Uiteindelijk gaat het om de dienst aan het leven, waarvan God de eeuwigdurende bron is. Een ieder heeft het leven als een gave ontvangen. Zo’n rijkdom – daar worden wij stil van!

32e zondag door het jaar: Wijsheid 6,12-16; Matteus 25,1-13
6 november 2011, Antoon Boks OP

We hebben hulp nodig in onze poging om de goede keuzes te maken in onze wereld. Wij willen daarbij God hebben als onze voortdurende gids. Dat probeerde de schrijver van het boek Wijsheid te vertellen in de eerste eeuw voor Christus aan de Grieks sprekende Joden in Alexandrië. Dat was een wereldstad waar ze allochtoon waren. Het moet voor hen moeilijk zijn geweest als een minderheid die zich niet wilde laten overspoelen door de geleerde heidense wereld om hen heen. Hoe moesten zij vasthouden aan hun geloof in deze voor hen zo aparte wereld?
Lijkt het een beetje op de wereld waarin wij leven? Vooral als veel mensen denken, dat ze de wijsheid van hun ouders en de ideeën van ons geloof niet nodig hebben. De schrijver van het Boek Wijsheid spreekt tot zijn zusters en broeders in de vreemde en herinnert hen er aan dat ze niet alleen staan: Wijsheid is er om hen te helpen te leven in hun wereld.
Niet voor de eerste keer wordt wijsheid voorgesteld als een vrouw: Ze wordt gewaardeerd door wie van haar houden en gevonden door wie haar zoeken. Nog beter is dat ze rondgaat om te zoeken wie haar waard zijn. Wijsheid staat niet stil, maar is net als wij onderweg en probeert ons te helpen op onze levensweg. Hoe veel godsdienstige mensen hebben niet te midden van problemen God gesmeekt om te zorgen voor duidelijkheid en leiding? Vanuit onze vertwijfelde, lawaaierige en vaak verkeerd bestuurde wereld zoeken we naar wijsheid en vragen we Jezus in deze Eucharistie om ons zijn Geest van wijsheid te sturen.
We moeten wel oppassen dat we ons niet te veel bezig houden met de onbelangrijke en onwerkelijke details in de parabel van vandaag zoals: Waarom deelden die meisjes die wel olie hadden het niet met die te weinig bij zich hadden? Waar zouden die meisjes, die olie nodig hadden, deze midden in de nacht hebben kunnen kopen? Waarom riepen zij meer dan eens Heer, Heer tegen de bruidegom? Waarom herkende Hij hen niet, ze maakten toch allemaal deel uit van de bruiloftsgasten? Dat waren details die Jezus zo vrij was in te voegen om Hem te helpen ons iets te vertellen over wat Hij beschrijft als het Koninkrijk van de hemel.
De parabel van vandaag is de tweede uit een serie van drie die de nadruk leggen op onze bereidheid om klaar te zijn voor de terugkeer van Jezus. Net als de andere twee legt deze parabel van de tien meisjes de nadruk op het feit, dat we waakzaam moeten zijn en nu al klaar moeten staan voor de terugkeer van de Heer.
We moeten nu al keuzes maken gedurende de tijd dat we wachten en hopen. We moeten doen wat we kunnen om nu onze geest te voeden, nu ons verstand te vormen en nu onze wil te versterken. We kunnen beslissen om onze trouw aan God werkelijkheid te maken. We mogen wat Jezus ons leerde niet uitstellen tot morgen, want als we dat doen, is het een teken van ons gebrek aan geloof aan de tegenwoordigheid van Jezus in ons leven en ook een teken dat we niet geloven in zijn tweede komst. We moeten nu al leven als Christen en niet wachten tot Hij komt. De parabel probeert ons zo ver te krijgen, dat we nu al waakzaam zijn en nu 

al voorbereid zijn. We mogen ook niet verwachten dat de andere gelovigen voor ons zullen waken. wij zullen er voor moeten zorgen, We mogen ook niet verwachten dat de andere gelovigen voor ons zullen waken en er voor zullen zorgen, dat we klaar zijn. Dat moeten we allemaal zelf doen: niemand kan onze verantwoordelijkheid overnemen. Wij moeten iedere dag van ons leven laten zien, dat we geloven.
Duidelijk is in deze parabel dat wanneer Jezus werkelijk in ons leven binnentreedt dit beslissend is. Dan is de voorbereidingstijd voorbij. Als we een waakzaam leven hebben geleid, dan zullen we binnengaan in het koninkrijk met Jezus Christus. De domme meisjes kwamen aan toen de deur dicht was en toen ze aanklopten werd die niet open gemaakt. Ze waren te laat. Ze hadden de verkeerde keuze gemaakt, de voorbereidingstijd was voorbij.
Nog een paar beelden uit de parabel: de wijze meisjes maakten hun lampen in orde toen de komst van de bruidegom werd aangekondigd. Gods woord is een lamp voor onze voeten, zegt de Psalmist. Het woord van God zal ons verlichten en ons helpen om de Heer te herkennen als Hij aankomt. Het licht van het woord zal ons ook overeind houden tot Hij komt.
Voor een aantal mensen is dit een parabel, waar we blij mee zijn; andere mensen zullen dit niet zo leuk vinden. Voor iedereen die actief zoekt naar Gods wil zal Zijn woord een licht op ons pad zijn en de deur zal voor ons open gedaan worden. Maar degenen, die leven met namaaklicht en onverschilligheid voor de toekomst zullen de deur gesloten vinden.
Waarom duurt het zo lang? We leven in een ongeduldige wereld. Meer dan eens heb ik dat meegemaakt in de supermarkt. Ik stond in die rij, waar je maar hoogstens tien artikelen kon afrekenen. Maar die man voor me had twaalf artikelen. De dame achter me vond dat maar niets en vroeg hem: Kun je niet lezen? Twaalf is geen tien!
We mogen luisterend naar de parabel van vandaag wel een beetje ongeduldig zijn en ons afvragen: Waarom duurt het zo lang? Ook op dat onderdeel van de parabel hoeven we ons niet vast te pinnen. Daarom zeg ik vandaag: we hoeven niet te wachten tot onze dood of tot de wederkomst van Jezus. Het koninkrijk van Jezus kan nu al in ons leven van alle dag op steeds weer andere manieren werkelijkheid worden. De parabel herinnert ons er aan dat we waakzaam moeten zijn en voorbereid.
Gedurende de wachttijd kunnen we zoals Jezus ons geleerd heeft het koninkrijk van God verwelkomen door hongerigen te eten te geven, naakten te kleden, dorstigen te laven en onderdrukten vrij te maken. We hebben dus nog heel wat te doen voordat Jezus terugkomt, want Hij komt iedere dag op een onverwachte manier. Wijsheid is de voornaamste deugd van onze goede boodschap. Dat helpt ons om waakzaam te blijven en zorgt er voor, dat we verstandige keuzes maken in ons leven van elke dag. Laten we daarom waakzaam blijven en proberen die keuzes ook echt te maken. Amen.

33e zopndag door het jaar: Spreuken 31, 10-31; Matteus 25,14-30
13 november 2011, André Lascaris OP

In de eerste klas van mijn lagere school hing een plaat met een smalle, mooi geel, gouden weg, en daarop een engel met een meisje. Daarnaast was er een brede zwarte weg die scherp afboog met de duivel en een jongentje. De boodschap was duidelijk: je moest kiezen voor die smalle goudgele weg en niet voor die zwarte. En die keuze maakte je door gehoorzaam te zijn aan de geboden van God, natuurlijk ook aan je onderwijzer en je ouders.
Achter deze plaat ging een bepaald godsbeeld schuil en een beeld van het leven. Leven was de geboden onderhouden, de tien geboden voorop en de vijf geboden van de kerk en nog veel meer. God was alwetend en vooral almachtig, en mannelijk; hij wist alles, zal je op je huid, schreef alles wat je deed in zijn boek en op het eind van je leven kreeg je de rekening gepresenteerd: hel of hemel. En velen leek de hel een heel aannemelijk slotakkoord van hun leven.
In de laatste vijftig zestig jaar is heel veel gebeurd en veranderd. De Sovjet-Unie is te gronde gegaan, de Amerikaanse hegemonie loopt ten einde. We hebben de Euro en we hebben computers, Vliegen is net zo gewoon als het nemen van de bus met de Ov-kaart. Seks is minder zondig dan ze was. We hadden een Tweede Vaticaans Concilie en nu de pogingen terug te keren naar de tijd daarvoor.
Bij al die gebeurtenissen is ook het beeld van God veranderd. Die God met zijn verboden en geboden is verdwenen, althans bij zeer vele mensen. Voor de meeste mensen is het daarbij gebleven. Ze leven zonder God. Of ze leven met een God die een onpersoonlijke kracht is in het heelal. Ze hebben God begraven. Voor sommigen is echter die vreeswekkende God veranderd in een God die liefde is. Liefde is hier niet zo maar een eigenschap van God, maar is de kern en het leven van God zelf. God is niet meer almachtig, want als je van iemand houdt, wil je geen almachtig macht uitoefenen over hem of haar.
De parabel is waarschijnlijk ontstaan toen Jezus mensen ontmoette die hem verwierpen, omdat ze bleven hangen aan een vastgelegd beeld van de Messias en een streng beeld van God. Jezus presenteerde een ander beeld van God, een God die plezier heeft in mensen; voor wie de mens zijn glorie is.
In de parabel vertrouwt een heer vijf talenten – dat is ongeveer €1500; daar kon je heel wat mee in die tijd – en twee talenten, € 600 toe aan twee slaven, mensen die van hem afhankelijk zijn en aan een derde € 300, “Ieder naar zijn bekwaamheid”, wordt er gezegd. Deze slaven worden niet overbelast; hun Heer heeft nauwkeurig gekeken en met zorg vastgesteld wat ze kunnen. De heer is lange tijd afwezig, In die tijd gaan de eerste en tweede slaaf aan de slag. Ze handelen heel zelfstandig, Ze zijn ondernemend. Ze weten dat ze ook verliezen 

kunnen oplopen, maar niets houdt hen tegen om aan slag te gaan, zeker niet de Heer die ver weg is en de communicatie moeilijk. Ze lijken op de vrouw uit Spreuken, de eerste lezing. Ze handelen als vrije mensen en maken een fantastische winst van 100 procent.
Maar de derde heeft zijn € 300 in de grond begraven – veel mensen in die tijd bewaarden zo hun geld. Hij doet er helemaal niets mee. Hij is verstijfd door angst. Zijn beeld van zijn heer, zijn beeld van God is die van een strenge baas. Iemand die het onmogelijke vraagt, die wil binnenhalen waarvoor hij zelf niet gewerkt heeft. “Had het dan op de bank gezet, dan had het nog rente opgeleverd,” wordt hem gezegd. Hij had geen fantastisch resultaat hoeven te boeken. Rente vragen was eigenlijk verboden. Had dat verbodene toch maar gedaan, zegt de heer, zegt God, tegen de man. Dat had altijd nog van inzet, creativiteit en ondernemingslust getuigd. De heer, beantwoordt vervolgens aan het beeld die de knecht van hem heeft: zijn geld gaat naar de best presterende en hijzelf wordt het huis uitgezet. God die liefde is, neemt de mens serieus. Iemand die alleen maar door angst beheerst wordt in zijn of haar relatie met God, zal elk liefdevol gebaar steeds weer begrijpen als een aanval op zichzelf, als een pijl op hem gericht. Deze relatie is duisternis.
Wie gelooft en vertrouwd dat God in hem/haar geïnteresseerd is en van hem/haar houdt, durft het leven aan met zijn ups en downs. Durft creatief te zijn, ondernemend, durft zelfs te doen wat eigenlijk verboden is, omdat de liefde het hier en nu vraagt. In plaats van neurotisch vast te houden aan wat ooit afgesproken is, weet zo’n mens ook wanneer hij in de ogen van anderen iets slechts doet, toch op het goede spoor te zitten.
Er wordt een ander soort gelovige gevraagd dan vijftig, zestig en meer jaren geleden. Geen ja-knikker, geen angstige gelovige, niet iemand die steeds zo op de grenzen van de weg let, dat hij niet vooruitkijkt, zijn geloof begraaft, en het zogenaamd bewaart. Niet iemand die zichzelf kwelt of zware lasten oplegt en die ze ook gemakkelijk aan anderen oplegt. Maar iemand die zich gedragen weet door God en daarom zelfstandig, creatief en ondernemend te werk gaat en probeert te ontdekken hoe vorm te geven in zijn/ haar leven aan de opdracht God te beminnen en de naaste zoals zichzelf. Een gelovige die weet dat ieder mens verschillend is en dat je jezelf niet met anderen moet vergelijken.
“Deel in de vreugde van je heer”, zegt de heer tegen zijn slaven. Die vreugde is niet iets abstracts, maar is de maaltijd die hij aanricht en waartoe hij hen uitnodigt, zodat zij niet meer zijn slaven zijn, maar zijn vrienden. En wij, ook ons wacht die uitnodiging.

Christus Koning: Ezechiël 34,11-12.15-17; Matteus 25,31-46
20 november 2011, Paul MInke OP

Jezus, de Mensenzoon, Koning en Herder, neemt plaats op zijn troon van glorie. Alle volken worden vóór Hem bijeen gebracht worden: De volken uit Europa: verwart en verdeeld onder invloed van de eurocrisis; de volken uit Amerika, de machtige en de kleine kwetsbare staten; de volken uit Afrika: vele verarmd, bestolen en beroofd, chaotisch. de volken uit Azië: sommige fanatiek vroom en tegelijk onmenselijk wreed. Voor hem zijn samen gebracht priesters en predikanten, gelovigen en niet-gelovigen, miljonairs en daklozen, politici en illegalen, fatsoenlijken en herrieschoppers, u en ik, kortom een bont gezelschap. Zij allen staan voor de troon en de Koning scheidt hen in twee groepen zoals de herder scheiding maakt tussen schapen en bokken: aan de rechterzijde de rechtvaardigen en aan de linker de onrechtvaardigen. Voor alle volken en mensen, van hoog tot laag geldt hetzelfde oordeel. Geen scheiding dus tussen katholieken en niet-katholieken, kerksen en niet-kerksen, gelovigen en niet-gelovigen, nee, alleen maar tussen mensen die recht hebben gedaan, dwz: de hongerigen gevoed, de dorstigen gelaafd, de vreemdeling opgenomen, de naakten gekleed én die geen recht gedaan hebben, die zieken en gevangen niet hebben bezocht. Voor Jezus staat de mens, zijn waardigheid en welzijn in alles voorop, zozeer, dat hij zich identificeert aan wie alle aanzien ontnomen is: Wanneer zagen wij u hongerig of dorstig, naakt of vreemdeling?
We hadden misschien anders geoordeeld wie goed en slecht is, wie we wél kunnen verwachten in het Koninkrijk en wie niet, van wie daar thuis horen en wie dat wel kunnen vergeten. Des te verrassender dat Jezus anders oordeelt en dat mensen welkom zijn op basis van daden, die je om zo te zeggen tussen je bezigheden door doet, b.v. een hartelijk woord voor wie hongert naar wat aandacht en begrip, een helpende hand, een open oor voor de vreemdeling op je weg, een attent gebaar van belangstelling voor wie ziek en eenzaam is. Simpele tekenen van zorg, die je niet vermeldt op je c.v. bij sollicitaties maar die in de ogen van Jezus van doorslaggevende betekenis zijn.
Zo geldt dat van mens tot mens. Maar evenzeer van volk tot volk. Ezechiël schrijft: Zo spreekt de Heer: Ik zoek mijn kudde op. Dwz: het verslagen, moedeloze volk, zo gekwetst en verstrooid. De rechten van de mens, recht op leven, op welzijn op vrede en recht dienen voor alles geëerbiedigd te worden. Door volken en mensen. Voor Hem is het leven van de medemens onaantastbaar en heilig en dat moet voor ieder mens hetzelfde gelden, van welk volk ook. We zullen beoordeeld worden of we recht hebben gedaan aan mensen, wier rechten worden geschonden, verkwanseld of misbruikt: de rechten van de politiek gevangenen, van uitgeprocedeerde asielzoekers, van de kinderen, van zwakken en

gehandicapten, van de ongeborenen. Dat de Koning in deze niet bereid is te schipperen of mild te oordelen moge blijken uit het feite, dat hij zich identificeert met de ontrechten. Al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders, dat heb je voor Mij gedaan.” Dat versta ik dan zo: Dat is pas echt christelijk leven en alleen op deze wijze, waar wij effectief opkomen voor het leven van mensen en volken hun vrijheid, hun vrede, hun rechten, hun toekomst, hun kinderen, een veilig dak, een gedekte tafel, een eerlijk loon, een vangnet bij tegenslag, ieder binnen de mogelijkheden, die hij, of zij of wij met elkaar hebben. B.v. niet kritiekloos populistische slogans overnemen maar ontmaskeren, of je vooroordelen onderkennen, die je spreken over anderen beïnvloeden.
Het woord ‘broeder’ dat Jezus gebruikt, is een zeer geladen woord. De ‘broeder’ is elke medemens in nood – man of vrouw of kind – die ik ontmoet en die mij mag raken tot in mijn ziel. Wie in de hulpzoekende een ‘broeder’ herkent, zich aan hem verwant weet, en ingaat op de vraag, die hij je stelt, al of niet met woorden, die ontmoet Jezus, of hij/zij daarvan nu weet heeft of niet. Dit te weten blijkt een troost en een bevrijdende gedachte te zijn voor ouders of grootouders, die zich schuldig voelen, dat hun kinderen of kleinkinderen niet meer naar de kerk gaan, maar wél zien, dat zij in het sociale leven veel goeds doen, beroepshalve en/of als vrijwilliger b.v. in het verenigingsleven.
We vieren het feest van Christus Koning. Een bijzondere koning, een koning die niets heeft met glorie en luister, heerlijkheid en macht. Mocht die suggestie uitgaan van het evangelie van vandaag. dan worden wij gecorrigeerd door de profeet Ezechiël. Zo leert hij: Jezus is koning voor en van de kwetsbaren zowel in de samenleving dichtbij maar ook van de volken der aarde. Zoals een herder omziet naar zijn kudde en zich onder zijn schapen begeeft zo zal ik omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen. Het vermiste schaap ga ik zoeken, het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind ik, het zieke geef ik weer kracht.
Het is een feest, dat ons met grote dankbaarheid vervult. Het doet me wat te mogen spreken over een koning, over Jezus, die zo betrokken is bij het wel en wee van mensen, die ons zo nabij is. Een koning, die tegelijkertijd zo'n partijdige en bewogen rechter is, dat hij het opneemt voor de mensen, aan wier geluk zoveel ontbreekt. Een koning, die ziet wat wij zo terloops aan goeds doen voor anderen, zo terloops, dat het onszelf nauwelijks opvalt maar hem wel, zo terloops dat we niet beseften, dat wij in de ander hem hebben ontmoet.
Wie goed doet, van welke huize, geloof of volk hij of zij ook is, heeft niets te vrezen en mag erop vertrouwen dat hij horen mag: Komt gezegenden van mijn Vader, erft het koninkrijk dat voor jullie klaar ligt van het begin van de schepping. Amen.