PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2011-2012 (B)


20e zondag door het jaar: Spreuken 9, 1-6; Johannes 6, 51-58
19 augustus 2012, Theo Koster OP

Voordat ik vrijdag aan deze overdenking begon las ik in de krant: “Geen euthanasie voor totaal verlamde Brit.” Het Britse Hooggerechtshof heeft bepaald dat een 58 jarige Brit, totaal verlamd, hij kan alleen maar met zijn ogen knipperen, en op deze manier via een computer communiceren met zijn omgeving, niet door dokters of zijn familie geholpen mag worden om zijn leven te beëindigen. Hij ervaart zijn leven na een beroerte in 2005 als een nachtmerrie.
Hij heeft geen privacy of waardigheid meer. Wie bezit mijn leven, ikzelf of de overheid, vraagt hij zichzelf af. Dit stelt ons de vraag: wat is leven, menselijk leven?
De meeste mensen zouden hun leven niet willen missen, ondanks ervaringen van soms diepe ellende, gevoelens van zinloosheid, pijn en verdriet. We bezitten met zijn allen steeds meer kennis, en dat stelt ons in staat levens te redden die vroeger verloren gingen, leven te verlengen dat vroeger door dodelijke ziektes beëindigd werd. Hoe lang mag je hiermee doorgaan is een vraag, die zich aan ons opdringt. Hoe om te gaan met leven, mijn leven of dat van die Brit? We staan er bij stil, opdat niet het geld of de politiek gaat bepalen wat menselijk leven is; de gezondheidszorg dreigt immers onbetaalbaar te worden. We staan vandaag stil bij leven, opdat niet onze kennis, onze technische mogelijkheden gaan bepalen wat leven is Menselijk leven is zoveel meer dan onze hersens kunnen bevatten, hoorden we.
Leven is het kernwoord in de lezingen vandaag. “Laat uw onnozelheid varen en u zult leven” hoorden we. Wijsheid is een speciale vorm van kennis. Het huis dat zij gebouwd heeft, heeft zeven zuilen. Zeven herinnert ons aan de scheppingsdagen. M.a.w.: wijsheid is geworteld in het concrete leven van alledag. Zeven herinnert ook aan de zevenarmige kandelaar in de tempel. M.a.w.: wijsheid is geworteld in geloven, in de omgang met God. In wijsheid ontmoeten de praktische levenservaring en de omgang met God elkaar.
De ontmoetingsgelegenheid bij uitstek toen en ook nu is de maaltijd. De wijsheid biedt het ons aan en we worden uitgenodigd te eten van het brood, in de hele bijbel een symbool voor het woord van God. We worden uitgenodigd te drinken van de wijn, in de bijbel en ook daarbuiten een symbool voor het leven. We worden door de wijsheid uitgenodigd te eten en te drinken, opdat wij zelf wijs worden. Het leven van alledag kennen we uit ervaring, maar hoe zit dat met God, de omgang met God? Er zijn wetenschappers die beweren dat wat wij God noemen een stofje is in onze hersens dat gaat werken als je in diepe ellende komt, rampspoed je overvalt. Iets soortgelijks hoor je soms in de kerken, met woorden als: nood leert bidden. God is in deze opvatting een uitvinding om de ellende in je leven uit te houden. Dit klinkt aannemelijk, maar ik wantrouw deze opvatting, en niet alleen, omdat het zo logisch lijkt.
Soms, en dat kan bij plezierige ervaringen in mijn leven zijn, maar ook bij tragiek,

soms merk ik als ik stilsta bij deze ervaringen, er als het ware in opga, ik openga voor iets groters, of beter gezegd, voor iemand die mij overstijgt, want ik voel warmte, vertrouwen, het komt goed.
Ik sta niet alleen in deze ervaring. Voor de kerkvader Augustinus is God niet een stofje in onze hersens. Voor hem is God van een andere categorie. We hebben toegang tot deze God, heeft Augustinus ervaren; de mens is een wezen dat boven zichzelf uitwijst. In de mens zit een opening die hem toegankelijk maakt voor wat/wie hem te boven gaat. Wie leeft alsof hij deze opening niet heeft raakt gedesoriënteerd, de weg kwijt. Wie zich enkel richt op zichzelf en deze opening dus negeert, verraadt zichzelf. De grote natuurkundige Einstein zegt hetzelfde zo: wie enkel zijn hersens gebruikt om te leren kennen sluit zijn menselijke bewustzijn op in een gevangenis, wordt plat, verdwijnt als mens in de techniek.
Het evangelie is het slotdeel van de broodrede van Jezus; de eerste delen hiervan hoorden we afgelopen drie zondagen. De opening in ons waarover Augustinus het heeft wordt in deze rede verbeeld in het manna, dat vanuit de hemel het volk in de woestijn bereikte, en de woestijn daarmee leefbaar maakte. Men verwachtte dat met de komst van de Messias opnieuw brood uit de hemel zou komen. Jezus identificeert zichzelf met dit brood: ik ben dit brood, met andere woorden: ik ben het woord van God. Dit wordt als ongehoord en grof ervaren. “Het brood dat ik zal geven is mijn vlees.” Het Griekse woord dat staat voor vlees betekent niet alleen het lichaam, het hart, maar ook het hoofd, het verstand, dus de complete mens. Het vlees dat Jezus te eten geeft, zijn bloed te drinken duidt op een offer. In de tempel werden destijds dieren geofferd. Het vlees ervan kon na afloop gegeten worden, maar het was absoluut verboden het offerbloed te drinken. Met zijn woorden zet Jezus een grote streep door een eeuwenlange offerpraktijk. Hosea citerend zegt Jezus bij Matteüs: barmhartigheid wil ik, geen offers.
Waar het om gaat is de opening die er in ieder van ons is, die ons toegankelijk maakt voor God en diens mensen, waar het omgaat, is jouw verlangen boven jezelf uit te steken te voeden, zodat je niet opgesloten raakt, maar opengaat voor Gods Rijk dat op ons afkomt.
Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat hij in een mens ons nabij is. Op Jezus, Gods woord, kun je telkens opnieuw weer kauwen, tot je opengaat. Zijn bloed, leven dat ons geschonken is, kun je drinken, net zoveel, dat je er dronken van wordt en doet wat God wil: leven ondanks alles. Betekent dit dus, dat we die Brit niet mogen helpen uit zijn lijden te stappen? Als u dacht deze conclusie nu al te kunnen trekken is mijn reactie: kauw nog een tijdje, hier, straks bij de maaltijd, thuis, en leer wat het zeggen wil: Gods wil te doen. Bij Jezus viel Gods wil samen met zijn eigen wil.
Waarin verschillen wij van Jezus?

21e Zondag door het jaar Jozua 24, 1-2a. 15-17.18b; Joh.6, 60-69
26 augustus 2012, Ineke van Cuijk OP

In sommige periodes van je leven kunnen bepaalde vragen – die wel eens vaker klinken – opeens helemaal binnenkomen……. Een terloopse vraag kan opeens een gewetensvraag worden………………… Zo verging het mij deze keer rond de vraag van Jezus: ‘jullie willen toch niet ook weggaan?’ In de Naardense Bijbel staat: wilt ook gij dat niet: heengaan?? Hoe zouden wij vandaag zo’n vraag beantwoorden? Als ik u één voor één vraag: wilt ook gij dat niet: heengaan? Wellicht zullen sommigen van u antwoorden: nee hoor – dat is niet aan de orde. Of anderen – ik heb daar wel mee geworsteld maar ik ben er wel uit. En misschien wel: ik ben weggegaan (en weer terug gekomen………..) En zo zijn er nog vele andere mogelijke antwoorden…. Ik hoef u niets nieuws te vertellen – wij – geregelde kerkgangers – worden een steeds kleinere groep. Steeds meer mensen haken af. En het zal u ongetwijfeld net zo vaak overkomen als mij dat overkomt – blijf jij nog bij die club? Of soms wat subtieler? Waarom blijf je bij die kerk? Wat zegt geloven jou nog? Wilt ook gij dat niet: heengaan?? Soms wel……………..moet ik u eerlijk bekennen. En wellicht spreek ik namens velen – dan ben ik het moe – al die verhalen te moeten horen hoeveel leed ‘de’ kerk en mensen van die kerk anderen berokkenen. Hoe mensen gekleineerd, beledigd, misbruikt……..en noem maar op …..worden……. Of als er ‘strijd’ is over theologische uitgangspunten – er opeens (lijkt het wel) nieuwe ‘dogma’s’ afgekondigd worden – als er opeens iets wel of niet meer mag bv. in de liturgie!! Maar ik toch ook wel weet – dat er een groot verschil is tussen geloven en kerk. Anderzijds herken ik me ook wel in Petrus: Vol vertrouwen - ook wel wat naïef misschien: Heer, naar wie zou ik anders gaan…. (Wij zingen het in een lied van Oosterhuis – alles heeft Hij wel gedaan tot wie zou ik anders gaan...) Voor wie of wat kies je? En als je eenmaal gekozen hebt, blijf je dan trouw? En hoe blijf je trouw? Kiezen………waar kies je voor…….(de strijd om de verkiezingen is al begonnen……) Voor sommigen een enorme keuze-stress!! Kiezen is heel moeilijk in het leven. Dat merken wij allemaal iedere dag. Soms in de meest kleine dingen: wat trek ik aan? Ga ik wel of niet naar die verjaardag? Koop ik nu die of die fiets, of die auto, of welke jam, vul maar in……… En dan gaat het eigenlijk nog maar over betrekkelijk eenvoudige zaken. Maar vandaag in de lezingen komt die vraag heel dichtbij. Jozua stelt zijn volk voor een duidelijk keus: voor welke God kies jij? twee goden dienen kan niet….waar sta je voor? Wanneer de joden zich goed en wel gevestigd hebben in het beloofde land, blijken velen al heel gauw vergeten te zijn hoe hun God hen heeft gered uit Egypte. Hoe de ENE hen door de woestijn heeft geleid. En in plaats van Hem dankbaar te eerbiedigen, leggen ze het aan met de Amorieten, de oorspronkelijke bevolking. Zij vereren de vreemde goden van dat volk. Blijkbaar is het gemakkelijker mee te lopen / anderen achterna te lopen?? Al die meelopers stelt Jozua voor de keus. ‘Wie wil je dienen?’ vraagt hij hun. Wil je trouw blijven aan het geloof van je voorouders of ga je de goden van de Amorieten vereren? Je moet kiezen. Wij horen vandaag niet alles uit het laatste hoofdstuk van het boek Jozua, maar hij dringt er bij de mensen na vers 19, nogmaals op aan, goed na te denken over welke God je wilt dienen. Daar niet al te lichtzinnig over te denken. Maar het volk herhaalt (vers 21) ‘Toch willen wij de Heer dienen’. Dan zegt Jozua ‘Dan bent u zelf getuigen dat u voor de dienst van de Heer gekozen hebt’. En zij antwoorden: ‘Ja, dat zijn wij!’ Er klinkt een volmondig en hartstochtelijk JA. Dankzij het getuigen met en voor elkaar kun je het samen volhouden. En natuurlijk weten we dat je er ‘met eenmaal gekozen’ niet bent! Dat geldt voor een baan, voor een partner en zo vele zaken in het leven.

Dat is natuurlijk ook de kracht van een groep, het samen te kunnen doen. Er aan werken – keer op keer bevragen – opnieuw de keuze bevestigen. De Schrift laat zien dat kiezen een werkwoord is. Steeds weer opnieuw kiezen, opnieuw vertrouwd raken met je keuze, steeds weer verdwalen en terugkeren. Steeds weer hard werken, iedere dag opnieuw je toewijden aan dat wat je gekozen hebt. Dat is de weg die Jezus wijst. Wij hoorden het laatste stukje van hoofdstuk 6. Het gaat over het brood dat uit de hemel is neergedaald, het brood dat eeuwig leven schenkt. Wij hoorden het vaker de laatste weken. Jezus zegt verschillende keren – in verschillende toonaarden – steeds indringender: ‘Ik ben het brood om van te leven’ (vers 35, 48). En in vers 56 ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, bezit eeuwig leven’. Dat is geen eenvoudige taal. Dus dat een aantal mensen begint te morren, en het gevoel hebben ‘deze taal stuit mij tegen de borst’, daar is wel iets bij voor te stellen. Want hoe moet dat dan? Helemaal één met Hem worden, totaal van Hem leven. Johannes is een Evangelist die met veel beelden spreekt. Een mystieke taal spreekt. Wij worden uitgenodigd in die beeldtaal mee te gaan. Jezus vraagt hier; wil je zo ver gaan dat je mijn levensstijl tot jouw vlees en bloed maakt. Dat is een vraag die ook ons vandaag opnieuw gesteld wordt. Wil je blijven of wil je weggaan?? Stel dat je met de levensstijl van Jezus instemt, wat betekent dat? Dat betekent dat je de consequentie aanvaard die de zending van Jezus met zich mee brengt. Hij is door zijn hemelse Vader gestuurd om de band tussen God en schepping gestalte te geven. En dat kan soms gaan ten koste van eigen leven. Wanneer wij hier samen komen om de Heer te gedenken, vieren wij feitelijk zijn levensweg, zijn levensinstelling. Confronteren wij ons opnieuw met de vraag ‘kies ik nog steeds voor die weg?’ En er zijn gelukkig momenten in het leven dat die vraag zich niet zo schrijnend opdringt, maar wij weten ook allemaal dat er wel degelijk momenten en situaties in ons leven zijn waarbij pijnlijk zichtbaar wordt wat een geworstel dat is. Op die momenten zou ik willen dat ik net zo vol vertrouwen en ontwapenend, net als Petrus, kan zeggen: ‘Heer, naar wie moet ik anders gaan……?’ Of zoals een kind dat zo heerlijk kan zeggen ‘natuurlijk ga ik met jou mee’ als je het ergens op moet halen. Om met Petrus te zeggen: In uw woorden vinden wij inderdaad eeuwig leven. Wij geloven vast en zeker de u de heilige van God bent. Of met andere woorden: In uw woorden, in uw manier van leven ontdekken wij dat je zo waarachtig kunt zijn dat je Kind van God bent. En dat is de wijze waarop wij willen leven. Jezus is daarin ons grote voorbeeld. Toen en nu. Die uitnodiging ligt er iedere keer opnieuw voor ons: Dat de levensstijl van Jezus ons vlees en bloed wordt. Dat wij zo’n gewetensvraag – hoe lastig soms ook – met wanhoop en moed – toch keer op keer volmondig mogen beantwoorden. Dat wij ons herinneren dat wij op bepaalde momenten gesterkt in het geloof door het leven gaan. Of als we in verdrietige of moeilijke situaties voelen ‘we worden gedragen’. Als wij eucharistie vieren en de ENE aanwezig weten. In het vieren van de Eucharistie stellen wij een teken waardoor wij bewust en duidelijk te kennen geven: mensen leven niet van brood alleen. Dat mogen wij hier vieren, daarvan getuigen wij als wij aan de tafel van de Heer zijn gaven tot ons nemen. Die genade mogen wij ontvangen. Dat wij samen de kracht van een groep daarin beleven. Wij nemen de levensstijl van Jezus in ons op, en zo wordt het ons vlees en bloed. En in die kracht kunnen en mogen wij vandaag volmondig en hartstochtelijk zeggen: Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt. Moge het zo zijn.

22e zondag door het jaar: Deuteronomium 4,1-8; Marcus 7,1-23
2 september 2012, Paul Minke OP

Twee tienervriendinnen kregen hevige ruzie. Bij de een is de woede zo groot, dat zij via via een jongen van 14 zover kreeg de ander te vermoorden. In wat voor samenleving wonen we, dat dit zomaar kon gebeuren; dat een jongen van 14 het blijkbaar gewoon vindt een ander te doden. In wat voor samenleving wonen we waar ambulancepersoneel en politie met geweld of dreigementen verhinderd worden hun werk te doen: misdaad bestrijden, gewonden verzorgen, levens redden. Wat is er aan de hand met onze samenleving, waar we dagelijks kunnen horen over ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. Waardoor is het hart van de mensen vervuild, dat wetten niet meer gelden,  mensen hun eigen regels maken, en de moraal uit het zicht raakt. Als we weer horen over het comazuipen bij jongeren, bij tieners wordt er al gauw gesproken over de losgeslagen jeugd. Maar waarvan losgeslagen? Van welke ankers in ons bestaan? Losgeslagen, denk ik dan, van het anker van de normen en waarden, van wetten die ertoe doen, wetten, die helpen een goed mens te worden, Losgeslagen van het anker van de zin van het leven, de bron van ons bestaan, van alles, die aan ons zijn en doen, onze woorden betekenis geven. Losgeslagen van wat wellicht van het anker van de hoop, en het geloof in de toekomst, van het vertrouwen in de samenleving. Het is, meen ik, goedkoop alleen de schuld te geven aan het geweld op de TV, aan de agressieve computerspelletjes, aan het ontbreken van de opvoeding, aan de graaicultuur, de doorgeslagen vrijheid van meningsuiting, aan opvattingen als 'moet kunnen', 'je bent maar eenmaal jong' enz.. Onder of achter dit alles ligt iets wezenlijks, dat verloren lijkt te zijn: dat wat ons 'mens' maakt, volwassen, met oog voor anderen, met het besef verantwoordelijk te zijn voor wat je doet en zegt, met respect voor wetten waarin de voorwaarde verankerd liggen die het leven met elkaar in zorg en aandacht mogelijk maken. En ook: Onder of achter dit alles ligt nog iets wezenlijks, dat verloren lijkt te zijn: dat ons tot mensen in een samenleving maakt, waarin gezagdragers gezag hebben en saamhorigheid en gemeenschapszin vanzelfsprekendheden zijn.
Toen Mozes de Israëlieten uit Egypte wegvoerde, waren zij geen volk. Nog niet. Het waren afstammelingen van Abraham, Isaak en Jacob en slaven. Veertig jaren zwierven zij door de woestijn om tot volk gevormd te worden. Aanvankelijk was het gezag en het leiderschap van Mozes omstreden. Maar al te vaak werd tegen hem gemord en tegen hem verzet gepleegd En ook God was omstreden. Soms geloofd en geprezen. Soms afgewezen Op een gegeven moment verruilden zij de God van de bevrijding voor een stierkalf. Het eerste wat God deed, was een verbond sluiten met de Isaelieten en hen de tien geboden, de tien woorden, geven als gids voor hun leven. Hij deed het met de belofte hun God te zijn en zij zijn volk en: alwie mijn geboden onderhouden zullen gelukkig leven, zij en hun kinderen. En nu, na 40 jaar woestijn, drukt Mozes het volk op het hart de geboden te onderhouden, "dan zult gij leven en bezit nemen van het land dat de Heer u schenkt." En alle volken die horen van deze geboden, zullen zeggen: dat machtige 

volk is wijs en verstandig. Aan geen andere natie is God zo nabij.
Daar zijn twee overwegingen aan te verbinden. En de eerste is deze: De geboden van de Heer zijn van betekenis voor alle volken en stammen. Zij zijn de bindende kracht voor iedere samenleving, volk of natie. Zij bieden veiligheid en geborgenheid, doen mensen in vrede leven, scheppen voorwaarden voor welvaart, waarborgen menselijke waardigheid. Zij dragen ertoe bij dat mensen gaan delen: geld, goederen en kennis. Dat inzicht wordt grotendeels door democratische leiders gedeeld, denk ik, maar met uitzondering van de religieuze dimensie van de 10 woorden. En daar maken de politiek of politieke partijen mijn inziens een grote vergissing. Waar men God voor het publieke leven niet van betekenis acht ontkracht men de kracht van de geboden, haar bindend vermogen. Ik las in het dagblad Trouw op 22 augustus een bijzondere uitspraak: "Een seculiere staat kan niet zonder een religieuze dimensie. Zeker, een samenleving zonder religie is denkbaar maar is die in de praktijk ook realiseerbaar? Kun je een gemeenschap vormgeven, motiveren en mobiliseren, zonder een religieuze dimensie?" Dat vragen zich niet gelovige filosofen zich af. Zij antwoorden: Nee. Stelt de werkelijkheid van alle dag hen niet in het gelijk?
Er is ook een tweede overweging af te leiden uit het woord van Mozes: "dat machtige volk is wijs en verstandig. God is hen nabijer dan onze goden." Ik denk dan aan de kerk, aan de geloofsgemeenschap in Jezus Christus, geroepen om een teken de zijn in de wereld, teken van heil en verzoening, om bondgenoot te zijn van de God van de bevrijding ten dienste van allen om te waken over de religieuze dimensie van de door God gegeven wetten. "Gij zijt een uitverkoren geslacht, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: gij, vroeger geen volk, nu Gods volk,"zo schrijft Petrus. Wij mogen er niet mee instemmen, dat het geloof verbannen wordt uit de publieke sector en slechts getolereerd wordt in de privé sfeer. Wij mogen er niet mee instemmen als politiek en samenleving een weg inslaan die ons nog meer vervreemden van God en het evangelie, van de normen en waarden, van het gebod van de liefde. Instemmen betekent je overleveren aan wat mensen willen op het gevaar af de geboden van de Heer te veronachtzamen. In die zin versta ik nu het verwijt van Jezus aan de Farizeeën: Gij laat het gebod van de Heer varen en houdt vast aan de overlevering van mensen!"
Mensen zitten niet te wachten op nog meer regeltjes van staat en kerk die het zicht op waar het op aan komt vertroebelen en verduisteren. Mensen zitten niet te wachten op mooie beloftes en cadeautjes, alsof ze onmondige kinderen zijn die moeten worden gepaaid. Mensen zitten te wachten op inspirerende leiders met gezag die vertrouwen geven in de toekomst en hoop op vrede en leven. Mensen zitten te wachten op woorden zoals de schriften die geeft die vertellen hoe het leven weer zin heeft, rijk aan geluk en vreugde. Mensen zitten te wachten op een volk, een kerk, die God van harte eert, die als ware leer verkondigt, dat God hen allen liefheeft en goed doet, en hen bevrijden wil van al wat hen beangst, benauwt en ontmoedigt. Amen.

23e zondag door het jaar: Jesaja 35,4-7a; Marcus 7,31-37
9 september 2012, Henk Jongerius OP

Bij het horen van de genezing van de doofstomme bleef ik met mijn aandacht wat hangen bij de woorden ‘en hij sprak weer normaal’. Het zal wel komen door de verkiezingskoorts die er in ons land is aangebroken, maar ik moest terugdenken aan de woorden die een kamerlid in een debat tot de premier sprak toen hij hem zei: ‘doe even normaal, man!’
Wat is dat ’normaal’? dat je je gedraagt en spreekt volgens gangbare normen en welke normen en waarden zijn dat dan wel? Is dat niet doorgaans het uitspreken van de wens dat een ander mens zich gedraagt en spreekt volgens de normen die ik zelf aanleg? En waar gaat het dan om? Dat alles blijft zoals het is, de zogenaamde normale verhoudingen gehandhaafd blijven en wij vooral ons zelf kunnen blijven? Dat Nederland zijn eigenheid behoudt, vreemdelingen liever de deur wijst, wij een samenleving in stand houden waarin vrees voor alles wat anders is dan wij ons gedrag bepaalt? Dat vooral de welgestelden alles kunnen houden wat zij hebben en als gevolg daarvan anderen veroordeeld zijn tot de minderheden te behoren?
Zo maken wij een samenleving waarin de grote monden regeren en wij elkaar eigenlijk doof en stom maken. Zo vervreemden mensen van elkaar en wordt onze samenleving tot een woestenij waar het recht van de sterkste en de rijkste regeert. Is dat normaal?
Helemaal tegenovergesteld aan zo’n manier van omgaan met elkaar is dat wat wij Jezus zien doen. Het is goed om daar eens zorgvuldig met elkaar naar te kijken. Hij hanteert verrassende normen: neemt de doofstomme mens apart en betoont hem daardoor respect en accepteert hem, zoals wij in andere ontmoetingen van Jezus kunnen lezen dat hij stilstaat bij mensen, hen aankijkt en ‘van hen houdt’. En daar blijft het niet bij: hij treedt binnen in de intimiteit van de doofstomme als  

hij hem aanraakt met speeksel. Er ontstaat een heel innige verhouding van Jezus met die mens wat zijn toppunt vindt in de woorden ‘ga open’, ‘Effeta’ in het Aramees. Een van de weinige woorden die van Jezus bewaren in zijn eigen taal!
Hij zegt die woorden terwijl hij zijn ogen opslaat naar de hemel en met een diepe zucht spreekt. In die zucht klinkt het diepste verlangen van God zelf op die mensen roept om open te gaan voor het visioen van een andere wereld die komen moet en zal. Dat is een wereld waarvan de profeet Jesaja ons vandaag deelgenoot wil maken. Daar gaan de ogen van blinden open en zullen de oren van de doven geopend worden, en zal de lamme springen als een hert.
Dat is de wereld zoals die vanouds bedoeld is en waarvan de Schrift ons getuigt. Een wereld waarin het goed is om te wonen, waarin mensen tot hun recht mogen komen om te zijn wie zij zijn. Het zal een samenleving zijn waarin mensen zorgvuldig en aandachtig met elkaar omgaan, waarin wij niet tot de dood en onmondigheid gedoemd zijn, maar waarin wij ‘de minste mens een naaste zijn’, een wereld waarin wij voor elkaar opengaan en elkaar doen openbloeien, waarin de woestenij, die van onze wereld maken, omgekeerd wordt en mensen gelukkig mogen zijn en met name gekend en bemind worden zoals wij dat ten diepste ook voor onszelf verlangen.
De norm van ons handelen zal niet zijn dat wat wij normaal vinden maar dat wat een ander nodig heeft en wat is dat anders dan dat hij gezien en gekend wordt om wie hij is? Wij mogen tegen elkaar zeggen dat wij ‘goed’ zijn, elkaar tot spreken roepen, ruimte geven want alleen zo zullen wij ook zelf de diepste vreugde van leven mogen ervaren. Daarom zingen wij elkaar toe in het lied dat wij gaan zingen ‘ga open Gij die woont in licht, dat niet ter dood gedoemd zijn wij die naar U genoemd zijn’’.

24e zondag door het jaar: Jesaja 50,5-9a; Marcus 8,27-35
16 september 2012, Ernst Marijnissen OP

'En toen, terwijl zij onderweg waren, stelde Jezus aan zijn leerlingen een vraag' zo hoorden we zojuist in de evangelielezing van deze zondagmorgen. De leerlingen zijn namelijk al enige tijd met Jezus onderweg. En ik vermoed dat zij niet zoveel verschillen van andere mensen, die in welke tijd en waar ter wereld dan ook oprecht hun best doen met Jezus onderweg te zijn. Geleidelijk aan beginnen ze iets te vermoeden, worden hun zintuigen scherper, nemen ze beter waar. Ik denk dat wij allen zo'n beweging in ons leven herkennen. Je ontmoet iemand die zegt: weet je wat je moet doen? Je moet eens daarheen gaan, je moet eens contact met deze of gene zoeken. Ga eens een tijdje daar of daar werken. En als je dat doet begint er iets nieuws in je leven te komen. Je ontmoet nieuwe mensen, verneemt frisse ideeën, komt in onvermoede situaties terecht, en zo ontstaat er een nieuwe weg, een ander zien en een beter verstaan. Je ontdekt, wellicht tot je eigen verbazing, hoe je verandert en groeit en wordt tot degene die je moet zijn. Zó is het evangelie van Marcus opgebouwd. Er wordt verteld over Jezus, de Messias, en zijn leerlingen, die geleidelijk aan bij hem thuis raken.
Johannes de Doper wijst op Jezus. Je ontmoet hem en gaat met hem op weg. Je hoort en ziet hem. Je ondergaat, begrijpt, protesteert. Het ene moment ben je verrukkelijk verbaasd en dan ineens zit je weer stuk en weet niet waar je aan toe bent. Op deze weg komt onherroepelijk de dag, waarop Jezus ons vragen zal: 'zeg mij, wie denk jíj dat ik ben?' Dat is niet zomaar een vriendelijke vraag. Denk dat niet! Neen: het is een sommeren, een vraag, die je verplicht bent van binnenuit te beantwoorden. Anderen napraten heeft geen zin. Jezus verlangt een antwoord vanuit het diepe bewustzijn, dat jezelf bent. En dan komt het antwoord. Dat antwoord is gebaseerd op je ervaringen van het onderweg zijn, op het zien en horen, op vreugde en verbijstering, op herkenning en twijfel: 'Jij, jij bent de Messias!'
Dit antwoord is beslissend. Het is het keerpunt in een mensenleven zoals dit antwoord van Petrus een keerpunt is in het evangelie van Marcus. 'Van nu af', zo horen we, 'ving hij aan hen als leerlingen voor te bereiden'. Zodra je van binnenuit zegt dat Jezus de Messias, de Gezalfde, is, heb je er recht op onderwezen te worden in wat de feitelijke gevolgen zijn als je verder met hem onderweg blijft. 'De mensenzoon is bestemd om veel te lijden'. Hier onderricht Jezus ons, zijn leerlingen, in de profeet Jesaja, waar deze spreekt van de lijdende dienaar, de waarachleztige mensenzoon van de Levende. We hebben dat gehoord in de 

eerste ing. Hijzelf, de leermeester, geeft aldus ook onze bestemming aan. Als je geroepen wordt om hem te volgen, zul je zijn Naam moeten aanvaarden. En zijn Naam aanvaarden betekent dat je het programma, dat deze Naam inhoudt, ter hand neemt. Die Naam luidt ‘Jezus’, dat is vertaald : de Heer redt, én Messias of de Christus, dat Gezalfde betekent. In het aanvaarden van die Naam, en dus ook in het programma, dat die Naam aanduidt, aanvaardt Jezus, en moeten ook wij aanvaarden, dat wij aan het Woord van God, die zich ontfermt en bevrijdt, handen en voeten moeten geven. Welnu: opkomen voor geketende en onderdrukte mensen, aan de kant gaan staan van vrede en geweldloosheid, worden -eigenlijk tegen de verwachting in- lang niet altijd en zeker niet door iedereen in dank afgenomen. Velen verkiezen het rond de vleespotten van Egypte te zitten, al is het in slavernij. Velen ook blijven liever dansen rond het gouden kalf van een gedogmatiseerde geloofsleer en vastgestelde liturgische rituelen. In zogenaamde geloofszekerheden. De meesten zeggen: je moet jouw vrijheid desnoods met geweld kunnen verdedigen. Je moet tegenover jouw vijand een sterke onderhandelingspositie innemen. Als je zegt, en ernaar poogt te leven, dat op die manier mensen slaven blijven en valse machten de wereld beheersen, word je uitgelachen, als een naïef mens beschouwd of tot een politiek onbenul verklaard. Ja, je kunt zelfs tot een gevaar voor de samenleving worden verklaard. Ze zullen geweld tegen je gebruiken en je op de wang slaan of de baard uitrukken. Ze zullen je voor het gerecht dagen en je geselen op de rug. Wie wil dat? Wie durft die consequenties verbinden aan het antwoord "Jij bent de Messias!'? Velen zullen reageren als Petrus: hij trok Jezus opzij (!), dat betekent van de juiste weg af. En hij begon heftig te protesteren.
Het antwoord van Jezus laat er geen twijfel over bestaan waar de Messias staat en dus: waar zijn leerlingen moeten staan. 'Weg, verleider, uit mijn gezicht! Niet op Gods bedoelingen ben je bedacht. Jij denkt op de wijze van mensen'.
We zijn vrij om te kiezen. Maar er is een keuze, die je onmogelijk aan de kant van Jezus Messias doet staan. En mogen wij ons dan nog leerlingen van hem noemen? Petrus protesteerde en heeft later zijn Messias verloochend. Toch kwam het ogenblik, dat hij diens zijde koos en daarvoor met zijn leven heeft betaald.
Evenals hij mogen wij bevrijding vinden in het woord van Jezus, dat zegt: wie zijn leven veilig wil stellen, hij zal het zeker verliezen. Maar mocht iemand zijn leven verspelen uit liefde voor mij en de weg, die ik wijs, hij zal het in veiligheid brengen.

25e zondag door het jaar: Wijsheid 2,12.17-20; Marcus 9,30-37
23 september, André Lascaris OP

Sinds anderhalve week weten we wie de grootste is in Nederland. Althans op het gebied van de politiek. Want het was me een zomer wel. Europees kampioenschap voetbal, Olympische spelen, de Paralympics, Tour de France, de Vuelta, Roland Garos, Wimbledon, USA Open, en inmiddels zijn de wedstrijden voetbal voor het wereldkampioenschap al weer begonnen, de eredivisie en nog veel meer.
Bij al deze spelen gaat het erom de eerste te zijn, de grootste, de winnaar. Ook ik heb vaak met spanning gekeken; ik heb me geïdentificeerd met spelers of teams, met hen won ik of verloor ik. Dankzij de peilingen en de media werden ook de verkiezingen een soort wedstrijd. Wie wordt de grootste?
Het zit kennelijk in onze menselijke cultuur te willen winnen, om al is het maar even beroemd te zijn, boven anderen uit te stijgen. En als het winnen ons persoonlijk niet lukt, dan identificeren we ons met een echte winnaar en treuren we met de verliezer. We zien vaak hoe groot de druk is die op de spelers wordt gelegd, we weten dat zij zeer hard getraind hebben, maar meestal vergeten we dat gemakkelijk.
Heel ons leven wordt soms een spel genoemd, waarin we kunnen winnen en verliezen. De spelen die we doen symboliseren het leven, ze herinneren ons eraan dat het in het leven gaat om het winnen. Ook in het leven identificeren we ons met in onze ogen belangrijke figuren en partijen, groepen.
Het evangelie draait dit radicaal om. De wereld wordt omgekeerd. Het gaat er niet om te winnen en om niet te verliezen. We worden verlost van de mentale druk, de harde ascetische praktijken. Een last valt van ons af. Het leven is ook niet een wedstrijd om vooral de laatste te zijn, heel het idee van te moeten winnen wordt onderuit gehaald. Een ruzie over de vraag wie de eerste of grootste is, is zinloos Degene die de eerste wil zijn, moet proberen de eerste te zijn in dienstbaarheid. Een dienaar van allen is uiteraard de laatste, is vaak iemand die vergeten wordt en, oud geworden, nog steeds actief is, een taalmaatje is van buitenlanders,voor hen opkomen.
Dat dienaarschap kan bestaan in het opnemen en verzorgen van een kind. Nog heel onlangs was ik bij een gezin met een zeventienjarig meisje dat geestelijk en lichamelijk beperkt is. Hier bepaalt het meisje het tempo en de doelen die na te streven zijn. Haar ouders gaan met de voetstappen van kinderen. Er is weinig ruimte om carrière te maken. Zij hebben jarenlang nachten gehad waarin ze 

verschillende keren in de macht moesten opstaan. Ze leven met een nog onbeantwoord vraag: wat gebeurt er met haar als wij er niet meer zijn? Ze hebben niet de mentale druk en het gedisciplineerde leven van de topsporters. Maar ze staan op een andere manier onder druk. Ze zien bovendien dat hun kind wordt gemeden op school en dat de leerkrachten haar kwijt willen.
Je kunt je getroost voelen door de woorden van Jezus: wie zo’n kind opneemt zoals ik dit hier zelf doe, neemt mij op en neemt mijn Vader op. Maar het opnemen van Jezus in je midden, in je leven en je relaties betekent niet een leven zonder druk en pijn. Jezus belooft geen succes of en pijnloos bestaan. Hij belooft leven en zelfs leven in overvloed, Hij belooft niet dat we zullen overleven, zullen winnen en bewonderd zullen worden.
Hij probeert zijn leerlingen en ook ons te leren dat Hij zal lijden. Zij durven niet verder vragen, omdat, denk ik, ze niet geconfronteerd willen worden met de harde werkelijkheid en liever dromen over de eerste plaats. De idee dat de Messias zou lijden was voor hen een volstrekt nieuwe gedachte.
Het boek wijsheid waarvan we maar een klein fragment gelezen hebben, laat zien hoe dit kan gaan. Er zijn mensen die zeggen dat ze maar toevallig ontstaan zijn, dat hun kracht de maatstaf moet zijn van het recht; wat zwak is,dient nergens toe. (Vergelijk: Mitt Romney). De rechtvaardige verzet zich tegen hen. Maar, zeggen ze: zijn levenswijze is niet die van de anderen, niet die van ons. Laten we hem veroordelen tot een vernederende dood. Zij die de eersten willen zijn, hebben geen tijd of respect voor de zwakkere die nergens toe dient.
Leerlingen van Jezus moeten niet verwachten dat zij er beter af komen dan Jezus zelf. Wie het niet eens is met de bewering dat de zwakke nergens toe dient, kan verwachten op verzet te stoten Maar de dood is uiteindelijk niet het laatste woord. Want God heeft de mens gemaakt tot het beeld van zijn eeuwigheid. De relatie met God blijft bestaan, wanneer je de weg bewandelt van Jezus. God zelf woont in jou. De derde dag is geen tijdsaanduiding, maar geef aan: hier gebeurt iets belangrijks.
. Het evangelie bevrijdt ons van de mentale druk en de fysieke uitputtingsslag om te presteren. Omdat we niet mee willen doen met de strijd wie de eerste, sterkste, machtigste is, en die strijd dus bekritiseren, lopen we de kans niet serieus te worden genomen of zelfs te worden vervolgd. Maar in het laatste geval blijkt deze keuze van eeuwige waarde te zijn. Het echte leven is dat waar zwakheid sterkte is.

26e zondag door het jaar: Numeri 11,25-29; Marcus 9,38-48
30 september 2012, Antoon Boks OP

Jozua klaagt tegen Mozes dat Eldad en Medad in het kamp profeteren die niet bijeen gekomen waren om samen met anderen van God een gedeelte van de geest van Mozes te krijgen. Jozua schijnt het God kwalijk te nemen dat Hij zo goedgeefs is. God wordt niet belemmerd of beperkt door structuren. In onze tijd zeggen overijverige mensen soms zelfs: “God werkt hier en niet daar. God is aanwezig in onze godsdienst en niet in die andere. God moet op onze manier worden aangeroepen en niet op die andere”. De beperkingen die wij op God toepassen, houden God niet tegen.
Jozua toont zich onvolwassen in zijn voelen en denken. Hij denkt dat alleen goedgekeurde sprekers het recht hebben om te profeteren. Bij veel mensen klinkt het zo: “Als zij niet van onze club, van onze gebedsgroep of van onze protestgroep zijn, dan zijn zij tegen ons.” Soms gaan ze zelf zover om te denken of zelfs te zeggen: “Als zij niet bij ons horen, dan kan God onmogelijk met hen zijn.”
Dit verhaal over Jozua is één van de vroegste verklaringen in de Bijbel die spreekt over een vrije, niet te beheersen en steeds verder gaande manier van handelen van de Geest van God. De God van de Bijbel is veel groter dan sommigen van ons lief is. De Geest van God kan niet alleen maar aan officieel uitgezochte gezagsdragers worden gegeven. Ondanks het bezwaar van Jozua erkent Mozes de goedgeefsheid van God. Als God niet gierig of jaloers is, hoe kunnen wij dat dan zijn?
De mensen in de tijd van Jezus geloofden dat ziekte en tegenslag het werk was van demonen en kwade geesten. Daarom waren duiveluitdrijvingen aan de orde van de dag. Velen probeerden mensen te genezen door duivels uit te drijven. De leerlingen van Jezus schijnen te willen dat Hij de macht om duivels uit te drijven aan hen doorgeeft. Zij willen zijn kracht, maar willen ze ook zijn levensvisie overnemen? Zij zijn onverdraagzaam, terwijl Jezus verdraagzaam is. Zij willen alles klein houden en Jezus gaat voor de groei. Zij willen alles kunnen controleren en Jezus wil iedereen binnen laten. De kerk is geen gesloten groep, geen groep huizen met een muur er om heen. God heeft zijn Geest uitgestort op alle mensen en hopelijk kijken we goed om ons heen en zien we dat ook buiten onze gemeenschap. Laat ik van die laatste categorie maar geen namen noemen, want dan ben ik morgen nog niet klaar.
God geeft niet alleen zijn kracht aan degenen die Hij goedvindt. Die gave van zijn macht zit ook niet vast aan het precies herhalen van woorden op de een of andere goedgekeurde heilige plaats. Ook is de liefde van God niet beperkt totdat wij tijd hebben of totdat wij alleen die in ieder geval uit kunnen delen. Velen van ons die de duivels van armoede en racisme proberen te verjagen hebben al ondervonden dat heel veel mensen buiten onze groep daar ook aan werken.
Hoeveel schade aan het Christelijk getuigenis is er in de loop van de eeuwen niet door onverdraagzaamheid aan het werken van de kerk toegebracht?  Daarbij

mogen we rustig denken aan officiële aanklachten en veroordelingen. Daar kunnen we nog aan toevoegen: gedwongen bekeringen, martelingen, geestelijke en lichamelijke onderdrukking en tot slot de brandstapel. Gelukkig zijn er ook mensen die zich minder bezorgd maken over liturgische en dogmatische formules en meer proberen om de Bergrede in de praktijk te brengen. Zou liefde voor elkaar niet eerder de gewone manier van handelen voor alle Christenen en voor alle religieuze mensen moeten zijn? Zou onze liefde misschien zover kunnen gaan dat we stoppen met elkaar te beschuldigen? Wij zullen het zeker niet altijd en overal met elkaar eens zijn, maar misschien kunnen we proberen om dichter bij elkaar te komen.
In de tijd van Jezus behoorde het lid zijn van een familie of een groep tot de kern van de identiteit van een persoon. Hij spreekt echter niet als een lid van de groep wanneer hij zegt: “Wie niet tegen ons is, is vóór ons”, want als je tot een groep behoorde dan moest je hoe dan ook loyaal zijn aan de groep. Met deze uitspraak probeert Jezus de mentaliteit van zijn leerlingen open te breken en daagt hen uit om ook mensen buiten hun groep als meewerkende mensen te beschouwen, wanneer zij spreken en handelen in Jezus’ naam.
De kleinheid van Jozua is duidelijk te zien onder de leerlingen van Jezus, die onverdraagzaam zijn tegenover andere genezers en duivel uitdrijvers die dat deden onder aanroeping van de naam van Jezus. Wij kennen ook de arrogantie van geestelijke leiders, die de mogelijkheden van de leken of mensen buiten de kerk ontkennen of kleineren in plaats van het werken van de Geest in hen te erkennen en te steunen. Gewijde mensen hebben niet alle antwoorden. Net zoals Mozes moeten wij de gaven van de Geest ontdekken en aanmoedigen, want die gaven zijn door God gegeven aan ieder die Hij koos.
Jezus laat zien wie voor Hem belangrijk is en dus zijn volgeling kan zijn. Wij moeten aandacht hebben voor de mensen die Jezus beschrijft als degenen die in Hem geloven. Dit zijn geen kinderen, maar volwassen aanhangers die Hij zijn volgelingen heeft genoemd. Jezus wil niet dat het geloof van die mensen, die in Hem geloven en lid van Zijn gemeenschap zijn, aan het wankelen wordt gebracht door het gedrag van de Apostelen die geroepen zijn om hen te leiden.
Ik ken heel wat goede Katholieken die onder de rubriek van die kleinen vallen, die door de misdaden en het teleurstellende gedrag van kerkleiders de laatste jaren zo geschokt zijn dat zij in wanhoop en woede zijn opgestapt om nooit meer terug te keren. Jezus maakt gebruik van een overdrijving om de straf te beschrijven die dit schandaal verdient. Wij mogen niet zover gaan, dat we die straffen uitvoeren, maar door deze woorden van Jezus leren we wel hoe boos Jezus is op alle mensen die falen in onze verantwoordelijkheid om voor die kleine mensen op te komen en dat is een Blijde Boodschap.

27e zondag door het jaar: Genesis 2,18-24; Marcus 10,2-16
7 oktober 2012, Theo Koster OP

Mannen en vrouwen die gescheiden zijn zondigen tegen God, want wat God verbonden heeft zal een mens niet scheiden. Homo’s zijn niet normaal en keren zich tegen God, want God heeft de mens als man en vrouw gemaakt. De lezingen die we hoorden zijn als een klomp goud. Met een klomp goud kun je iemand doodgooien, maar daarvoor is goud niet bedoeld.
Ditzelfde geldt voor de lezingen die we hoorden. Wat in het evangelie gebeurt speelt zich af terwijl Jezus onderweg is naar Jeruzalem. Jeruzalem wordt in de bijbel vaak aangeduid als de bruid van God. Of je God nu voorstelt als man of vrouw, het beeld van bruid maakt duidelijk dat God van mensen houdt, gek is op hen die Hij zijn trouw beloofd heeft. Jezus’ gaan naar Jeruzalem is zijn antwoord op deze trouwbelofte van God; een volmondig ‘ja ik wil’.
Jezus heeft weet van het koninkrijk Gods dat ons beloofd is, en doet de mensen proeven van de rijkdom van dit rijk. In dit rijk proberen mensen elkaar niet in het nauw te drijven, een hak te zetten, maar komen mensen voor elkaar op. Kinderen hebben weet van dit perspectief. Niet omdat ze zo onschuldig zijn; dat is een al te romantische invulling van kind-zijn. Kinderen telden niet mee, waren in de tijd waarin Jezus leefde randfiguren, zoals in sommige van onze milieus homo’s randfiguren zijn. Vandaar de barse reactie waarmee de leerlingen hen afwijzen.
Wie kwetsbaar is, makkelijk te raken en kapot te maken heeft weet van, voelt aan, wat een mens nodig heeft: aandacht en oprechte zorg, niet omdat je dit verdient, want wat heeft een kind of ander randfiguur in te brengen, maar omdat je de moeite waard bent. In Gods ogen zijn mensen de moeite waard; voor Haar hoef je je niet te versieren; Zij wil ons puur.
In het verband van het onderweg zijn naar Jeruzalem klinkt de vraag, of het een man vrij staat zijn vrouw te verstoten, idioot. Mannen mochten destijds onder bepaalde omstandigheden hun vrouw verstoten, vrouwen hadden dat recht niet.
Het zal u niet ontgaan zijn, dat Jezus deze praktijk kritiseert. Het is de enige keer in de evangelies, dat Jezus afstand neemt van een bepaling uit de Joodse wet, de thora. Een man zal zijn vrouw niet wegzenden, en een vrouw zal haar man niet verlaten. Jezus maakt helder, dat met het oog op het koninkrijk Gods een vrouw niet onderdoet voor een man, een man niet boven een vrouw staat.
Mag een vrouw onder bepaalde omstandigheden dus ook haar man verstoten? Ik herhaal wat ik net zei: een idiote vraag. Het is duidelijk dat Jezus niet gelukkig is met echtscheidingen. Zij die gescheiden zijn zullen hem daarin bijvallen. Scheiden doet pijn, allereerst aan de twee die elkaar trouw  beloofden, man en vrouw, twee vrienden of twee vriendinnen. Het veroorzaakt ook verdriet en pijn bij 

allen die betrokken op hen zijn: kinderen, ouders, zussen en broers, vrienden. Jezus is niet gekomen om individuele mensen te veroordelen, maar om hen en ons perspectief te bieden. Hij is onderweg naar Jeruzalem, de bruid van God, en dat roept de vraag op: waar gaat en ging het God om? Jezus herinnert ons aan het tweede scheppingsverhaal, dat we in de eerste lezing hoorden. We hoorden daar God zeggen: het is niet goed dat de mens alleen blijft. God heeft dit goed gezien. Wij kunnen dit meevoelen. Wij die leven in een samenleving waarin de persoonlijke vrijheid, mijn unieke persoonlijkheid, mijn rechten als burger zo centraal staan weten dat vele mensen op een eiland leven, eenzaam zijn. Diep in ons hart weten we ook, dat wij mensen onszelf niet kunnen redden. Een mens kan zichzelf niet gelukkig maken. Wij hebben andere mensen nodig om tot ons recht, uit de verf te komen.
Dieren zijn aan de mens ondergeschikt, want dat wordt bedoeld met de woorden naam geven. Dieren kunnen de mens helpen, maar niet vragen stellen of antwoorden geven. God wordt vaak met hetzelfde woord aangeduid dat we hoorden: een hulp, maar God is geen hulp die bij de mens past. Elk mens heeft andere mensen nodig. In het woord ‘rib’ wordt uitgedrukt, hoezeer mensen aan elkaar verwant en met elkaar verbonden zijn. Dat geldt niet alleen de man of vrouw met wie je getrouwd bent; dat geldt voor elke man en vrouw die op jouw weg komt. Wat God voor ogen stond en staat raakt ons allen. God gaat het om de eenheid tussen mensen.
Het koninkrijk Gods, waar Jezus over praat, is een rijk, waarin mensen naast elkaar staan, verbonden als zussen en broers, die vanzelfsprekend voor elkaar opkomen. Binnen dat perspectief kan het zinvol zijn om niet te trouwen, zinvol zijn om als vrouw je aan een vrouw, om als man je aan een man te hechten, of kloosterling te worden. Wat God verbonden heeft mag een mens niet scheiden. Deze uitspraak geldt voor ieder van ons, of we nu getrouwd zijn of op andere wijze werken aan het koninkrijk Gods. Wat God verbonden heeft geldt voor ieder van ons, en scheiden doen we helaas allemaal en regelmatig. Bijvoorbeeld als we ons verstoppen achter de veilige grens van het ik, of mijn relatie. Als we de ander laten vallen, in de kou zetten, omdat we geen raad met hem weten, haar gek of abnormaal vinden.
De lezingen die we hoorden zijn als een klomp goud, een kostbaar edelmetaal, waarmee we elkaar goed kunnen doen. God is niet gespitst op wat fout ging, maar ziet uit naar mijn reactie op zijn trouwbelofte. Volg ik, zeker als ik in de fout ben gegaan, opnieuw Jezus in zijn volmondig: ja, ik wil?

28e zondag door het jaar: Wijsheid,7,7-11; Marcus 10,17-30
14 oktober 2012, Sipke Draisma OP

Tijdens de maandelijkse bijeenkomst van de bijbelgroep in Harlingen, afgelopen week , bleek dat er deelnemers waren die zich irriteerden aan enkele uitspraken van Jezus in het evangelie dat we zojuist hoorden. Het ging dan met name om uitspraken als 'niemand is goed dan God alleen' en 'voor God is alles mogelijk'. Bij nader doorvragen bleek het venijn vooral te zitten in de stelligheid van de beweringen. ' Ik vind Jezus zo streng' , zei iemand. ' Hij strijkt je tegen de haren in' , zei een ander. 'Ik snap de onmacht van die leerlingen wel', zei iemand anders, 'wie kan er inderdaad met zulke eisen nog gered worden'.
Het gevaar van een welles-nietes discussie lag op de loer en daarom besloot ik te vragen welk kernwoord er bij de deelnemers opkwam bij het lezen van dit evangelie. Sommigen zeiden 'ballast' en dat was een begrip waarmee we verder kwamen. 'Die rijke jongeling droeg teveel ballast met zich mee', opperde iemand. 'Die kameel ook', vulde een ander aan. 'Ik anders ook', zei een derde en toen keken we haar met zijn allen aan.
'Het lukt me vaak niet me vrij te maken voor dingen die ik belangrijk vind in het leven omdat er zoveel andere dingen aandacht vragen', vervolgde ze. Ik kom niet toe aan bidden, aan rustig dingen overwegen, aandacht te geven aan anderen omdat ik voortdurend gestoord wordt door beslommeringen, gedachten, klusjes die nog snel even moeten, telefoontjes, mailtjes. Voordat ik er erg in heb is de dag weer voorbij en ben ik niet toegekomen aan wat ik écht belangrijk vind. Dan ben ik aan het eind van de dag niet tevreden over mezelf.'
We spraken met elkaar daar nog even over door en lazen de tekst er nog eens op na en concludeerden dat de rijkdom van de jongeling in feite geen echte rijkdom voor hem was maar ook een vorm van ballast. Een ballast die hem verhinderde Jezus na te volgen met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn verstand. In de groep wist vervolgens iedereen wel een vorm van ballast te noemen die hem of haar verhinderde een heimelijke of minder heimelijke droom na te volgen: omstandigheden, afstand, geld, hypotheek en angst voor het onbekende werden het meest genoemd. Nog spannender werd het toen ik vroeg of er ook ballast was aan te wijzen die je van God weghield. Twijfel werd genoemd, teleurstellingen, gemiste kansen, ziekte en lijden. Zulke ballast kun je niet verkopen, die wil niemand hebben', zei iemand. 'Maar door het hier samen te delen wordt de ballast

' wel minder', zei een ander, 'en dat is ook wat waard'.
Het thema navolging en roeping speelt het komend seizoen een centrale rol in de bijeenkomsten van de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland. Als hoofdthema hebben we gekozen voor 'Tot de orde geroepen' en we behandelen daarin de spanning die we in het evangelie ook hoorden tussen geroepen zijn en je eigen verstaan daarvan, de spanning tussen vrijheid en gebondenheid en de spanning tussen radicaliteit en wat je persoonlijk waar wilt maken en waar kunt maken in je leven.
Met het alleen navolgen van waartoe wet en profeten, regels en constituties ons oproepen zijn we er niet, blijkt uit de tekst van vandaag. Hoezeer onze Dominicaanse zusters en broeders ons daarbij ook liefdevol zullen aankijken. Het is een begin maar er wordt meer van ons gevraagd. Namelijk dat we een zekere ballast overboord gooien. Zou de ballast ook kunnen zijn dat we soms te veel van onszelf verwachten? Van onze eigen rijkdom aan ervaringen, aan kennis, aan overtuigingen, aan zekerheden. Heeft navolging, heeft roeping ook niet te maken met dat een ander vooropgaat, je roept, je aan het denken zet, het initiatief neemt. Met andere woorden: kies jij de weg van Dominicus of kiest de weg jou?
Ik weet geen antwoord op al deze vragen maar proef wel de vrijheid die ook besloten zit in de woorden 'Niemand is goed dan God alleen' en 'wat niet ligt in de macht der mensen ligt wel in de macht van God want voor God is alles mogelijk'. Het is bevrijdend om God niet als een concurrent van mensen te zien (jij kunt niet wat God wel kan) maar als een stem die ons roept, die ons op een spoor zet (het voetspoor van Dominicus in ons geval) en ons daarmee een honderdvoud aan huizen, broers, zussen, vaders, moeders, kinderen en - vooruit - akkers schenkt Het boek Wijsheid biedt een eigen zicht op roeping en navolging. Wijsheid en inzicht worden je gegeven nádat je er eerst om vraagt. Ware rijkdom is geen kwestie van goud en diamanten maar van scherp zien, van inzien. Het verhaal van de rijke jongeling, wiens rijkdom vergankelijk blijkt te zijn, levert het inzicht op dat echte vroomheid zich niet vooral en alleen in het navolgen van regels openbaart maar dat navolging ook te maken heeft met het ontdekken waar de obstakels liggen om werk te maken van je roeping. De wijsheid die dat oplevert maakt je pas echt rijk, een rijkdom die nooit verloren gaat.

29e zondag door het jaar: Jesaja 53,10-11; Marcus 10,35-45
21 oktober 2012, Antoon Boks OP

Het is eigenlijk een wonder dat Jezus nog volgelingen heeft in dit gedeelte van het evangelie van Marcus. Gedurende de lezingen die we de laatste weken gehoord hebben van de hand van Marcus, heeft Jezus zijn leerlingen verteld: hoe hard het voor de rijken is om het koninkrijk van God in te gaan; een man kan niet van zijn vrouw scheiden; wij moeten als kinderen worden om het koninkrijk van God aan te nemen en daar komt nog boven op, dat de Mensenzoon zal lijden en sterven. Dan voegt Jezus er aan toe dat zijn volgelingen bereid moeten zijn om hetzelfde te doen.
Vandaag vertelt Hij de ambitieuze Twaalf, dat, als zij als belangrijke mensen willen worden beschouwd, de dienaren en slaven van allen moeten zijn. Als Jezus in een verkiezing mee zou doen, dan ben ik benieuwd hoe een goede tekstschrijver zijn woorden zou kunnen veranderen om zelfs maar één stem te krijgen? - Of één leerling!
Het is duidelijk bij de Blijde Boodschap volgens Marcus dat de leerlingen nooit volledig schijnen te begrijpen wat Jezus over leerling zijn onderwijst. Dat bewijst de evangeliepassage van vandaag nog eens een keer. Hij heeft hen net voor de derde keer verteld dat lijden op Hem in Jeruzalem wacht. Jakobus en Johannes benaderen hem en vragen om plaatsen van gezag en macht in zijn nieuwe koninkrijk. Ze schijnen helemaal niet naar Jezus geluisterd te hebben. Zij willen dat Jezus doet wat zij van Hem vragen. Hun onverschrokkenheid is adembenemend. De overige tien worden verontwaardigd over de ongepaste vraag van Jakobus en Johannes, maar waarschijnlijk ook omdat zij het jammer vinden, dat zij niet als eersten daarom gevraagd hadden.
Jezus moet zich wel heel erg teleurgesteld hebben gevoeld toen Jakobus en Johannes hun verzoek aan Hem voorlegden. Deze twee leerlingen werden in het begin van Jezus' openbare leven geroepen. Zij hoorden bij de drie Apostelen die meerdere keren bij speciale gelegenheden werden uitgenodigd en het is duidelijk in de evangelielezing van vandaag dat ze veronderstelden dat zij bepaalde voorrechten en een aandeel in de macht zouden hebben als Jezus zegevierde en zijn wereldlijk koninkrijk zou vestigen. Hadden Jakobus en Johannes niet alles achter gelaten om Jezus te volgen? Deze vissers hadden hun boot en hun vader verlaten, maar zij moeten nu ook nog hun begrippen van glorie laten vallen, als zij met Christus verder willen gaan.
Het is duidelijk dat de leerlingen van Jezus dachten dat Hij aardse macht zou krijgen en ze hoopten op een herstel van het koninkrijk waarover David regeerde. Jezus beantwoordt het verzoek van Jakobus en Johannes met een vraag: “Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of gedoopt worden met het doopsel,

waarmee ik gedoopt zal worden?” Hun reactie is dat zij dat kunnen. Wij kunnen hun wel advies geven door te zeggen: “Je hebt er helemaal niets van begrepen”.
Leerling zijn gaat niet over macht en prestige. Het gaat niet over de eerste plaatsen aan tafel. Het gaat over het volgen van Jezus op zijn weg naar lijden en dood. Dan is het geen wonder dat Jezus voor dove mans oren sprak om dat over het voetlicht te krijgen. Vandaag spreekt Jezus over hoe ze de dienaar van anderen moeten zijn. Of nog moeilijker hoe ze de slaaf van allen moeten zijn. Het gaat niet over gediend te worden, zegt Jezus; het gaat over het geven van ons leven voor anderen zoals Hij dat gaat doen. En nog erger het gaat niet over het lijden aan het eind van ons leven, maar over het steeds weer opnieuw sterven omwille van anderen. Dat is de manier waarop Jezus leefde en Hij vroeg zijn leerlingen om hetzelfde doen.
Eerder in het evangelie vroegen de leerlingen van Jezus Hem om niet in gelijkenissen maar direct tegen hen te spreken (4: 10-34). Nu doet Hij wat zij vroegen en begrijpen ze niet wat Hij zegt. Hij wil van hen dat ze de controle over hun eigen leven, maar ook over de gemeenschappen die ze verondersteld worden te gaan leiden, opgeven. Net zoals Jezus moeten zij en wij dienaren zijn; het drinken van de beker van het lijden eist die dienst.
Verleden en toekomst volgen elkaar in het evangelie op. Eerst vroeg Jezus zijn leerlingen of ze de beker konden drinken en zij antwoorden: “Dat kunnen we”. Zij zijn er zeker van dat zij kunnen doen wat Jezus van hen vraagt. Maar als Hij dan moet lijden en sterven, zijn ze allemaal verdwenen. Pas als ze weten van de verrijzenis van Jezus krijgen ze de genade om dienaars te zijn.
Hebben wij ook niet een keer of vaker met enthousiasme op een verzoek gezegd: “Dat kunnen we”? Misschien was dat het geval bij ons huwelijk, onze professie of een baan waarmee we mensen zouden kunnen helpen, maar ook bij vrijwilligerswerk in onze gemeenschap. Wij zeiden toen met vreugde en enthousiasme: “Ja”. Dat was vroeger.
Later kwamen we te weten wat er van ons werd gevraagd. Toen realiseerden wij ons dat we de genade van de verrezen Christus nodig hadden en daarvoor baden wij. We kwamen naar de Eucharistieviering omdat we kracht, volharding en voedsel nodig hadden. Die kregen we en die hebben we nog steeds nodig. We reageerden op onze roeping en later kwam de werkelijkheidscontrole toen wij ons realiseerden dat wij het niet alleen konden doen, maar hulp nodig hadden om het voorbeeld van Christus als dienaar te volgen. In het Onze Vader zullen wij ook vandaag weer bidden om die hulp opdat het Koninkrijk Gods onder ons werkelijkheid wordt.

30e zondag door het jaar: Jerema 31,7-9; Marcus 10,46-52
28 oktober 2012, Henk Jongerius OP

Als ik de zoon van Timeüs daar langs de weg zie zitten, moet ik onwil-lekeurig denken aan al die mensen die in onze dagen de weg zijn kwijt geraakt en op een zijspoor zijn beland. Ik denk dan aan hen die teleur-gesteld zijn geraakt in de kerk, die er geen inspiratie vinden of zich groen en geel ergeren aan een instituut dat er op dit moment alleen maar op uit lijkt te zijn om orde op zaken te stellen en daartoe allerlei regels en voorschriften betreffende de liturgie en de bedienaren ervan aanscherpt en als een nieuwe inquisiteur bewaakt. Zij jagen daarmee mensen die oprecht zoeken naar wat echt geloven is en maatschappe-lijke verantwoordelijkheid betekent, de deur uit.
Zij geven mensen geen ruimte om te zoeken naar wat het leven en samenleven zinvol en goed maakt, wat menselijk geluk is, hoe je met hoop en vertrouwen in het leven kunt staan of wat de kracht en be-moediging van stilte en gebed kan zijn.
Eigenlijk ontnemen zij mensen in de grond van de zaak de mogelijkheid om samen te komen in de Naam van de Eeuwige, gevoelig te worden voor het geheim van hun leven. Zij lijken op de mensen in het evangelieverhaal die de blinde verhinderen om te roepen naar Jezus die voorbijkomt. Elders in het evangelie noemt Jezus hen blinde leiders die zeggen dat iemand die zweert bij de tempel dat ten onrechte doet, maar als hij zweert bij het goud van de tempel wel betrouwbaar is.
Zij maken anderen blind en onmondig en verhinderen het zicht op het visioen van de Bijbel, zoals wij dat vandaag horen klinken uit de mond van de profeet Jeremia. Die verkondigt aan het volk van zijn dagen hoop op een toekomst omdat de Eeuwige zijn mensen niet vergeet en hen uit ballingschap en onderdrukking zal bevrijden van verblinding en verlamming en hen weer als vrije mensen op eigen benen zal laten staan.

Zij zouden moeten luisteren naar de blinde die Jezus aanroept als de ‘zoon van David’, als de door God gezonden leraar ten leven. En wat opvallend is: zij moeten ruimte maken voor deze rabbi die zelf de blinde roept, plaats maken voor de Eeuwige die op zoek is naar ons en binnen wil komen in ons leven!
In de man van Nazareth horen wij de stem van Hem die mensen roept om weer te vertrouwen op het visioen van een andere wereld. In Hem zien wij in levende wijze de weg voor ons die wij kunnen gaan. Het is deze weg die Marcus in het 10e hoofdstuk van zijn evangelie voor ons beschrijft: het betekent luisteren naar wat er geschreven staat in Wet en Profeten en leren hoe wij al die woorden in ons leven van nu kunnen begrijpen. Dat kun je alleen als we de eenvoudige ontvankelijkheid van kinderen leren die zich kunnen verwonderen over wat er gebeurt. Zo komen wij binnen in het koninkrijk van God: door de geboden te verstaan en niet langer vast te houden aan al wat wij hebben of bezitten. In evangelische taal betekent dat ‘je leven verliezen’ en je zekerheid te vinden in een God die mensen bemint en kent nog voor zij geboren zijn. Het betekent Jezus volgen op zijn weg en dat is er een van volstrekte overgave en liefde voor mensen.
Bij al wat er gebeurt in kerk en samenleving is ons waarachtige kompas deze mens aan wie wij ons kunnen vasthouden. Hij geeft ons de oriëntatie om tot een gelukkig te leven te komen waarin wij ons gedragen weten door Hem die ons niet verlaten zal, zoals een moeder het kind van haar schoot nooit verlaten zal. Laten wij ons vastklampen aan die man en onze ogen zullen opengaan voor de goede weg, want
‘Hij die de lammen lopen liet,
hun dode krachten deed ontvlammen,
is zelf de weg tot waar geluk,
ons levenspad, de zoon van God’.

31e zondag door het jaar: Deuteronomium 6,2-6; Marcus 12,28b-34
4 november 1012, Ernst Marijnissen OP

Tussen de mensen, die zich verzameld hebben om te luisteren naar de onderrichtingen van Jezus, bevindt zich een schriftgeleerde. Het evangelieverhaal doet vermoeden dat hij intens toehoort. Hij kent de Schriften en weet precies wat geschreven staat in Wet en Profeten. Natuurlijk kent hij ook de vele uitleggingen van geboden, wetten en regels. Hij behoort tot een groep van mensen, die ons nogal eens kribbig en kwaad kunnen maken. Ze kunnen zo dor zijn, “puntjes op de i-zetters” zijn het, niet zo direct verbonden met het bruisende leven, waar doorgaans wetten en regels ervaren worden als beperkend, begrenzend, benauwend, als zaken die mensen belemmeren in hun verlangen naar ruimte, je uitleven en jezelf zijn.
In het begin van zijn evangelie vertelt Marcus hoe de mensen verbaasd zijn na een preek van Jezus. Hij zegt: Jezus onderricht niet als de schriftgeleerden, bijbelkenners bij uitstek, binnenzitters, theorieliefhebbers, maar als iemand die gezag bezit, omdat hij met beide benen in het leven staat. Legt Jezus de Schriften uit, dan gaat er blijkbaar een nieuwe wereld open. Hij laat het verband zien tussen ons dagelijks leven en een goede zingeving daarvan. Hij door¬breekt structuren van denken, die na verloop van tijd wetten en geboden krampachtig maken, waardoor de schijn wordt gewekt, dat ze niets met het gewone leven te maken hebben. Maar Jezus brengt weer vuur en gedrevenheid in Wet en Profeten. De mensen, die goed naar hem luisteren, weten zich ineens van nabij aangesproken. Ze voelen haarfijn aan wat hij bedoelt te zeggen.
Zo zit onze schriftgeleerde te luisteren. Hij laat zich niet van de wijs brengen door de eigenzinnige reacties van sommige luisteraars. Je hóórt hem denken: deze mens Jezus spreekt met zijn hart! Als hij spreekt, breekt Gods eigen Geest zich baan. Heel die zogenaamde droge en dorre wet komt voort uit warmte en liefde! Als je de wet, de Tora, maar met de ogen van je ei¬gen tijd hoort en beleeft!
Hij rent naar voren. Hij moet het weten en vraagt ademloos: 'Wat is het allereerste gebod?' Dan antwoordt Jezus met een tekst uit Deuteronomium: 'Hoort Israël!' Daarop komt het aan: hoor naar Mij! Die daar spreekt, de enige Heer, draagt een Naam, die luidt "Ik ben er voor jullie, mensen'. Ik hoor jullie zuchten om verlossing. Ik zie jullie machteloos zoeken naar vrede en de weg naar elkaar. Ik heb jullie lief, want Ik ken jullie, die onderdrukt worden. Ik gedenk mijn verbond, want Ik blijf jullie trouw, wat er ook gebeurt. Ik zal jullie  bevrijden. Hoor dan naar Mij; volg mijn Wet, die een weg is naar een nieuwe wereld, en je zult Me leren kennen. Geef je 

geheel aan Mij en durf Mij te vertrouwen. Heb Mij lief met alles wat er aan leven en energie in je bruist. Dan gaat Jezus nog verder in zijn antwoord aan de schriftgeleerde. Hij zegt: gelijk aan dit gebod is: 'Heb je naaste lief die is zoals jij'. Dat moet er direct bij gezegd worden, in één adem! Want het klinkt wel mooi als je zegt: heb God lief, volg zijn weg, natuurlijk! Hij voert je naar vrijheid en een heerlijk leven. Maar als ik om me heen zie, ben ik geneigd vast te stellen, dat ik daarvan niet zoveel bemerk. Ik kan ongetwijfeld wel eens verlicht ademhalen als ik de uitdagende woorden van de Schriften hoor. Maar zodra ik weer ontdek hoe ik zit vastgebakken aan onze samenleving, is ineens deze God wel erg ver weg. Ik durf zelfs zeggen: lijkt deze God nogal machteloos. Er zijn veel prettiger goden: je vindt ze in de etalages en de showrooms. Op de televisie word je er met veel lawaai en flitsend mee om de oren geslagen. We kunnen overal naartoe vliegen! Wat moeten we met een Eén Enige God!
Zo denken we dikwijls ...totdat ik Jezus zeggen hoor: 'Heb je naaste lief die is zoals jij'. Dat gebod is als het ware de keerzijde van het horen van Gods Woord. De andere kant van de medaille. Deze twee geboden zijn twee handen op één buik! Daar is sprake van het doen van dit Woord.
Zonder mensen kun je niet van God houden. Zonder mensen kan God niet van ons houden.
Als God mensen wil waarschuwen omdat hun wijze van leven niet deugt, heeft hij mensen nodig. Hij stuurt ons profeten.
Als God een volk wil verlossen uit slavernij, in welke vorm dan ook, heeft Hij mensen nodig. Hij stuurt Mozes en moedige leiders, die ons weghalen uit de ellende, heel de geschiedenis door. Als God aan u en mij het bestaan wil geven, heeft Hij mensen nodig. Hij schenkt ons een vader en een moeder.
Als God ons liefheeft, heeft Hij mensen nodig. Dat zijn zij die ons liefhebben en dat zijn wij, die anderen liefhebben.
Als iemand zegt dat hij van God houdt, terwijl hij mensen af¬stoot en onmenselijk behandelt op de lange schaal van de roddelpraat tot mishandeling en moord, is hij een leugenaar. In feite loochent hij God. Daarom heeft de kerk het zo moeilijk omdat er onder haar leden zovele godloochenaars zijn.
Het gebod van de liefde is Wet en Profeten. Is horen en doen. Is luisteren en liefhebben. Deze schriftgeleerde heeft dat begrepen. Daarom sloeg Jezus hem op de schouder en zei: 'jij bent niet ver verwijderd van het ware leven'. Zou hij dat ook tegen ons kunnen zeggen?

32e zondag door het jaar: 1Koningen 17,10-16; Marcus 12,38-44
11 november 2012, André Lascaris OP

Er waart een spook door Europa, - en door ons land - en de naam van het spook is ’crisis’.We zijn in een crisis en het ziet er naar uit dat we in elk geval de komende jaren er allen mee te maken krijgen.
In de tijd van de profeet Elia heette het spook hongersnood. Het regende drie jaar lang niet. Zelfs Elia had geen water meer en werd gezonden naar een weduwe in Sarefat. Een weduwe – we weten dat wel – is het beeld van de meest arme en afhankelijke mensen. Ze behoort niet meer tot haar eigen familie, en nu ze weduwe is evenmin tot de familie van haar overleden man. Bovendien woont deze weduwe in heidens gebied. Ze heeft geen rechten. en is afhankelijk van wat haar toegeschoven wordt.
Dan verschijnt de profeet Elia. Is hij iemand die, naar het woord van Jezus, in plechtige gewaden rondloopt, overal op de eerst rij zit, lange gebeden verricht en ondertussen de huizen van de weduwen op en leeg eet? Neen, dat is hij niet. Hij draagt een haren mantel en een leren gordel, wordt vervolgd door de koning, en moet zich verbergen in een kloof. Hij is een slachtoffer evenals zij.
Hij vraagt haar om water en vervolgens om eerst voor hem wat brood te maken.
En daarna voor haarzelf en haar zoon. Dat is een spannend moment. Je kunt het haar niet kwalijk nemen als ze zou weigeren die vreemde profeet brood te geven in plaats van aan haar zoon en zichzelf. De profeet doet haar een belofte: de pot met meel en de kruik met olie zal niet leeg raken. Maar moet ze die man geloven? Durft ze het risico aan dat ze niets of in elk geval minder over houdt om zichzelf en haar zoon nog wat te geven voordat ze de hongersdood zullen sterven?
We herkennen iets van dat spannende moment. In bijvoorbeeld de film Des Hommes, des Dieux, over een trappistenkloostertje in Algerije. De kans dat de monniken vermoord zullen worden is groot. Ieder worstelt daarmee. Blijven ze, dan zullen ze misschien vermoord worden. Gaan ze weg dan laten ze de mensen in het dorp in de steek, aan wie zij onder anderen medische hulp verschaffen. Ieder moet zelfstandig een besluit nemen. En zo kan het gebeuren dat ze allen worden weggevoerd hun dood tegemoet, op één monnik na, die zich verscholen had onder zijn bed.
Zulke heftige momenten van te moeten beslissen – en dit heel zelfstandig- zijn gelukkig niet zo talrijk. Onze grote crises zijn misschien de keuze je al of niet met een ander mens voorgoed te verbinden, of met een communiteit. Of je een baan neemt waarin je minder gaat verdienen – de andere leden van het gezin zullen het merken - maar waarbij je een goed zaak dient en misschien ook dichter komt te staan bij wat je werklelijk wil. De beslissing of je het kind zult houden of wegmaken, of je euthanasie zult vragen of pallatieve zorg.

Maar het spook van de crisis waart rond in Europa en in ons land, rond ons. gezin, bedrijf, familie.
Die crisis gaat misschien niet eens allereerst over geld. De crisis is misschien vooral dat onze verwachtingen niet vervuld gaan worden. We hebben nu vele jaren in de verwachting geleefd dat ‘het’ steeds beter zal gaan. Dat we het zelf beter krijgen en dat de kinderen en kleinkinderen het beter zullen hebben dan hun ouders en grootouders. ‘Beter’ betekende: meer inkomen, een groter of mooier huis, kunnen studeren of je kinderen kunnen laten studeren. ‘Beter’ betekende ook: een grotere zelfstandigheid, een grotere onafhankelijkheid, meer autonomie. Meer zelf kunnen beslissen op grond van je inkomen, je studie, je talenten hoe je leven in te richten. Meer en beter voor jezelf en voor hen van wie je houdt. De bomen die tot in de hemel groeien.
Nu dreigen die bomen potplanten te worden. Minder inkomen, minder zelf- standigheid, minder verre reizen, minder buitenshuis eten, en flexibele, tijdelijke banen hebben. We komen tot het besef dat we in een beperkte wereld en in een eindige tijd leven, waarin geen plaats is voor onbeperkte groei, eeuwige gezondheid, onmetelijke rijkdom, volledige zelfstandigheid, totale autonomie. Die vraag roept spanning op.
Hoe leven we met verminderde verwachtingen? Hoe gaan we verder met minder zelfstandigheid? Hoe houden we het uit in een omgeving die in vergelijking met andere samenlevingen welvarend is, maar in vergelijking met onze vroegere samenleving maar armoedig is en ook geen belofte inhoudt dat we die armoede zullen overwinnen?
De profeet doet iets merkwaardigs. Hij vraagt de arme weduwe om brood en trekt zelfs bij haar in. Hij maakt haar nog armer, nog minder zelfstandig, hij vraagt haar te delen. En juist dit delen van wat beperkt is, van wat zelfstandigheid is maakt het mogelijk de crisis, de hongersnood te doorstaan. Het spook wordt verjaagd. De belofte van de profeet wordt waarheid. De weduwe maakt heel zelfstandig een besluit, ze ontvangt een zelfstandigheid die ze niet eerder had gekend. Er gaat een geklaag door het land, maar je kunt ook vragen: wie wil er met me delen?
Heeft het verhaal van de weduwe en de profeet de weduwe in het evangelie geïnspireerd al het geld dat ze had in de offerkist te werpen? We weten het niet. Zij heeft Jezus misschien mede geïnspireerd zichzelf weg te schenken en met ons te delen, zodat we uit dezelfde Geestkracht zouden leven.
In elk geval worden wij nu uitgenodigd zijn brood en wijn, hemzelf te delen, en te leven in eeuwigheid.

33e zondag door het jaar: Daniël 12, 1-3; Marcus 13, 24-32
18 november 2012, Theo Koster OP

Het zal dan een tijd van nood zijn zoals er eerder nog géén is geweest, hoorden we in de eerste lezing; en dan volgt in het evangelie: na die verschrikkingen in die dagen -in het voorafgaande zijn die verschrikkingen verteld- zal de zon verduisteren en de maan zal geen licht meer geven. Angstaanjagend.
Met deze en andere teksten uit de bijbel is mensen angst aangejaagd in en door kerken, in gelovige gezinnen, scholen en andere christelijke opvoedingsverbanden. Soms ook door zelf deze teksten te lezen. Ik ben momenteel in gesprek met een student die bij een moeilijke beslissing over leven en dood, bang is voor een almachtige god die haar naar de hel zal sturen. Bang is zij ook dat haar vader die onlangs overleed nu misschien al in de hel is, omdat hij op het eind van zijn leven niet meer naar de kerk ging.
Is er reden om angstig te zijn? Ja zeker; kijk maar om je heen in de wereld waarin wij leven. Als je wilt weten wat er bedoeld wordt met die tijd van nood in de eerste lezing, kijk dan naar beelden vanuit het huidige Syrië. De gruwelijkheden die daar gebeuren, en het ergste krijgen we niet eens te zien, is sterk vergelijkbaar met de situatie waarin het volk in de eerste lezing verkeert. Wij hier in Nederland beklagen ons over de grote bezuinigingen, maar het stelt niets voor bij wat de Grieken en Spanjaarden voor de kiezen krijgen. En toch: je zult momenteel maar werkeloos zijn of raken, je huis moeten verkopen, afhankelijk zijn van de zorg, of van een uitkering.
Is er reden om angstig te zijn? Je zult maar een dodelijke ziekte onder de leden hebben en uitbehandeld zijn; de dokters kunnen niets meer doen. Of misschien nog erger: jouw partner, kind, broer of zus, vriend overkomt dit. Jullie gaan nu naar de brugklas. Het was de eerste dag misschien niet angstig, maar zeker spannend. En wat staat je allemaal nog te wachten. Je kunt gepest worden, of je zult maar de lieveling of het pispaaltje worden van een docent. Jongens durven opeens niet meer te huilen; ze zullen je maar voor loser of nog erger voor homo uitschelden. Naast angst voor de dood en ziekte kan het in je relatie misgaan, echtscheiding misschien, kinderen met wie je geen contact meer hebt.
Dit zijn nog maar een paar voorbeelden van de vele redenen, waarom mensen bang, zelfs angstig zijn. Behoort God en de bijbel ook tot die vele redenen? Helaas worden God en de bijbel gebruikt om mensen angst aan te jagen, maar God zelf, en de vele verhalen die over God in de bijbel staan, laten dit niet toe, tenzij je bang bent voor vrijheid en verantwoordelijkheid die jou is gegeven.
De eerste lezing behoort tot een verhaalsoort, dat met een duur woord apocalyptiek heet. Ik leg hier niet uit wat dit woord betekent. Daarvoor is het leerhuis een veel betere plek. Apocalyptische verhalen zijn niet ontstaan om mensen bang te maken, maar om hen in de angst waarin zij moeten leven te

 bemoedigen en te troosten. Geef je niet over aan je angsten, al zijn ze nog zo
groot. Er is iemand die ze aankan, iemand die jou niet aan je lot overlaat en voor je op komt. Hij of zij, wij weten het niet, doet dit op diens eigen manier. Dit vraagt vertrouwen, want het kan zijn dat je er soms langdurig niets van merkt, want God handelt niet zoals wij denken, als een almacht die ingrijpt. De verhalen over deze God in de bijbel helpen dit vertrouwen in ons te wekken, wakker te maken, want het zit al in ons. Het evangelie doet hetzelfde maar is wat makkelijker hier uit te leggen. Als je in een angstaanjagende, een verschrikkelijke situatie zit weet dan en vergeet niet dat de Mensenzoon zal komen met grote macht en heerlijkheid, hoorden we. Als je het hele hoofdstuk leest weet je dat Jezus op zichzelf doelt. Wanneer je doorleest weet je ook dat je macht niet moet verwisselen met almacht. Deze Jezus zal verderop immers de meest vernederende dood sterven, omdat hij opkwam voor mensen van wie de kerk niets wilde weten, en omdat hij de almachtige god van zijn troon haalde door hem Vader te noemen. Zijn macht is de kracht van de liefde, zijn heerlijkheid is er zijn voor jou.
Maar behoor ik wel tot zijn uitverkorenen, hoor ik nu de angstige student vragen. Dat heb je zelf in de hand. Niet dat je het naar je hand kunt zetten. We hoorden: dit geslacht zal niet voorbijgaan totdat dit alles gebeurd is. Maar ook: van die dag of dat uur weet niemand, zelfs de Zoon niet, maar de Vader alleen. Dit klinkt ingewikkelder dan het is. Het zal nog in jouw leven gebeuren ervaar ik als een troost en bemoediging om niet bij de pakken neer te gaan zitten, hoe verschrikkelijk mijn situatie ook is. Dat ervoer een van beide misdadigers die met Jezus gekruisigd werden. Hij hoorde Jezus zeggen: vandaag nog zal je bij mij zijn in het paradijs.
Tegelijk weet niemand dag of uur, tenzij de Vader. Dit roept ons op waakzaam te zijn. Als ik zie dat iemand gepest wordt, ben ik vrij om niet mee te doen met dit pesten, maar is dat genoeg? Of als mijn oordeel gevraagd wordt over al of niet abortus, moet ik als priester weten wat mijn kerk in deze leert, maar handel ik verantwoord door mij hiertoe te beperken? Als ik een mens in nood zie, en wie van ons is dat soms niet, ben ik dan vrij aan hem of haar voorbij te gaan, omdat deze geen beroep op mij doet?
Net had ik het over vrijheid en verantwoordelijkheid die ons is gegeven. De God die Jezus Vader noemt is een God die van mensen houdt, en er naar uit ziet dat wij van Haar houden, zoals Jezus deed, door voor elkaar op te komen. Dat is een grote verantwoordelijkheid, waar je elke dag weer aan herinnerd moet worden, vandaar het weest waakzaam. Als je weet hoezeer er van je gehouden wordt kun je niet anders dan waakzaam zijn, en omzien naar ieder mens die jouw aandacht nodig heeft.

Christus'Koning: Daniel 7,13-14; Johannes 18,33b-37
25 november 2012, Paul Minke OP

Pilatus riep Jezus bij zich en vroeg hem: Zijt Gij koning der Joden? Er moet ongeloof en verbazing in zijn stem geklonken hebben. Het begrip koning heeft voor Pilatus alleen maar een politieke betekenis. Hij denkt dan aan iemand, die macht heeft over leven en dood, aan iemand die zijn wil en wetten anderen kan en zal opleggen, aan iemand met een leger, met een hofhouding, met veel bezit, aan iemand die geweld niet schuwt en zijn macht ook misbruikt. Zo was het in zijn dagen. De keizer van Rome was het levend voorbeeld. Maar voor hem stond een man, moe en afgemat na een nacht waken in de hof van Olijven, de arrestatie en het verhoor voor het Sanhedrin, geboeid en uitgespuugd door zijn eigen leiders, weerloos en kwetsbaar. "Uw eigen volk en de hogepriesters hebben u aan mij overgeleverd." Toen Pilatus inzag, dat Jezus geen rivaal was voor de keizer noch voor hem wilde hij Jezus vrijlaten: "Ik acht hem volstrekt onschuldig."
De joodse leiders dachten daar totaal anders over. Voor de Joden had het koningsschap een meer religieuze betekenis. Voor hen was de koning de zoon van David, een door God gezalfde, meer een herder, die aangesteld was over Gods uitverkoren volk om het te beschermen, te dienen en voor te gaan in het goede. Een koning die zich laat leiden door Gods wetten en de overlevering van de vaderen. Maar toch ook een koning is in deze wereld, die gediend moet worden, een die het volk bevrijden moet van onderdrukking en gevangenschap, een die welvaart moet geven aan het land en vrede en vrijheid In hun ogen was Jezus geen koning want hij hield zich niet aan de wet: hij vergaf zonden, at met tollenaars en zondaars, hield zich niet aan de sabbat, maar ongetwijfeld zal de scherpe kritiek tegen de leiders hebben meegespeeld. En hij vervulde niet de verwachtingen die onder het volk leefden. Jezus paste niet in hun beeld van de koning. Hij moest sterven.
En Jezus? Ziet hij zichzelf als koning? En in welke zin en betekenis dan? "Ja, koning ben ik maar mijn koningschap is niet van deze wereld. Ik ben in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid." Mijn koningschap is niet van hier, heeft niets te maken jullie voorstellingen, met jullie machtspelletjes, met jullie zucht naar aanzien en jullie bezitsdrang, met jullie bedreigingen en angsten, met jullie leugens en bedrog. Mijn koningschap heeft alles te maken met waarheid en waarachtigheid, met barmhartigheid en liefde, met rechtvaardigheid en hemelse vrede. In zijn ontluistering, staande voor Pilatus en verraden door het volk, kon zijn bekentenis en betekenis koning te zijn pas goed worden begrepen. Daar staande voor Pilatus, vertegenwoordiger van de keizer van Rome, die albeheerser van de wereld is met een absolute macht over de volken, daar staande als geboeide en gevangene, ontdaan van alle aanzien en glorie, brengt Jezus zijn Koningschap meer in beeld dan woorden kunnen zeggen. In zijn ontluistering komt de ware luister van Jezus in het volle licht. Wie hem zo ziet, weet, dat je niets van hem hebt te duchten of te vrezen.

Pilatus hernam: "Gij zijt dus toch koning?" Jezus antwoordde: "Ja, koning ben ik." Pilatus kan het niet bevatten. En wellicht is het voor ons ook verwarrend. Het is moeilijk zijn Koningschap zuiver religieus te zien, zonder politieke lading. Wie van Jezus verwacht dat hij zich laat gelden in deze wereld op de wijze waarop de koningen, vorsten, machthebbers van deze wereld dat doen vaak met bedrog, slinksheid, geweld, schone schijn, verwacht dat ten onrechte. Nee, hij was in de wereld om getuigenis af te leggen van de waarheid. En hij die de waarheid zoekt en naar zijn stem luistert, die weet, Jezus is koning, dienstbaar en gids voor het leven tegelijk, betrouwbaar en waarachtig in woord, een, die je volgen kunt zonder angst; een, die je niet misleidt en misbruikt, een die je liefheeft, die bron van hoop is, die je nabij is en draagt. Daar doet zijn ontluistering, ondergane spot en kruisdood niets aan af. Integendeel. Hij beschaamt de wereld en zijn heersers, ontmaskert hun misbruikte macht.
Want weet wel, Jezus legt getuigenis af van de waarheid in een mensenwereld, die de waarheid naar zijn hand heeft gezet en verdraaid heeft ten eigen bate. Pilatus was zich dat bewust wanneer hij schouderophalend zegt: "Wat is waarheid." Getuigen van de waarheid in deze wereld is de wereld confronteren met haar leugens en in het bijzonder de wereld van de machten, naties en ook helaas de godsdiensten. Die wereld is daar niet op gesteld en wil maar een ding: Jezus het zwijgen opleggen. Pilatus, hoezeer overtuigd van Jezus onschuld, zal hem wel ter dood veroordelen, bezweken als hij is onder de druk van de godsdienstige leiders en hun listen.
Die wereld wil ieder het zwijgen opleggen, die in de geest van Jezus Christus getuigenis aflegt van de waarheid. Die wereld is geen haar veranderd. Velen zijn er slachtoffer van geworden, zijn gemarteld en gruwelijk vermoord. Mensen, die net als Jezus overtuigd zijn dat alleen de waarheid ons vrijmaakt. dat de waarheid dé koninklijke weg is die naar vrede en veiligheid leidt, dat de waarheid mensen en volken en kerken/godsdiensten tot elkaar brengt, dat de waarheid en alleen de waarheid het lot van de wereld ten goede keert. Al die slachtoffers hebben met Jezus het lot van de wereld gedragen.
Wij kunnen koning Christus alleen maar dienen door de waarheid te dienen, door waarachtig te leven, door woorden te spreken, die oprecht zijn. Zo dragen wij bij aan de hoop op het Rijk Gods, op een wereld omgekeerd, dat de waarheid het wint van de leugen, waarachtigheid het wint van het bedrog, gerechtigheid van alle onrecht, vrede het wint van het geweld en liefde van de haat. Zo dragen wij bij aan de voorbereiding van de komst van Gods Koninkrijk, waarin alle volken, stammen en talen koning Jezus hulde brengen, om het met de profeet Daniël te zeggen uit de eerste lezing. En zijn Koninkrijk zal nooit te gronde gaan tot zegen van allen die haar bewonen. Amen.