PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2013 (C)


3de zondag door het jaar: Nehemia 8,2-10; Lucas 1,1-4+4,11-21
27 januari 2013, Ernest Marijnissen OP

Het is prettig als je persoonlijk wordt aangesproken. En als het niet prettig is kan het toch nuttig en belangrijk zijn. Als iemand je iets wil zeggen dat juist voor jou bedoeld is heb je niets aan algemene waarheden en uitspraken. Wat koop je ervoor als je in de morgen iemand ontmoet die tegen je zegt: als de dag begint dan zeggen we ”goede morgen”. Je moet natuurlijk zeggen: ik wens jou een goede morgen!. De groet of wens is voor jou persoonlijk bedoeld. We zeggen ook wel eens ’hallo!’. Dat is waarschijnlijk goed bedoeld, maar je zegt niets en tegen niemand in het bijzonder. Hallo is een signaal, geen groet. Maar we staan er meestal niet eens bij stil. Het gebeurt uit gewoonte of plichtmatig.
Lucas weet dat. Als hij de eerste zinnen van zijn evangelie schrijft staat er niet: Hallo! Ik heb alles eens uitgezocht en wat ik te weten ben gekomen kun je nu lezen. Dat is beslist niet uitnodigend en zeker niet persoonlijk. Luister hoe Lucas begint :
Het leek me een goed idee om alle gebeurtenissen, die over Jezus van Nazaret verteld worden, nog eens vanaf het begin nauwgezet na te lopen. Daarom heb ik alles nog eens voor je onderzocht en het voor jou, beste Theofilus, op een rijtje gezet. Dan kun je het nalezen en er je voordeel mee doen als leerling van Jezus Christus!
Ik heb de plechtige briefstijl uit oude tijden vereenvoudigd, dat wel, maar de bedoeling blijft gelijk. De naam Theophilus betekent ‘jij wordt door God bemind’. Dat is persoonlijk. Dát is de evangelist Lukas. Wat hij heeft opgeschreven is bedoeld voor ieder van ons persoonlijk.
Lukas tekent Jezus van Nazaret als een Joodse man, die is groot gebracht volgens de Joodse tradities en gewoonten. Hij was besneden, vierde de Joodse feestdagen en ging op de sabbat naar de synagoge. Uit zijn onderricht aan de mensen blijkt dat hij een kenner is van de Tora, de Wet van Mozes. Hij was ook trouw aan die Wet, maar raakte desondanks in conflict met de kerkelijke overheid van die dagen. Hij beleefde de Tora namelijk zo van binnenuit dat hij heeft begrepen én geleerd dat de Wet geen dode letter is, maar een bron van voortdurende inspiratie voor ieder van ons persoonlijk.
Schriftgeleerden, Farizeeën en hoge kerkelijke leiders begrepen niets van zijn omgaan met de sabbat. Ze begrepen ook niet waarom de schare, de bijbelse aanduiding voor gewone mannen en vrouwen, wel naar hem luisterde, maar zich verder voelde als een kudde zonder herder. Zijn manier van doen op de sabbat is een prachtig voorbeeld geworden hoe je de dode letter van de Wet tot leven brengt. Je begrijpt dan ook aanstonds waarom die Wet voor ons, óók voor ons in deze tijd, zo belangrijk is. De Tora, de gids en richtingwijzer, welke God ons meegeeft, is niet een boek, dat weinige mensen eerst moeten bestuderen om het daarna aan veel mensen uit te leggen, die zich dan vervolgens in gehoorzaamheid aan die uitleg onderwerpen. Dan wordt de levende bron vervangen door leidingwater. Je hoeft niet zelf meer te putten maar slechts de kraan open te draaien. Geen wonder dat mensen daar eens genoeg van krijgen en wat anders gaan zoeken. In navolging van Jezus lees je de bijbel niet als een boek, en doet het dicht en zet het weg als je het uit hebt. Je hébt de bijbel nooit uit omdat alles wat geschreven staat steeds opnieuw geboren wordt. De bijbel is geen boek. De Bijbel is een bron. De lezingen van deze zondag laten dat zien. We hoorden in de eerste lezing hoe Nehemia het volk bijeenroept. De Joden zijn juist teruggekeerd uit de grote ballingschap, uit  het land van Babel. Ze hebben hun tempel, hun heiligdom, weer nieuw opgebouwd. Het verhaal, dat we hebben gehoord,

 moeten we verstaan als één grote liturgie. Heel het volk is samengestroomd op het plein voor de Waterpoort. Natuurlijk bestaat er geen plein ter wereld waar een heel volk tegelijk op kan, maar in het verhaal kan het wel. Het moet zelfs. Het is niet zo maar een plein, maar een plein voor de Waterpoort. Want wat komen gaat, gaat over een bron, een bad, een douche, het gaat over nieuw leven en opgericht worden. In deze grootse liturgie wordt de Tora voorgelezen. Niemand heeft de tekst in zijn handen maar allen horen toe, met alle energie en volharding, die nodig is. De woorden, die klinken, moeten tot leven komen in het hart van de mensen en niet stollen tot letters in een boek. De mensen horen, de oren wijd open en gespitst. De Tora galmt over het plein voor de Waterpoort en wordt zo uitgestort over allen die toehoren. Levend water! Allen die daar staan en soms diep buigen zijn net als wij: kapelgangers! Ze zijn ontroerd, want geraakt door de zuiverheid van het gebeuren, de warmte van de teksten en de onderlinge saamhorigheid. En we roepen: Amen. Amen!
Ook Jezus treffen we aan in onze liturgie. Hij is op sabbat naar de synagoge opgegaan. Dat was zijn gewoonte. Als het moment gekomen is wordt hem de boekrol gegeven en leest hij de tekst van de profeet Jesaja, welke het keurmerk voor de Messias, de Gezalfde van God, is geworden: de Geest des Heren is over mij, want hij heeft mij gezalfd. Deze zalving heeft een inhoud, een opdracht, en luidt: ik ben gezalfd om goede tijding aan te kondigen aan armen, hij heeft mij uitgezonden om vrijlating te prediken aan gevangenen en een nieuw gezicht aan blinden,– om verdrukten uit te zenden in vrijlating, om te prediken een welkom jaar des Heren!’.
De woorden van Jesaja zijn een kernachtige samenvatting van de Tora, welke alleen wordt overtroffen door een andere uitspraak: heb God lief en de naaste, die is zoals jijzelf bent. Want jij, mijn broeder of zuster, bent een Theophilus, een door God beminde.
Jezus sluit de boekrol. Het wordt stil. De ogen van allen richten zich op de man in het spreekgestoelte. De spanning ligt als gesmolten lood over de aanwezigen. Want de boodschap van Jesaja is allen bekend en allen zien uit naar de verwezenlijking ervan.
Dan zegt Jezus: heden is dit schriftwoord voor uw oren in vervulling gegaan! Wat een uitspraak! Jezus zegt niet: heden is dit schriftwoord in vervulling gegaan. Neen, hij zegt: het is voor uw oren (!) in vervulling gegaan. Hoort Israël. Hoort, jullie mannen en vrouwen op het plein voor de Waterpoort. Hoort jullie, in de synagoge. Hoort jullie mensen hier in deze kapel.. Want daarmee begint het steeds weer. Wat we nu horen is onze diepste wens. Het rust op de bodem van onze ziel, soms zelfs zonder dat we eraan denken of bij stil staan. Dat verlangen moet altijd weer tot leven worden gebracht. Altijd weer ‘opstanding’, opstaan! Daartoe is Jezus van Nazaret tot ons gekomen. Daartoe buigt God zich over onze wereld. Daartoe zijn ook wij geroepen: om anderen tot opstaan te bewegen. Om zelf door anderen tot opstaan bewogen te worden. Wie daarvoor zijn oren opent zal de woorden als water drinken:

om goede tijding aan te kondigen aan armen,
om vrijlating te prediken aan gevangenen
en aan blinden nieuw gezicht,
om verdrukten uit te zenden in vrijlating,.
Dan worden wij gezalfd met heilige geest.

4de zondag door het jaar: Jeremia 1,4-19, Lucas 4,21-30
3 februari 2013, Ineke van Cuijk OP

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar roepingsverhalen in de Bijbel spreken mij altijd tot de verbeelding. Ik vind het vaak prachtige verhalen en wat dat betreft kan ik/ kunnen wij deze kerkelijke periode mijn/ons hart ophalen. Jeremia wordt geroepen voor een moeilijke taak. Hij mag/moet zelfs het vonnis voor de zonden van Jeruzalem bekend maken. Dat is geen populaire boodschap. God ziet ook wel dat het een schier onmogelijke taak is – want God belooft hem sterk te maken. De beeldspraak daarbij roept voor mij beelden op uit de films van Tolkien / In de ban van de ring en ook de film De Hobbit: een versterkte stad, ijzeren zuil, koperen muur……… Een onneembare vesting! Zo sterk mag je dus staan als God je roept. Enerzijds is dat een geruststellende gedachte, anderzijds kan het je ook helemaal aanvliegen!
Dit roepingsverhaal van Jeremia is een verhaal, denk ik, dat ook vandaag voor ons zo kan klinken Wij hier – in meer of mindere mate – actieve christenen voelen ons geroepen. Maar om dat iedere dag in je leven – in je werken – in je zijn – tot uitdrukking te brengen is geen gemakkelijke taak. Wij zijn er zelfs regelmatig wat verlegen mee…. Maar toch worden wij net als Jeremia – geroepen! En wij mogen ons daarin net zo sterk voelen! We zongen net: mijn rots en mijn burcht zijt Gij altijd geweest!
Jeremia leeft in nauwe verbondenheid met God, en staat eveneens dicht bij mensen. Onder koning Josia probeert men het land te hervormen en de afgodendienst te zuiveren maar onder diens opvolger Jojakim gaat het weer helemaal mis. En zo staat het volk aan de vooravond van de Babylonische gevangenschap. Toch lukt het Jeremia zijn werk ruim 40 jaar vol te houden – je zou kunnen zeggen – een leven lang. Omdat hij iedere keer opnieuw – ondanks alle tegenslag – constateert: ‘Ik wil er niets meer van weten. Ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente (20.9)’. Jeremia blijft - tegen beter weten in – geloven in de toekomst – ‘het zal ooit goed komen’…..
Dat zijn eveneens beelden, uitspraken van mensen die het in onze tijd moeilijk hebben. Wij allemaal – zoals wij hier zijn en u die met ons verbonden bent – kennen de mooie en verdrietige kanten van het leven. En iedere keer opnieuw raak ik ontroerd als ik bij mensen kom – in een laatste fase van hun leven bv. en merk hoe sterk zij zijn. Zij en hun dierbaren kunnen soms zeggen – het komt goed. Of grote en kleine mensen die na de klappen van het leven toch weer een zinvol bestaan op kunnen bouwen. Of zoals je de beelden ziet van de situatie in Syrië – mensen/gezinnen die verblijven in de rotsen omdat het daar het veiligst is – zij blijven hopen op vrede. Op een nieuwe toekomst. Jezus staat voor die nieuwe toekomst! Het Evangelie van Lucas is nog maar net op gang gekomen – ná de aankondiging van de geboorte, de geboorte – ‘kinds’verhalen – de doop in de Jordaan en de bekoringen in de woestijn /zitten we meteen al in het openbare 

leven van Jezus. En Hij maakt zich openbaar! Jezus weet dat Hij – net als Jeremia – vanaf de moederschoot is geroepen om de boodschap van God uit te dragen. Lukas maakt hier van zijn verhaal in de synagoge – een roepingsverhaal. Jezus wil zijn geloofsgenoten wakker schudden – niet inslapen en dagelijks/wekelijks de rituelen automatisch uitoefenen. Nee, Jezus wil zijn stadsgenoten er van bewust maken dat je iedere dag opnieuw je opdracht en je roeping waar moet maken. En zo ondervindt Hij weerstand, want als het zo dicht op je huis komt is lang niet iedereen enthousiast over zijn werk en zijn prediking. Aanvankelijk is men enthousiast – vers 22 – ‘allen betuigden Hem hun instemming en verbaasden zich, dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden’. Maar dan slaat de stemming om als Jezus buiten de muren van de eigen synagoge kijkt. En Hij vertelt de verhalen van genezingen/van wonderen bij ‘de heidenen’! De mensen in Nazareth – en dat geldt ook voor ons – hebben niet het alleen-recht op God. En al zeker niet op Gods wonderlijke daden! God wil alle mensen gelukkig zien! God houdt van alle mensen, ook van heidenen, wie dat ook mogen zijn………….en ook niet-kerkse-mensen staan bij Hem in een goed blaadje. Het Heilige Land – dat is de hele wereld. Het Uitverkoren Volk – dat is de hele mensheid. God is niet gebonden aan de grenzen die wij mensen stellen – Jij hoort er wel bij en jij niet……………….. Gods bemoeienis reikt verder dan onze beperkte kijk op de wereld. Hij laat zich niet opsluiten in een kerkgebouw of in een dogma of in regels die wij mensen maken. En als iemand – zoals Jezus dat doet in Nazareth – je wijst op die beperkingen/tekortkomingen - dan wil je dat niet horen. Je wordt boos – een hele menselijke reactie…. Maar diep in je hart weet je wel dat die ander gelijk kan hebben. En vaak kost het enige tijd – enige zelfoverwinning om dat toe te geven.
Jezus doorstaat de vuurproef in zijn eigen dorp – glansrijk! Hij ging midden tussen hen door! Dat kan omdat Hij ‘heilig’ gelooft in zijn opdracht. Hij leeft vanuit een intense verbondenheid met God - bij zijn doop (onlangs) hoorde Hij – ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind’. Zo zijn wij ook geroepen – als bemind kind van God – ieder van ons – één voor één! Met eigen talenten en eigen mogelijkheden.
Dat roepingsverhalen van en over anderen ons mogen inspireren en bemoedigen. Dat wij door die verhalen weer aangeraakt worden om ook onze opdracht uit te dragen en gestalte te geven in ons leven.
Het vraagt durf en lef om die roepstem te horen en te volgen.
God zal ons sterk maken als een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur. God spreekt ons moed in en belooft ons terzijde te staan – zoals bij Jeremia – zoals bij Jezus. En bij ons allemaal. Als je naar mijn woorden luistert, zul je niet verloren gaan!
Moge het zo zijn.

5de zondag door het jaar: Jesaja 6,1-8; Lucas 5, 1-11
10 februari 2013, André Lascaris OP

Zoals de predikante vorige week al aankondigde, lezen we vandaag twee roepingsverhalen. Deze verhalen zijn niet bedoeld als een stukje geschiedenis: ze gaan ook over ons. Elk roepingsverhaal is verschillend. Want degene die geroepen wordt is uniek en verschilt van anderen. Er is een groot verschil tussen Jesaja die vertrouwd is met de tempel en daar een visioen krijgt en die visser in Galilea die een ontmoeting heeft met een rondzwervende prediker. En beiden verschillen eindeloos van ons moderne mensen met onze computers.
Maar de verhalen hebben ook min of meer eenzelfde structuur, maken eenzelfde soort gang. Er vindt een ontmoeting plaats tussen hemel en aarde. Jesaja krijgt een visioen van God in zijn verhevenheid boven de wereld, in Gods anders zijn. Jeremia krijgt een woord van God, Maria wordt bezocht door een engel, Simon ontvangt Jezus in zijn boot. Die ontmoeting is een oproep om van de aanwezigheid van God te getuigen. Maar de mensen die zo worden aangesproken proberen allemaal aan die opdracht te ontkomen.
‘Ik ben een mens met onreine lippen, levend onder een onrein volk, dit alles is niet voor mij’, zegt Jesaja. Jeremia reageert met: ‘ik kan niet spreken, ik ben veel te jong’. Maria met: ‘ik heb geen man’. Simon Petrus maakt eerst bezwaar om nog eens in het daglicht de netten uit te werpen. En wanneer zij overvol raken, zegt hij: ‘ga van mij weg, ik ben een zondig mens’.
Ze zien allen de bui al hangen: hun leven gaat veranderen. Maar hun bezwaren worden te niet gedaan. Jesaja wordt rein gemaakt, aan Jeremia wordt gezegd dat hij geen angst moet hebben, aan Maria dat ze toch zwanger zal worden, en Jezus gaat aan de zondebelijdenis van Simon Petrus voorbij.
Pas na hun protest en nadat hun protest als het ware is weggewuifd, verklaart Jesaja: ‘hier ben ik, zend mij’. Jeremia staat op en spreekt, Maria zegt: ‘mij geschiede naar uw woord’. Simon Petrus, Jacobus en Johannes laten hun boten en al het andere achter en volgen Jezus.
Ook wij worden of werden geroepen. Anders waren we niet hier. De ontmoeting met God en met Jezus was misschien heel wat minder dramatisch dan bij deze Bijbelse figuren. Maar het is zinnig en goed dat we evenals zij protesteren. We laten zien dat we verantwoordelijkheid kennen. Wat kunnen we doen in een maatschappij waarin meer en meer mensen, vooral jonge mensen, zeggen niet te geloven en voor wie namen als Jesaja. Jeremia, Maria en zelfs Jezus onbekend zijn, of tenminste niets zeggen? Zijn wij geschikt om hun de weg van Jezus te wijzen? Ik kan met gemak wel tien dingen bedenken die mij ongeschikt maken

voor zoiets, En omdat je de tekorten van anderen beter ziet dan die van jezelf, kan ik wel twintig redenen vinden waarom u niet geschikt ben, en u kunt ongetwijfeld wel dertig dingen vinden waarom ik niet geschikt ben. Maar ik vrees dat onze protesten niet zullen helpenn hoe waar ze ook zijn. Wij worden geroepen en gezonden. Het zou veel beter en slimmer zijn anderen te roepen en te zenden, en niet ons. Maar of we willen of niet, wij zijn het die worden geroepen. Het kan zijn dat ons leven aardig door elkaar geschud wordt. Maar ik vrees dat ons geroepen worden uiteindelijk ons doet zeggen ‘hier ben ik, zend mij’ en we onze bezigheden helemaal of ten dele achter ons laten en Jezus en onze voorgangers na hem volgen.
Maar krijgen we dan tenminste een instructieboekje mee hoe, met de woorden van Jezus, mensen te vangen? Neen, dat krijgen we niet mee. Want ieder mens is anders. Iedere roeping is anders. Wij worden geroepen maar ieder van ons is anders. Ons beste instrument zijn wijzelf, met al onze tekortkoningen en ongeschiktheden. Krijgen we een eigen energiedrankje mee? Of een boekje met inspirerende teksten en zelfs magische spreuken? Neen, onze inspiratie en energie ontlenen we aan de verhalen van de Bijbel, aan het delen van brood en wijn, aan het doen.
Wat moeten we doen? Mensen vangen, zegt Jezus. Mensen redden uit het water. Water is in de Bijbel een beeld van de chaos. Denkt u maar aan het eerste scheppingsverhaal waarin God de wateren van elkaar scheidt of aan het verhaal van de zondvloed. En chaos is er genoeg in onze wereld en in onze maatschappij. We worden in onze samenleving geprest om alles op alles te zetten en zoveel mogelijk plezierige dingen te doen, in welvaart te groeien, in spiritualiteit te groeien. We leren met onze ellebogen te werken, met anderen de strijd om de beste plaats aan te gaan. We leveren slag op de plaatsen waar wij werken, en als we uitgeput thuis komen wordt er ook weer een beroep op ons gedaan. We dreigen ons zelf voorbij te rennen en al die gevechten maken ons leven tot een chaos. Vooral jongeren lopen voortdurend rond met hun mobieltje en zoeken contact, maar blijven eenzaam, eenzamer dan de ouderen.
Voor onszelf en anderen moeten we Jezus tot ons model maken. Dan word je bevrijd van al die stemmen en beelden die zeggen: koop mij, vereer mij, volg mij, ik maak je rijk. We mogen gehoor geven aan die Ene God, aan de minsten in onze wereld en ervaren dat er een weg voor ons open ligt. Moge ieder van ons geroepen worden en gehoor geven aan de Ene.

H. Drie-eenheid: Spreuken 8,22-31; Johannes 16,12-15
26 mei 2013, Ernst Marijnissen OP

Het lijkt erop, dat tijdens het tafelonderricht van Jezus na de voetwassing de roeping van Mozes herleeft. Als wij geroepen worden de kant van neergeslagen en onderdrukte mensen te kiezen, zullen we ook de veroorzakers van die ellende op onze weg vinden. In het boek Exodus wordt verteld dat God op een bepaald moment Mozes naar farao zendt, de onderdrukker van zijn volk. Dat heeft natuurlijk enkel zin als de slachtoffers van zijn tirannie daarmee worden gediend. ‘Het belang van de slachtoffers dienen’ houdt dus in dat wij de machthebbers leren weerstaan, of, anders gezegd: tot hen worden gezonden. Welnu: net als Mozes hebben ook de leerlingen zich afgevraagd: wie ben ik? Waarom ik? Zo denken wij toch ook dikwijls: waarom ik? Waarom wij? Het antwoord, dat God aan Mozes geeft, is nogal opvallend. God geeft geen verklaring van de zendingsopdracht aan Mozes, of van de zin ervan, maar de Eeuwige openbaart slechts zijn Naam: Ik zal er voor jullie zijn. Als ik jullie roep, zegt God, loop ik niet weg, verschuil ik mij niet. Ik zal zijn waar Ik je heenzendt.

In de bovenzaal van het laatste avondmaal was het niet anders gesteld dan met Mozes. En ook in onze situatie is er niet veel verschil. Wie ben ik? Wie zijn wij? Waarom wij? We deinzen terug, we schrikken voor wat ons misschien te wachten staat. De leerlingen van destijds beseften heel goed, dat Jezus ging sterven, en dat zij alleen zouden achterblijven. Wat moesten zij zonder de aanwezigheid en de bescherming van hun rabbi en vriend?
Dat gevoel herkennen wij toch ook? Ook wij voelen ons vaak ver¬weesd. Jezus lijkt ver weg, en de Eeuwige is een verborgen God. Staan we er alleen voor?

Daarom zegt Jezus: jullie kunnen nog niet alles dragen. Wat betekent dit anders dan: je hoeft ook niet alles volledig te weten. Komt tijd komt raad. Je mag groeien, en er is genoeg tijd, waarin je vertrouwen in mij en de Vader kan rijpen. Wat Jezus daarmee bedoelt vat hij samen in het beeld van het werken van de Heilige Geest. Zij zal op de juiste tijd in ons midden zijn en ons inspireren tot die daden, welke tot zegen zullen strekken van de slachtoffers van onderdrukkers en tirannen. Deze Geest is betrouwbaar, zegt Jezus, want zij spreekt alleen die woorden en wijsheden, die zij van Godswege hoort. Zij hoort niets buiten de Eeuwige om. Alles wat zij ons influistert is puur en betrouwbaar. Wie bereid is naar de influisteringen van de Geest te luisteren wordt gereinigd van angst en beklemming, wordt gelouterd tot een mens naar Gods beeld en gelijkenis. De Geest wast ons schoon, en - eenmaal door haar schoon gewassen - zullen we ons de weg laten wijzen naar het juiste handelen. Die weg, aldus leert Jezus ons, is mijn weg, de weg van Wet en Profeten, dus de weg van de Eeuwige, de betrouwbare God van het verbond. Weest niet bang: ik ben bij jullie tot aan het einde der tijden. Ik ben mét jullie op weg, en  door de Geest zullen wij in staat zijn lief en leed te delen op de weg naar het armenhuis, Bethanië genaamd, het huis 

van mijn vrienden en vriendinnen, uitgebeeld door Maria en Martha en Lazarus. Eens kunnen jullie je roeping dragen. Houdt goede moed!
Deze lezing uit het evangelie volgens Johannes verduidelijkt op een indringende manier wat de kerk van Jezus, en dus ook wij, zijn leerlingen, met het feest van de heilige Drie-eenheid aan de wereld willen verkondigen. God is liefde. God heeft lief. Zo’n uitspraak mag niet in de lucht blijven hangen. Op zichzelf betekenen deze woorden namelijk nog niets. Ze krijgen echter betekenis als we ons afvragen ”wie heeft God dan lief?”. Liefde wordt pas echt en concreet als ze aanwijsbaar is. Het antwoord kennen we: God heeft de mensen lief. Wie liefheeft wil degene, om wie het gaat, als het mooiste, het beste en het meest nabije ervaren. De liefde zal degene, die wordt bemind, boven alles en iedereen verheffen. Die je liefhebt is jouw hartstocht, jouw alles, ja jouw eigen leven. Zo is de mens voor God zijn alles. Hij wil zichzelf in de mens terugzien. God wil de mens boven iedereen en alles uitheffen. De bijbel zegt het kort en bondig: God maakt de mens tot zijn beeld en gelijkenis. Dat het zo moet en vooral dat het zo kan gaan wordt ons verteld in de mens Jezus van Nazaret. Hij is Gods lieveling. Deze Jezus is dat geworden, omdat hij binnen de grenzen van hemel en aarde is gerijpt tot beeld en gelijkenis van deze liefhebbende God. Daarom mocht hij zeggen: ‘wie mij ziet, ziet de Vader’. Daarom noemen wij Jezus ‘Zoon van God’. Hij is sprekend zijn Vader.

Maar Jezus is een mens en hij is gestorven. Hij is nu bij de Vader. Is dat niet een beetje ver weg, mag je vragen. De eerste leerlingen, daar in die zaal van het laatste avondmaal, hebben dat zo gevoeld. ‘Je gaat weg’, hebben ze gezegd. ‘We weten niet waar je heen gaat’. ‘We begrijpen dat je eens zult sterven en weggaan van hier, maar hoe zit het dan met ons?’. Jezus leert hen en nu ook ons dat hij onze vragen verstaat. ‘Ik weet het’, zegt hij, ‘en ik heb jullie nog veel te vertellen. Maar alles op zijn tijd. Jullie kunnen nu nog niet alles begrijpen en verdragen. Daarom zal ik jullie de tijden door een helper sturen. Die weet wat jullie nodig hebben. Die geest zal voor jullie alles binnen handbereik brengen wat je moet weten en voelen. Die geest werkt niet in het wilde weg. Het is een geest van liefde, waarmee mijn en jullie Vader naar jullie omziet, jullie volgt op je levensweg, bij jullie is en blijft in goede en slechte tijden. God heeft mij en jullie boven alles lief. Zoals de Vader mij heeft lief gehad, zo houdt Hij van jullie. De heilige Geest zal jullie leiden naar de volle waarheid, want zij zal niet spreken uit zichzelf, maar zij zal mij verheerlijken, en al het mijne, dat de Vader mij gaf, zal zij aan jullie geven. Want vergeet dit nooit: Al wat de Vader heeft is van mij omdat Hij mij boven alles en iedereen bemint; daarom zeg ik dat hij van mij meeneemt wat hij ook jullie in zijn liefde wil zeggen. Zijn liefde, zijn geest, zal jullie laten weten dat Hij jullie bovenmate bemint’.
Vader, zoon en geest. God, Jezus en wij allen tezamen. Dat is liefde in beweging!

Sacramentsdag: Genesis 14,18-20; Lucas 9b-17
2 juni 2013, Antoon Boks OP

Er was eens heel lang geleden, nee het is geen sprookje, misschien wel zo lang geleden dat niemand van ons al geboren was, dat Christenen bijna nooit te communie gingen. Daarom werd in de Katholieke Kerk naast de Mis ook het lof en de soms een eeuwigdurende aanbidding of een veertig urengebed ingevoerd. Het niet ontvangen van de hostie en al helemaal niet het drinken uit de beker werd gecompenseerd door het aanbiddend kijken naar de Heilige hostie in de monstrans op het altaar. Zo werd in die tijden ook de regel afgekondigd dat gelovigen ten minste eenmaal per jaar te communie moesten gaan om er voor te zorgen, dat zij bleven geloven dat het ontvangen van de hostie toch belangrijk was.
Gelukkig kennen wij dat alles alleen uit geschiedenisboekjes, want vandaag zijn we weer bijeen gekomen rond de woorden van de Bijbel en de tafel des Heren en wij vieren dat wij ons door te eten en te drinken bewust worden, dat Jezus onder ons aanwezig is onder de tekens van brood en wijn. Dat is de beste manier om die aanwezigheid van Jezus te vieren, want zo biedt Hij ons zijn leven aan. Net zoals in het evangelie verhaal van vandaag herhalen we de zegening van Jezus Christus. We vieren daarmee dat Hij zich aan ons aanbiedt door het breken van het brood en het delen van de beker. Met het brood en de wijn bieden wij rond de tafel iedere keer ook onszelf aan. Niet alleen brood en wijn worden tekenen van de aanwezigheid van Jezus, maar ook wij worden eraan herinnerd dat wij moeten worden als onze Verlosser. Met Christus zijn wij gezegend, gebroken en in liefde voor onze medemensen uitgegoten. Rond de eucharistische tafel krijgen we vandaag weer deel aan het leven van Christus zodat we zijn liefde, zijn verlossing met de hele wereld kunnen delen.
Het verhaal van de spijziging van heel veel mensen wordt in alle vier de Evangelies weergegeven en dat wijst wel op het belang van dit teken. Maar elke evangelist benadert het verhaal vanuit zijn eigen perspectief, met zijn eigen bedoelingen. Net zoals de andere evangelisten, heeft Lukas veel verpakt in een paar verzen wanneer hij het wonder van de broden en de vissen vertelt. De aandachtige hoorder zal begrijpen, dat hij terug gaat in de geschiedenis van Israël en de symbolen en feesten van dat uitverkoren volk tekent.
Laat ik iets vertellen over die achtergrond. Degenen die naar Jezus toekomen om Hem te vertellen van de behoeften van de mensen worden geen leerlingen of apostelen genoemd. Ze zijn ‘de twaalf’ – een zinspeling op de twaalf stammen van Israël. Een nieuwe Israël is bijeen op een verlaten plaats, een woestijn, en zij moeten er op vertrouwen, dat God hun het nieuwe manna voor elke dag geeft. We mogen nooit vergeten, dat in de Bijbel staat geschreven dat zonder hulp van God de Israëlieten in de woestijn verloren zouden zijn gegaan. Zonder de door God geboden voeding zouden ze allemaal zijn omgekomen en was er helemaal geen Israël geweest. Het nieuwe Israël komt naar Jezus toe voor het dagelijkse voedsel en om een weg te vinden in de moderne woestijn.

Voor ons geldt nog steeds hetzelfde; zonder de voeding van deze viering zullen we geen weg weten en zullen we verhongeren als wij op de verkeerde plaatsen op zoek zouden gaan naar ons dagelijks brood.
De getallen in het verhaal volgens Lukas zijn ook symbolisch. De vijf broden en twee vissen – samen zeven- herinneren ons aan de dagen van de schepping. Iets nieuws wordt gemaakt in deze woestijn. De vijfduizend mensen zaten in groepen van vijftig, wat misschien wel de grootte was van de eerste kerk gemeenschappen net zoals dat nu in veel kerken het geval is. Maar het getal vijftig is ook het getal dat de tijd aangaf waarop iedereen die slaaf was geworden weer vrij werd. Vijftig is ook een echo van de graanoogst die vijftig dagen na Pascha gevierd werd. Lukas vertelde hier misschien al van de komst van de geest met Pinksteren, waarover hij in de Handelingen zal vertellen.
Pinksteren is dan het symbool van het geven van de wet aan Mozes. Een overvloed van graan in de oogsttijd is de voorbode van de zegeningen en het feestmaal dat de mensen hoopten samen te kunnen delen in de eindtijd. Terwijl Jezus zorgt voor de huidige behoeften van de mensen, wees dit maal ook vooruit naar de belofte van het hemelse feestmaal wanneer iedereen een overvloed aan eten en drinken zou delen. Dat geldt ook voor onze viering van de Eucharistie: hier is het voedsel dat we nodig hebben om de weg van Jezus te volgen, want het wijst ook op de maaltijd aan het einde van de tijden, waarop wij hopen.
Het doel van onze viering vandaag is proberen te weten te komen wat wij als leerlingen moeten doen. Het brood is gebroken; Christus deelt zijn leven met ons zodat wij samen met anderen zullen leven en delen; opdat wij andere hongerige mensen voeden en een gids zijn voor ieder die in een woestijn leeft.De beker is er voor ons, opdat wij op onze beurt degenen vergeven die ons beledigd hebben.
Wij worden iedere dag dus ook na de prediking, na de viering uitgenodigd om ons leven in dienst te stellen van Christus. We horen het woord van God en worden herinnerd aan wat God heeft gedaan en nog steeds voor ons doet; dan bidden wij ons eucharistisch gebed van dank en lof. Vervolgens worden wij geroepen om naar voren te komen en deel te hebben aan het Lichaam en Bloed van Christus. Deze opdracht wordt het patroon voor ons leven.
Jezus erkende dat de mensen, die met hem op de verlaten plaats waren, hongerig waren. Hij beveelt zijn leerlingen om hen iets te eten te geven. Hij wil dat we ons voedsel delen met elkaar en dat doen tot gedachtenis aan Hem. Jezus zal aanvaarden wat we te bieden hebben, het zegenen en breken zodat er meer dan genoeg voor iedereen zal zijn.
We vieren Eucharistie en verdiepen ons ook in de christelijke gemeenschap, die het Lichaam van Christus is en we weten dat we geroepen zijn om alles te doen tot gedachtenis aan Jezus.

10e zondag door het jaar: 1Koningen 17,17-24; Lucas 7,11-17
9 juni 2013, Paul Minke OP

Het kan ons nauwelijks ontgaan op het horen van de twee lezingen dat er nogal overeenkomsten zijn in de beide verhalen. In beide gaat het om een weduwe van wie de enige zoon gestorven is. In beide krijgt de weduwe de gestorven zoon terug dankzij Elia en Jezus. In beide wordt God geprezen, die zich doet kennen in een groot profeet.
Maar er zijn ook verschillen, grote en belangrijke verschillen zelfs. In de eerste lezing beklaagt de vrouw zich: waaraan heb ik dit verdiend? Waarom wordt ik zo gestraft? Waarom moet dit mij nu overkomen? Vragen, klachten die wij ons ook stellen als we zwaar getroffen zijn door een groot leed of gemis. We geven God zo gemakkelijk de schuld Elia is met deze klacht eens: Heer, mijn God, brengt Gij zelfs over de weduwe bij wie ik te gast ben onheil door haar zoon te laten sterven? Elia vindt dat God iets recht te zetten heeft. Hier is sprake van onrecht. Gods betrouwbaarheid en rechtvaardigheid staan op het spel. God mag het niet zover laten komen, dat men aan Hem gaat twijfelen. En Elia deelt zijn Gods levenskracht, die hem bezielde, met die zoon en God laat zijn levensadem terugkeren in de zoon van de weduwe.
Hoe anders geschiedt het wonder van dood naar leven in de evangelielezing. Jezus met een hele stoet van mensen achter zich, leerlingen en anderen was op weg naar een klein stadje Naim, vertaald betekent dit Lieflijke. Bij de stadspoort ontmoet hij een andere stoet, een groot aantal mensen, die een weduwe vergezelde, die haar enige zoon ten grave droeg. Zij verliest niet alleen haar enig kind, maar ook haar bestaanszekerheid. Een alleenstaande weduwe in die dagen stond kwetsbaar in het leven. Er was geen inkomen, geen bescherming, geen toekomstverwachting, maatschappelijk gesproken bezat zij geen enkel aanzien en geen rechten. Niet voor niets hamerden de profeten op de zorg voor weduwen en wezen en noemen zij God als Degene, die het opneemt voor deze weerloze mensen.
Toen de Heer haar zag gevoelde hij medelijden met haar: "Schrei maar niet." Hier geen klacht van de vrouw, geen woede over aangedaan onrecht. Daartoe ontbrak haar de kracht. Zij was zelf als het ware innerlijk dood. En van Jezus' kant geen aanklacht jegens God, maar puur medelijden, een diep begaan zijn met haar leed, een zeer nabij-zijn, haast woordeloos. Jezus neemt het initiatief. Hij vraagt haar niet of zij gelooft in God, of in hem. Hij ging naar de lijkbaar toe en zei: "Jongeling, ik zeg je, sta op!" Een machtswoord, een scheppingswoord, onweerstaanbaar en gezagvol. Hier spreekt en handelt niet zomaar een profeet, maar een die meer is dan dat, een, die met een gezag en macht is bekleed als was hij God gelijk. Zo hebben de beide stoeten het ervaren. Zij waren door ontzag bevangen en zij verheerlijkten God: "Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft genadig neergezien op zijn volk".
Het verhaal leert ons: God is Heer en Meester over de dood. In het handelen en 

spreken van Jezus is dit zichtbaar geworden. Gods aandacht en zorg, in het bijzonder voor de meest kwetsbaren onder ons, stopt niet bij de dood maar reikt over de dood heen. Dat is een belofte. Ik mag hopen dat dat een troost is en een bron van nieuwe hoop, voor wie het op dit moment in hun leven het bijzonder moeilijk hebben en een nieuw geloof in God, die leven schept, waar het leven geweken lijkt. Zoals de teruggave van de zoon voor de beide weduwen leven betekende. Nu weet ik zeker, dat u een man Gods bent, zegt de weduwe tot Elia en dat de Heer werkelijk door uw mond spreekt.
Een paar woorden in het evangelie vallen op: Toen de Heer haar zag. De Heer, niet Jezus zoals je eerder zou verwachten. Nee: Heer. En verder: Jongeling, sta op. En ook: een groot profeet is onder ons opgestaan. Woorden, die je niet terugvindt in het verhaal van de eerste lezing. En het noemen van de stad Naim, Lieflijke, is ook niet onder betekenis. Het gaat hier niet zomaar over een vertelsel van een groot wonder. Er wil méér verteld worden dan een wonder, de opwekking van een zoon. Het gebruik van het woord Heer wijst op de Verrezen Christus. Het evangelie is een Paasverhaal, het gaat over opstanding uit de dood. Er is hier sprake van verlossing en bevrijding, bevrijding uit de dood, uit het teloor gaan van leven, uit uitzichtloosheid, uit het niet meer zien. Voor wie geldt dit? Er staat: de Heer was met haar begaan! De weduwe. Zij is symbool voor mensen, die eenzelfde soort onmenselijk lot ondergaan: voor mensen voor wie het leven schijnbaar zonder enige zin en betekenis is. voor mensen voor wie het leven alle waarde verloren heeft om wat voor reden ook.
Maar evenzeer staat die vrouw symbool voor het joodse volk, dat van zijn vrijheid is beroofd, schatplichtig is aan de Romeinen, spiritueel verarmd vanwege het ontbreken van inspirerende leiders verbannen als het ware uit de geborgenheid van het Verbond met de Lieflijke. Het was een volk zonder levenskracht, onmachtig daaruit op te staan. Wat kan zij nog van de toekomst verwachten, wat verhopen van het leven? Jezus de Heer, komt het Volk van God bevrijdend tegemoet, bekommerd als hij is om het volk, door medelijden bewogen. Sta op, zeg ik je! En zo geschiede. Het volk heeft het begrepen. Zij prezen God met de woorden: God heeft naar zijn volk omgezien. Het is een belofte, die ons wegvoert uit de kring van de vertwijfeling.
Er is ook een tweede stoet. De groep mensen rond Jezus op weg naar Naim. Daarin herken ik de kerk op weg naar de voltooiing, naar de Lieflijke waar de volken verenigd worden in één liefdesverbond met God. We somberen nogal eens over de kerk en dat is niet zonder reden. Maar we mogen niet vergeten, dat er een Heer is die met ons is begaan, dat wij mogen leven met een hoopvol perspectief, met Gods belofte. Het woord 'sta op' geldt evenzeer voor ons. Heb moed. Volhard. En geloof dat God genadig op ons zal neerzien. Hij kan het niet laten. Amen.

11e zondag door het jaar:Samuel 12,7-13; Lucas 7,36-8,3
16 juni 2013, André Lascaris OP

Ziet u deze vrouw, Simon? Vraagt Jezus. En hij vraagt het ook ons, iedere luisteraar – de naam Simon heeft met luisteren te maken. Ziet u deze vrouw, deze naamloze? Simon durft deze vraag niet beantwoorden. Hij is in feite voortdurend met die vrouw en haar optreden bezig. Zij onderhoudt immers de joodse wetgeving niet. Voor mensen als Simon was het van groot belang te weten op wie je werkelijk kon bouwen voor de toekomst van de joodse identiteit. Voor hen waren de reinheidswetten van groot belang. Jood zijn betekende behoren tot het joodse lichaam. En je daartoe behoren liet je zien door de wijze waarop je omging met je eigen lichaam en dat van anderen, wat je at, hoe je mensen en dingen aanraakte, bepaalde dingen zoals varkensvlees en schelpdieren niet at, je waste. In feite vonden de farizeeën dat je moest leven alsof je een priester van de tempel was.
Simon was voortdurend bezig geweest met vragen als: wat doet die vrouw hier, die zondares die de wet niet houdt? Eigenlijk hoort zij niet bij ons, rechtvaardig levende joden. Waarom laat Jezus toe dat zij hem aanraakt, zijn voeten nat maakt, afdroogt en zalft.? Toont hij zo niet geen echte profeet te zijn, niet echt iemand van ons?
Door zijn vraag en zijn parabel laat Jezus zien dat Simon niet goed gekeken heeft. Hij heeft niet gezien dat de vrouw ondanks dat zij een grote morele schuld heeft opgebouwd, iemand is die haar schuld als ’t ware komt aflossen; dat zij gedreven wordt door de liefde, de zorg voor - in dit geval, Jezus. Hij ziet alleen maar iemand, een vrouw nog wel, die gefaald heeft en dat te schande maakt waarvoor Simon zelf staat en waarvoor hij bereid is offers te brengen en zo precies mogelijk alle regels van de joodse traditie te vervullen. Hier wordt hij plotseling gemaakt tot een mens die gefaald heeft. Hij heeft slechts het minimum gedaan van wat van een goede gastheer verwacht mag worden. He is duidelijk: om welke reden hij Jezus ook heeft uitgenodigd, het was zeker niet vanuit de liefde, vanuit vriendschap of collegialiteit of solidariteit. Het was veeleer omdat hijzelf Jezus naast zijn meetlat wilde leggen en hij verwachtte dat Jezus niet aan de normen zou voldoen die een goed lid van het uitverkoren volk betaamde. Hij is degene die het doel van de joodse traditie en wet mist: liefde voor God en de medemens, die elkaar niet uitsluiten. Maar integendeel samengaan.
Want hoe toon je dat je je naaste lief hebt? Jezus zou antwoorden: door vergeving te schenken, de ander in vrijheid te laten gaan en de schulden kwijt te schelden - en met ‘schulden’ zijn niet alleen het tekort schieten bedoeld van de ene mens tegenover een ander mens, maar ook de materiële schulden, de schulden die anderen bij jou hebben gemaakt, het geld dat zij van jou hebben geleend en jou

terug moeten betalen, zoals jij het geld moet terugbetalen dat je hebt geleend van een of andere geldschieter. Er was een joodse regel die zegt dat elke vijftig jaar schulden moeten worden kwijt gescholden, het onderpand, vaak grond, moet worden teruggegeven, zodat mensen vrij kunnen ademhalen, opnieuw kunnen beginnen en het juk kunnen afwerpen. Jezus wil de uitvoering van deze regel. Meer nog: hij vindt dat we elke dag schulden moeten kwijtschelden zodat mensen in vrijheid met elkaar kunnen omgaan.
Simon wordt geconfronteerd met zijn eigen falen, zijn liefdeloze uitnodiging is een teken van waar Simon voortdurend mee bezig is: niet met concrete mensen in nood, maar met een ideologie, een stel regels, een meetlat. Hij is een man die zich kan veroorloven op de vrouw, en op Jezus neer te zien, want hij is zuiver op de graat.
Hij lijkt in deze wat op koning David. Een man die zich door zijn positie zo onaantastbaar vindt dat hij zich van alles kan veroorloven. De laatste tijd hebben we nogal wat mensen van dat soort in ons eigen land gehad: politici bijvoorbeeld die knoeiden met declaraties, maar zich onaantastbaar waanden. David is veel verder gegaan: hij heeft geslapen met de vrouw van een van zijn bevelhebbers van zijn buitenlandse soldaten, en toen zij zwanger van hem raakte, heeft hij deze man, een Hethiet, een vreemdeling, laten vermoorden. Hij stelt zichzelf geen vragen. Hij is blind voor zijn eigen gedrag. Met open ogen loopt hij in de val, toen de profeet Nathan hem verhaald van een rijk man die van en arme het lam stal om dat zijn gast voor te zetten. David. erkent zijn schuld, maar de consequenties van zijn daad zijn onvermijdelijk: het zwaard, het geweld, zal nooit meer wijken van zijn huis.
Hoe kijken wij? Welke bril hebben we op? Zien we deze vrouw, deze man, deze mens? Zien we alleen de schulden die anderen bij ons hebben? Zijn we blind voor wat wijzelf doen, voor onze eigen schulden? De Bijbel nodigt ons uit ons deze vragen te stellen zowel op het gebied van onze persoonlijke relaties als op maatschappelijk gebied. We klagen dat in sommige landen de burgers geen weinig belasting betalen en zijn zelf voor velen een belastingparadijs.
Ik eindig met dit verhaal: een monnik uit de vierde eeuw: Mozes. Zijn medebroeders wilden een oordeel vellen over een broeder. Mozes kwam met een kapotte kruik waaruit het water viel. Hij zei: ‘ik laat een spoor na van zonder dat zelfs maar te merken. Maar ik ben niet te beroerd vandaag over iemand een oordeel te vellen’. De vergadering ging niet door. Ik wens u een goede ‘kijk’ toe.

14e zondag door het jaar: Jesaja 66: 10-14; Lukas 10:1-12, 17-20
7 juli 2013, Antoon Boks OP

De Bijbel is gevuld met poëzie, vooral de Psalmen, die poëtische gebeden zijn. Jesaja is vandaag een schoolvoorbeeld van een profeet die onze aandacht probeert te pakken door de overredende macht en autoriteit van een poëtische toespraak. Dichters kunnen grote woorden gebruiken als ze proberen onze aandacht te trekken en ons door nieuwe inzichten en ervaringen los willen rukken van onze vastgeroeste posities. Dat is wat Jesaja vandaag voor ons doet als hij gebruik maakt van vrouwelijke beelden om zijn boodschap van hoop te brengen.
Jesaja gebruikte moederlijke beelden om te praten over Jeruzalem. In de cultuur van die tijd leek het wel alsof vrouwen praktisch niet in staat waren om er eigen meningen op na te houden. In het eerste deel van Jesaja werd Jeruzalem als vrouw veracht, als een zondaar en afvallige (3:25-26). Maar nu, in het laatste hoofdstuk van de zogenaamde "Derde Jesaja" is Jeruzalem de moeder geworden van een kind (66:7) en is de natie herboren. De pasgeboren natie wordt liefdevol verpleegd en verzorgd door haar moeder Jeruzalem op de manier waarop een moeder haar kind verzorgt. Aan alle mensen wordt vreugde beloofd en heel wat van de melk van haar overvloed.
In Jesaja’s poëtische verbeelding wordt Jeruzalem, de moederlijke stad, vergeleken met God, die zijn moederlijke zorg voor de nieuw geboren en herboren natie zichtbaar maakt. Het gedeelte van Jesaja waarin deze stelling: “Zoals een moeder voor haar kind zorgt, zo zal ik voor jullie zorgen” voorkomt, werd geschreven nadat de mensen waren teruggekeerd uit de ballingschap. De natie is nog niet herbouwd en op deze manier spreekt de profeet zijn verwachting voor de toekomst tegenover hen uit. God strekt zijn moederlijke zorg uit naar de mensen, om hen hoop te geven in de tussentijd.
Het is niet zo gemakkelijk om verdriet achter ons te laten; dat duurt meestal een lange tijd. Jesaja verzekert degenen die treuren over wat niet meer is, dat Gods vernieuwende kracht er voor hen blijft. Deze kracht wordt niet tentoongesteld door macht, maar op een manier die wij en herstellende mensen nodig hebben: als een moeder. God is de Vader van Israël, maar als Zijn volk in zijn zwakheid babyvoeding nodig heeft, dan is God ook hun moeder.
Deze uitbeelding van een God die een sterke Vader figuur is en ook op sommige momenten de troostende liefdevolle moederliefde tentoon kan spreiden kunnen we ook heel goed in ons dagelijks leven gebruiken. Er zijn tijden dat we een sterke God nodig hebben, vooral als wij ons moeten verdedigen tegen koppige mensen: dat kan zijn de plaatselijke overheid, maar ook kunnen in onze eigen familie vooroordelen bestaan. Dan hebben we Gods genade nodig om ons te steunen en dat kan dan mooi met een stevige hand van God die ons een zetje geeft op de goede weg.
Op andere momenten, vooral na de dood van een dierbare, het verlies van een baan, de ziekte van een kind, moeten we troost en tederheid van God ontvangen zoals Jesaja ons die vandaag beschrijft. Dan verlangen we naar God zoals Psalm 131 ons die beschrijft, n.l. dat Hij ons geborgen houdt als een kind geborgen bij zijn moeder.
En deze boodschap kunnen wij predikers overdragen aan de hele wereld. Dat was al de opdracht die de in de evangelielezing van vandaag uitgezonden predikers naar voren moeten brengen.

Mattheus en Markus schrijven over de twaalf die uitgezonden worden om die boodschap over te brengen, maar hier bij Lukas zijn het er 70 of 72. Dat komt uit Genesis 10 waar er 70 of 72 volkeren zijn op de hele wereld. Met behulp van getal suggereert Lukas dat Jezus wil dat de hele wereld zijn boodschap ontvangt. De oogst is rijk – dat was toen en nu. Maar zijn er mensen om te oogsten? Zij die oogsten moeten in ieder geval bidden om medewerkers en hun gebed verenigen met dat van Jezus, zodat anderen hen zullen komen helpen.
En dan wordt het wel eens tijd, dat sommige bisschoppen er aan beginnen te denken, dat er zoveel pastorale werkers zijn in Gods Kerk. We hebben jarenlang gebeden om roepingen, maar misschien moeten we nu vragen, dat God de ogen opent van al die mensen, die nog steeds denken dat God onze gebeden niet verhoord heeft, vanwege het gebrek aan “gewijde” predikers terwijl we zoveel heel goede leken hebben, die onze pastores zijn.
Jezus komt met instructies voor zijn medewerkers. Die worden door een aantal mensen heel erg letterlijk in praktijk gebracht. Bij een voorbeeld van de instructie: groet niemand onderweg moeten we er wel aan denken, dat net zoals hier in Huissen in heel veel gebieden mensen elkaar nog steeds groeten als ze elkaar tegen komen.
Het aller belangrijkste is: Wij hebben net zo goed als alle predikers een eenvoudige en dringende boodschap over te brengen: Het Koninkrijk van God is dichtbij. God is dicht bij de mensen en vrede is het teken van Gods aanwezigheid. Sommige mensen zullen blij zijn met dit goede nieuws. Wat wij in deze dienst aan de Heer met ons mee dragen, bestaat niet uit dingen. Wij zijn dragers van vrede als we meeleven met mensen die gebukt gaan onder verdriet, vrees, angst, vervreemding en wanhoop. Vrede is het geschenk dat de Messias ons kwam brengen en daarom geeft Jezus zijn leerlingen de opdracht om die op onze beurt weer door te geven aan degenen die het nodig hebben.
Jezus vraagt zijn leerlingen een minimum aan extra’s mee te nemen. Wij begrijpen dat hij niet wil dat we worden volgestopt met materiële dingen die ons maar afleiden. We moeten niet vergeten dat Christus met ons is en de bron is van elke oogst die we verzamelen. Wij moeten niet zoeken naar ons comfort of naar speciale gunsten omdat wij zijn wie we zijn. Er zal gezorgd worden voor de boodschappers, niet vanwege hun ambt of status, maar omdat ze de boodschappers van Jezus zijn, die de nabijheid van God verkondigen.
Maar... wij hoeven die woorden van Jezus niet letterlijk uit te voeren. Wij horen de instructie van Jezus om te reizen met vertrouwen in Hem en in de boodschap die wij brengen. Maar er zijn ook situaties waarin wij moeten putten uit materiële hulpbronnen om te voorzien in de fysieke behoeften van mensen. Jezus is onze Verlosser naar lichaam en ziel. Zo hebben wij als Christenen in het verleden en in het heden ons geld gebruikt om ziekenhuizen, weeshuizen, scholen, huizen en onderdak te bouwen voor mensen in nood.
Er zijn heel wat Christenen die dit deden. Sommigen zijn heilig verklaard, anderen staan gewoon bekend als goede mensen die voor andere mensen zorgden. Ze gebruikten hun handen en hun verstand. Ze overwonnen de negatieve krachten, niet door vuur met vuur te bestrijden, maar door eraan te denken dat Jezus zei dat Hij met zijn Geest bij ons zou blijven.

15e zondag door het jaar: Deuteronomium 30,10-14; Lucas 10,25-37
14 juli 2013, Henk Jongerius OP

Het gebeurde vorige week. Twee potige mannen houden me vast en tillen me op. Een derde man draagt mijn rugzak op zijn schouder, een vrouw heeft mijn wandelstok in haar handen en een andere vrouw heeft zich ontfermd over mijn rollator. Is dit een roofoverval? Integendeel, het is bedoeld als hulp om op een station van de ene trein via trappen – liften ontbreken - naar een ander perron en een andere trein te gaan. Het eist enige regie van mijn kant om alles, mijzelf incluis, in de goede trein te krijgen. Mijn reisgenote, zonder wie ik al helemaal niet met de trein had kunnen reizen, en ik verbazen ons erover hoe zeer mensen, - vooral jonge mensen – bereid zijn hulp aan te bieden en meterdaad ook te geven. Er wordt veel geklaagd dat mensen tegenwoordig zo voortdurend op zoek zijn naar zichzelf. Dat moge zo zijn, maar de hulp die je thuis krijgt en die, een beetje onverwacht, ook buitenshuis te vinden is – vooral ook van allochtone jongeren – kan je verrassen. Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan en andere soortgelijke Bijbelse verhalen hebben een spoor getrokken in de geschiedenis. Mensen kennen deze verhalen misschien niet eens, maar de geest waarin ze geschreven zijn, bezielt hen nog steeds.
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan heeft de grondslag gelegd van onze maatschappelijke zorgsysteem, van onze gezondheidszorg en van ons onderwijs.
Wat is dat, een naaste? De naaste is iemand met wie je te maken hebt, een mens met wie je omgaat, De naaste is mijn levensgenoot, mijn partner, degene met wie ik een belang deel.
'Wie is dan mijn naaste?' vraagt de wetgeleerde. Met wie deel ik het leven? Het echte leven, het concrete leven. Voor de wetgeleerde en voor vele anderen was dit een echte vraag. Zo nam de gemeenschap van Qumran, een joodse sekte in de tijd van Jezus, aan dat alleen de leden van de sekte ‘naasten’ waren. Voor hen moest je je zorg inzetten, de anderen vielen daarbuiten.
De vraag is niet alleen die van de wetgeleerde. Het is vaak ook onze vraag. Voor wie moet je opkomen? En ons spontane antwoord is in tegenstelling met de wetgeleerde: iedereen is mijn naaste. Maar als iedereen je naaste is en je dus de mensheid liefhebt, bekommert je je in feite om niemand in het bijzonder, dus om niemand. Dan wordt het woord ‘naaste’ zo vaag, dat het geen betekenis kan hebben. Je kunt niet werkelijk zorg hebben voor iedereen in de wereld.
Vaak hoor je zeggen; mijn gezin komt eerst, of, wat ruimer, mijn familie, neven, nichten, ooms en tantes komen eerst. Dit antwoord, de naasten zijn leden van

mijn familie wordt waarschijnlijk gegeven door de meerderheid van de mensen op aarde. Heb je geen familie, dan heb je geen toekomst. Vreemdelingen kunnen welkom zijn, maar je weet dan ook precies welke vreemdeling is en wie familie. Of eigen volk eerst.
De wetgeleerde probeert dus vast te stellen hoever hij gaan moet om van naasten te kunnen spreken. Hij bekijkt de wereld vanuit zichzelf als middelpunt en stelt vast wat de grenzen zijn en aan wie daarin de naaste is, aan wie hij verplichtingen heeft. Wij doen hetzelfde.
Jezus draait de zaak om; De naaste is degene die als naaste handelt, iemand die een belang met je deelt, iemand die zich verbonden voelt. De wetgeleerde vermijdt het woord Samaritaan – hij zegt: degene die ontferming heeft betoond. De ‘naaste’ is niet iemand die jij uitkiest, jij bepaalt niet wie je naaste is, je schept hem niet uit het niets, hij of zij dient zich aan en doet iets voor jou. Deze mens neemt de taak op zich jouw naaste te zijn. En zelf kunnen we naar vermogen soms de naaste voor anderen zijn.
Dat betekent niet dat je je hele leven vastzit aan bepaalde mensen. Nee, als het gemeenschappelijk belang of gemeenschappelijke taak of onderneming voorbij is, kan ieder weer zijn eigen weg gaan. Maar voor een reiziger kunnen we een naaste zijn, wanneer een gebeurtenis ons bij elkaar brengt, zoals een trein die niet verder gaat.
Naastenliefde heeft vele kanten. Ze is concreet, uit zich in concrete daden. Ze is individueel, het gaat om deze unieke persoon; ze is universeel, iedereen kan onder deze liefde vallen. Ze is vrij; je kunt ook weigeren om de hulp te aanvaarden. Je bent gelijkwaardig. Wie de ander ook is, welke functie deze ook heeft in de maatschappij, als naasten ben je gelijkwaardig. Je inspireert elkaar. Je neemt er de tijd voor. De naaste mogen zijn voor de ander is een vreugde, maar de ander kan ook tegenvallen zodat je te lijden hebt. Naastenliefde is soms dat je de ander stevig aanspreekt.
Dit gebod is niet te ver weg, te wonderlijk, te apart. Het is dichtbij, het is in je mond en in je hart. Je kunt het volbrengen. Je wordt getroffen door het leed van de ander en je handelt, vaak zonder veel nadenken. We moeten zorgen dat dit klimaat blijft bestaan. Nu is dit nog het geval.
Ik wens u toe dat u de naaste mag zijn voor anderen en dat anderen verwacht of onverwacht uw naaste mogen worden. Laat u verrassen. Dit geeft een diepe bevrediging, geeft levensvreugde, dat maakt geschiedenis.

16e zondag door het jaar: Genesis 18,1-10; Lucas 10,37-42
21 juli 2013, Henk Jongerius OP

Wie ooit in zuidelijke streken op vakantie is geweest, weet dat daar de gastvrijheid een heel groot goed is: het is mij ooit een keer over-komen dat ik tijdens een rondgang in een klein dorpje een paar keer in een huis werd uitgenodigd en vanzelfsprekend iets moest mee eten met de familie die aan tafel zat!
In zijn brief aan de Romeinen beveelt Paulus de mensen aan om de gastvrijheid te betrachten want op die manier hebben mensen, zoals hij zegt, engelen ontvangen. Wie gastvrijheid beoefent heeft met an-dere woorden iets heel wezenlijks van leven begrepen. Zo horen wij het ook in de lezingen van deze zondag: Abraham be-groet de drie mannen die op het heetst van de dag aan zijn tent voorbijgaan en ontvang hen met een feestelijk maal en in het evan-gelie wordt Jezus genodigd bij de twee zusters van Lazarus om er de maaltijd te gebruiken.
In beide situaties gebeurt er iets bijzonders: Abraham en zijn vrouw Sara ontvangen de belofte dat zij in hun hoge ouderdom nog een zoon zullen krijgen. Hun leven dat onvruchtbaar was krijgt opeens een nieuw perspectief, er is toekomst. Dat lijkt belachelijk voor mensen die al oud en der dagen zat zijn en daarom lacht Sara in het ver-borgene in de tent. Maar de drie bezoekers – dat getal staat in de Bijbel voor de aanwezigheid van God! - hebben dat in de gaten en zeggen dat hun zoon daarom Izaäk zal heten, hetgeen betekent ‘je hebt gelachen’. Daar waar mensen in hun leven de werkzaamheid en de aanwezigheid van God ervaren, wordt er gelachen! Zo horen wij het ook klinken in die prachtige psalm ‘Als god ons thuisbrengt uit onze ballingschap: wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn want de Eeuwige bewerkt wonderen in ons midden’.

Ook het bezoek van Jezus aan Maria en Martha roept blijdschap op want je hoort Jezus tegen Martha zeggen dat er eigenlijk maar één ding belangrijk is in het leven: luisteren en ontvankelijk zijn voor het woord van God. Maar dat moet je dan wel in het juiste perspectief zien. Het gaat er daarbij niet om alleen maar stil je vermeien in het woord van de Bijbel, zoals er gesuggereerd wordt door Martha als zij haar zus ziet luisteren. Dat woord moet ook werkelijk vruchtbaar wor-den, want in de Bijbelse taal is er een volstrekte eenheid tussen woord en daad. Die zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Luisteren zoals Maria doet, moet vruchtbaar worden in de dienstbaarheid van Martha!
Het is een prachtig verhaal over twee vrouwen zoals wij er ook meer-dere kennen over twee broers in de Bijbel. En in die figuren treffen wij aspecten van onszelf aan en worden wij uitgenodigd om opnieuw een keuze te maken.
Die keuze moge voor ons zijn: het stille en verwachtingsvolle kijken van Abraham en Sara dat beloond wordt door een woord van belofte voor de toekomst aan de ene kant, en het luisteren van Maria naar de leraar ten leven dat vruchtbaar wordt in waarachtige dienst aan ande-ren. Wij zullen er mijmerend van zingen: van de stilte waarin die ene Naam tot ons komt “Ik zal er zijn zoals Ik er zijn zal’ en van de nieuwe geboorte die plaats vindt in ons als wij mensen gaan worden die ‘er zullen zijn voor anderen’. In de akkoorden van ons lied moge ons die Naam opnieuw vertrouwd worden opdat wij zijn oproep zullen verstaan.
Dat alles mogen wij opnieuw leren aan de tafel van Jezus waaraan wij zijn genodigd om dat éne te leren wat werkelijk nodig is: liefdevolle mensen die luisteren en voor elkaar zo goed worden als de Ene die waarachtig goed en de liefde zelf is! Dat moge ons deel zijn. Amen

17e zondag door het jaar: Genesis 18,20-32; Lucas 11,1-13
28 juli 2013, Ernst Marijnissen OP

Ik weet niet hoe dat bij u is, maar als ik met het openbaar vervoer reis vind ik het plezierig om naar buiten te kijken. Misschien doe ik dat niet voortdurend, omdat ook je medereizigers de moeite waard zijn of omdat er om je heen dingen gebeuren die je aandacht vragen. Maar dat neemt niet weg dat het soms heel boeiend is om stad en land aan je voorbij te zien glijden. Maar tegenwoordig lukt dat niet altijd. U kent toch ook die geweldige reclames, die de buitenkant van tram en bus bedekken, niet alleen het onderste gedeelte van de zijkant, maar ook de ramen worden benut ten dienste van de sponsor. Als je in de bus zit kun je nauwelijks zien wat zich buiten afspeelt. Je moet namelijk door een soort gaas kijken. Ik erger me daar gruwelijk aan, want ik word door de reclame in mijn zien beperkt. Maar dit verschijnsel van grofheid en smakeloosheid vertelt wel heel veel over de wereld, waarin we leven. De reclame dwingt je om de wereld daarbuiten te zien door haar mazen en gaten. Je ziet wel iets van wat er buiten voorbij glijdt, maar niet echt goed. Dat is wat de reclame nu juist wil. Deze laat je de wereld zien, zoals ze vindt dat je hem zien moet: gekleurd, bedekt, versluierd, vervormd, virtueel en noem maar op. Daarna prijst ze je aan wat goed is voor je gezondheid, je vrijheid, je imago, je geluk en weet ik veel. Het reizen in zo’n bus of tram is het beeld van een levensstijl, waaraan talloze mensen, bewust maar meer nog onbewust, deel hebben.

Wat heeft dit verhaal nu te maken met bidden? Daarover gaan toch de lezingen van deze zondag! De eerste lezing leert ons hoe de vrienden en vriendinnen van God doorlopend zullen bidden voor de redding van de wereld. God zal altijd naar ons luisteren. Het verhaal van Abrahams voorbede laat God steeds herhalen wat Abraham vraagt: God hoort dus aandachtig naar het bidden van zijn volk. Zolang dat volk in de wereld aanwezig is, hoe gering het ook is – uitgebeeld in het getal tien – zal de Eeuwige op ons gebed de wereld niet verloren laten gaan.
In het evangelie leert Jezus ons hetzelfde. Het aanhoudend bidden is hier alleen wat anders ingekleurd. Wat is nu het verschil tussen de mensen in de bus en mensen als Jezus en Abraham?
Het antwoord op die vraag roept aanstonds een probleem op. Het gebed speelt zich af tussen de mens en God. Welke God? Aan het begin van de Tien Woorden worden we opgeroepen niet alleen geen andere goden te aanbidden, maar vooral om ons geen beeld van God te vormen. Tegen dat gebod zondigen mensen aan de lopende band. Als we dat niet deden, zouden we nooit vragen waarom God het lijden toelaat en waarom er geen einde wordt gesteld aan geweld en het omkomen van onschuldige mensen! Tegelijkertijd weet ik dat we nauwelijks zonder een beeld van God kunnen. Elk mens heeft er een. Zelfs de godloochenaar heeft er een, want hij zal u vertellen waarom God niet bestaat of bestaan kan. De godloochenaar zet zich af tegen een bepaald godsbeeld. Als ik mezelf en anderen wil beschermen tegen godsbeelden moet ik me overgeven aan de gedachte dat God integer is, geweldloos en vol liefde. Daarvoor is ons een basis in de 

dagelijkse ervaring gegeven. Meestal kennen we mensen, die bepaalde uitstralingen hebben. We ontmoeten in ons leven trouw, liefde, betrokkenheid, nabijheid, rechtschapenheid, belangstelling, vredelievendheid, geduld en de inspanningen anderen te genezen van ziekten, verwondingen en zielsverdriet. Die ervaring is een goed vertrekpunt om bepaalde godsbeelden te kunnen corrigeren. Maar ze is ook nuttig om de bereidheid te ontwikkelen ruimte te geven aan nieuwe inzichten én de aan overtuiging dat het leven meer en groter is dan wij ons kunnen denken.
Wat mij opvalt in de evangelielezing van deze morgen is dat de leerlingen niet vragen: hoe moeten we bidden? Ze zeggen: Heer, léér ons bidden. Het bijbelse leren heeft steeds te maken met ervaring, levensgroei, ouder worden. Zoals we heel ons leven leerlingen van Jezus blijven, zo zullen we heel ons leven léren bidden. Maar dat betekent dan weer, dat bidden zelf een leerschool is. Als ik bid vraag ik God altijd dat ik naar mensen, naar gebeurtenissen en naar het leven om mij heen mag zien met de ogen en de aandacht van God. Op die manier begrens ik de mogelijkheden van mijn bidden niet, maar ik vertrouw de mogelijkheden en de zeggingskracht van mijn gebed toe aan een ruimte, waarvan ik de grenzen niet ken. Ik laat me op voorhand als het ware corrigeren. Ik wil, als ik om mij heen zie, of - om bij het beeld van de bus te blijven – dat ik als ik naar buiten wil zien, alles wat daar is waar te nemen, zie zoals het werkelijk is, zoals God zelf het ziet, waarneemt en waardeert. Bidden is dan je ziel, je wezen, verheffen boven alles, wat wij menen te weten en vanzelfsprekend vinden. Als je zo durft leren bidden verken je tegelijkertijd een geheel nieuwe levensruimte. Ik moet daarbij denken aan het volgende verhaal.
Rabbi Baalsjem bleef eens staan op de drempel van de synagoge en weigerde er binnen te gaan. ‘Ik kan er niet in’, zei hij, ‘ze is immers van muur tot muur en van vloer tot plafond overvol met lering en gebeden; waar zou dan nog een plaats voor mij zijn?’ Hij zag om zich heen en merkte dat de omstanders hem verbaasd en vol onbegrip aanstaarden. Daarom ging hij voort en zei: ‘de woorden die over de lippen van leraren en biddende mensen komen en niet uit een hart, dat naar de hemel is gericht, stijgen niet op in de hoogte, maar vervullen het gebedshuis van muur tot muur en van vloer tot plafond.’

Ons gebed moet kunnen opstijgen naar omhoog. Daarmee bedoel ik niet dat bidden naar boven moet opstijgen, maar op weg moet zijn naar een ruimte, die ik niet ken. En met ruimte bedoel ik een wijze van leven en bestaan, welke ik me niet of nauwelijks kan voorstellen, maar die met het toenemen van mijn ervaringen en inzichten steeds meer voor mij gaat betekenen. Daardoor neemt mijn vragen toe, maar ook het verlangen naar een andere wereld, die door die ruimte wordt vertegenwoordigd. Voor mij is die ruimte God. Vraag me niet dat nader te verklaren of in te kleuren, want als je dat probeert, wordt het ‘leren bidden’ verstoord en de weg naar dieper inzicht versperd. Met de Baalsjem moet ik dan uitroepen: ik kan er niet in! En dat is het laatste wat ik wil!

18e zondag door het jaar: Prediker 1,2; 2,21-23; Lucas 12,13-21
4 augustus 2013, Paul Minke OP

Er gaat haast geen dag voorbij of je leest en hoort over de economische crisis, die al jaren aan de gang is, hier in Europa en dus ook in Nederland. Economen buigen zich over het probleem: hoe uit de crisis geraken? De een zoekt de oplossing in bezuinigen, een ander juist in investeren. Een derde roept op tot sparen maar een vierde weer zegt: uitgeven, kopen. Een vijfde weer: Houdt vast aan de 3%. Een zesde 3% is niet heilig. Er wordt volop overlegd in de politiek, bij de vakbonden, binnen bedrijven, in de instellingen en organisaties hoe uit de crisis te komen. Terecht. Er is toenemende werkeloosheid. Bedrijven gaan failliet. Er is meer armoede. Allemaal verschrikkelijk gevolgen, die mensen en gezinnen treffen. Ach, ik vertel u eigenlijk niets nieuws. U ervaart wellicht de gevolgen ervan. Maar, zo ervaar ik het, bij alle overleggingen en besprekingen van wie ook staat één doel voor ogen: hoe gaan we, d.i. ieder voor zich, het minst achteruit? Hoe houd ik de schade beperkt? Hoe beleg ik mijn geld het veiligst?

Het evangelie bracht me ertoe hier over de economische crisis te beginnen. Ook hier gaat het over geld. Jezus grijpt de erfenisruzie tussen twee broer aan om ons te laten zien wat er gebeurt als je een ander geld misgunt. Het gaat over een man die Jezus vraagt om te bemiddelen bij een erfenis. Jezus kiest geen partij. Ik ben niet uw rechter of verdeler, zegt Jezus. Maar hij voegt er aan toe: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht!" Ter illustratie vertelt Jezus dan de parabel van de rijke boer met een rijke oogst die hem veel kopzorgen en problemen bezorgt. "Wat moet ik doen? Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!" Is het voor Jezus een probleem dat de man rijk en welvarend is? Welvaart is een goed. Zij biedt kansen om ons mens-zijn te ontwikkelen. Nee, niet het bezit van geld en goed is voor Jezus het probleem maar wel de manier hoe de rijke ermee omgaat: hij is ervan bezeten. Het is ik, ik, ik en de rest kan stikken, wat hier de klok slaat. Buiten hem schijnt er niemand te bestaan, die ook maar meetelt. Omwille van zijn bezit heeft hij zich helemaal afgesneden van de anderen. In zijn gedachte komt niets van zijn bezit aan anderen toe. Het is zijn verdienste. Maar als er iemand kan bedenken, dat die rijkdom hem

gegeven is is het wel die boer: die oogst wordt hem in de schoot geworpen. Zelf is hij niet in staat om één korrel maar te laten groeien. Solidariteit bestaat niet voor hem; delen is er absoluut niet bij. Dwaas, noemt Jezus deze man. Wat in bijbeltaal betekent: mens zonder God, een mens zonder wat God eigen is: vrijgevigheid en betrokkenheid, meeleven en meelijden, liefde en goedheid, recht doen en begaan zijn. Om op de crisis terug te komen: wij kunnen van alles en nog wat bedenken, aan beleid, aan wetten, aan belastingen en lasten of aan wat voor maatregelen ook, ik ben bang dat de economische crisis nooit definitief overwonnen wordt als solidariteit ontbreekt, als zorg én welvaart niet worden gedeeld met elkaar. Het 'wij' zal de plaats moeten innemen voor het 'ik', het delen voor hebben het geven voor het nemen, het dienen voor het heersen, het loslaten voor het vasthouden, gemeenschapszin voor het egoïsme. Kortom: vrijgevigheid zal de plaats moeten innemen voor de hebzucht.

Maakt delen ons minder gelukkig? Is de rijke uit de parabel gelukkig? Dragen alle tobben en zorgen om meer dan genoeg bij aan je geluk? Waartoe dient al dat getob, vraagt de Prediker van de eerste lezing. Vergeet niet te genieten van wat je deel is. Alles is gave uit Gods hand. We weten heel goed, al lijken we dat vaak hardnekkig te vergeten dat geld geen garantie is voor een lang leven, gezondheid, vriendschap, voor die dingen die ons echt gelukkig maken en dus echt rijk. Leven met waardevolle dingen als de liefde van de ander en zijn zorg, of de stilte, of genieten van het kleine, een kind, het gezang van de vogels, of zomaar van een gesprek onderweg, er is zoveel, maakt gelukkig. Jezus noemt dat rijk zijn bij God. Het zijn giften van Godswege. De boer uit de parabel heeft van dat alles geen weet. Wat een armoede! Rijkdom is pas een groot goed en draagt ongetwijfeld bij aan je geluk als het gedeeld wordt en anderen mogelijk maakt meer mens te zijn, als in de samenleving de zwaksten niet gemarginaliseerd blijven, als begrepen wordt dat armoede een groot onrecht is en rijken beseffen, dat armoede vooral het probleem van de rijken is en niet van de armen zelf. Dan ontstaat leven voor ieder, worden crises bedwongen, eens en voorgoed, wordt vrede gesticht en de angst voor de toekomst overwonnen. Amen.

H. Dominicus
8 augustus 2013, Henk Jongerius OP

In de jongste biografie over Dominicus karakteriseert de schrijver Paul Hellmeier hem op twee manieren: op de eerste plaats als de onzichtbare en als een vanzelfsprekend zwijgen.
Het is alsof Dominicus op een heel zelfbewuste manier ervoor heeft gekozen om niet zelf in de schijnwerpers te staan wanneer het gaat over het stichten van de orde van de predikers en daarom is de manier waarop de kunstenaar Matisse hem heeft afgebeeld in de kapel van het dominicanessenklooster in Vence heel illustratief. Zijn gezicht is niet ingevuld maar wel is het alsof heel de gestalte vol is van licht!
Het gaat Dominicus in het geheel niet om hemzelf maar om datgene wat hem ten diepste bezielt, de prediking, en die is dan ook in heel de afbeelding prominent aanwezig in het boek in zijn handen! Toch weten wij uit het verslag van de besprekingen tot zijn heiligverklaring dat hij een groot bidder, een volhardend asceet, een trouwe man van de orde, een hartstochtelijk prediker en een verstandige zielzorger is geweest volgens de ooggetuigen.
Zijn terughoudendheid waar het gaat om zijn persoon blijkt uit zijn verlangen om terug te treden en pas aan bod te komen in de gemeenschap van zijn broeders. Hij was een man die geheel en al opgaat in de dienst aan God, een dienst ‘die ontstaat in de stilte en weer in zwijgen uitmondt’. Van hem is bekend dat hij de novicemeester opdraagt ‘hen te leren om voor God te zwijgen’ en hij wilde zeer bewust dat zijn lievelingsspreuk ‘slechts met en over God spreken’ opgenomen zou worden in de constituties van de orde. Wie Dominicus wil leren kennen moet naar zijn orde kijken, naar zijn broeders, naar de bezieling en de inspiratie die hij oorspronkelijk opdeed aan bisschop Diego met wie hij de prediking onder de 

Katharen begon. De onzichtbare en de welsprekende in het zwijgen, de man die pas oplicht in de gemeenschap van zijn broeders: het is wat wij gezongen hebben in de psalmen vanmorgen. Bij God alleen verstilt mijn ziel, van hem komt mijn bevrijding, van hem blijf ik het wachten. In hem rust onze diepste vrijheid van spreken en handelen, want kracht heeft in God zijn grondslag. Hij die wordt genoemd de ‘prediker van Gods genade’ zal ons van dag tot dag leren dat het wonen bij het woord van God ons zelf mensen van genade zal maken, mensen die als broeders van elkaar zullen ervaren dat het mensen zijn die elkaar in leven houden, glans geven en zullen doen spreken van een nieuwe wereld waarin geen onderdrukking en roof op anderen ons geluk zullen geven maar wel de gemeenschap van mensen die samen de kerk van Christus vormen.
Want Dominicus was bekommerd om de kerk die het lichaam van Christus in de wereld moet zijn, zout der aarde, licht voor de wereld.
Laten wij vandaag Dominicus vieren als een bron van hoop voor de kerk van onze dagen, gedragen door de woorden van een blijde boodschap die sterker is dan alle machtsuitoefening of onderdrukking van mensen. Mogen wij als Dominicaanse mensen in Nederland de moed tot spreken en de daadkracht in ons handelen ontvangen waardoor wij in onze verkondiging in woord en gebaar weer hoop wekken in de harten van de mensen zodat het vuur van barmhartigheid en mededogen opnieuw onder ons allen gaat branden. En mogen wij hier in ons huis de gastvrijheid beleven waarin wij plaats maken voor mensen die allen kinderen zijn van God. Moge onze stichter, vader en broeder van onze orde, ‘vriend van Christus en van de mensen’ zoals onze zusters in Beaufort het zingen, ons een voorspreker zijn!

zondag door het jaar19e zondag door het jaar: Wijsheid 18,6-9   Lucas 12,32-48
11 augustus 2013, Antoon Boks OP

Vorige week hoorden we de gelijkenis van de rijke man die zijn schuren af wilde breken en grotere wilde bouwen voor het opslaan van zijn goede oogst. Jezus noemde hem en mensen zoals hij, ‘dwazen’ omdat ze rijke schatten verzamelden maar niet voor God.
Vandaag praten we nog een keer over geld en schatten. Jezus verzoekt ons om te zorgen voor een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij kan komen en die geen mot kan aantasten. Verkoop je bezit en geef aalmoezen. De zorg van Jezus voor de arme en onderdrukte mensen zien we in heel het evangelie van Lukas. Zo geeft Lukas aan dat Jezus bij zijn eerste optreden in de synagoge in Nazareth citeert uit Jesaja en aankondigt dat hij is gestuurd om goed nieuws te brengen aan de armen. Verder geeft hij aan dat de genezende krachten van Jezus ten voordele zijn van de armen, de onderdrukten en de mensen die gemeden worden door de maatschappij: melaatsen, de vrouw met de bloedingen, de overspelige vrouw, overledenen, enz.
De wonderen en de lessen van Jezus benadrukken het belang van de armen voor zijn leerlingen. Zoals we vandaag kunnen lezen, moeten zijn volgelingen zich ontdoen van hun bezittingen. Hij koos zijn volgelingen uit de armen en de buitengesloten mensen en stuurt ze uit met een zending, om niet afhankelijk te zijn van hun bezittingen: zij moeten genoegen nemen met de zekerheid dat de Vader aan hen het Koninkrijk zal schenken. Ze zijn, in tegenstelling tot de rijke dwaas van de vorige week al rijk aan wat belangrijk voor God is."
Jezus herinnert zijn leerlingen er aan dat zorg voor bezit ons afsluit voor de oproep van God, want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. In de Handelingen lezen we hoe in de vroege Kerk de rijke mensen hun rijkdom weggaven om de armen te helpen. Jezus leerde dat de mensen, die zich te veel hechten aan hun bezittingen en zich niet binden aan de armen om hen heen, niet deel zullen kunnen nemen aan het feestmaal op het einde van de tijden. Dat doen de arme en uitgestoten mensen wel.
De gelijkenis van vandaag wijst naar de terugkeer van Jezus en de noodzaak om gedurende dat wachten trouw te zijn en klaar te staan. Het heeft zeker ongebruikelijke elementen, maar dat hebben gelijkenissen altijd. Ze geven aanwijzingen om de parabel te vertalen en toe te passen. De Heer komt terug van een bruiloft. In het licht van de gewoonten van die tijd bij een huwelijk, kon de Heer terug keren van zijn eigen bruiloft met zijn bruid. Dit zou de daden van de Heer nog verrassender maken. Die gewoonten zouden dan een viering en feesten inhouden bij de aankomst van het echtpaar. De dienaren moesten klaar staan, niet voor een snelle hap, maar voor een groot feest.
Jezus spoorde zijn leerlingen aan om niet bang te zijn omdat wat zij nodig hebben uit Gods hand komt. Vervolgens gaat Hij verder met hen te vragen waakzaam te zijn, trouw te zijn in zijn dienst, klaar te staan voor zijn komst en voor wat er dan zal gebeuren en dat is in het licht van deze gelijkenis, het bruiloftsmaal met de Heer.
We hebben zoveel dagelijkse zorgen. Nog eens krijgen we te horen om ons niet te hechten aan bezittingen, of daarvan afhankelijk te zijn voor onze veiligheid. We kunnen nergens zeker van zijn, want zoals we uit eigen ervaring weten, kan er van alles gebeuren. Als we weten wat we doen en onze ogen open houden voor het feit dat Jezus onverwacht in ons leven kan komen, dan kunnen we er op kudde, vertrouwen dat God ons geeft wat wij nodig hebben. ‘Wees niet bang, kleine want 

het heeft jullie Vader behaagd je het Koninkrijk te geven’. Blijkbaar was de kleine kudde van Lukas bang en moesten ze gerustgesteld worden en eraan herinnerd worden dat God voor hun veiligheid zorgde en dat geldt ook voor ons.
Tegen de tijd dat Lukas de Blijde Boodschap op schrijft was het duidelijk dat de eindtijd niet onmiddellijk zal komen. Markus verwachtte eerder een snelle terugkeer van Jezus. Lukas moet die verwachting aanpassen en dus stelt hij heel duidelijk: we weten niet wanneer het einde komen zal. Vanuit het oogpunt van Lukas leven we nu in de periode van de kerk wat volgens de gelijkenis van vandaag, een periode van verhoogde verwachting is. Hij is bezorgd over hoe de leerlingen nu leven als een gemeenschap die wacht op Christus.
Wie zijn wij in deze kerk, in deze gemeenschap? Zijn wij mensen die bekeerd zijn en die in ons leven die verandering zichtbaar maken door te getuigen van het feit dat nu en in de toekomst het Koninkrijk van God werkelijkheid wordt. Lukas formuleert in zijn evangelie en later in de Handelingen, wat het betekent om kerk te zijn. Hij schrijft na Pinksteren hoe de gemeenschap steeds meer begrijpt dat zij volgelingen van Jezus zijn, de vervulling van Israëls hoop en een gemeenschap in de eindtijd.
Wat moeten wij als gemeenschap, als kerk doen als we op de terugkeer van Jezus wachten? In andere gelijkenissen toonde Lukas de dynamische en levende kracht van het woord van Jezus. Aandacht voor dat woord zorgt er voor dat mensen leerlingen worden. De gemeenschap zou steeds weer gelijkenissen horen als die van vandaag en zo werden ze gevormd door wat zij hoorden.
De Geest speelt een belangrijke rol in het evangelie van Lucas en in het vervolg daarop: de Handelingen. Aangezien we het woord gehoord hebben en uitgedaagd zijn om dit aan de wereld te verkondigen, hebben we voortdurend de aanwezigheid van de Geest nodig. Hoe kunnen we anders weten hoe we waakzaam kunnen blijven om te wachten op de terugkeer van de bruidegom?
Waakzaamheid en trouw kunnen we niet altijd waar maken, zeker niet in moeilijke tijden waarin stilstaan, passief zijn, niets doen verstandiger lijkt dan wel iets doen. Maar... God geeft en we ontvangen! Vertrouwen en waakzaamheid zijn geschenken van God. Door die giften kunnen wij verantwoordelijke en waakzame dienaren van Jezus zijn. Na ontvangst van Gods gaven gebruiken we ze en steunen bij ons werk op die gaven.
De verrassing in de gelijkenis van vandaag is dat we meestal verwachten dat dienaren de Heer bedienen, maar hier nodigt deze Heer zijn dienaren aan tafel en bedient hen vervolgens. De Messias is gekomen, geeft Jezus hier aan, om ons te dienen en niet om gediend te worden. In deze Eucharistie biedt Hij ons zijn eigen Lichaam en Bloed. We krijgen zijn uitnodiging om te gaan zitten en te eten, niet omdat wij dat verdiend hebben, maar omdat het een geschenk is van zijn liefde voor ons: een eeuwigdurende liefde.
Voordat we kunnen geven en aan tafel bedienen, moeten we eerst ons open stellen om te ontvangen. Dankbaarheid is dan ons juiste antwoord aan de tafel van de Heer. Vervolgens moeten we onze ogen en oren open houden om op te merken wie behoefte heeft aan een uitnodiging om te eten en drinken, beschutting en veiligheid aan de tafel te krijgen en daar moeten we dan voor zorgen.