PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Paastijd 2010 (A)

Paaswake 2011: Matteus 28,1-10
24 april 2011, Ernst Marijnissen OP

Waarom zitten er juist of maar twee vrouwen bij het graf? En wat doen zij daar? Waarom twee? Ik zal het u vertellen. Maria Magdalena en de andere Maria zijn daar aanwezig als twee getuigen. Het moeten er twee zijn, want dat hangt samen met de rechtspleging in Israël. In het boek Deuteronomium wordt het volgende geleerd: een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen. Zowel de partij, die aanklaagt, als de partij, die aangeklaagd wordt, moeten twee getuigen meebrengen. Het gaat namelijk om de emeth. Emeth betekent zoveel als trouw, betrouwbaarheid. We kunnen ons dat ook wel voorstellen. Van de betrouwbaarheid van een getuigenis kan namelijk je leven afhangen. Hoe waar dat is blijkt uit het proces tegen Jezus zelf, die het slachtoffer werd van twee valse getuigenverklaringen. Het gaat dus over leven en dood. De getuigen en hun verklaringen moeten dus betrouwbaar zijn.
Wat zou het leven waard zijn als vertrouwen, trouw en betrouwbaarheid niet bestonden! Als het leven zich tegen ons keert, als wij in zwaar weer terecht komen, als we valselijk van iets worden beticht of onrechtvaardig behandeld, als anderen zich niet houden aan hun beloften, als de toekomst duister is of zelfs uitzichtloos wordt: waar blijven wij als we niet kunnen terugvallen op mensen, die te vertrouwen zijn, op toezeggingen, die worden nagekomen, op hulp, die wordt geboden als het er echt op aankomt?
Toen Jezus door het land trok, mensen in verhalen en parabals onderricht gaf en zieken genas, wekte hij hoop in de harten van velen. Ook in die van ons. Nog steeds! Hoop dat een rechtvaardige samenleving mogelijk is. Vertrouwen op een gemeenschap waar niet het recht van de sterken, maar barmhartigheid en menslievendheid voor de zwakken en kwetsbaren, een eerlijk bestaan binnen handbereik brengen. En zeker ook dat trouw en vertrouwen het lijden, dat in onze wereld nu eenmaal niet te vermijden is, ondanks alle ellende de bron kan zijn van nieuw leven, waar liefde en beminnelijkheid regeren. Dat beeld heeft Jezus opgeroepen. Daarvoor heeft Hij zijn leven op het spel gezet.
En toen is hij gestorven. Ze hebben hem weggestopt in een donker gat met een zware en verzegelde steen ervoor. Dood is dood. Maar heeft hij niet gezegd dat hij zou leven? Heeft hij niet aangegeven dat hij weliswaar moest lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zou opstaan? Ja, dat heeft hij, en daarom zitten die twee vrouwen voor het graf. Het Griekse woord voor zien, dat Matteüs hier gebruikt, betekent zorgvuldig beschouwen en overwegen. Zij zitten daar dus niet een beetje voor zich uit te staren, bedroefd of wellicht teleurgesteld, omdat deze goede Jezus toch gestorven is. Nee, ze aanschouwen. Zij zien met hart en ziel. Zij zien niet van grote afstand of afstandelijk. Neen, alles wijst op een ingespannen zien, een sterke inzet om te doorgronden wat dit graf verkondigt, ons te zeggen heeft. En …. waarom, natuurlijk. Wat willen ze zien? Ik denk wat vrouwen eigen is: het leven, nieuw leven, onbedreigd leven. Zij doen me denken aan die twee vroedvrouwen Sifra en Pua, die een beslissende rol spelen in het eerste hoofdstuk van het boek Exodus. In de dagen dat Israël werd onderdrukt in het angstland Egypte had de heersende macht bevolen alle pas geboren kinderen van het mannelijk geslacht in de doodsrivier te werpen. Zo zou het volk op langere termijn uitsterven. Maar zij hielden de pasgeboren jongetjes verborgen en maakten het mogelijk dat dit volk eens zou kunnen uittrekken uit de slavernij van het dagelijks bestaan. Weg uit het graf, ontrukt aan de klauwen van dood en vernietiging.

Evenals Sifra en Pua zijn deze vrouwen bij het graf, deze twee getuigen, betrouwbaar. Ik zie hen ook als de vertegenwoordigers van de armen, de zwakken, de kwetsbaren, van allen, die zonder perspectief of uitzicht rond ploeteren in deze wereld. De twee vrouwen beelden alle mensen uit, die misschien nog even de hoop hebben gekoesterd, dat als medemensen en samenleving hen hebben afgeschreven, er toch nog één is, die naar hen omziet. Een mens, die van zichzelf heeft mogen zeggen, dat hij beeld en gelijkenis van God is. Die bewogen is geweest om die immense schare of menigte, die zijn als een kudde zonder herder. Nu is juist die mens geveld door de machten en krachten, die hen gevangen houden in een schijnbaar zinloos bestaan. Dat kan toch niet waar zijn!
Daarom zitten zij daar te kijken en te hopen, te wachten op iemand, die hun nog een teken van leven kan geven. Zij weten het: het betreft hier dood of leven.
Zij zitten daar in de duisternis, die hen dagelijks omgeeft. Zij zitten daar zoals wij in deze nacht. Want wij hebben ons toch hier verenigd om samen en voor elkaar duidelijk te maken, dat wij ons niet willen neerleggen bij een bestaan, dat als maar sneller op weg is naar het opeten van deze aarde, alsof we er nog één in reserve hebben. Voor velen is onze wereld al gestorven en ligt ze begraven achter de loodzware steen van machtswillekeur, hebzucht en verslaving aan techniek. Wie is nog bij machte die zware last weg te wentelen? De uitzichtloosheid besluipt ons als een kwaadaardig virus. Daarom zijn we hier, solidair met al die breekbare mensen, die de hoop nog niet hebben opgegeven. Die vertrouwen, trouw en betrouwbaarheid sterker wanen dan de zogemaande zekerheden van onze samenleving.
En dan gebeurt het! Dan gaat de wereld op zijn kop. Dan is daar die aardbeving, die al onze vanzelfsprekendheden onderste boven gooit en als kaf op de wind verwaaien doet. Het graf wordt een poort, een doorgang naar profetisch en eeuwig leven. Met de vrouwen en de naamlozen der tijden zien we door het graf heen een nieuwe horizon voor allen, die echt bevrijd willen worden. Er is een nieuwe uittocht mogelijk. De bewakers van het graf, van een wereld, die zichzelf opeet, zijn verdwenen en daarmee allen, die wanen de bestaande wereld in stand te kunnen houden. De steen van dit dode bestaan is weggerold. Ontzet én opgetogen trekken we in gezelschap van de vrouwen door het graf.
En nauwelijks zijn we op weg of Jezus, de Verrezene, komt ons al tegemoet. We pakken zijn voeten vast, want diep in ons hart willen we nooit meer afwijken van de weg, die hij zelf is gegaan. We worden door hem bemoedigd en op weg gestuurd. We moeten tegen zijn broeders, dat zijn allen, die tot de oude synagoge behoren, het oude Israël, gaan zeggen, dat we naar Galilea moeten gaan. Galilea, de smeltkroes van volkeren, culturen en religies, van rassen en talen, van goeden en slechten, beeld van onze wereld. Nu wij door het graf heen kunnen zien, niet langer gehinderd door de blinde steen van deze wereld, delen we weer in het koningschap van God. We zien niet alleen een wereld, waarin de mensen aan elkaar proberen te verdienen. Neen, dwars door alles heen zien we het koningschap van God: een gemeenschap, waarin mensen elkaar van dienst zijn! Er is leven, want God is ons in de verrijzenis van Jezus genadig voorbijgegaan. Dat is de betekenis, of beter nog de vertaling van: Pasen. De twee vrouwen maken duidelijk dat dit getuigenis voor altijd betrouwbaar is. Ja waarlijk. De Heer Jezus is uit de doden opgewekt. Hij leeft!

Pasen: Handelingen 10, 34a.37-43, Johannes 20, 1-9
24 april 2011, Theo Koster OP

Wat mij intrigeert is de zin waarmee Johannes dit evangelie afsluit: zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond, dat hij namelijk uit de doden moest opstaan. Voor ons is die zin van groot belang. Het wil zeggen dat geloven in de verrijzenis niet berust op het zien van een leeg graf.
Maria Magdalena ziet het lege graf en denkt, dat ze de Heer uit het graf hebben genomen. Simon Petrus kijkt beter, het zal inmiddels licht zijn geworden. Hij ziet de zwachtels, en de zweetdoek, zorgvuldig opgevouwen; grafrovers doen zo iets niet. Toch gaat ook bij Petrus geen licht op. Dan gaat de geliefde leerling naar binnen. Hij zag en geloofde.
De geliefde leerling keek met andere ogen dan Maria en Petrus. In het Grieks wordt in dit geval een ander werkwoord voor ‘zien’ gebruikt, een zien dat dicht bij onze uitdrukking komt van: ik zie je graag. Johannes ziet met de ogen van het hart en komt tot geloven. De ogen van het hart hebben geen leeg graf nodig. De ogen van het hart ontwikkel je door je hart te laten kloppen.
Van Jezus weten we dat hij dit gedaan heeft. Hij hield van mensen, zette zich in voor mensen. Gedenkwaardig in de ogen van tollenaars en zondaars, berucht in de ogen van de farizeeën en schriftgeleerden waren de vele maaltijden waarbij Jezus aanwezig was. Elk mens was voor hem de moeite waard om mee aan tafel te gaan. Dit hoefde je niet eerst te verdienen. Jezus zag achter de maskers, oordelen, vooroordelen de mens in zijn ware gedaante, beeld en gelijkenis van God. Om dit te zien moet je soms goed kijken. Zelfs de beste bril helpt je niet dit te zien. Enkel met de ogen van je hart kun je de diepten peilen, die in een mens verborgen gaan.
Niet alleen Jezus had die ogen ontwikkeld door zijn hart te laten kloppen; ook Johannes had dit gedaan. Op belangrijke momenten in het leven van Jezus is hij aanwezig; ook op één van de moeilijkste momenten: onder het kruis. Liefde heeft hem de ogen geopend voor Jezus, en die liefde was met de dood van Jezus niet 

opgehouden. Het was niet de liefde die mensen tot levenspartners maakt. Het was de liefde van de barmhartige Samaritaan; van de vader die uitziet naar zijn jongste zoon die uitgevlogen was; de liefde die je tot hoeder maakt van je zuster, je broeder.
Wat ziet Johannes? Dat je de levende niet bij de doden moet zoeken; daar is hij niet. Je zult hem zien en ervaren daar waar liefde heerst. Tja, en dat is in onze wereld een probleem.
In onze wereld tellen belangen, het geld, macht. We grijpen in Libië in. Omdat daar mensen genadeloos worden afgemaakt door hun eigen leiders?
We grijpen niet in Syrië in, waar mensen eveneens en op grote schaal worden afgemaakt door hun leiders. Dat zou een evenwicht verstoren, waar wij blijkbaar belang bij hebben.
Is God die door Johannes liefde wordt genoemd dan uit onze wereld verdwenen? Nee, zoals ten tijde van Jezus God niet zichtbaar werd in machtige daden, maar in de ene mens die zich over de ander ontfermt, vanzelfsprekend omdat deze mens is zoals jij, zo laat God zich in onze wereld zien, komt God aan het licht in het verborgene.
We hoorden in de eerste lezing Petrus getuigen over het leven van Jezus, een leven dat door de dood heen verder gaat met eten en drinken. In dat leven raken wijzelf steeds opnieuw betrokken, als wij met hem de maaltijd delen, en met allen die hij daartoe uitnodigt: mensen met wie het klikt, maar ook mensen, die we nooit zelf zouden hebben uitgezocht om mee te eten, te drinken, mensen voor wie onze ogen kunnen open gaan, al etende en drinkende.
Zo zijn wij het lichaam van Christus, een vitaal orgaan met een kloppend hart dat zichtbaar maakt de Barmhartige, die in en onder ons verborgen gaat, maar aanklopt, als we onze ogen sluiten voor wie naast ons gaan, dichtbij en veraf.

Paasmaandag: Matteus 28,8-15
25 april 2011, Henk Jongerius OP

Wij ontmoeten in het evangeliegedeelte van deze morgen twee soort mensen: op de eerste plaats zijn daar de vrouwen. Zij verkeren in een dubbele gemoedstoestand, want enerzijds is er grote vreugde omdat er een steen van hun hart is genomen en er een riem van vertrouwen voor in de plaats is gekomen. Diep in hun hart weten zij dat de God die door Jezus met ‘Abba’ aangeduid wordt, betrouwbaar is en het leven van Jezus voortgang vindt in de verborgenheid van de Eeuwige. Onder die wolk durven zij te schuilen want zij vertoeven er in de schaduw van de Almachtige.
Maar dit vertrouwen is ook altijd broos want het laat zich niet bewijzen. Vandaar dat wij horen dat zij ook van ‘grote vrees vervuld waren’, een vrees die te maken heeft met een kwetsbare positie: wie zal vertouwen schenken in hun boodschap?
In elk geval niet die tweede groep mensen waarvan het verhaal vertelt: de bewakers. Zij worden door de godsdienstige leiders met een flink geldbedrag overgehaald om het verhaal de wereld in te sturen dat de leerlingen Jezus uit het graf gehaald hebben, een bedrieglijke leugen die volgens de schrijver van het evangelie opgeld doet tot op de huidige dag.
Er staan hier twee manieren van leven en denken tegenover elkaar die, net als de vreugde en de vrees bij de vrouwen, ook diep in onszelf waar te nemen zijn. Er is de aandrift in ons om de dingen en de situatie in de hand te houden en er controle over te kunnen uitoefenen. Je moet voor de toekomst zorgen en welke plannen kun je daarvoor uitwerken? Diep in ons hart weten we echter dat werkelijk leven met elkaar niet voorspelbaar is omdat er altijd wat tussen kan komen. Wie leeft in 

het in de hand houden en sturen van het leven loopt het gevaar dat hij of zij niet meer in staat is om in het hier en nu te verwijlen, om te genieten van wat er zich zo maar kan voordoen op een dag. Op die manier loop je de kans geraakt te worden door andere mensen, om onverwacht en onvoorbereid je te laten raken door wat er hier en nu gebeurt. Zo mis je misschien het grootste geschenk van het leven, namelijk dat je het als een geschenk, een gave, kunt ervaren.
Zou dat niet het eigenlijke geheim van de vrouwen uit het evangelie zijn? Dat zij ontvankelijk zijn voor het wonder van het leven zelf? Het is die verwondering die door Jezus zelf de voorwaarde wordt genoemd om het koninkrijk van God binnen te gaan. In dat koninkrijk heersen niet de leugen en het bedrog, het manipuleren van anderen, het veilig stellen van je eigen zekerheid, het jezelf waarmaken over de rug van anderen heen. Dat alles is in feite een leven vanuit angst.
Maar het koninkrijk van God wordt getekend door liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid en weet hebben van jezelf.
In die gezindheid zullen wij boodschappers van goed nieuws zijn en elkaar oprichten uit isolement, vrees, kleinmoedigheid tot een opgewekt leven waarin wij elke nieuwe dag kunnen begroeten als een gave van Hem wiens eerste woord is ‘er zij licht’ en die ons iedere dag wil verrassen met zijn liefdevolle aanwezigheid om zonder angst of vrezen maar als verwonderde kinderen de weg van het leven te gaan. En zo zullen wij zelf getuigen zijn van opstanding.

2de zondag van Pasen: Handelingen 2,42-47; Johannes 20,19-31
1 mei 2011, André Lascaris OP

Het verhaal van Johannes is niet alleen een verhaal van bijna 2000 jaar geleden, het verhaalt tegelijk onze situatie. Ook wij zijn samen in één ruimte, omgeven door muren. De deuren zijn niet op slot, maar wel dicht; het is ochtend en geen avond.
Maar het belangrijkste is dat ook wij geloven en erop vertrouwen dat Jezus in ons midden is, Jezus die verworpen werd door de mensen, althans door de machtigen onder hen, en die door de dood heen gegaan is om een bron van leven te worden voor allen. Al zien we hem niet lichamelijk, we zien hem zoals Jezus hoopt dat wij hem zien: met de ogen van het geloof. Want die ogen kijken verder en scherper, zien meer dan met onze lichamelijke ogen te zien is. Zij zeggen ons dat Jezus aanwezig is.
Hij verwacht van ons niet dat we ons om hem heen klitten. De deuren moeten straks open gaan en wij moeten naar buiten, eventueel tot de uiteinden van de wereld. Hij wil ons uitzenden zoals God hem gezonden heeft om elkaar, anderen en onszelf een woord van bevrijding mee te geven en de schepping te herscheppen. Jezus blaast over de leerlingen, zoals in een van de scheppingsverhalen God de mens adem inblaast en levend maakt. Hij wenst hun vrede toe, het doel van het menselijk leven: te bestaan in vrede met God, mensen en zichzelf. En hij geeft hen de macht te vergeven.
Dat lijkt een beetje armoedig, wat vlak, zonden vergeven. Maar de eerste lezing laat zien wat het resultaat is van de zondevergeving. De leerlingen bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten hun bezittingen, have en goed, en deelden alles onder elkaar, allen naar ieders behoeften.
Wie de geest ontvangt, probeert op een andere manier te leven. Je streeft dan naar een andere economie – niet een gebaseerd op het marktprincipe, op het maken van winst, maar gebaseerd op onderling delen. Het gaat om een ander sociaal leven waarin iedereen bij iedereen welkom is. het gaat om een politiek waarin de zorg voor elkaar centraal staat.
Dat is ook het meest natuurlijke: dat wij mensen, delen. 
Maar in feite hebben we een maatschappij die op winst maken gericht is ook al wordt gezegd dat het in het management om dienstbaarheid gaat. In de politiek is

het onduidelijk waar het om gaat. Moet je altijd bij de eersten zijn om gelukkig te worden?
Maar uiteindelijk leven we in een wereld die ontstaan is op grond van menselijk gedrag. Vanaf het begin hebben mensen begeerd wat anderen ook al begeerden. Van oudsher staan mensen elkaar naar het leven. Ze verzamelden in plaats van te delen, gaven elkaar niet de goede zorg, krenkten elkaar. Al die pijnlijke krenkingen hebben bij ons wonden geslagen en vandaar uit zijn we dit gaan verhalen op degenen die ons dit hadden aangedaan, of, omdat zij sterker waren dan wij, hebben we het gedaan op kosten van hen die we meenden aan te kunnen, namelijk zij die zwakker waren dan wij.
Jezus geeft ons de kracht om te vergeven en vergeven te worden. Om nieuwe toekomst voor anderen en voor onszelf te scheppen. Niet alleen aan ons die hier vieren, denk ik, ook aan talloze anderen die misschien nooit van God en Jezus gehoord hebben, maar toch ook van zijn geestkracht ontvangen.
Dat is Pasen. Onze wereld, kerk, wijzelf veranderen niet in één klap; wij moeten dezelfde gang maken als Jezus zij het ieder op zijn/haar eigen wijze. Maar als wij onze handen uitstrekken naar Jezus, niet om hem in bezit te nemen en voor onszelf te claimen, niet om toch op een of andere manier wetenschappelijke zekerheid te krijgen, maar als een bron van inspiratie en leven, een bron van herstel van menselijke relaties, dan is de kans groot dat ook wij Jezus herkennen als degene in wie God woont, als degene die de bron is van leven en waarheid, als degene die door mensen is verworpen, maar door God gered is.
Deze zondag wordt wel ‘beloken Pasen’ genoemd: de laatste dag van Pasen, de laatste keer dat de doopleerlingen in het wit gekleed gingen. Maar Pasen is nooit afgesloten. Elke zondag dat we tussen deze muren bijeenkomen is het opnieuw Pasen. Dan staat Jezus weer in ons midden, gemarteld, vermoord, maar daarboven uitgestegen. ‘Vrede’ wenst hij ons toe, ‘sjaloom’ - dat wij bevrijd worden van het kwade dat anderen ons, en wij anderen aandeden. Mogen wij dan geloven dat hij de Messias is zodat wij door te geloven, te vertrouwen, leven zullen bezitten.

3de zondag van Pasen: Handelingen 2,14.22-33; Lucas 24,13-35
8 mei 2011, Ineke van Cuijk OP

Twee mensen op weg – ontgoocheld, verdrietig, niet meer wetend waar zij het moeten of kunnen zoeken. Zij waren zo vol van die Jezus, die hen zou bevrijden van het juk van de Romeinen – in en met Hem waren zij vol goede moed en vol vertrouwen. Dankzij Jezus zagen zij perspectief, durfden zij het leven aan, wisten zij zich gekend. Hun leven had zin. En nu – nu zitten zij in zak en as. Zij kunnen het nauwelijks bevatten en weten maar één ding te doen. Zij lopen maar weg – want hier in Jeruzalem is het niet meer te vinden. Zij gaan maar terug – naar huis of welke plek dan ook waar zij in ieder geval liever willen zijn dan in Jeruzalem. En zoals dat gaat – in dagen van ontzetting en verdriet – ‘spraken zij met elkaar over alles wat was voorgevallen’. Zij waren er nog helemaal vol van – zo vol dat zelfs hun ogen de vreemdeling, die hen gezelschap kwam houden, niet herkenden. En de vreemdeling vraagt belangstellend waar zij zo vol van zijn. – ‘Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?’ en deze vreemdeling hoeft alleen maar te vragen ‘wat dan?’ En dan stroomt als het ware de emmer over. Alle verdriet, alle ontgoocheling, alles wat er met die Jezus de Nazarener is gebeurd – zij vertellen het in geuren en kleuren. En nu is zelfs zijn lichaam verdwenen, sommigen zeggen dat Hij leeft, maar het graf is leeg.
Het verhaal dat Lucas ons hier schildert is, denk ik, zo herkenbaar. Bij groot verdriet loop je verloren en als dan iemand vol meeleven vraagt ‘wat dan’…. Dan stroomt de mond over waar het hart zo vol van is. Dat geeft lucht en als die tijd en ruimte er voldoende is geweest dan kan er ook weer ruimte komen voor nieuwe perspectieven. Want het verhaal gaat verder. Het verhaal van Kleopas en zijn metgezel wordt in het grote verhaal van de Schriften geplaatst. De reisgezel kan die gebeurtenissen rondom Jezus plaatsen in de grote geschiedenis van Profeten en Schriften – het verhaal van God – met – mensen, ‘want zegt de reisgezel, ‘moest de Messias dat alles niet lijden om zijn glorie binnen te gaan?’ En aan de hand van de verhalen, te beginnen bij Mozes verklaarde de vreemdeling uit al de profeten wat in al de Schriften op de Messias betrekking had. Zij hadden een ander beeld van Jezus: Het ging niet om een triomferende Koning maar om de lijdende dienstknecht. Het ging niet om een redder die te vuur en te zwaard te werk ging maar met liefde. Jezus was iemand die geweld afwees en daarom moest sterven. De Jezus die zij voor ogen hadden, had niet bestaan. Het ging deze Messias niet om een politieke, maar om ‘Gods’ maatschappij waarin ieder tot zijn en haar recht mag komen. Waar een ieder kan groeien en bloeien tot wie hij/zij ten diepste bedoeld is.
En langzaam maar zeker ontdekken Kleopas en zijn reisgezel dat het om iets anders gaat. Wij hebben het niet gezien……..wij wilden – we konden het niet 

zien….. En zo beschrijft Lucas in dit reisverhaal geloven als een groeiproces. En hier gebeurt al wat – want later zullen de reisgenoten zeggen: ‘Brandde ons hart niet…..?’
En langzaam maar zeker bereiken zij hun plaats van bestemming en weten ze de vreemdeling te verleiden mee naar binnen te gaan. ‘Blijf bij ons want het wordt al avond en de dag loopt ten einde’. Behalve de ‘oosterse gastvrijheid’ (je laat mensen ’s avonds in het donker niet buiten staan) is er ook iets gebeurd tussen de wandelaars. Deze vreemdeling heeft hun zoveel te bieden…. En als ze dan, na een vermoeiende reis, aan tafel gaan, pakt de vreemdeling het brood van de tafel, spreekt de zegen uit, breekt het brood en geeft het aan hen. En dán gaan hun de ogen open en herkennen zij hun reisgenoot: het is Jezus!
In dit Emmausverhaal komen alle elementen samen die belangrijk zijn in elke geloofsgemeenschap – Diaconie - omzien naar elkaar – de reisgenoot vraagt hoe het met hen is – Catechese geloofsoverdracht – het verhaal plaatsen in het licht van Traditie en Schrift Liturgie - het brood breken en samen vieren wat je met elkaar beleefd hebt. Als er aandacht voor je is – als je kunt leren met en aan elkaar – dan kun je vieren! Dan kun je ook geloven! En langs die aandachtsvelden kun je groeien en bloeien.
Lucas wil in zijn Evangelie laten zien dat het hele leven en optreden van Jezus vervulling van de Schrift is. Dat zien we ook terug in het verhaal van Handelingen. Het lijden van Jezus heeft een plaats in het heilsplan van God en is niet buiten God om gegaan. Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen. Net als in het Emmausverhaal ‘moest de Messias……deze weg gaan. God is in Jezus aan het licht gekomen en God heeft Hem uit de dood doen opstaan! En die Jezus leeft nog steeds – ook onder ons. Hij leeft onder ons daar waar we zijn daden in praktijk brengen–waar we omzien naar elkaar. Hij leeft onder ons daar waar wij leren en luisteren naar Zijn verhaal. Hij leeft onder ons waar wij het brood met elkaar delen. Soms zijn wij als Kleopas, zoekend, verdrietig en ontgoocheld, soms zijn wij de vreemdeling die met anderen mogen optrekken en soms zijn wij gastheer/gastvrouw om samen het brood te delen en te eten. En in al die momenten kunnen ons de ogen open gaan.
Zelfs David heeft al gezegd: ‘wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen. Als ik ga op de wegen van de Heer zal ik niet wankelen – Zijn hand houdt mij vast. Wij zongen het al in psalm 16. Jezus leeft, niet als ons bezit, maar als onze Weg. Een weg ten leven – van Jeruzalem naar Emmaus maar ook weer terug naar Jeruzalem. Om daar te getuigen in die heilige Stad – het Nieuwe Jeruzalem waar Gods Koninkrijk gestalte krijgt. Wij ook!! Want wij zijn samen met Hem die met ons mee gaat.

4e zondag van Pasen: Handelingen 2,14.36-41; Johannes 10,1-10 15 mei 2011, Paul Minke OP

U herinnert zich vast wel het verhaal over de blindgeborene. Ruim een maand geleden hebben we het gehoord en overwogen. Dit verhaal staat onmiddellijk voor het verhaal van "Ik ben de deur" De blinde man, door Jezus tegen alle regels in, genezen op sabbat, werd verhoord door de farizeeën en uiteindelijk buitenge-worpen omdat hij niet bereid was evenals zij Jezus te veroordelen. Buitenge-worpen, de deur werd achter hem dichtgegooid, bij wijze van spreken de woestijn ingestuurd, van God los. Voor die handelwijze heeft Jezus geen goed woord voor over en bekritiseert de farizeeën onbarmhartig en genadeloos. Jezus gebruikt het beeld van de schaapskooi. Een cirkelvormige omheining, opgebouwd met opgestapelde stenen, met slechts een smalle opening, met een deur erin, waarvoor de deurwachter 's nachts ligt te waken en te slapen. Alleen voor de herder doet de deurwachter open. Dieven en rovers, daarmee verwijzend naar de farizeeën, Schriftgeleerden, Hogepriesters en tempelwachters, komen zomaar niet binnen tenzij over de omheining. Die verwijzing kunnen de aangesprokenen moeilijk ontgaan want Johannes gebruikt voor het woord schaapskooi het woord voorhof, waarmee het voorhof van de tempel bedoeld wordt. Jezus stelt zich vierkant op tegenover de godsdienstige leiders, die zich niet gedragen als herders ten dienste van de kudde maar als heersers, die zich meester gemaakt hebben van de kudde.

Jezus gaat verder want zo staat er: een andere keer zei Jezus: Ik ben de deur van de schapen, daarmee aangevend dat wie langs die weg binnenkomt of uitgaat, niets te vrezen heeft. Ik ben de deur. Zo benoemt Jezus zichzelf, zo is hij en niet anders. Hij staat open voor de ware herders en hun kudden, voor de behoeders van de schapen, en niet voor de huurlingen. Hij staat open voor de herder, die geborgenheid en veiligheid biedt aan allen, die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd en voor wie hij borg staat. Hij staat open voor de herder, die zijn schapen bij name kent hen naar buiten roept naar groene weiden en waakt over hun leven. Hij staat open voor de herder, die niemand buitensluit en verstoot en niet in de woestijn achterlaat ten prooi voor allerlei kwaadwillenden. Hij staat open voor de schapen die de stem van de herder herkennen, die zij niet vrezen, in wie zij vertrouwen stellen, die zij volgen. Jezus is, in het beeld van de deur, doorgang naar bevrijding en leven. Het is ons, herders en kudde, gegeven door Jezus in en uit te gaan. De andere wegen, die van de dief en de rover, zijn wegen ten dode.

In de wereld van de Bijbel waren de leiders van het volk herders en wordt met de kudde het Godsvolk bedoeld, Gods uitverkoren volk. Van herders wordt verwacht, dat zij niet uit zijn op macht en aanzien maar dat zij zich geheel in dienst stellen van het volk, voor ons de kerk, de gemeenschap, die een weg gewezen wil zien te midden van alle gevaren, die zij tegenkomt  in het leven van alle dag, in de 

woestijn van de wereld, een weg, die heilzaam is, betrouwbaar, en leiden zal naar leven en geluk. Maar de oude geschiedenis van het Godsvolk vanaf haast in den beginne tot op vandaag laat zien, dat de godsdienstige leiders gevoelig waren en zijn voor de verleiding tot machtsdrang, voor de bekoring tot 'heersen over'. Zij konden niet weerstaan aan de bekoring om het creatieve woord van God, om de Geest, die harten in vuur en vlam zetten, om al wat mensen beweegt, aan banden te leggen in regels: zo zul je leven, zo zul je geloven. Vervolgens, wellicht uit een welbewust plichtsbewustzijn, dat wel, zijn deze leiders geneigd allereerst te zien of deze regels nageleefd worden. Dat is, bij wijze van spreken, de kerk dienen buiten Jezus om. Hij die de deur is. Maar zo heeft Jezus de verhouding: herders – Godsvolk, nooit gewild. De kerk kan ons niet precies voorschrijven hoe wij moeten leven, gaan en staan, maar zij mag wel roepen, uitdagen, bemoedigen, inspireren tot het goede. De verhouding van herders – Godsvolk moet er een zijn van vertrouwen, van een geborgen zijn bij elkaar, van een veilig weten bij elkaar. De kerk heeft ons binnen te voeren in de ruimte, die het kwaad buiten houdt, in de ruimte waarbinnen God te vinden is en zijn woord tot klinken komt. Herder zijn in de Geest van het evangelie, op de wijze waarin Jezus ons voorgaat is: voorgaan, genezen, verzorgen, troosten, verbinden, zoeken, luisteren, thuisbrengen; Het is verlossen van vervreemding, van eenzaamheid en verlatenheid, het is bevrijden van uitbuiting en onrecht, het opnemen voor de zwakken.

Deze zondag wordt ook roepingenzondag genoemd. Een dag, waarop wij uitgenodigd worden ons te bezinnen op het herdersambt, een dag, waarop wij gevraagd worden te bidden om roepingen in de kerk, om priesters en kloosterlingen, om herders binnen de geloofsgemeenschap, en om geloofs- gemeenschappen, waarin men elkaar ziet als broeders en zusters. Als er ooit een vraag is naar nieuwe herders, is het wel onze tijd. Als er ooit vraag is naar krachtige geloofsgemeenschappen, is het wel nu. Daartoe bezinnen is goed, daartoe bidden uitstekend, maar er is meer nodig. Wanneer Petrus op de Pinkstermorgen de menigte geïnspireerd heeft toegesproken en de mensen diep getroffen worden door zijn woorden zeiden ze tegen de apostelen: Wat moeten we doen, mannen broeders. Het antwoord daarop was: Bekeert u. Bekeert u, u die tot herders bent aangesteld, leidt de kerk in dienstbaarheid. ga voor de kudde uit in geloof en vertrouwen op God, en zie af van alle macht. Bekeert u, broeders en zusters, ga in en uit door de deur, door Jezus Christus, draagt elkaar in liefde en zorg, weest begaan en bewogen om en met anderen. Zo zal het aanzien van de kerk veranderen en mogen wij hopen en verwachten, dat mannen en vrouwen hun roeping binnen de geloofsgemeenschap ontdekken, en dat zij ook zullen ervaren, hoeveel vreugde en voldoening geloof en dienstbaarheid geven. En wij allen zullen dan mogen ervaren wat het is: leven bezitten en wel in overvloed. Amen.

5e zondag van Pasen: Handelingen 6,1-7; Johannes 14,1-12
22 mei 2011, Antoon Boks OP

De lezing uit Handelingen van vandaag beschrijft een scène uit de vroegste dagen van de kerk. De gemeenschap groeide zo snel dat het tijd werd om de opkomende spanningen onder de leden aan te pakken. Vandaag horen we over een klacht van de Grieks sprekende Christenen dat hun weduwen niet werden verzorgd door de Aramees sprekende Christenen. Uit eigen ervaring, maar daarin ben ik niet de enige hier in de kapel weet ik dat taal en culturele verschillen leiden tot spanningen, zelfs tot discriminatie, ook in kerkelijke gemeenschappen.
De spanning tussen de twee groepen had de mogelijkheid om de vroege kerk en dus ook de leiders van de gemeenschap uit elkaar te drijven. Stefanus en zijn metgezellen zijn gekozen "om te zorgen voor eten, dat wil zeggen, om de hongerige leden te voeden. De apostelen zullen zich richten "op het gebed en de bediening van het woord." Aangezien deze tekst in de Handelingen van de Apostelen staat, die volgens sommigen beter de Handelingen van de Heilige Geest genoemd kunnen worden, zijn de criteria voor de keuze van Stefanus, dat hij vervuld is van de Geest en wijsheid. De eerste van de Geest vervulde leerlingen staan klaar om elkaar te bewegen. Maar toch waren er ongeregeldheden...
Zijn er vergelijkbare verschillen merkbaar in onze gemeenschappen vandaag? In de meer universele kerk? Hebben kleinere groepen het gevoel dat ze geen stem hebben? Worden nieuwkomers verwelkomd? Is er een machtsstrijd tussen de mensen die hier al veertig jaar bij elkaar komen en die pas vijf jaar hier zijn? Zijn we verdeeld? Nee, zegt natuurlijk iedereen in het openbaar. En vroeger al helemaal niet... Wij willen toch allemaal de biddende, gastvrije, meelevende en beslissende/daadkrachtige acties van onze voorouders gebruiken als modellen van hoe wij als de kerk van Jezus Christus moeten leven. Het moet voor de vroege kerk toch een aangename verrassing zijn geweest om zoveel groei en enthousiasme te zien, of toch niet?
De tweede lezing van vandaag is een passage uit de laatste toespraak van Jezus op de avond voordat hij stierf. Bij die gelegenheid hoorden de leerlingen het nieuws van zijn naderende einde. Hoe moeten ze verder... Hoe konden ze iets doen zonder hem? Die avond en de volgende dag werden hun dromen aan flarden gescheurd en volgde er een diepe teleurstelling. Pas later bleek dat de kerk werd geboren uit de dood maar vooral uit de verrijzenis van Jezus. Nieuw leven werd een werkelijkheid voor de gebroken en verstrooide leerlingen, niet omdat ze het zelf deden, maar omdat de adem van de Geest van de verrezen Jezus over hen zou neerdalen. Toen zouden ze de grotere dingen doen die Jezus beloofde bij zijn laatste maaltijd met hen. Ik heb nogal wat gereisd. Daarom bereidde ik me altijd voor: ik wilde klaar zijn voor de onverwachte, dat maar een enkele keer gebeurde. Daarom kan ik vandaag heel goed meevoelen met Thomas. Jezus bereidde de mensen rond de tafel voor op zijn aanstaande lijden en dood. Hij zal hen verlaten, maar Hij belooft terug te komen en hen mee te 

nemen. Hij vertelt aan hen: "Waar ik heen ga – de weg daarheen is jullie bekend. Thomas is een praktische reiziger. Als hij ergens heen wil, moet hij weten waar hij naartoe gaat en hoe er te komen. ezus 'antwoord gaat niet over de wegenkaarten, vaste bestemmingen en chronologische tijd. In plaats daarvan gebruikt Hij woorden die we al vaker hebben gehoord in het evangelie volgens Johannes. Jezus spreekt weer een andere "Ik ben"-verklaring over zichzelf uit. Nu zegt hij: "Ik ben de weg..." en nodigt met die woorden zijn leerlingen uit naar Hem te komen en hun leven in zijn handen te leggen. Dat deden zij en dat doen we door samen met Hem en op zijn manier te leven en eerst te luisteren naar zijn woorden. Dat is de manier om te komen tot het leven dat Hij belooft aan iedereen die zich bij Hem aansluit. Jezus maakt duidelijk dat Hij de weg naar God is en als we Hem volgen dan zullen we de waarheid hebben, want Hij is Gods openbaring aan ons. We zullen dan kunnen leven want Hij trekt ons uit de dood van de zonde tot nieuw leven.
Bijna iedereen hier aanwezig is wel zo vertrouwd met de Schrift dat we weten dat Christenen worden aangeduid als de mensen van de “de weg”.
In het eerste Testament betekende de weg de wet, die de waarheid en het leven zou opleveren. God beloofde in Jesaja (40:3) om een weg door de woestijn te maken zodat de ballingen naar huis konden terug keren. Psalm 1:6 zegt, dat 'De Heer waakt over de weg van de rechtvaardige, maar de weg der bozen leidt tot ondergang". We kunnen kiezen uit twee wegen: die van de rechtvaardige en van de bozen. Jezus zegt bij zijn afscheid tegen zijn leerlingen dat zij Hem moeten volgen op de weg naar God. Hij zegt dat Hij de weg is die zij moeten volgen om het leven te bereiken en Hij belooft dat wanneer Hij terugkomt Hij bij hen zal blijven en dus ook met ons. Wanneer wij geloven in Hem hebben we nieuw leven. Want wie in Jezus gelooft zal de werken doen die Hij deed en zelfs grotere dan die, want Hij ging naar Zijn en onze Vader.
Soms zou je kunnen denken dat Jezus efficiëntere en invloedrijkere aanhangers voor de grotere werken zou hebben kunnen kiezen. Want op sommige momenten, lijken wij moderne christenen zo beperkt, bang, zondig, lastig en kortzichtig. Daarom is het goed, dat we gelezen hebben dat zelfs in de zogenaamde ideale vroege kerk al spanningen en al te menselijke zwakheden zichtbaar werden. Maar door samen te werken als een gemeenschap, geleid door de Heilige Geest, waren zij in staat om een oplossing te vinden in de kwesties die zich voordeden en het lijkt ook nog alsof het moeiteloos en zonder strijd ging. Wij worden ook aangemoedigd om onze fantasie te gebruiken als gemeenschap, die door Jezus is gemaakt uit levende stenen. Heiligheid betekent groeien met Jezus. Als dat beter kan, dan doen we dat samen, want er blijven vele mensen die in onze gemeenschap samen werken, zodat wij samen als levende stenen groeien tot het huis van God, zoals op onze gevel staat.

6e zondag van Pasen: Hand. 8,5-8.14-17;Johannes 14,15-21
Ernst Marijnissen OP

In de eerste lezing wordt ons verteld over het optreden van de apostelen. De Handelingen leveren ons vele getuigenverklaringen over de manier, waarop de eerste generatie na Jezus’ verrijzenis te werk is gegaan. Wat mij opvalt is de grote overeenkomst met de manier, waarop Jezus dat deed. De apostelen zetten mensen weer op hun voeten, genezen blinden en doven, blijven trouw aan hun opdracht, ook als deze gevangenschap en vervolging oproept. Zij spreken moedig voor kerkelijke en burgerlijke overheden en vertonen een grote pastorale bekommernis met mensen, die in nood verkeren. Het valt me op, maar het verwondert me niet echt. Waarom eigenlijk niet?
Vlak voor de evangelielezing van deze dag staat een beroemd woord geschreven. Op de vraag van Filippus: ‘Heer, toon ons de Vader’, heeft Jezus geantwoord: “wie mij ziet, ziet de Vader!”. Zulke woorden kun je alleen bij Johannes verwachten. Ze zijn namelijk van een wonderlijke diepgang. Van dezelfde Johannes wordt ons uit één van zijn brieven een ander beroemd woord overgeleverd, dat zegt: ‘niemand heeft ooit God gezien’. Ik trek daaruit de volgende conclusie. Wil je zinnig over God spreken, zie dan naar Jezus, hoe hij spreekt en werkt, zich gedraagt en verdraagt. Zie naar zijn algehele overgave en deelname aan het lot en het leven van de geschoffeerde en gekwelde mens. In ons bestaan, zusters en broeders, zijn we gebonden aan plaats en tijd en ruimte. Spreken en denken over God betekent dus altijd, dat het zich binnen de grenzen van het menselijk mogelijke afspeelt. Daarom is God dan ook mens geworden. Daarom schept God de mens naar zijn beeld en gelijkenis, of liever gezegd: worden we uitgenodigd in deze wereld voor elkaar zijn beeld en gelijkenis te worden. Dat maakt Jezus aan Filippus duidelijk. Daarom zijn deze woorden van zo’n grote betekenis, omdat ze ons toegang geven tot de belofte van Jezus, dat hij de heilige geest, de helper zal zenden. Wat wil hij daarmee zeggen?
We moeten het ons niet te gemakkelijk maken. Dat zouden we doen, als we ons de heilige geest voorstellen als een vogel, die van bovenaf komt aangevlogen of heen en weer vliegt tussen de mensen. Natuurlijk gebruikt de bijbel het beeld van de duif, die Johannes de doper uit de hemel op Jezus ziet neerdalen bij diens doop in de Jordaan. Maar dat is een symbool, rijk geladen weliswaar, maar een symbool. En daarbij moeten we het laten. Je kunt de heilige geest niet filmen. Als je dat probeert zie je niets, zelfs geen vogel. Toch zegt Jezus, dat hij na zijn opstaan uit de doden ons de heilige geest zal zenden. Maar dat zenden is niet te verstaan als een postpakket of een e-mail. Evenmin als we God kunnen waarnemen zonder naar Jezus te zien, kunnen we de heilige geest waarnemen zonder naar Jezus te zien. Wie scherp naar Jezus kijkt, zijn spreken en doen op zich laat inwerken en concreet maakt in het eigen spreken en doen, zal zijn geest op een eigen wijze gewaar worden. De inspirerende kracht en het voortstuwend elan van Jezus drijven ons voort. Dat vertalen we door te zeggen dat hij ons begeesterd, ons met andere woorden zijn geest zendt.

Mogen we het nu hierbij laten? Ik denk van niet. Als Jezus zegt: “wie mij ziet, ziet de Vader”, dan heeft hij het niet alleen over zichzelf. Hij wijst ons de weg, hij wil ons iets duidelijk maken. Hij wil zeggen, dat elk mens, u en ik persoonlijk, zo moeten leven, dat u en ik beeld en gelijkenis zijn van God. Het moet zo zijn, dat wie u en mij ziet, de Vader ziet. Stellen we ons eens voor dat het zó zou zijn in deze wereld!
“Kan dat wel?” zullen we nu vragen. Wij zijn toch niet zoals Jezus is! Zusters en broeders: daar gaan we weer. We vinden het prachtig als deze dingen worden gezegd, maar ze uitvoeren is nog wat anders. We voelen haarscherp aan dat we dan in menig opzicht ons leven moeten bijstellen of zelfs radicaal veranderen. We richten de blik weer binnenwaarts en verliezen onze naasten uit het oog. We zoeken een alibi en verschuilen ons achter de uitzonderlijke eigenschappen van Jezus. Maar als we dat doen, verdwijnt hij uit onze ogen. Dan hebben we niet gehoord wat hij tegen ons zegt: “als jullie mij iets vragen in mijn naam, zal ik het doen; als jullie mij liefhebben zullen jullie mijn geboden bewaren”. We moeten in zijn naam vragen, dat wij zullen spreken en doen als hij. Misschien, ja het is zelfs zeker, moeten we veel prijsgeven, maar we krijgen er onnoembaar veel voor terug. We krijgen er de heilige geest voor terug!
“Wie mij ziet, ziet de Vader”. Je kunt het aanzien van de ander en het werken van de heilige geest vergelijken met het vuur van de liefde. We zeggen: dat is liefde op het eerste gezicht! Twee mensen ontmoeten elkaar voor het eerst en aanstonds vliegt er een vonk over. Beiden staan in vuur en vlam. Zo gaat het ook met de geest, als op ons van toepassing is: wie mij ziet, ziet de Vader. Maar het kan ook zijn als een oplopende spanning tussen twee mensen. Dat vraagt tijd, maar het moment komt waarop de liefde zich ontlaadt, heftig en warmbloedig. Zo gaat het ook met de geest, als op ons van toepassing is: wie mij ziet, ziet de Vader. Als we werkelijk op Jezus vertrouwen, zullen we doen als hij heeft gedaan. We zullen met nieuwe ogen verlangend en open naar elkaar zien. En aanstonds zullen we de betekenis van zijn woorden ervaren: “ik zal jullie een andere helper zenden”. Tijdens zijn aardse leven was de kracht van de heilige geest in hem en beïnvloedde en inspireerde zijn leerlingen en de vele mensen, die hij ontmoet heeft. Maar nu Jezus is weggegaan zullen wij, de leerlingen van nu, zijn werk voortzetten. Zoals van de leerlingen in de Handelingen van de apostelen wordt verhaald van hun spreken en doen als Jezus, zo moet dat nu van ons gezegd kunnen worden. Nu zal de geest van ons of van de ander uitgaan, en anderen of ons beïnvloeden en inspireren. Nu zal het vonken en vlammen tussen ons, zoals het in Jezus’ tijd gevonkt en gevlamd heeft tussen hem en de leerlingen. Toen werkte de helper door en in hem, nu is er een andere helper: ik, wij, de anderen. Anders gezegd: in de ander zal ik jullie de helper zenden. Zo wordt nóg een schriftwoord vervuld: “het is niet goed dat de mens alleen is”. De helper, de trooster is daar! Ín de ander. Dóór de ander.
“Wie mij ziet, ziet de Vader!”.

Hemelvaart: Handelingen 1,1-11
2 juni 2011, Theo Koster OP

Het boek Handelingen, waarvan we het begin hoorden, vertelt, dat de jonge christelijke gemeenten voortzetten de geschiedenis die met Jezus en zijn verkondiging van Gods koninkrijk begonnen is. Een belangrijk motief in het boek is, dat het christendom een rechtstreekse voortzetting is van Gods werk met Israël. De Hemelvaart doet denken aan hoe de profeet Elia werd opgenomen bij God. De wolk herinnert ons aan de uittocht, aan Gods aanwezigheid bij het volk en zijn betrokkenheid op dit volk. Nieuw is, dat dat niet alleen Joden, maar ook niet-Joden kunnen deelnemen; het wordt in Handelingen beschreven als het werk van de Geest.
De leerlingen zitten nog helemaal met hun gedachten in het verleden. Gaat gij in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen, vragen zij Jezus. Het is in onze tijd vertaald het terugverlangen naar mijn kinderjaren, toen de kerken vol waren, kloosterlingen en priesters alom aanwezig. Maar het oude koninkrijk Israël komt niet terug; in Jezus is een universeel koninkrijk van God doorgebroken, in Jezus geeft God zijn heil aan de gehele wereld. Het rijke roomse leven, waarin paus, bisschoppen, priesters en kloosterlingen centraal stonden is voorbij. Met Johannes XXIII is een kerk begonnen, waarin het volk van God, de gelovigen, Jezus verkondigen in de wereld.
De leerlingen hebben het hier maar moeilijk mee. Zij blijven staren naar de hemel waarin Jezus verdwenen is, realiseren zich niet, dat zij kracht zullen ontvangen om van deze Jezus te getuigen in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het einde der aarde. Ook wij hebben het soms moeilijk met het verdwijnen van de kerken en de kloosters. We weten het wel, maar het slaapt soms in ons, dat wij de kerk zijn, die in deze wereld het goede nieuws moeten laten klinken, dat het koninkrijk van God in een kwetsbare mens is doorgebroken, God zichtbaar wordt waar mensen zich in hun kwetsbaarheid laten zien.
Hoe waar dit is werd mij vorige week duidelijk. Een groep homoseksuele en biseksuele studenten had in de Studentenkerk een avond georganiseerd rond het thema: seksuele diversiteit en het geloof, kan dat? Met seksuele diversiteit wordt bedoeld, dat sommige mensen niet passen in het overheersende patroon, waarin vrouwen geacht worden seksueel zich te verhouden met mannen en andersom. Gezien de moeite die vooral de rooms katholieke kerk heeft met homoseksualiteit had men mij gevraagd de avond te begeleiden. We moesten in twee groepen praten, want het aantal studenten dat hierop af kwam was groot, 24. Tot discussies, waarin het gaat wie er gelijk heeft, kwam het niet, terwijl er toch grote onderlinge verschillen waren. Men bevroeg elkaar respectvol, zodat er een 

intimiteit ontstond waarin ieder zich kon laten zien. Ik hoefde niet meer dan volledig mee te doen. Ik zat er met het gezag van mijn leeftijd en mijn positie, maar van mij werd het heil niet verwacht.
Op een gegeven moment vroeg ik: zou er voor homoseksuelen iets wezenlijks veranderen in de rooms katholieke kerk, als de paus uit de kast zou komen, m.a.w. zou vertellen dat hij homoseksueel is? Daarover hoefde men niet lang na te denken. Het antwoord was volmondig: nee. Natuurlijk zou het even wat makkelijker zijn om het thema homoseksualiteit in de kerk aan te snijden. Een echte verandering in positieve zin hangt af van gelovige homo’s, die hun geaardheid noch hun geloven verstoppen, en in de kerk homo en in de wereld gelovige durven zijn.
Er is moed nodig, kracht van de geest om in navolging van Jezus overal, in de kerken en in de wereld, te vertellen, dat elk mens een cadeautje is van God, dat elk mens dus uitgepakt moet worden, en niet ingepakt, dat elk mens kan laten zien wie hij/zij ten diepste is: kind van God.
Wat ons te doen staat is geen kerkelijk instituut overeind houden, noch in onze schulp te kruipen, maar vrijmoedig te getuigen van Jezus Christus. Een vrijmoedig getuigenis begint bij jezelf, bij het onder ogen zien van de eigen mogelijkheden en grenzen, van de eigen lichte en donkere kanten. Wie zich niet opsluit in schaamte of angst, zich niet gevangen laat zetten in wat anderen van je denken en verwachten is vrij, zoals die groep studenten in de Studentenkerk. Vrij geworden vind je, ontdek je de moed, de Geest om anderen aan te spreken, om te getuigen van de man uit Nazareth, die ons leven in al zijn kwetsbaarheid deelde, en ons toegankelijk maakte voor God en diens Geest. Voor de groep studenten was het een openbaring om met elkaar over geloven te kunnen praten; het samenkomen in een kerk had hieraan zeker bijgedragen. Voor mij was het een openbaring te zien, dat ze mij, laat staan de paus nodig hebben om het koninkrijk op het spoor te komen. Het is al aanwezig, maar voor velen blijkt de kerk het zicht erop te versperren.
Voor ons, hier aanwezig als kerk, is kerk geen obstakel, maar een hulp. Hier vinden we de intimiteit en de kracht volk van God te zijn, in de wereld te getuigen van een mens, die vol was van God, Jezus van Nazareth, een jodenman. Onze kracht is niet de discussie, het al of niet gelijk hebben. Onze kracht is niet onze positie of leeftijd. Onze kracht is de vrijheid van de kinderen Gods. Koester die vrijheid en je zult ervaren dat zij aanstekelijk werkt.

7e zondag van Pasen: Handelingen 1, 12-14; Johannes 17,1-11a
5 juni 2011, André Lascaris OP

Jezus bidt. Hij bidt voor ons. Hij vraagt voor ons eeuwig leven. Dat eeuwig leven is niet allereerst het leven met God na de dood; het is bestemd voor alle levenden, voor ons. Het is het echte leven. En dat echte leven is volgens Jezus dat wij God kennen en degene die hem vertegenwoordigt, Jezus Christus. Jezus heeft de naam van God geopenbaard, dwz ons gezegd wie God is.
Dat kennen van God is niet alleen iets van het verstand, van het weten, kennen heeft hier de betekenis van een levende verbondenheid. God kennen is in relatie met God staan.
Nu heb ik wel het gevoel dat er iets mis is gegaan. Dat wij dit niet goed hebben begrepen, en wij niet alleen, maar er is in de geschiedenis iets mis gegaan. Zo was ik afgelopen maandag in de Hermitage in Amsterdam naar een tentoonstelling van Russische iconen. ‘Glans en glorie’ heet de tentoonstelling, of liever zou ik haar noemen: 'Pracht en praal’. De iconen worden ‘vensters van de hemel’ genoemd, ‘vensters op de hemel’. Door de iconen heen met hun vele goud, purper, blauw en groen, komt de hemel als het ware bij ons binnen. Het is een tentoonstelling van pracht en praal. Het beeld van God is hier pracht en praal. We worden uitgenodigd een relatie aan te gaan met deze God van pracht en praal.
Voor anderen heeft de stad Rome die betekenis gehad. Rome is een prachtige stad. Maar bijna alles verwijst naar de pracht en praal van de katholieke kerk en naar de macht van de pausen die overal op gebouwen hun wapenschild hebben nagelaten: kijk toch eens, dit heb ik gebouwd.
Het beeld van God als pracht en praal komt ook in de Bijbel voor. God omringd door engelen, serafijnen en cherubijnen, God als een wolkkolom en als een brandend vuur, God als een koning zittend op een troon, omringd door een ontelbare menigte die God toezingt.
Maar dit beeld van God bestond al veel eerder dan Jezus en komt waarschijnlijk in iedere godsdienst voor. Wanneer Jezus ons God wil doen kennen en eeuwig leven belooft, heeft hij daarnaast een ander beeld van God voor ogen. Zijn gebed en afscheidsrede volgen op de voetwassing, Ja, zegt Jezus, ik ben jullie meester en heer, maar ik was jullie de voeten en dat moeten jullie ook elkaar doen. Hier geen beeld van God van pracht en praal, maar een beeld van een God die dient  

en die uit is op het welzijn van allen. En de afscheidsrede en gebed van Jezus eindigen met de kruisdood, waarin God in Jezus ons laat zien dat wij zo nodig het leven moeten verliezen om het echte leven, het eeuwige leven te winnen.
Eeuwig, echt leven is hier het afwijzen van een wereld waarin de een boven de ander staat. Een bevrijd zijn van jalousie en afgunst, een leven waarin geweld wordt afgewezen en naar vrede wordt gezocht. Zo laat de eerste lezing horen hoe de broeders van Jezus die eerst tegen hem gekant waren zich nu met zijn moeder aansluiten bij zijn leerlingen. Een echt leven waarin getracht wordt ieder mens recht doen, te laten opbloeien. Een verbonden zijn met een God die uit is op het heel zijn en het geluk van mensen in een eindige wereld en in een geschiedenis van onophoudelijke pogingen de grootste te zijn.
Jezus bidt voor ons opdat wij dit echte, eeuwige leven mogen ontvangen. In relatie staan met deze God, vader van Jezus, onze vader bevrijdt ons van de drift boven anderen te willen staan.
De woorden en daden van deze God heeft Jezus ons doorgegeven. Wij vertegenwoordigen Jezus op deze aarde. Wij zijn degenen die zijn licht moeten verder dragen. Wij zijn degenen die het eeuwig leven in zich dragen Is dat niet te veel gevraagd van mensen zonder pracht en praal, zonder bijzondere talenten? Neen, juist dat we mensen zijn zonder praal en pracht, maakt ons geschikt om eeuwig, echt te leven en anderen de ogen te openen voor dit spoor van God dat wij zelf zijn.
We zijn door eenzijdige verhalen over de pracht en praal van God geknecht en klein gehouden. Maar, zoals het schriftlied ons laat zingen, God heeft ons niet geduwd of gesleurd, maar ons over de drempel gewenkt. God is niet in de eerste plaats in pracht en praal te vinden, of dit nu oosterse iconen zijn of westerse gebouwen.
En wanneer Nederlandse missionarissen in bijvoorbeeld Brazilië actief zijn, gebeurt dat niet met de Bijbel in de ene en het geweer in de andere hand, maar proberen zij stapje voor stapje mensen die klein werden gehouden op te richten en te doen ervaren wat echt leven is. Wij bidden vandaag voor hen in deze week van de Nederlandse missionaris en we mogen hen ondersteunen met onze collecte.

Pinksteren, Handelingen 2,1-11. Johannes 20,19-23
Henk Jongerius OP, 12 juni

De lezing uit de Handelingen over het uitstorten van de Geest riep bij mij onmiddellijk de herinnering wakker aan zondag 1 mei toen ik met Capella Phos Hilaron mij voorbereidde op de viering in de kerk van de Friezen in Rome. Wij konden vanaf de trap het Sint Pietersplein gedeeltelijk overzien, zagen de hoogwaardigheidsbekleders niet maar werden geraakt door de duizenden mensen die gekomen waren voor de zaligverklaring van Johannes Paulus II. Het was een ongelofelijke menigte uit alle landen en talen en ik werd helemaal geroerd toen al die mensen begonnen te zingen in verschillende talen…..
Het was alsof het hemels visioen van Johannes uit het boek van de Openbaring werkelijkheid werd: een overgrote menigte die niemand tellen kon en die een nieuw lied zongen voor het Lam en voor de Ene die op de troon was gezeten.
In dat hemels lied werd er dank gebracht aan die ene mens die zich weerloos en zelveloos aan mensen gegeven heeft en ons perspectief heeft gegeven op een nieuwe wereld die komen zal!
Zijn gezindheid voor mensen en de levensweg die hij ons voor is gegaan, brengt hij onder woorden in het evangeliegedeelte dat wij hoorden en waarin hij verschijnt aan zijn leerlingen en zijn levensadem uitblaast over zijn leerlingen. Wij horen hem zeggen ‘vrede zij u’ en ‘wiens zonden gij zult vergeven, hun zijn ze vergeven’.
De gemeenschap der heiligen, zoals de volgelingen van Jezus door Paulus omschreven wordt, bestaat uit mensen die zich geroepen weten om elkaar en de wereld tot vrede te zijn. Die vrede wordt werkelijkheid waar mensen alle tegenstellingen overwinnen en een nieuw lied met elkaar gaan zingen. Dat zal een lied van vergeving en verzoening zijn, een lied dat uiteindelijk zingt van datgene 

wat  mensen ten diepste met elkaar verbinden kan!
Op de 50ste dag, de dag van het oogstfeest in Israël, mogen wij weten dat de vruchten van Jezus’ leven ons ten deel vallen. Het zijn de vruchten van de Geest, van een nieuw leven dat mensen met elkaar gaan leiden. Dat leven wordt prachtig getekend door de dichter Willem Barnard als hij zingt over die gaven van de Geest: het zijn de liefde en de vreugde, de vrede allermeest, geduld om te verdragen en goedertierenheid, geloof om veel te vragen, te vragen honderd uit. Geloof om veel te geven, te geven honderd in, wij zullen leren leven van de verwondering: dit leven, deze aarde, de adem in en uit, het is van Gods genade en zijn lankmoedigheid.
Dit lijkt een hemels en misschien onbereikbaar visioen, maar soms wordt het werkelijkheid voor onze ogen, zomaar op een zondag in mei. Het is geen visioen van pracht en praal, van hoge kerkleiders op hun valse tronen, verheven boven mensen, maar van de grote verwondering dat er een nieuw onbedwingbare kracht zich in mensen baan breekt die ons meevoert en alles nieuw zal maken. God zich laat ervaren waar vrede en verzoening mensen verbindt en elkaar tot genezing zijn. Dat zijn de wondere daden die in Jeruzalem te horen waren in alle talen. Er is maar één lied waarin alle mensen elkaar zullen verstaan en ons de naam van God influistert en dat is de taal van de liefde. Tot die nieuwe taal en dat nieuwe lied worden wij allen geroepen en de vruchten ervan zullen hoop en vrede zijn. Moge die Adem Gods als een nieuwe wind over onze kerk en wereld gaan en ons tot een gemeenschap maken waarvan gezegd kan worden: ‘zie, hoe zij elkaar liefhebben’.
Zo wil God wonen in ons midden, zo is de hemel onder ons!