PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Paastijd 2008 (A)


   Paaswake: Matteus 28,1-10 22 maart, Henk Jongerius OP  


Vanouds is het aanbreken van de dag een bijzonder moment in de Bijbelse beleving. In het opgaan van de zon wordt beleefd hoe God in zijn milde barmhartigheid ons mensen bezoekt. Daarom is dat bij uitstek het uur van het gebed, waarin mensen zich openen voor de aanwe-zigheid van God onder ons. Het oplichten van de eerste dag van de week voegt hier nog de gedachtenis aan toe van wat wij hoorden in de eerste lezing uit het scheppingslied: hoe er licht geroepen wordt en er ruimte komt voor de mens op aarde uit de donkere chaos van de nacht: 'die ons voor het licht gemaakt heeft, dat wij leven'.
Uit de nacht van chaos, oorlog en geweld worden wij tot de verwon-dering geroepen om een God die ons tijd van leven geeft en mensen aan elkaar schenkt om een bewoonbare wereld te realiseren. Vanuit die verwondering wordt er leven in dankbaarheid mogelijk!
Maar telkens wordt dat leven bedreigd door machten en krachten die ons in hun greep proberen te krijgen en klein maken. Het verhaal van het volk in Egypte laat zien hoe onze wereld telkens weer verword tot een onmenselijke wereld. Maar de Naam 'Ik zal er zijn' brengt mensen ertoe zich niet te laten kleineren, maar op te staan en een nieuwe toekomst tegemoet te gaan. Waar waarachtige menselijkheid bedreigd wordt, zullen wij opstaan en wegtrekken uit het oude om het visioen van een goede wereld brandende te houden. Wie denken dat dit onmogelijk is en blijven zitten bij de vleespotten van Egypte, horen in het visioen van Ezechiël hoe het dode volk door de adem van God als nieuw te


voorschijn komt, zoals wij ook bij de schepping van de mens hoorden: 'De Levende blies adem in zijn neus en de mens werd een levende ziel'.
Dat alles is een tastbare realiteit geworden in de man van Nazareth die in verwondering en mededogen met mensen is omgegaan en hen opriep weg te trekken uit oude structuren en knellende wetten, om vrije men-sen te worden naar Gods bedoeling. Zo heeft hij de weg van de mens op aarde ten einde toe volbracht.
Zo'n leven kan niet dood, ook al gaat het ogenschijnlijk teloor aan de angst van machthebbers van kerk en staat! Op de eerste dag van de week mogen wij weten dat de Eeuwige het werk van zijn handen niet verlaat. Als een donderslag bij heldere hemel worden onze zekerheden geschokt en de steen die op ons hart lag weggerold. De Levende die Schepper is van alle leven breekt als een nieuw licht onze wereld binnen. Er is een nieuwe scheppingsdag aangebroken en de mens die dood was, is door de adem van God tot leven gewekt. In die God geloven wij: de scheppende Bron van leven, die ons zijn aangezicht laat zien in Hem die wij de Zoon noemen en ons met nieuwe levenskracht, met heilige Geestkracht vervult! In die drie namen belijden wij hoe God onder ons werkzaam is. In die Naam zijn wij ondergedompeld en zal zo dadelijk Cor Wildeboer gedoopt worden.
In het licht van de eerste dag heeft zich de nieuwe Adam opgericht, en mogen wij allen in verwondering en dankbaarheid opstaan om te leven in een onwankelbaar vertrouwen dat dood noch leven, machten noch krachten in de hoogte of in de diepte ons kunnen scheiden van de liefde van God die ons in Jezus verschenen is. Hem zij de glorie, Alleluia!

   Pasen: Handelingen 10, 34-43 Johannes 20, 1-18 23maart, Theo Koster OP  


In een tuin is de laatste rustplaats van Jezus. Deze tuin is bij Johannes de plaats, waar de schepping opnieuw begint. Deze tuin weerspiegelt dus een andere tuin, de tuin van het begin, het paradijs. In veel mensen schuilt nog een diep verlangen naar dit paradijs. Het kost ons mensen blijkbaar moeite ons verleden los te laten. Maar de tijd, waarin we het onderscheid tussen goed en kwaad nog niet kenden, is voorbij; we kunnen niet meer terug. Het paradijs ligt achter ons; de tuin is een begraafplaats geworden, waar de bruid op zoek is naar haar lief, die zij kwijt is; ja, ook het Hooglied klinkt mee.
Maria uit Magdala is er vroeg bij; het is nog donker. Zonder nacht, duisternis, onmacht, chaos ontstaat er niets, komt er geen licht; hoe dikwijls hebben we dit zelf in ons leven niet ervaren? Ondanks de duisternis ziet Maria meer dan ze verklaren kan en er ontstaat paniek. Petrus en de leerling van wie Jezus veel hield snellen naar het graf. Ofschoon de geliefde leerling er het eerst is laat hij Petrus voorgaan. Bescheidenheid speelt hier een rol, maar waarschijnlijk ook al iets van rangorde, het verschil in plaats in de kerkelijke hiërarchie. Heel anders dan bij Lazarus, die gewikkeld in doeken uit zijn graf kwam, ziet Petrus niets anders dan de doeken. Ook de geliefde leerling, eenmaal binnen, ziet deze doeken, en hij komt tot geloof. Hij ziet wat Petrus niet ziet: de nieuwe schepping is geschied.
Het hoogtepunt van zijn goede boodschap plaatst Johannes in een tuin. Er was niets te zien, het graf is leeg, en toch geloofde deze leerling. Deze wordt zo model voor zijn gemeente, en voor ons hier die ook niets te zien krijgen. Hij ziet in vertrouwen, een ander woord voor geloof, wat Petrus niet ziet: de levende, die geen kleding meer nodig heeft, want hij is ontsluierd en onthuld, hij is zichzelf geworden. Hierover praten, getuigen van dit geloof, doet Johannes niet; hij laat een ander, een vrouw, de eerste zijn die getuigt van de nieuwe schepping.
Maria staat nog bij het graf en huilt. Zij heeft gelooft in Jezus, zoals wij gelooft hebben in alles, wat de kerk en wat wij elkaar te geloven voorhouden. Maar als het kwaad toeslaat schieten dogma's en opgebouwde zekerheden tekort. Geloven dat iets zus of zo is biedt geen duurzame grond onder onze voeten. Het houdt je slechts gevangen in de koker van het zelfbedachte, zoals Maria, die dacht dat het de tuinman was. Als zij met haar naam aangesproken wordt keert zij zich om, wordt het vertrouwen dat in haar steekt gewekt. Zij klampt er zich aan vast, zoals wij dat ook geneigd zijn te doen: je vastbijten in wie je lief zijn, in wat je lief is. Jezus laat dit niet toe. Met 'houd mij niet vast' zegt hij Maria en ons, dat onze eigen benen ons kunnen dragen. De boodschap aan ons, zijn zusters en broeders is: "Ik stijg op naar mijn vader die ook jullie vader is, naar mijn God die ook jullie God is." Let op de volgorde. Jezus noemt eerst zijn relátie met God die hij zijn vader noemt en dan  pas God. God is niet zomaar een god waarin je moet geloven.


Van dat soort goden zijn er immers ontelbare, goden die verlengstukken zijn van ons denken en dromen.
De god met wie Jezus optrok komt naar hem toe en gedraagt zich als een vader, die in alle situaties waarin Jezus verkeerde naar hem omzag. Toen Jezus op het kruis hing greep Deze niet in, wat je toch zou verwachten. Deze God biedt geen enkele zekerheid; de Vader geeft ons zijn vertrouwen, en dat heeft Jezus tot op het kruis toe niet beschaamd. En de Vader liet hem niet in de steek, zag naar hem om, en deed Jezus opstaan.
Vertrouwen is geen zekerheid; vertrouwen wordt in relaties gewekt. Binnen zijn relatie met God kon Jezus zich helemaal laten gaan en geven. Binnen deze relatie met Jezus kon God zich helemaal laten zien, zich volledig bloot geven. Zo'n relatie biedt geen zékerheid, geen vaste grond onder de voeten, maar meer dan dat: een hand die draagt en je niet laat vallen. De relatie met Jezus biedt ons de kans hierin te delen, en zelf die dragende hand te voelen, zelf een dragende hand te worden.
Talloos zijn de verhalen van Jezus die eet en drinkt, met zijn leerlingen, met farizeeërs, en regelmatig met tollenaars en zondaars; Jezus was niet kieskeurig ten aanzien van zijn tafelgenoten. De tafelgemeenschap met Jezus had een grote tekenwaarde tijdens zijn aardse leven. We hoorden in de eerste lezing, dat deze tafelgemeenschap wordt voortgezet na zijn opstanding uit de doden.
Eten en drinken doe je met mensen die voor jou en/of voor wie jij iets betekent, wilt betekenen. Daarmee wordt duidelijk, waarom in de kerken eucharistie en avondmaal zo'n geweldige betekenis hebben. De maaltijd, waartoe de verrezene ons uitnodigt drukt zijn relatie met ons uit, en biedt ons de mogelijkheid zelf in relatie met de verrezen Jezus te treden. Deze maaltijd, het contact met de door God opgewekte, kan, net zoals dit met Maria gebeurde, ons vertrouwen wakker maken.
De verrezen Christus doet niet anders dan de aardse Jezus, vertelt de eerste lezing.
De maaltijd met hem is een mogelijkheid om onze relatie met hem levendig te houden; het is ook een uitnodiging om met hem in contact te komen en een relatie te beginnen. De relatie met Jezus biedt ons de kans in zijn relatie met God te treden; Jezus biedt ons toegang tot God. Mogen wij dat mensen onthouden, door mensen buiten de tafelgemeenschap te sluiten?
God houdt van ieder mens, ziet naar ons om, draagt ons in haar hand en wil door ons op handen gedragen worden. Dit veilige gevoel van vertrouwen ontbreekt ons in ons dagelijks leven maar al te vaak, omdat wij het inwisselen voor zekerheden. Of dit nu een hang is naar het paradijs of een spijkerhard geloof, beiden blokkeren ons vertrouwen in God en dat is zonde. Door in relatie met Jezus te treden en deze relatie te onderhouden verdwijnt deze blokkade; zullen ook wij aan den lijve voelen dat we gedragen worden door de Barmhartige. Het wordt dus tijd dat ik stop met praten en wij de tafel dekken, opdat met óns gebeurt wat ons vanmorgen verkondigd is.

  2e Paasdag: Matteüs 28,8-15 24 maart: Ernst Marijnissen OP  


Wij leven in een tijd, waarin het verbergen van waarheden niet alleen tot een kunst maar zelfs tot een wetenschap is verheven. Waarheden, die vroeger heel vanzelfsprekend bekend werden, worden verborgen gehouden. Wat dat betreft is het gedrag van de joodse overheid niet alleen van zeer oude datum maar hoort ook thuis in onze tijd. In een vergadering met de oudsten namen zij een raadsbesluit en gaven rijkelijk zilverstukken aan de soldaten. Ze zeiden daarbij: zegt dat zijn leerlingen vannacht toen wij sliepen hem zijn komen stelen! Een mocht dit gehoord worden door de landvoogd, dan zullen wij hem overreden en maken dat jullie geen zorgen krijgen! Zij namen de zilverstukken aan en deden zoals zij onderricht waren. Dat woord is bij de Judeeërs verbreid tot op de dag vandaag. Eigenlijk klinkt dit verhaal niet eens zo opvallend als we denken aan de woorden en de beelden in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, toen de Amerikanen de wereld ervan trachten te overtuigen dat er in Irak massa-vernietigingswapenen werden gemaakt. En in een wereld vol spionnen in politiek en bedrijfsleven knipper je nauwelijks met je ogen als je hoort, dat lang geleden werd gezegd, dat Jezus niet uit de doden was opgestaan, maar dat zijn lijk door zijn volgelingen was weggehaald. Maar dat neemt niet weg dat dit bekende paasgetuigenis over twee werelden spreekt, die nog altijd bestaan. In dat opzicht is er niets nieuws onder de zon.
De wereld van de vrouwen, die gewaakt hebben bij het graf van Jezus, is volledig anders dan die van de soldaten, die het graf bewaken. Het verschil tussen beide werelden wordt eigenlijk getekend door deze twee woorden: waken of bewaken. In de wereld van de vrouwen neemt vertrouwen in de toekomst een grote plaats in. Hun vertrouwen betekent volledige overgave. Er is geen sprake van berekening. Ze hebben uit hun machteloosheid bij Jezus' lijden, sterven en begraven kracht en volharding geput. Hoewel hij is gestorven hebben zij gewaakt bij zijn graf. Niet alleen om te treuren. Zij weigeren te aanvaarden, dat de weg van Jezus nu voorbij zou zijn. Dat hij mooi gesproken en liefdevol gehandeld heeft, maar dat hij de zoveelste mens is, die het net niet gered heeft. Zij verwachten een antwoord van de overkant, van die Ene, al kunnen zij de omvang ervan niet bevatten. Hun waakzaamheid wordt zelfs versterkt omdat zij de


grens van het mogelijk haalbare hebben bereikt. Misschien weten ze niet eens door welke innerlijke kracht ze blijven hopen. Maar zeker is dat hun geloven tegen de klippen op gedragen wordt door Gods eigen naam: Ik zal er zijn voor jullie. De vreze des Heren wordt gedragen door eerbied voor deze naam. Wanneer de naam geëerbiedigd wordt doet God van zich horen. De vrouwen vernemen zijn stem. Het antwoord waarop zij wachten, is als een engel, die uit de hemel komt neerdalen en zich naast het graf zet. Hun vrees, hun eerbied voor de naam, wordt gevolgd door een oprechte vreugde over dat antwoord. Daarom gaan ze op weg. De verrijzenis van de Heer Jezus doet hen opstaan, geeft hun nieuwe levensvreugde nu zij ontdekken dat de weg van de Messias voort gaat en hen verder leidt. Op hen is het psalmwoord van toepassing: hoe oneindige rijkdom, o Heer, hebt Gij weggelegd voor wie U vrezen! (Ps.31)
Deze open en frisse manier van leven staat in schril contrast met de wereld van de soldaten, de Joodse raad en Pilatus. Daar staat het eigen belang voorop. Daar maakt men zich meester van de toekomst, manipuleert, handelt in het geheim, liegt en schept leugenaars met behulp van een soort gouden handdruk. Daar draait men de overheid een rad voor ogen. Al deze schendingen van een authentieke levenswijze karakteriseren een wereld, die God vijandig leeft en waar speculatie en onoprechtheid als twee walmende toortsen branden voor het altaar van het kwaad. We hoeven hier niet lang bij stil te staan. We kennen deze wereld uit eigen ervaring of worden er in elk geval dagelijks over geïnformeerd door krant en journaal.
In de wereld van de soldaten blijft alles bij het oude. Mensen worden niet genezen en de samenleving wordt er niet beter op. Er zijn geen nieuwe wegen, alleen de plat getreden paden van het onrecht. De vrouwen vinden een nieuwe weg. Terwijl ze gaan komt de verrezen Heer hen tegemoet. De weg naar de toekomst wordt hen aangereikt. Als zij zich neerbuigen en zijn voeten vastgrijpen, is dat in mijn ogen niet een gebaar van een bijna slaafs aandoende onderdanigheid, maar een handeling van diepzinnige symboliek. Het vasthouden van Jezus' voeten is als het aanraken van zijn weg. Het is een uiting van verlangen en het willen reiken naar een nieuwe wereld. Het gebaar vertelt ons van vreugde om het leven, en van dankbaarheid om te mogen weten hoe dicht God bij ons is als wij deze weg durven gaan. En we mogen het anderen verkondigen. Dáár wordt de wereld beter van!

   Beloken Pasen: Handelingen 2,42-27, Johannes 20,19-31 30 maart: André Lascaris OP   


Thomas, onze tweelingbroer in het geloof, wil de spijkers in de handen van Jezus zien en zijn hand in de wonde van zijn zijde leggen. Hij is niet tevreden om alleen maar Jezus als de verrezene te zien. Hij wil meer.
Zijn vraag gaat verder en dieper. Hoe kan een gekruisigde bron van toekomst en leven zijn? Hoe kan een weerloze, onmachtige mens een bron van hoop zijn? Want dat een dode leeft, heeft op zich niet veel betekenis.
Zijn vraag geeft diepte aan dit verschijningsverhaal: waarom is Jezus verrezen, wat is het verlossende, bevrijdende van het vertrouwen dat Jezus leeft, bij God is en ons de Geestkracht, de levenskracht, van God zendt.
Hij krijgt een antwoord op die vraag. De enige manier waarop het geweld en het onrecht in onze wereld overwonnen kunnen worden, is dat mensen de kracht ontvangen om zichzelf nooit gewelddadig op te stellen, geen onrecht te doen, het kwaad af te zweren. Ook, of zelfs juist, wanneer dit voor jezelf ongunstig uitvalt, zelfs als dit betekent je eigen leven verliezen. Je kunt alleen je leven winnen door niet van anderen het leven weg te nemen.
Uit ervaring weten we dat we niet in staat zijn ons leven te geven en neer te leggen en dat we toch grijpen naar een vorm van geweld, van onrecht, van kwaad, vaak om de beste redenen, bijvoorbeeld om een definitief einde te maken aan geweld, kwaad en onrecht. We hebben de geestkracht van Jezus nodig die hij ontleent aan God. En zelfs het ontvangen van die geestkracht betekent niet dat het dan vanzelf gaat. De Geest van God werkt niet buiten ons om, slaat ons niet over - want dat zou een vorm van geweld zijn. De Geest van God maakt zacht wat verhard is - dat is uiteraard een langzaam proces, vooral gezien de achtergrond van de eeuwen waarin het gebruik van geweld probleemloos werd gevonden. De molens van God werken langzaam; een snel werkende molen kan ertoe leiden dat de molen in brand vliegt en zichzelf vernietigt en al wat in zijn buurt staat.
Dit antwoord ligt besloten in de vredeswens van Jezus en in het schenken van Gods geestkracht om te kunnen vergeven. We mogen vergeving hier breed opvatten. Als je kwaad kunt vergeven dat je is aangedaan, dan zeker ook alle andere schulden,  financiële, maar ook de schulden die je oploopt doordat iemand gewoon aardig is voor jou. 


Vergeving is hier het aanvaarden van de ander zoals deze is, zonder voorbehoud en zonder voorwaarden vooraf. Dat sluit kwaad, onrecht en geweld uit.
De leerlingen zijn de eersten die zo vergeven worden en de kracht krijgen te vergeven. Zij hebben allen Jezus in de steek gelaten en hun vertrouwen in hem opgezegd. Nu worden ze als 't ware voor de tweede keer geroepen. Nu zij zelf ervaren hebben vergeven te zijn, kunnen ze de wereld intrekken, en vanuit hun eigen ervaring Jezus prediken. De ervaring vergeving te ontvangen en te kunnen geven is een paaservaring, een verrijzeniservaring.
De wonde in de zijde is daarbij van bijzonder belang. (Joh 19, 34) Daar kwam bloed en water uit volgens de evangelist. Daarmee bedoelt hij geen lichamelijk water en bloed. Dat zou er altijd als bloed uitzien. Hij bedoelt dat de doop en de eucharistie de manier is waarop Jezus onder ons blijft leven en zijn Geestkracht schenkt.
De eerste lezing zegt het zo: 'Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk… ze braken brood bij elkaar thuis en loofden God.'
Ongetwijfeld is dit een geïdealiseerd beeld van de vroege kerk, maar dit geeft wel de bedoeling weer van wat het is kerk te zijn. Het samen breken van het brood is het begin van de eucharistie Dit samen delen krijgt zijn vervolg in het leven van elke dag.. Door alles gemeenschappelijk te hebben, worden ze bevrijd van het eindeloos en steeds weer bij elkaar in de schuld te staan en met die schuld iets te moeten doen. Dit is vergeving in de praktijk. Je raakt weg uit het normale menselijke systeem van: 'jij geeft me dit goeds, nu betaal ik je terug met dit goede. Jij doet me kwaad aan, ik betaal je terug met iets kwaadaardigs.
Wij kunnen de tweelingbroeder, tweelingzuster, worden van Thomas en de andere leerlingen en evenals zij ervaren wat verrijzenis betekent door elkaar te aanvaarden zoals we zijn en op te houden elkaar de maat te nemen, en telkens te tellen of je wel met de ander quitte staat. We staan voor de grote uitdaging wegen te vinden om dit ook waar te maken in onze samenleving.
Ons wordt daarbij gevraagd meer te zijn dan solidair, want solidair ben je met je bondgenoten tegen anderen. Jezus vraagt ons iedereen zijn schulden kwijt te schelden, ook die van je vijanden. Dan ervaar je wat het betekent dat Jezus verrezen is en dat hij onze Heer is in wie God zichzelf aan ons geeft.

  3e zondag van Pasen: Handelingen 2,14+22-32; Johannes 6,16-21 6 april: Mies Singendonk OP  


Soms moet je opnieuw beginnen op de puinhopen. Op de puinhopen van alles waar je in gelooft. En aan een vreemdeling kun je soms beter dan aan een bekende, vertellen welk verlies je hebt geleden.
Eerst een vraag; geloof, wat is dat eigenlijk? Als we toch moeilijk voor letterlijk waar kunnen aannemen dat Jezus eerst dood was en toen weer levend, wat is dat geloof dan eigenlijk waard?
We zijn allemaal onze onschuld kwijtgeraakt, vroeg of laat. De een heeft zich bevrijd van een lastige bemoeial op een wolk. Voor de ander is de liturgie poppenkast geworden. Voor weer anderen is het geloof in God een mysterie. Laten we eens in de sandalen van Kleopas en zijn makker gaan staan. We leggen de alwetende verteller van het Lukasevangelie het zwijgen op, en we verplaatsen ons in de gemoedstoestand van Kleopas en zijn metgezel. Ze zijn somber en gedesillusioneerd uit Jeruzalem vertrokken. We komen ze tegen op de weg naar Emmaus, wég van Jeruzalem. Dáár hebben ze niets meer te zoeken. Het lege graf, het gepraat van die vrouwen die van een engel hoorden dat Jezus leefde, laten ze voor wat het is. Ze spoeden zich weg van Jeruzalem, weg van de tempel, weg van de plaats van bloedvergieten, mislukking en schaamte. Er resten hun slechts scherven en brokstukken. En wat nog vorige week het leven richting gaf, is veranderd in chaos. Somber vertellen de twee mannen hun verhaal aan een man die ook hun kant uitgaat. Ze ontdekken dat hij helemaal niets weet van waar zíj vol van zijn.
De mannen hebben een dubbel verlies geleden; de dood van een dierbare vriend en leraar en het verlies van geloof en hoop.
Maar hoe staat het eigenlijk met de liefde in hun hart? De geliefde is weg, maar de liefde ook? Als ze erover vertellen, dan doet de vreemdeling in mijn ogen iets merkwaardigs. Hij reageert op de rouwende reisgezellen door ze te onderwijzen. Ze krijgen de Wet en de Profeten opgedist in plaats van een troostend woord.
Ze herinneren zich wel heel goed de glans die uitging van Wet en Proefeten, en van Jezus hun leraar.. Jaja, denken ze nu. Het is dode letter voor ze geworden. As en sintels. Maar ze kunnen het niet helpen dat ze er toch nog van houden.


Tegen de avond bieden Kleopas en zijn makker gastvrijheid aan de vreemdeling aan. Ze doen wat Jezus ze leerde: ik was een veemdeling en je hebt mij opgenomen, ik had honger en je hebt mij te eten gegeven. Ookal was hun geloof in het ideaal geschonden, wat ze nog wél hadden was de onderwijzing van de tora. Daar vertrouwen ze op één of andere manier toch wel op. Als ze op het punt staan het brood met de vreemdeling te delen, kijken ze nog naar het gezicht van een toevallige reisgenoot. Als het brood gebroken wordt, worden de ketenen van de rouw verbroken en aanschouwt hun hart het gelaat van de geliefde Ander. De schilder Caravaggio heeft dít moment van openbaring vastgelegd: de chaos en de donkerte maken plaats voor licht. We zien de verschillende momenten en emoties samengevat in één tafereeel: Eén reisgenoot zien we half op zijn rug. Hij komt van verbijstering half uit zijn stoel omhoog, maar kan eigenlijk niet geloven wat zijn ogen zien. De schilder heeft de andere reisgenoot in het volle licht gezet en deze sprijdt zijn armen uit in een verwelkomend, liefdevol gebaar. Een derde figuur, een herbergier die hen bedient, staat half naar ons toegewend toe te kijken. Over zijn voorhoofd valt ook een deel van het licht. Alle houdingen t.a.v. geloof worden hier verbeeld; scepsis, vreugde, afstandelijke belangstelling.
Laten we nu voor een laatste keer teruggaan naar Lukas. De evangelist vertelt dat Hij weer aan hun gezicht werd ontrokken, en dat ze opstonden en meteen teruggingen naar Jeruzalem. In het donker van de avond gaan ze terug, moeten we concluderen. Het donker waar nu geen dreiging meer vanuit gaat. Maar gevuld is met licht. Er staat niet dat ze eerst nog verder gingen eten en overnachten. Vol vertrouwen gaan ze terug naar de bakermat van het geloof. De stad van God.
Hoe zit het nu met geloof? Geloof is iets vloeibaars want we kunnen de onverwachtheid van een openbaringsmoment niet vasthouden. Zodra we proberen er greep op te krijgen en te houden, ontsnapt het ons. We kunnen een moment van verlichting niet bezitten of vastleggen. Het wordt ons gegeven, het stroomt als levengevend water. Wij kunnen ervan drinken en er op drijven. Het draagt ons zoals water je draagt. Geloven is dus niet zoiets als God bezitten, maar zoiets als vertrouwen hebben. En vanuit dat vertrouwen handelen. Het geeft ons te doen wat Hij heeft gedaan: te dienen en te verlichten, vrede te stichten op aarde. En telkens een nieuw begin maken. Amen.

  4e zondag van Pasen: Handelingen 2, 36-41; Johannes 10, 1-10 13 april: Paul Minke OP   


Enkele weken geleden plukte ik van het internet een open brief van Franse katholieken aan hun bisschoppen, een brief, gedateerd Pinksteren 2007. Een brief waarin de bisschoppen op-geroepen worden zich in te zetten voor de plaatselijke gemeenschappen, deze te vormen en versterken. "Wij willen terdege, dat u de vrijheid hebt op te treden voor het welzijn van het volk van God zonder dat u zich laat verlammen door het institutionele systeem en door richtlijnen, die geen rekening houden met hun vitale behoeften." Je moet de brief wel lezen als een krachtige oproep: Bisschoppen: wees herders, en niet slechts bestuurders, managers, organisatoren, behoeders van structuren, scherprechters en spreekbuizen en vazallen van de Vaticaanse machthebbers. In onze beleving is het allang niet meer zo vanzelfsprekend, dat paus, bis-schoppen en priesters herders zijn in de geest van de Goede Herder, waar we ons blindelings op hebben te richten. De kudde bestaat niet meer uit makke schapen; de gemeenschap is mondig. De gewijden zijn niet per definitie de goede herders zoals je ook niet kunt zeggen, dat de niet-gewijden, geen goede herders zouden kunnen zijn voor vele anderen. We luisteren kritisch of wij in woorden van voorgangers, wel de vertrouwde en liefdevolle stem van de Herder beluisteren. Uit de evangeliën hebben we Jezus leren kennen als iemand die midden tussen de mensen staat, hun noden verstaat, opkomt voor de meest kwetsbaren en niet aarzelt tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën in het geweer te komen, waar zij hun macht misbruiken en mensen onnodige lasten oplegden.
Jezus gebruikt het beeld van de deur en de Goede herder niet zonder reden. Aan dit evangelie gaat onmiddellijk vooraf de genezing van de blindgeborene, die buitengesloten wordt, geëx-communiceerd, de deur werd voor hem dicht gegooid. En nu zegt Jezus: Ik ben de deur. Wie door mij in en uitgaat, vindt leven en vrede. Ik ben de goede herder. De schapen luisteren naar mijn stem. Die kennen ze. Horen zij een andere stem, dan zullen ze die niet volgen, ja zelfs wegvluchten. Een goede herder biedt veiligheid, geborgenheid en beschutting aan zijn kudde. Een die ze niet kennen, niet herkennen, van hem vreest de kudde dat die niet staat pal voor het leven van de kudde, hen niet beschermt. Instinctief voelt de gemeenschap aan, aan wie zij haar vertrouwen geven kan nl daar, waar gesproken wordt in de geest van het evangelie, in de geest van Jezus, daar, waar haar een weg gewezen wordt die de gemeenschap vormt en versterkt. daar, waar de gemeenschap en ieder onder hen, in de zorg voorop staat, zijn lief en leed, zijn hoop en verwachting, zijn toekomst, geloof en vrede.
Niet alleen een mens is kwetsbaar, ook een gemeenschap is kwetsbaar. Het beeld van de Herder roept ook de gedachte op dat Hij in ons midden is, heel nabij, heel begaan en bewogen, wetend wat onder ons leeft en wat ons deert Maar de twijfel kan

 
binnensluipen of de Herder wel in ons midden is of niet nl. als zij zich niet gesteund, bemoedigd en gedragen wordt door degenen, die over hen aangesteld zijn, als hun voorgangers niet voorop gaan, open staan voor de tekenen van de tijd, als zij niet samen met de gemeenschap op zoek gaan naar spiritualiteit, op zoek naar grazige weiden, waar voedsel te vinden is voor onze ziel. Waar de inspiratie ontbreekt, raakt de kudde, de gemeenschap verdwaalt, loopt ze gevaar uiteen te vallen. Waar gesproken wordt vanuit de Geest, daar vliegen de vonken ervan af en groeit de kerk spectaculair. Nadat Petrus gesproken had, lieten 3000 mensen zich dopen, hoorden we.
Goed, laat het zo zijn, dat bepaalde godsdienstige leiders ons hevig teleurstellen, niettemin blijft ook voor ons waar, dat we volwaardige leden van het Gods volk zijn, ten dienste van elkaar, evenzeer verantwoordelijk voor wat ten goede kan en moet komen voor ons allen, evenzeer elkanders broeders hoeder, paus, bisschoppen en priesters niet uitgezonderd. Beschouwen wij ons als mondige en volwaardige christenen, dan hebben wij ook onze verantwoordelijkheden voor de gemeenschap te nemen. In dit licht mogen wij de brief van de Franse katholieken aan hun bisschoppen verstaan. In dit licht valt ook de brochure "kerk en Ambt" van ons dominicanen te begrijpen. Een gemeenschap heeft een ambtsbroeder nodig, die hen voorgaat, met hen Eucharistie viert en zo de gedachtenis aan de Goede Herder levend houdt.
De gemeenschap is ook kwetsbaar als gevolg van het individualisme: het ik-tijdperk. Het beïn-vloedt ons hart en geest, ons gedrag en ons denken, onze normen en waarden. Twee weken geleden hadden wij hier in het klooster b.g.v. ons 150-jarig jubileum Een symposium onder de titel: "meer religie, minder kerk" gehouden. Deze titel gaat in op wat we allemaal kunnen con-stateren. Kerken lopen leeg, hetgeen nog niet wil zeggen, dat daarmee het geloven in God wordt opgegeven. Er wordt gesproken over solo-christenen en over reli-markt, waarop ieder voor zichzelf zoekt, wat hem aanspreekt en voor hem/haar waar is. Is dit een gelukkige ontwikkeling? Als u het mij persoonlijk vraagt, zeg ik nee. De Blijde Boodschap, het evangelie is gemeenschapsbindend, sluit in: saamhorigheid. Het vraagt van nature om een sterke ge-meenschapszin, een elkaar toebehoren. Dat valt ook te beluisteren aan het slot van de eerste lezing uit de Handelingen: "Die zijn woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag on-geveer drieduizend mensen zich aansloten,"
Deze zondag heet roepingenzondag. Wat vandaag de dag onze roeping is: elkaar vasthouden en mét elkaar vasthouden aan het woord van de Goede Herder. Luisteren door alle ruis heen, zijn stem leren onderscheiden en die volgen. Ons niet laten verlammen door opgedane teleur-stellingen, door gebrek aan steun. Geef de hoop en het geloof niet op want, zo zegt Jezus ons vandaag: Ik ben gekomen, opdat je leven zou bezitten en wel in overvloed. Amen.

  5e zondag van Pasen: Handelingen 6,1-7; Johannes 14,1-12 20 april: Antoon Boks OP   


De lezing uit het evangelie, die ik voorgelezen heb, ken ik bijna uit mijn hoofd, maar dan niet in het Nederlands, want ik heb deze vele malen gebruikt bij een begrafenis. Er zijn veel mensen, die juist op dat moment willen weten hoe het nu verder gaat. En gelukkig waren Thomas en Filippus niet van die mensen, die alles voor zoete koek aannamen.
Als iedereen zijn of haar mond houdt, omdat we niet durven laten blijken, dat we weten, dat we niet alles weten, dan opende Thomas in ieder geval wel zijn mond en stelde een vraag. Als hij iets niet begreep, dan vroeg hij er naar.
Gelukkig maar voor ons, wij weten nu ook wat meer, want onder ons zijn ook gelovige en vertrouwende mensen, die geen genoegen nemen met wat we allemaal te horen krijgen.
Zoveel goeds wordt er door zoveel verschillende mensen gedaan. De Blijde Boodschap wordt op zoveel plaatsen gepreekt en ook in praktijk gebracht. Daarmee gaat de belofte van Jezus zeker in vervulling.
We moeten daarbij wel goede meetinstrumenten gebruiken. Als de hoeveelheid mensen terug loopt, kunnen we altijd nog zeggen, dat de kwaliteit er nog steeds is. Een meetinstrument is in ieder geval, dat Jezus de voeten van al die vrouwen en mannen, die bij het Laatste Avondmaal aanwezig waren waste.
We moeten net als Thomas verder kijken, dan onze neus lang is. Misschien kijk ik wel verkeerd om het succes van onze geloofsgemeenschap te meten, en dat is niet alleen onze geloofsgemeenschap hier, maar ook die op zoveel andere plaatsen over de hele wereld. We zullen moeten kijken onder de oppervlakte om te zien of we doen wat we moeten doen. Helpen we iedereen die we kunnen helpen? Wordt iedereen welkom geheten? Laten we iedereen, die kan, meehelpen? Volgen we Jezus na, die voeten waste?
We kunnen zeggen wat we willen van de eerste leerlingen, maar ze hebben veel goede dingen gedaan. Zij probeerden een oplossing te vinden voor de problemen, die er waren tussen verschillende groepen en dat moeten wij ook. We hadden altijd problemen in de Kerk, maar we hebben ook iedere keer oplossingen gevonden en dat geldt ook voor ons nu.
Natuurlijk ging het in de vroege Kerk niet alleen over eten. Die Allochtonen wilden ook leiders worden in de gemeenschap en zo waren ze in de ogen van de autochtone Joodse volgelingen van Jezus een gevaar. Die waren daar in Jeruzalem bij de tempel, het hart van het geloof van het Joodse geloof. Ze dachten, dat ze moesten vasthouden aan hun religieuze tradities en praktijken. Ze wilden hun wortels beschermen. Ze vonden het moeilijk om hun tradities op te geven, ook al vroeg hun geloof in Jezus dat eigenlijk wel.
Vanaf het begin waren er volgelingen van Jezus, die dachten, dat ze alles wisten, die dachten, dat ze overal een antwoord op hadden. Er zijn nog steeds conflicten over wie gelijk heeft bij liturgische


praktijken, bij het gebruik van fondsen, bij de manieren om tegen de Kerk aan te kijken. We hebben nog steeds Griekstaligen en Arameessprekenden in onze Kerk.
Wij mogen naar onze geschiedenis kijken en ons afvragen: hoe hebben zij de werken van Jezus gedaan en "zelfs nog grotere?" Ik heb het idee, dat velen het voorbeeld van Jezus volgden en het aandurfden om elkaars voeten te wassen. Ze waren in ieder geval zo eerlijk om toe te geven, dat er verschillen waren. Ze keken er niet overheen of deden alsof ze niet bestonden. Ze lieten de problemen ook niet voortbestaan zodat anderen of latere generaties ze moesten oplossen. Ze rolden hun mouwen op en werkten eerlijk aan wat in de diepste zin een machtstrijd was.
Die leiders van de vroege kerk durfden het aan om hun macht te delen. En we weten uit wat er met Stefanus gebeurde, dat het niet alleen om het uitdelen van eten ging. Hij preekte net als de apostelen.
Wij mogen vragen blijven stellen zoals Filippus en Thomas. Een dominicaan uit Noord Amerika schreef een dezer dagen, dat hij onder vele gelovige en hard werkende vrijwilligers er zoveel tegen kwam, die pastoraal en theologie hadden gestudeerd, die bereid en in staat waren om in parochies als leiders op te treden. Voor het merendeel staan ze klaar om deel te nemen aan het Kerkenwerk, als wij hen maar toelaten. We moeten meer doen om elkaar te leren kennen, te bemoedigen, te ondersteunen. We moeten erkennen, dat veel mensen talenten hebben die we kunnen gebruiken voor onze gemeenschap. Misschien een beetje raar om het zo te zeggen, we moeten doen wat de Apostelen deden. Zij durfden het aan om hun macht te delen met die zeven, waarvan ze zagen dat ze "vervuld waren van de heilige Geest."
Ik geef toe: die zeven waren allemaal mannen. Het uitsluiten van vrouwen met hun talenten en hun bereidheid om te dienen is niet goed te praten. Onze Kerk zal nog een stukje verder moeten gaan om echt Jezus te volgen in zijn bereidheid om voeten te wassen. We moeten ook de apostelen navolgen, die hun macht deelden.
We mogen nog steeds herhalen wat Filippus vroeg: 'Laat ons de Vader zien, Heer.' Maar dan moeten we ook luisteren naar het antwoord van Jezus, want God hoort bij de gebeurtenissen van de Kerk en de wereld. God heeft de verdeling tussen goddelijk en menselijk te niet gedaan, toen Jezus mens werd. We kunnen het verhaal van het koninkrijk van God dat Jezus kwam vestigen niet vertellen zonder het verhaal van de Kerk in de wereld.
Als we dingen zien in de Kerk of in de wereld, die anders moeten, dan mogen we niet God de schuld geven. God is altijd met ons. Wij moeten dan eens goed nadenken als individu en als gemeenschap: Waar ging het mis? Hoe kunnen doen als God? Wat zegt God ons in deze gebeurtenissen?
We mogen blijven geloven in God, maar laten we ook geloven in vrouwen en mannen geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

   

  6e zondag van Pasen: Handelingen 8,5-8+14-17, Johannes 14,15-21 27 april: Mies Singendonk OP   


1.
Willem Wilmink schreef in het verhaal "Het huis op de heuvel" langs zijn neus weg over vroomheid. Zoals ik dat hier zeg zou het bijna zwaarwichtig kunnen worden, maar dat is juist niet de bedoeling. We moeten even alle associaties die we bij het woord vroomheid hebben, loslaten en eens opnieuw kijken naar wat dat woord eigenlijk te betekenen heeft.
Zonder het woord vroomheid te noemen, biedt Willem Wilmink ons een blik op wat dat is, vroomheid. Gaat u even met mij mee in het verhaal van Wilmink. De ik is een zieke kleine Willem. Ziek van angst voor de bevriende bommen die op Enschede vallen. Daarom logeert hij een poosje ergens op het Twentse platteland.
2.
Boerin en buurvrouw Hanna is op zijn Twents, dus met weinig woorden, een vriendin en veilige haven. De kleine Willem is zó vanzelfsprekend welkom bij Hanna dat hij gewoon bij haar in de keuken gaat zitten. Ook als ze niet in huis is. Ze is toch altijd wel ergens in de buurt en komt zo af en toe binnen. En Hanna is nooit verbaasd als de kleine Willem weer eens in haar keuken zit.
Willem weet dat Hanna katholiek is. En van katholieken had hij gehoord dat zij beelden aanbidden. En bij Hanna staan ook beelden.
Op een dag zit Willem weer eens bij Hanna in de keuken.
Dan onstaat het volgende zeer korte gesprek.
Ik citeer Wilmink: "Hanna, aanbidden jullie wel eens beelden? "Nee hoor", zei Hanna, "ons gebed gaat naar de hemel. Die beelden zijn er alleen maar om het gesprek wat makkelijker te maken". Hanna ging weg, ze had meer te doen", besluit Wilmink.
3.
Vróóm doet deze Hanna er niet over.
De woorden die bij vroomheid horen zijn: innigheid, gehechtheid, oprechtheid, toewijding, vertrouwen. Hanna's antwoord op de vraag van de kleine Willem getuigt van haar vertrouwenvolle verhouding tot God. Hanna's vroomheid zit niet in mooie woorden. Haar vroomheid is zakelijk, aards en nuchter. En de kleine Willem krijgt een glashelder antwoord op zijn vraag. Een antwoord waar je als theoloog jaloers op kan worden.
4.
Hanna heeft een relatie met God, waarin zij veilig gehecht is, om maar eens een ontwikkelings-psychologisch begrip te gebruiken. Een kind 



dat veilig gehecht is, speelt en kan het verdragen dat moeder de kamer uitgaat, naar haar werk gaat, hijzelf naar school gaat. Het kan verdragen dat er scheiding is. Een veilig gehecht kind vertrouwt erop dat moeder er toch is. Een veilig gehecht kind draagt zijn thuishaven bij zich.
Zo draagt deze Hanna de thuishaven van God bij zich. Soms denkt ze aan God, of ze zegt wat. Soms niet. Ze is aanwezig voor God en tegelijkertijd ín de wereld. Zo verwijlt ze in Gods rijk. Voor Hanna is alle grond waar zij staat, heilige grond. Bij alles wat zij doet laat zij de mogelijkheid open om in gesprek te gaan met God. En zoals gezegd doet zij er niet vróóm over; zonder verhevenheid.
5.
Hanna durft te gaan staan op het fundament dat Jezus en zijn leerlingen voor en na pasen voor ons gebouwd hebben.
Hoe kunnen we dat fundament denken? In Jezus' toespraak uit het Johannesevangelie horen we over de overvloedige aanwezigheid én eenheid van hemel en aarde; God, mens. Een overvloed zonder voorwaardelijkheid en zonder bezitsrelatie.
Jezus begint de kleine toespraak van vandaag met de woorden: als je mij liefhebt, houdt je dan aan mijn geboden. Hij eindigt deze lering met: wie mijn geboden kent en zich er aan houdt, heeft mij lief.
6.
De Jezus van het Johannes-evangelie laat ons de doorlaatbaarheid van hemel en aarde zien. Zo kunnen we denken over een verwevenheid van hemel en aarde, die toch een onderscheid toelaat. Want zoals wij kinderen zijn van onze ouders, zijn wij niet hetzelfde als onze ouders, En hoewel de Vader en Zoon één zijn, zijn zij niet hetzelfde. Evenmin zijn wij als dochters en zonen van de Vader, hetzelfde als de Vader.
7.
Maar hoe zijn de hemelse Vader en zijn aardse kinderen dan één? Als je je aan mijn geboden houdt, zegt Jezus van Nazareth. En het centrale gebod is dat we God liefhebben en onze naaste als onszelf.
Wat vraagt dat van ons?
Je houden aan dit centrale gebod, dat wij via Jezus van Nazareth en zijn volgelingen mochten ontvangen, vraagt van ons om aanwezig te zijn voor God, én aanwezig te zijn ín de wereld. Tegelijkertijd. Een beetje zoals Hanna.

  Hemelvaart: Handelingen 1,1-11 1 mei: Henk Jongerius OP   


Handelingen 1,1-11

Vanouds wordt de hemelvaart van Jezus gesitueerd op een berg en dat is in de Bijbel een veel terugkerend beeld. Wie zien in het verhaal van de tocht door de woestijn Mozes herhaaldelijk de berg opgaan om er te spreken met God. Het gaat daar, waar hij door een wolk aan het oog onttrokken wordt, om een grote intimiteit want hij spreekt daar met de Eeuwige 'zoals een mens spreekt met een vriend'. Daar ontvangt hij de tien woorden van belofte voor een gelukkig leven.
Op de berg Moria moet Abraham leren hoe de Eeuwige in ons bestaan zal 'voorzien' en geen mensenoffers vraagt. Op de berg Horeb hoort Elia de stille stem van God en ziet hij hem in het voorbijgaan. Hij leert er om op zijn schreden terug te keren en niet te versagen in zijn roeping. Op de berg Tabor zien de leerlingen hoe Jezus verschijnt in Gods licht en in gesprek is met Mozes en Elia, die hem de weg van de uittocht wijzen.
De berg is een symbool voor de ontmoeting met God, een plaats van gebed waar helder wordt welke weg wij moeten gaan.
Bij Jezus' afscheid op de berg, wordt ons duidelijk gemaakt hoezeer door de wolk Jezus opgenomen is in de intimiteit met de Eeuwige die hij zijn vader noemt. In die verbondenheid heeft hij altijd geleefd en gespro-ken over het koninkrijk van God. Als de leerlingen van Jezus vragen of hij dat rijk nog zal herstellen, wordt er een treffend antwoord gegeven: het is aan hen om in zijn geest te spreken en te handelen zodat Gods bedoeling met de wereld bekend wordt aan alle mensen. In zijn leven onder hen hebben zij dat concreet kunnen horen en zien.

 


Wanneer zij hem nastaren, worden zij er vanuit de hemel op gewezen dat zij, net als Elia, van de berg moeten afdalen en moeten gaan doen wat zij gezien en begrepen hebben. In zijn verborgenheid blijft hij ons altijd nabij en schenkt hij ons zijn geestkracht om de goede weg te gaan. Wij zullen getuigen van zijn levensweg en vanuit de intimiteit van het gebed en de omgang met het Woord zó leven en handelen dat het visioen van een goede wereld naderbij komt, vertrouwend op hem die ons is voorgegaan, ons een plaats bereidt en op ons wacht in het uur van onze dood om de Eeuwige te zien en met Hem te spreken van aangezicht tot aangezicht.

Waar Gij eens tot Mozes sprak
en de stilte niet verbrak,
een verbond sloot in uw naam:
daar is hij ons voorgegaan, alleluia!
Waar Gij eens Elia riep
en een stem in stilte schiep
die ons fluistert van uw naam:
daar is hij ons voorgegaan, alleluia!
Waar Gij Jezus' aangezicht
liet doorstralen van uw licht
en hem gaf uw eigen naam
daar is hij ons voorgegaan, alleluia!
Waar de stilte lofzang is
en de wolk gelijkenis:
in de volheid van uw naam
daar is hij ons voorgegaan, alleluia!

  7e zondag van Pasen: Handelingen 1,12-14; Johannes 17,1-11a 4 mei: Ernst Marijnissen OP   


Stel je voor dat wij met de eerste leerlingen van Jezus op de Olijfberg zouden hebben gestaan. Met hen zouden we omhoog hebben gekeken toen hij ons verliet en door een wolk aan ons oog werd onttrokken. Hij is weg. Een tijd lang zijn we met hem onderweg geweest, hebben gezien hoe hij met kwetsbare mensen is omgegaan. Hoe hij niet terugweek voor het woordgeweld en de bedreigingen van zijn tegenstanders. Hoe hij met ons heeft gesproken, de wet van God - de Tora - toegankelijk heeft gemaakt voor moderne mensen in een wereld, welke doorlopend met veranderingen moet leren leven. Hoe hij het stof en de eeltlaag heeft weggenomen van kerkelijke dogmatiek en hardnekkig onveranderlijke riten en gebruiken tot hun oorspronkelijke betekenis heeft teruggebracht. Een wonder van leven en bemoediging. Een herder in hart en nieren. We zijn van hem gaan houden, maar we zijn ook van hem geschrokken. We herinneren ons maar al te goed hoe we met hem hebben aangelegen aan het paasmaal. Daar is hij toen opgestaan en heeft hij onze voeten gewassen. Hij heeft ons voor de laatste keer uitvoerig onderricht gegeven en tenslotte heeft hij voor ons gebeden. Ja, uitdrukkelijk voor ons gebeden. We hebben het wel gehoord, maar niet goed begrepen. We werden geobsedeerd door dat ene woord van hem: ik ga van jullie weg. Ja, meer nog: jullie moeten gaan doen wat ik heb gedaan. We hebben toen niet ingezien, dat hij met die voetwassing ons feitelijk op weg heeft gestuurd. Met schone en goede voeten kun je lange wegen gaan. Zelfs toen hij aan het eind voor ons gebeden had, hebben we de gevolgen van zijn woorden en daden voor ons uit geschoven. We wilden of konden het niet zien, niet begrijpen. We waren bang. Niet voor hem maar voor de mensen daarbuiten, voor wat ze ons zouden kunnen aandoen. We waren niet als hij, toen hij zijn lijdensweg metterdaad is gegaan. Toen hij stierf aan het kruis. Toen we hem hebben begraven.
Maar dat was nog niet alles. Die eerste weken zonder hem hadden we toch het gevoel dat hij in ons midden was, zoals dat zo vaak gebeurt als iemand, die je liefhebt, is gestorven. Alle herinneringen zijn nog om je heen, je hoort de gestorvene als het ware nog spreken. De lege plaats is nog niet echt leeg, want je hebt het nog niet helemaal aanvaard. En dan opeens begint de werkelijkheid tot je door te dringen, het zuigt zich aan je vast, het stroomt je brein binnen en grijpt naar je hart. Je verzet brokkelt af en sloopt je weerstand. Er treedt een soort verlamming op.
Zo was het met ons op die Olijfberg. Hij was weg, opgeslokt door een voorbijglijdende wolk. Natuurlijk wisten we dat die wolk eigenlijk een oeroud bijbels beeld is van Gods aanwezigheid. Een wolk, die met ons meetrekt op onze levenstocht, de weg wijst en in donkere nachten opgloeit tot een vuurzuil. Maar iets weten is nog niet hetzelfde als iets ervaren. We bleven omhoog staren, ook al wisten wij dat we hem niet 


konden terughalen. En tenslotte zijn we de berg weer afgesukkeld, terug naar die zaal, de herinnering, het heimwee, de leegte.
 We bevinden ons tussen Hemelvaart en Pinksteren. Tussen de wolk, die de heer Jezus verbergt, én het neerdalen van de Geest, die ons voortstuwt. Deze zondag heeft een geheel eigen karakter. Ze vertelt aan de ene kant iets over datgene, wat we elke dag ervaren of voelen én aan de andere kant wat we verlangen, waarnaar we uitzien. Deze zondag is een soort momentopname van ons leven als leerlingen van Jezus. Hoe vaak staren we niet naar de wolk? Verlangen we naar een samen zijn en samen optrekken met Jezus, ontdaan van franje en de stof van eeuwen! Hoe vaak zijn we teleurgesteld in de kerk en de manier, waarop zij in de wereld van zich doet spreken. Sprak ze maar zoals Jezus deed. Liet ze maar iets zien van de stille moed, waarmee hij is rondgetrokken en opgekomen voor de armen, de slachtoffers, de moedelozen. Dan zijn we weer even op de berg met ons visioen. Maar het duurt niet lang of we zijn weer op weg naar de werkelijkheid, terug bij af. We zijn weer bij elkaar. Met beide benen op de grond.
Dan vraag ik me af: is dat zo erg? We hoorden toch in de eerste lezing dat de leerlingen bijeen zijn, met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus! Dat zij eensgezind zijn in het gebed. Ze bidden, denken na, spreken met elkaar en houden de moed erin. Althans zo stel ik me dat voor. Is dit verhaal uit de Handelingen niet vol symboliek? Is die kleine groep in de zaal van het laatste avondmaal niet als de kerk, de synagoge van Jezus in haar meest kwetsbare maar ook sterke gedaante? Ze geven niet toe aan hun teleurstelling. Ze zoeken nieuwe inspiratie. Ze houden elkaar vast. Ze zijn eensgezind, zegt het verhaal. Want zelfs als de leerlingen van Jezus teleurgesteld en verdrietig zijn over de gang van zaken, dan wil dat nog niet zeggen dat ze zijn belofte vergeten. Ik kom terug, heeft hij gezegd. Ik stuur jullie een helper, heeft hij beloofd. Als je daarop vertrouwt gaat het toch maar om één ding: wachten op die Geest! Maar dan wel in een aandachtig en volhardend wachten. Misschien kijken we teveel naar wat ons niet aanstaat en spannen we ons te weinig in om samen te bidden, eensgezind, onverdeeld. Samen zijn in deze geest is de vruchtbare bodem om tot inzicht te komen en te ontdekken hoe we verder moeten op de weg.
Tussen wolk en geest. Tussen een verborgen God en een bron van goddelijke inspiratie. Tussen weemoed en vastberadenheid. Dat leven - het leven van een leerling van de verrezen Heer Jezus - kun je alleen volbrengen in onderlinge solidariteit, vertrouwen in elkaar, de bereidheid tot geven en delen. En vooral niet in een geest van angst en vrees. Die breekt de liefde af en verandert de gemeenschap van Jezus in een kille organisatie.
Wie daarentegen blijft uitzien naar de Heilige Geest en ook in donkere tijden op haar vurige inspiratie en warmte blijft vertrouwen heeft eeuwig leven. Dat leven is bestand tegen de wisselvalligheden van elke dag. Dat leven houdt ons gaande. Ook in onze tijd!

   Pinsteren: Handelingen 2,1-11; Johannes 20,19-23 11 mei 2008: André Lascaris OP   


De lezing die Juriaan heeft voorgelezen suggereert dat de wind van Pinksteren, Gods geestkracht, Gods ademtocht, vooral een vriendelijk gebeuren is. Dat is ook zo. Maar in de oorspronkelijke tekst staat dat het Pinkstergebeuren begint met een geluid dat klonk als dat van een hevige windvlaag. We kennen dat geluid wel, het gaat om een windvlaag die bomen ontwortelt en daken van huizen wegscheurt. Pinksteren begint met een ontworteld worden. De groep die bijeen is, leerlingen, vrouwen met Maria en de broers van Jezus, wordt eerst ontworteld voordat zij naar buiten treden als een nieuwe gemeenschap, een nieuw begin. De leerlingen zonder Jezus worden leermeesters; de broers die zo vijandig waren, sluiten zich bij Jezus aan. De oude posities verlaten zij. De oude gemeenschappen, familie, leerlingschap leveren zij in om tot een nieuwe gemeenschap te komen.
Het Nieuwe Testament is ten dele het verhaal van een ontworteling. De volgelingen van Jezus hadden grote conflicten. Kun je als heiden bij deze Jezus-joden, later christenen genoemd, horen? Moet je je vroegere gemeenschap helemaal opgeven?Aan welke voorwaarden moet je voldoen? Wat zijn de grenzen van deze gemeenschap? Moet je ervoor besneden worden? Moet je de reinheidswetten onderhouden? Mag je het vlees uit de heidense tempels eten? Niet-joden kregen toegang tot deze gemeenschap; maar gaven familietradities op, om ontworteld vervolgens met mensen die eerst totaal vreemden waren, met rijken en met slaven, met Grieken, joden en nog anderen een nieuwe gemeenschap, de kerk, te worden.
Ik heb het gevoel dat wij ook leven in een tijd van ontworteling, en misschien waait nu evenzeer de hevige windvlaag van Gods geestkracht.
We zien de kerken leeglopen, maar ook de politieke partijen, vakbonden en sportverenigingen.Mensen, vooral jongeren, willen niet meer bij een groep horen. De grenzen ervan benauwen hen. Ze spreken anderen aan als individuen, niet als leden van een gemeenschap. Zij willen niet meer een 'wij' vormen tegenover een 'zij', een'ze'.Niet 'trots op Nederland' zijn tegenover buitenlanders, geen katholiek tegenover protestant, christen tegenover moslims.Geen: 'wij' zijn echte mensen, 'zij', zijn minder dan 'wij'.
Die ontworteling kan ons pijnlijk treffen. We kunnen ons persoonlijk geraakt voelen.We kunnen als persoon, als individu ontworteld worden en onze vaste bakens kwijt raken. Ik durf niet voor zeker te zeggen dat hier de geestkracht van God aan het werk is.


Ik weet ook niet hoe het verder zal gaan. Maar het is mij wel duidelijk dat we weg moeten van een hokjesgeest, van het ophemelen van de gemeenschap waartoe wijzelf behoren, ten koste van anderen.
Na die ontworteling, na de hevige windvlaag, waait er een andere wind. De wind van communicatie, van vriendschap, van elkaar verstaan, hoe verschillend je ook bent, een nieuwe luchtstroom die mensen ertoe brengt te delen met elkaar.Het is dit dat we vandaag vieren:: dat we van vreemden bekenden worden, van vijanden vrienden, de kracht vinden elkaar het verleden niet na te dragen, maar vrij en open tegenover elkaar leren te staan.
Ik hoop en verwacht dat er weer nieuwe gemeenschappen zullen ontstaan. Want geen mens is een eiland. Zij zullen misschien er voor ons heel anders en onverwacht uitzien, zoals ook de eerste christenen nergens pasten in de lappendeken van volkeren en godsdiensten in het Romeinse rijk.
Wat Paulus schrijft over die nieuwe gemeenschap die geboren wordt uit de Geestkracht van God blijft geldig voor elke gemeenschap, of dit nu een gezin is, een vereniging, een kerk, een partij. Een gemeenschap bestaat uit vele mensen met verschillende gaven. Het gaat erom niet de ene gave boven de andere te stellen. Ik ben als voorganger niet belangrijker dan U. Iemand die met zijn, haar hoofd werkt is niet beter dan degene die met zijn, haar handen werkt. De een ziet scherper dan de ander. Dat geeft niet, zolang je begaafdheid maar ten goede komt aan degene die deze gave heeft en aan heel de gemeenschap, uiteindelijk aan alle mensen. Want de kerk is er niet voor zichzelf, maar moet eigenlijk een voorbeeld zijn en een teken van hoop hoe als mensen samen te leven. We weten hoe ver we als kerk daarvan afstaan.
Daarom is Pinksteren voor ons misschien nu allereerst een ervaring van ontworteld worden. Maar tegelijk is Pinksteren het feest van de belofte van een toekomstige rijke oogst, waarin mensen elkaar in vrede en vrijheid zullen begroeten. Elkaar niet meer vastpinnen op hun persoonlijk verleden noch op het verleden van de gemeenschap waaruit iemand afkomstig is.
De geestkracht van Jezus kan ons overvallen, ons ontwortelen en ons doen staan met lege handen. Maar die ontworteling is nodig om ons te richten op nieuwe manieren van samenleven. We hoeven niet angstig en alleen negatief naar het heden kijken. Wel kritisch, de goede van de slechte geest, de goede van de slechte wind onderscheiden.Durven we te zingen: "Wie weet vanwaar hij komt in tomeloze kracht, kom Adem Gods opdat wat is versteend in nieuwe glans ontwaakt."