PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Door het jaar 2009 (B)


   1e zondag van de Vasten: Genesis 9, 8-15; Marcus 1, 12 - 15 1 maart 2009 , Antoon Boks OP  


ark van noachNet als Prins Willem Alexander wist Noach, of Noë zoals ik me hem nog steeds herinner ook wel het een en ander van water.
We weten allemaal dat Noach de man was van de zondvloed, van de ark, de dieren die als paar (6,19) of als een stoet van zeven paren (7,2-3) aankwamen. Slechte mensen gingen dood, maar er kwamen er later na de zondvloed weer een paar bij. Gelukkig werden acht goede mensen gespaard en dat aantal is intussen gelukkig flink opgelopen. Ik kan misschien beter zeggen, dat Noach iemand van God was, die een blijde boodschap preekte.
God schiep alles en in een van de twee verhalen van God als schepper, horen wij een aantal keren dat God zag dat alles goed was. Het meest was God ingenomen met de mensen die Hij schiep naar zijn beeld en gelijkenis.
Daarna ging er het een en ander mis, maar gelukkig kwam het toch weer terecht.

God sluit een verbond met Noach en alle levende wezens (9,10) en hij deed het later met Abraham (Gen 15,17), met David (2 Sam 23,5) met de priesters (Jer 33,20-22) en heel het volk (Ex 19,5). Bijbelse verbonden gebeuren tussen ongelijke partijen; soms beloven ze elkaar iets, maar hier is het dat God iets aanbiedt. God kiest er voor om trouw en genadig te zijn voor alle schepsels en belooft "nooit meer" die te straffen door een andere zondvloed.
God staat de hele schepping bij en beschermt die. Maar zonde zorgt er weer voor dat dingen kapot gaan in de menselijke gemeenschap en de rest van Gods schepping. Hoe zal God zonde verslaan en zorgen voor een ander nieuw begin als mensen zich afkeren van God? God sloot in ieder geval de kans op nog een zondvloed uit. God zal vasthouden aan het verbond, dat hij heeft gesloten met de mensen: hij zal ons niet meer vernietigen door een zondvloed. God heeft een ander plan.
Na de vernietiging door de zondvloed brengt God een nieuwe schepping en een nieuwe relatie tussen God en de mensen. God belooft samen met ons te blijven; de schepping niet meer te vernietigen.
Zijn Zoon, Jezus komt als onze verlosser en hij begint zijn publieke leven met zijn doop in de Jordaan. Hij komt net uit zijn zondvloed - zijn doop. Hij begint de blijde boodschap te preken: "het koninkrijk van God komt er aan." Zelfs toen Christus werd gekruisigd en de hoop vernietigd leek, verrees


hij uit de doden en wij kregen door hem nieuw leven. God kan nieuw leven brengen voor alles? Wie kan tegenhouden dat God werkt aan ons welzijn en het welzijn van de hele schepping?
God blijft werken in onze wereld en heeft zich, in Christus, met ons verbonden als we vechten tegen zonde en de krachten die chaos brengen. Geen zondvloed, geen vernietigende kracht zelfs de dood kan Gods actieve en sparende aanwezigheid in de wereld kapot maken. Gods verbond met Noach en zijn afstammelingen herinnert ons er aan dat God ook door wil gaan met ons mee te werken om te zorgen voor wat God schiep en dat goed was.
Gedurende de veertigdagentijd kunnen we ons weer voorbereiden op de vernieuwing van onze doopbeloften met Pasen. Gedurende de veertigdagentijd zorgen we klaar te zijn om aandacht te schenken of nog beter om nog een keer Gods genade op dit moment van ons leven te ervaren.
Wat voor geschenk wil God ons geven in deze veertigdagentijd? - Een verdiept gebedsleven? Een nieuwe energie om door te gaan met onze afspraken? Een nieuwe visie op ons leven als Christenen in onze tijd? Een verandering in onze manier van leven als leerling? Een dieper gevoel van blijdschap en dankbaarheid voor wat we al krijgen uit Gods hand? Een los laten van verdriet en boosheid om wat ons in het verleden aangedaan is? Een leven om te zorgen voor onze planeet? - Wie weet?
God neemt de eerste stap door een verbond met ons te sluiten en God wil die belofte waar maken en wil ons constant vernieuwen door het water, dat ons redde van de zonde. We beginnen opnieuw met onze tocht met Christus en met elkaar.
Maar dan kunnen we ons ook afvragen: Wat is onze verantwoordelijkheid, als volk met een verbond met God, om te vernieuwen wat kapot is gegaan als resultaat van zonde? Hoe zijn we verantwoordelijk voor onze veiligheid en voor het welzijn van anderen? Wat kunnen we doen om de armen van de wereld te helpen bij het verhelpen van ziekte en honger? Hoe kunnen we zorgen voor de wereld en die om ons heen vernieuwen. Hoe kunnen we het menselijke leven beschermen in alle fasen? Hoe kunnen we het geweld in onze samenleving verminderen? Wat moeten we doen om de waardigheid van iedereen te verzekeren?
Om het in een paar woorden samen te vatten: Hoe kunnen we ons deel van het verbond, dat God gesloten heeft met Noach en dat hij vernieuwd heeft door het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus, vervullen?

   2e zondag van de Vasten: Genesis 22,1-18; Marcus 9,2-10 8 maart 2009, Henk Jongerius OP   


Offer van IsaakAls wij al de indruk zouden hebben dat de God die Abraham voor ogen staat kinderoffers vraagt, dan worden wij op het eind van het verhaal gerustgesteld. Het werkelijke offer dat van hem gevraagd wordt is van een andere aard maar niet minder ingrijpend. Luisteren naar deze God betekent dat wij moeten leren dat wij onze toekomst niet kunnen maken, maar uit handen moeten geven, want echte toekomst is een gave en niet iets dat je op eigen kracht realiseert. Op een heel treffende manier wordt dit in de Bijbelse verhalen duidelijk gemaakt in vrouwen die onvruchtbaar zijn maar toch door Gods toedoen een zoon ter wereld brengen. Kinderen hebben betekent dat er toekomst is en er is geen grotere vreugde voor ouders dan om te zien dat hun kinderen in persoonlijke en werkomstandigheden goede vooruitzichten hebben.
Maar een kind verliezen betekent daarentegen dat ook je eigen toekomst in duigen valt en jouw verwachting van de dag van morgen de grond ingeboord wordt: het leven zal nooit meer hetzelfde zijn, maar wordt voortaan getekend door dat grote verlies en gemis! Net als Abraham wordt je dan door het leven op de proef gesteld: je ziet als een berg tegen de toekomst op, als je al niet alle vertrouwen in de dag van morgen opgeeft. Abraham gaat op weg, hoorden wij vandaag, hij beklimt de berg van de beproeving maar zal ondervinden dat er boven naar hem wordt omgezien. Dat is de naam van de berg waarop hij al wat hij bezit moet prijsgeven. Maar midden in dat opgeven van alle menselijke zekerheid hoort hij een stem en wordt hij aangesproken bij zijn naam. Hij ontvangt zijn toekomst


terug! Wij raken hier aan een diep geheim dat we met huiver en voorzichtigheid met elkaar mogen delen. In het hart van onze beproeving zal er een licht gaan schijnen. Daarover spraken Mozes en Elia en Jezus boven op de berg: dat deze Mensenzoon veel zal lijden, maar op de derde dag zal worden opgewekt! Zo zal Jezus Wet en profeten in vervulling doen gaan en ons het geheim van waarachtig leven tonen. Zijn leerlingen wilden hem vasthouden en daar blijven, maar zij moeten net als wij vertrouwd worden met het levensgeheim.
Waar wij allemaal in beproefd zullen worden is in de grote verleiding om ons leven zelf in de hand te willen houden, maar luisteren naar de man van Nazareth betekent dat wij zullen leren dat lijden en beproeving ons leven zullen louteren. Het is de diepe waarheid van het evangelie dat wie zijn leven verliest het zal vinden. Het zaad ligt te slapen en zal kiem gaan maken hebben wij gezongen. Het is de graankorrel die in de aarde valt en ons op een wondere wijze tot voedsel wordt. Het werkelijke leven is iets dat ons in de schoot valt. Soms is dat een prachtig en troostend beeld, maar ook kan het een harde en verscheurende realiteit zijn.
Alleen in de verstilling van het gebed zullen wij dit geheim gaan verstaan en er ons aan toevertrouwen. Het is het diepste geheim van ons geloof dat er naar ons wordt omgezien als de pijn het grootst is en het gemis het diepst. Het zaad dat in de aarde valt houdt een belofte in: omdat het zelf te gronde gaat vormt het een nieuw begin! Midden in de dood wordt er nieuw leven geboren, worden wij van gedaante veranderd, worden wij kinderen van God. Aan Hem mogen wij vasthouden in goede en kwade dagen, tot in de dood!

 

   3e zondag van de vasten: Exodus 20,1-17; Johannes 2,13-25 15 maart 2009, André Lascaris OP   


kooplui in de tempelIn oude protestante kerkgebouwen staan ze vaak met grote krullen op de witte muren geschreven: de tien geboden. Men had vroeger zelfs een apart iemand die elke zondag de tien geboden voorlas met liefst het vingertje omhoog. Dat opgestoken vingertje vind ik hinderlijk. Het is moralistisch: er wordt naar schuldigen gezocht. In de katholieke kerk gebeurde hetzelfde maar op een andere manier: door moraliserende preken en door de biechtpraktijk.
Inmiddels weten wij dat de 10 geboden eigenlijk de '10 woorden' heten. Zij beginnen met het woord: 'ik ben de God die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd'. We hebben dus niet te doen met een lijstje willekeurige geboden en verboden, maar met een vrijheidsbrief. Wil je niet opnieuw in slavernij komen, dan moet je deze woorden volgen. Zij zijn wegwijzers in je leven. Vrij zijn betekent niet: alles mogen doen, maar: ruimte hebben, en deze ruimte ontstaat slechts doordat er ook muren zijn, afbakeningen. Die muren moet je soms doorbreken, maar ze moeten er wel eerst zijn.
Het belangrijkste woord is het laatste. Zet je zinnen niet op de vrouw, het huis en het bezit van een ander. Begeer niet wat de ander heeft. Je moet niet alles willen hebben wat je naaste heeft. Want zo gauw je aangestoken wordt door dit verlangen te hebben wat de ander heeft, gebeuren er vreselijke dingen. Je kunt ertoe komen om te doden, om overspel te plegen, om te stelen, een vals getuigenis af te leggen, je bejaarde ouders geen plaats te gunnen. Je gunt jezelf geen rust en je komt tot een 24 uurs economie Als je steeds wil hebben wat de ander heeft, raak je in een chaos. Je verliest vrijheid. Je wordt een slaaf van je verlangen.
Dit 'willen hebben wat de ander heeft', leidt ook tot afgodendienst. Je raakt gefascineerd door geld, door rijkdom, prestige, politieke macht. Zij worden machten die je leven beheersen en je onvrij maken. Je maakt een beeld van God, maar God is niet in een beeld te vangen.
Mensen die een eigen weg gingen en afweken van de wegwijzers van God, konden in de tempel zich met God verzoenen. Men dacht dat de tempelberg de plaats was waar Isaak werd gebonden om geofferd te worden en dat God dit verhinderde. Men herinnerde God aan de gehoorzaamheid van Isaak en sloot zich daarbij aan. Zij boden dan zichzelf aan, zij deden dat door een dier te offeren dat hen toebehoorde en door aan de priester hun fouten te belijden. Sommigen zullen dat zeker als een soort handeltje hebben opgevat. Ik geef wat, God geeft mij wat. Wanneer Jezus naar de tempel komt, treft Hij een groot commercieel gebeuren aan. De tempel is een grote markt geworden. Het is een plek geworden, waar

 


geen rekening wordt gehouden met het 10e woord. Iedereen wel iets hebben van een ander. Je moet het gewone geld wisselen tegen bijzonder geld. Degenen die niet besneden zijn worden uitgesloten van de tempelviering. Het is de plek waar later Judas Jezus zal verkopen voor dertig zilverlingen
Jezus maakt er korte metten mee. Hij drijft alle offerdieren de tempel uit en gooit de tafels van de wisselaars om die Romeins geld kochten en tempelgeld verkochten: 'jullie maken een markt van het huis van mijn vader'. Dit is een grote ingreep. Het betekende dat urenlang of een dag lang de dienst werd onderbroken. Dit was niet alleen maar een schoonmaakbeurt. Dit was meer dan een protest van iemand van het platteland tegen de tempel van de stad. Het betekende het einde van de tempel en de offerdienst. Jezus verzet zich tegen de afgodendienst en tegen het zich niet bekommeren om het 10e woord.
Wanneer Jezus gevraagd wordt wat hem het recht geeft dit te doen, zegt hij, dat deze tempel zal worden afgebroken. Hij breekt hem niet af, maar de tempel zal door anderen worden vernietigd, en eigenlijk vernietigde tempel zichzelf, maar in drie dagen zal Jezus hem weer opbouwen. De evangelist zegt erbij dat hij met dit laatste zijn lichaam bedoelde.
Dit lichaam van Christus zijn wij. Wij zijn de nieuwe tempel waarin God woont en waardoor God aanwezig is in onze wereld. Betekent dit dat wij de 10 geboden hebben afgeschaft? Neen, maar we hebben als taak de 10 woorden tot positieve vervulling te brengen. Wij laten ons leiden door het tweelinggebod God en elkaar te beminnen. De tempeldienst met zijn offers hebben we afgeschaft. Wij schelden elkaar rechtstreeks onze schulden kwijt. En wij mogen verwachten dat God ook onze schulden kwijtscheldt. In plaats van offers van dieren te brengen, openen wij ons voor elkaar. God is daar aanwezig waar mensen elkaar aanvaarden als degenen die ze zijn. Een keukentafel kan zo een heilige plek worden. Gods tempel is daar; de tien woorden worden vervuld waar mensen elkaar het licht in de ogen gunnen en bereid zijn om zo nodig hun leven te geven voor elkaar.
Het is indrukwekkend om te zien hoe mensen hun eigen leven erop instellen zorg te dragen voor bejaarde ouders die in een verpleeghuis zijn beland en voor hun kinderen. We zijn geneigd om die zorg als een knellende gevangenis te voelen. En vaak is het ook beknellend en een grote zorg. Maar tegelijk wijst de zorg voor velen een weg in het leven en maakt ze mensen vrij van oppervlakkigheid. Mensen die zijn als bomen aan stromend water. Bereid zijn nadeel te lijden omdat ze geen vals getuigenis willen afleggen. Bereid zijn minder inkomen te hebben omdat ze niet willen meedoen met de 24 uur's economie. Daar komt vrijheid tot stand. Moge het zo zijn dat wij zulke tempels tegenkomen waar de 10 woorden waar worden gemaakt. Mogen wij voor anderen zo'n tempel zijn..

  4e zondag van de vasten: 2 Kronieken 36,14- 23; Johannes 3,14 - 21 22 maart 2009, Theo Koster OP   


de opgeheven slangOm de eerste lezing te begrijpen nodig ik u uit te rade te gaan bij uw eigen geschiedenis. Kijk eens terug op een dieptepunt, een crisismoment in je eigen levensverhaal. Als een voorbeeld schets ik in grote lijnen een onderdeel van mijn eigen geschiedenis.
In mijn studententijd overkwam het me dat een medestudent met wie ik veel optrok een einde maakte aan zijn leven. Deze zelfdoding deed mijn wereld instorten. Niets bleek er meer te kloppen van de wijze waarop ik tot dan toe geleefd had. Leven bleek zinloos en ik heb serieus overwogen om er zelf uit te stappen. Ik was diepgelovig opgevoed, maar het geloof bood me geen enkel houvast, integendeel: in een flits was God en alles wat met God te maken had uit mijn leven verdwenen. De crisis heeft een week of twee gewoed. In die periode ontdekte ik langzaam, dat ik niet op mijn kóp stond, maar dat ik eindelijk op mijn beide benen was terechtgekomen. Mijn ogen gingen open, en ik ging geloven in de God, die me tot dan toe altijd was ontgaan. Terugkijkend op dat keerpunt in mijn leven kun je je afvragen: heeft God deze zelfdoding laten gebeuren om mij de ogen te openen?
Jaren na een crisiservaring in hun leven hoor ik mensen vaak zeggen: het moest zo zijn. Zelden bevestigen zij met deze woorden de ellende die hen overkwam. Het moest zo zijn is veelal een getuigenis van een louteringsproces, waarin mensen hun ellende overstegen hebben, een belijdenis uit eigen ervaring dat leven inderdaad sterker is dan de dood.
Van zo'n louteringsproces getuigt de eerste lezing. De Babylonische ballingschap werd door het volk Israël als een absoluut dieptepunt ervaren. Alles wat het volk groot had gemaakt werd hun uit handen geslagen en verwoest: hun vrijheid en onafhankelijkheid, hun nationale symbolen: Jeruzalem en de tempel. De ballingschap werd ook een periode van bezinning en van geestelijke verdieping, zoals sommigen van u dit in die vreselijke wereldoorlog hebben meegemaakt. In Babel was iedereen weer gelijk. De oude verhalen werden opnieuw verteld. Er kwam ruimte voor solidariteit en een nieuwe beleving van de Thora, de heilige boeken. De auteur van Kronieken, die lang ná de ballingschap schrijft, onderstreept ten volle de ernst van de crisis, maar eindigt zijn verhaal met een glimp van het nieuwe begin: Kores, een nieuwe machthebber uit Perzië, die Babylon verslaat en de bannelingen terug naar huis laat gaan.
Het moest zo zijn, zou je zeggen. Moest dit van God? Hadden we een wereldoorlog nodig om te ontdekken, dat socialisten en communisten mensen zijn die met jou solidair waren in de bezetting, geen monsters om bang voor te zijn? Nee, niet God, mensen zijn gewelddadig en tot vreselijke dingen instaat. Die gewelddadigheden maakt God niet afkerig van mensen, integendeel: temidden van wreedheden kunnen ons de ogen open gaan voor de God van liefde die op zijn eigen manier zijn mensen nabij blijft in de stellige verwachting, dat hij ooit gevonden zal worden.
De evangelist Johannes heeft in Jezus zien gebeuren hoezeer God de


wereld liefheeft, en Johannes is hier vol van; het spat van de bladzijden af. Helaas is van dit enthousiasme in de vertaling een en ander verloren gegaan. We hoorden dat God de wereld heeft liefgehad, maar in het Grieks staat er: de God, je weet wel, die van Abraham, van Mozes, van de profeten, dus niet zomaar een god. Deze God was en is niet uit op de ondergang van mensen, maar op hun redding. In één zin hoorden we de hele theologie van Johannes samengevat: "Zozeer immers heeft de God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben."
Ook de drie eerder opgeschreven evangelies van Marcus, Matteüs en Lucas getuigen over Jezus als een mens die nooit gewelddadig optrad tegenover andere mensen. Ook in deze drie evangelies is een rode draad, opgetekend uit Jezus' mond: oordeel niet over andere mensen. In hun oordelend geloof kunnen mensen immers ook gewelddadig zijn naar hun medemensen. We hebben daarvan deze week publiek een voorbeeld gezien toen de paus, onderweg naar het door aids getroffen Afrika, op een vraag van een journalist meende te moeten oordelen, dat de verspreiding van condooms de aids-problematiek verergert. Het zal u niet verbazen, dat in het evangelie van Johannes het woord 'geloof' geen enkele keer voorkomt. De waarheid moet niet geloofd, maar gedaan worden. Geloven, het werkwoord dat Johannes in zijn evangelie 97 maal gebruikt, is geen pakketje waarheden, maar een je toevertrouwen aan de God die in Jezus zijn gezicht liet zien. Jezus is de toetssteen. Wil je weten of je waarachtig gelooft in de God van het leven, zie dan op naar hem, zoals hij daar hangt aan het kruis, de meest vernederende manier destijds om een mens te vermoorden.
Johannes kijkt terug op dit crisismoment in zijn leven, de gewelddadige dood van zijn vriend, van zijn leermeester die hij navolgde. Vandaag hoorden we in uitgebreidere woorden 'het moest zo zijn' van Johannes. Johannes getuigt in navolging van Jezus, dat het kwaad zichzelf afstraft. Daar hebben we God niet voor nodig. Daar moeten en mogen we God niet voor gebruiken. De God, u weet wel, die van Abraham, Mozes, de profeten, openbaart zich niet in gewelddadigheden, in hel en verdoemenis, maar in een mens die van mensen houdt en daarmee niet stopt als duidelijk wordt, dat dit hem op het kruis brengt.
God is liefde, schrijft diezelfde Johannes elders, en die liefde houdt niet op wanneer daarvoor geen aandacht, geen plaats is. Crisissituaties als ziekte, dood, geweld en erger worden ons niet door God gezonden. Wanneer het je treft kun je opzien naar Jezus op zijn kruis. Deze neemt je pijn, verdriet, onmacht niet weg. Soms voel je zijn handen in de aandacht van mensen die je niet aan het lot overlaten. Het opzien naar hem kan je helpen door te zetten, niet bij de pakken neer te zitten. En dan kan gebeuren, waarvan Johannes getuigt: dat je ogen open gaan voor de God, u weet wel, die zijn Zoon niet naar de wereld heeft gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.

   5e zondag van de vasten: Jeremia 31,31- 34; Johannes 12,20 -33 29 maart 2009, Ernst Marijnissen OP   


de opgeheven slangJe hoeft geen groot bijbelkenner te zijn om te weten dat de gemeenschap van God soms vreemde wegen bewandelt. Het Israël van de bijbel was dan weer trouw, dan weer ontrouw. Het zondigde en kwam dan weer tot bekering en terugkeer. Als je een gelovig mens bent met beide benen op de grond dan weet je uit ervaring dat mensen zo zijn. Israël betekent 'Godvechter'. Een Israëliet is iemand, die worstelt met God. Het is een gevecht met je geweten, je omgeving, de omstandigheden. Het is een gevecht om te leren zien en verstaan. Het houdt nooit op.
Maar je hoeft ook geen groot kerkhistoricus te zijn om te weten dat de leerlingen van Jezus Messias de eeuwen door precies dezelfde ervaring hebben opgedaan. Ook wij, christenen, vechten doorlopend met ons geweten, onze omgeving, de omstandigheden. Ook wij kennen de verleidingen van de hebzucht, de drang om te heersen en het prettige gevoel onafhankelijk te zijn. Ook wij bevinden ons binnen de cirkel van opgang en neergang, vallen en opstaan, trouw en ontrouw. Als dat zo is, waarom spreken we dan van een nieuw verbond? Wat is er veranderd met de komst van Jezus?
De belofte dat er van Godswege een nieuw verbond zal komen is het antwoord op de eeuwenoude klacht van de profeten, dat Israël zich niet houdt aan de goede woorden van de Sinaï. Eens heeft de Ene zijn volk van vrienden en vriendinnen, toen nog een slavenvolk, bevrijd uit de benauwenis van Egypte, het slavenhuis, bolwerk van onderdrukking en piramidale gezagsverhoudingen. De zwaksten dragen daar de meeste lasten. Voordat Mozes de kans kreeg met de stenen tafelen van Gods goede wet van de bergtop naar het legerkamp van Israël af te dalen, hadden ze daar hun zaken al geregeld. Ze waren tot Aáron gegaan en hadden hem gevraagd om een duidelijk godsbeeld, een heldere leer, geloofszekerheden, een feestelijke liturgie en religieuze feestdagen. Aäron, hun voorganger en paus, heeft hen het gouden kalf geschonken en ze hebben uitgeroepen: dit is de god, die ons uit de slavernij gered heeft. En zo is het gebleven tot op de dag van vandaag. Nog steeds roepen de profeten om bekering, om de vernieuwing van de verbondstrouw, om beweging en bewogenheid. En altijd is daar het antwoord van God. Ik, die er zijn zal voor jullie, zal met jullie, mijn volk, mijn gemeente, mijn kerk, een nieuw verbond sluiten. Het zal niet zijn zoals in het verleden, toen jullie steeds opnieuw de hand lichtten met mijn goede woorden, mijn richtingwijzer, de Tora. Er komt een tijd, dat zoiets niet meer gebeurt.
Deze bekende woorden uit de profetieën van Jeremia - we hebben ze in de eerste lezing gehoord - worden verstaan als een verwijzing naar de Christus. In Jezus' bloed heeft de Ene met ons een nieuw verbond gesloten. Dat geloven wij ook. Voor ons, christenen, is de profetie van Jeremia in Jezus Messias vervuld. Toch vraag ik me af: zijn we na tweeduizend jaar christendom niet herhaaldelijk in dezelfde situatie terecht gekomen als destijds de Israëlieten? Ik zei het al: de klacht van de profeten duurt voort tot in onze dagen.
Het eigene van Jezus is dat hij niet gekomen is om wet en profeten op te heffen maar om ze tot vervulling te brengen. Het verbond blijft dus recht overeind. Er bestaat dus geen oud verbond. En de aanduiding van de Tora als het 'oude testament' heeft menigeen op het verkeerde been gezet. Jezus heeft zó geleefd en gesproken dat het gesprek tussen de boodschap van de Schrift en de werkelijkheid van ons dagelijks leven open en levendig blijft. Hij trekt wat is vastgelopen weer los, wat is verstard zet hij weer in beweging. Jezus is de icoon van het verbond zoals God dat beleden en beleefd wil zien. Jezus is niet alleen de schilder van het rijk van God. Hij is ook het schilderij zelf. Daarom komen, zoals we hoorden in de lezing van het evangelie, de Hellenen om Jezus te zien. Deze Hellenen zijn Grieks sprekende joden. Ze spreken Grieks om aan te duiden dat ze uit de diaspora komen, de verstrooiing. Ze wonen her en der


en zijn op zoek naar de juiste weg.. Ze zijn joden, want ze gaan op naar de tempel om het paasfeest te vieren. Deze joden leven in een niet joodse samenleving. Ze verkeren in een andere toestand dan de joden in Juda en Jerusalem. Je kunt hun situatie wel vergelijken met die van ons. Wij leven in een geseculariseerde wereld. Dat is een samenleving, waarin de aanwezigheid van kerk en gelovige christenen niet meer vanzelfsprekend zijn. We zoeken het juiste spoor, een nieuwe weg om het verbond tussen God en zijn volk te kunnen vervullen. Daarom willen ook wij Jezus zien, inzicht krijgen, een wegwijzer en een spirituele injectie. Jezus geeft ons een antwoord. Hij doet dat in de vorm van een kleine en diepzinnige gelijkenis, want woorden schieten bij zo'n zwaarwegende vraag eigenlijk tekort. Hij spreekt in beelden, maar je kunt ook, zoals ik daar net zei, hem zien als een schilder die het rijk van God in een schilderij zichtbaar maakt. In de gelijkenis is te horen en op het doek is te zien wat nodig is om binnen de wereld van vandaag trouw te blijven aan het verbond. In de mate, waarin we oprecht zien en trachten te verstaan, gaan we voort op de weg van de Ene, van de mens, die geleidelijk aan wordt geschapen tot beeld en gelijkenis van God. Doen we dat niet dan volgen stilstand, verstarring én verharding.
Jezus spreekt over de graankorrel, die in de aarde valt en sterven moet om niet alleen te blijven. Sterft de graankorrel dan zal hij vrucht dragen. Natuurlijk denkt Jezus aan zijn eigen sterven en vergelijkt hij de gang, die hij gaan moet, met die van een uitgezaaide graankorrel. Maar ik zei het al: hij is óók het symbool van het rijk van God en dus van allen, die in deze tijd zoeken naar de weg en het milieu van God.
Jeremia spreekt van een nieuw verbond. Jezus laat ons zien, hoe we dat nieuwe verbond moeten verstaan. In plaats van stil te staan of naar oude tijden terug te keren blijft hij trouw aan wat hijzelf heeft geleerd, toen hij eens sprak over nieuwe wijn in nieuwe zakken. Jonge wijn bewaar je niet in oude zakken, want deze gaan scheuren. Dan zal ook de oude wijn verloren gaan.
Nieuwe wegen, nieuwe zakken. Natuurlijk is dat eenvoudiger gezegd dan gedaan. Nieuwe wegen gaan kost tijd en kan met pijn gepaard gaan. Het is als een sterfproces of, zoals Jezus leert, als de gang van de graankorrel. Vallen, in duisternis diep gaan, de akker van ons bestaan aanvaarden, sterven en wachten. Het begint wellicht als een lijdensweg, maar het zal uitlopen op nieuw leven, vruchtbaar, vol gerijpt.
Vandaag begint zoals we vroeger zeiden de passie, de lijdenstijd. Dan staan we niet alleen stil bij het lijden en sterven van Jezus, maar ook bij onszelf. Zijn we mensen van de weg, zoals de eerste christenen zich noemden? Of staan we stil terwijl de wereld om ons heen in een ras tempo verandert? Durven we zelf nog muziek te maken of luisteren we alleen naar een CD! Om het nog anders te zeggen: zijn we op weg naar het kerkelijk paasfeest, of naar het paasfeest, dat de kerk nieuw leven geeft! Hebben we het geduld om de weg van de graankorrel te gaan?
Hoe we zullen gaan hebben we vanmorgen voor de vijfde keer gehoord:
Gij moet het eenzaam laten
het zaad dat ligt te slapen
en dat al kiem gaat maken.
Dit eerstelingsbewegen
van leven binnen leven
vermijd het te genaken.
Laat het stil in zijn waarde
zaad in de donkere aarde.
En het zal groen ontwaken.
(I. Gerhardt)

   Palmzondag: Marcus 11,1-10; Jeremia 7,1-7; Marcus 11,15-19 5 april 2009, Paul Minke OP   


palmzondagBedevaarten, pelgrimstochten zijn van alle tijden in vele godsdiensten. Vele psalmen zijn bedevaartliederen, die gezongen werden wanneer pelgrims op weg gingen naar Jeruzalem, de stad van David. Verheugd was ik toen ik hoorde: wij gaan naar het huis van de Heer, verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten, Jeruzalem. Jezus was op weg naar Jeruzalem om aldaar het paasfeest te vieren. Daar bevond zich de tempel, de plaats was heilig, het huis van de Heer. Pasen, viering van de uittocht uit het slavenhuis Egypte o.l.v. Mozes. Een grote menigte van bedelaars, daklozen, vromen en niet vromen maar allen met Jezus op weg naar Jeruzalem voor het paasfeest, volgde hem, zo horen wij uit het verhaal dat hieraan vooraf ging, het verhaal over de genezing van de blinde Bartimeus. Mensen, die dit met elkaar gemeen hadden, dat zij geen vrijheid kennen en gebukt gingen onder de lasten van de Romeinse bezetting. Het lijkt of niet alleen de ogen van de blinde Bartimeus geopend werden maar ook de ogen van heel de menigte, die ineens zagen wie Jezus was. Jezus had zich gezet op een ezel, die twee leerlingen hem brachten. Het volk herkenden in hem de Komende, de Messias, hun bevrijder en redder. De menigte en de leerlingen deden er alles aan om van de inkomst van Jezus een triomfantelijk gebeuren te maken, een intocht een koning waardig. De intocht loopt uit op een politieke messiaanse demonstratie. Het verlangen naar bevrijding ontlaadde zich in het ge-zang dat zij aanhieven: Hosanna, gezegend de Komende in de naam van de Heer. Gezegend het Koninkrijk dat komen gaat, van onze va-der David. Jezus liet dit toe. En meer dan dat. Hij gaf daartoe de me-nigte alle aanleiding, door op een ezel gezeten Jeruzalem binnen te trekken, naar de tempel. Maar wel op een ezel, en niet op een paard, symbool van geweld en macht. Nee, Jezus koos bewust voor een ezel, beeld van vrede en zachtmoedigheid. Daarmee ook de herinne-ring oproepend aan Zacharja, die profeteerde: "Juich, Sion, Jeruza-lem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, het jong van een ezelin. Hij zal vrede stichten tussen de volken."
De verwachting van het juichende volk was zeer hoog gespannen. De verachting van de godsdienstige leiders verdiepten zich buiten mate. Jezus had bij zijn aankomst in de tempel, het huis van de Vader, gezien, hoezeer handel en commercie was binnengedrongen in het tempelcomplex; hoe die


heilige plaats werd ontheiligd en ontwijd door handelaren, die daar hun nering hadden met toestemming van de hogepriesters, die daarvoor ook het nodige kregen toegeschoven. Hij ging de volgende dag de tempel binnen en begon de mensen, die daar kochten en verkochten weg te jagen en de tafels van de geldwisse-laars en de stoelen van de duivenverkopers gooide hij om. Het zal Jezus niet zozeer gegaan zijn om de geldwisselaars en duiven-verkopers want die waren gewoon nodig voor de pelgrims die kwa-men offeren, maar om de woekerprijzen die gevraagd werden en op-gebracht moesten worden. Zo kwam in feite aan het licht, hoezeer de godsdienst verloederd was. Naar buiten klopt het ongetwijfeld wat er allemaal gedaan moest worden: de riten, die gevolgd werden, de of-fers die gebracht werden, de gebeden die werden opgezegd, maar dat alles bleef buitenkant. Het komt niet uit het hart, dat alles was geen uiting van geloof en liefde het was geen uitdrukking van overgave en eerbied voor het heilige. Jezus was niet de eerste, die de wan-toestanden aan de kaak stelde. Vele profeten waaronder Jeremia over wie wij in de eerste lezing hoorde hebben zich gekeerd tegen de hogepriesters en andere geestelijke leiders. Jeremia zei: Vertrouw niet op de bedrieglijke leus: De tempel is hier, alsof, als je je keurig aan de regels houdt, je niets gebeuren kan: Denken jullie soms dat het huis dat mijn naam draagt een rovershol is? Ik zie wel degelijk wat jullie doen - spreekt de Heer. Iedere godsdienst loopt gevaar verstrikt te raken in zijn tradities en gebruiken, als daaraan tegen de tijdgeest in vastgehouden wordt, ook dan, wanneer deze riten niet meer dragers zijn van wat in een mens aan geloof leeft wanneer symbolen en rituelen een eigen zelfstandig leven gaan leiden en los staan van het gewone, dagelijkse leven met al zijn lief en leed.
Vandaag op Palmzondag beginnen wij de Goede week. Wij volgen Jezus' laatste dagen en uren, het avondmaal, zijn lijden en dood, om op Paasmorgen de week te eindigen met het feest van zijn verrijzenis. In gedachten zijn wij meegetrokken Jeruzalem in, in gespannen verwachting. Zijn hartverwarmende intocht heeft de hoop gewekt naar bevrijding en vrede. Hij zal ons meenemen en uitnodigen aan zijn tafel met brood en wijn. Hij maakt ons tot getuigen van zijn liefde tot het uiterste, zijn liefde totterdood. En hij zal ons zijn vrede geven op Paasmorgen, zijn vrede, zijn leven. Het zijn vele bezinningsmomenten in het licht waarvan wij onszelf kunnen zien met nieuwe ogen en ons geloven kunnen versterken. Ik wens u allen een goede week toe. Amen

  Witte Donderdag: Exodus 12,1-14; Johannes 13,1-15 9 april 2009, Antoon Boks OP   


Wie van ons heeft niet een keer lopen zoeken naar zijn sleutels? Nu zijn er van die sleutelringen in de winkel, die als je in je handen klapt, geluid geven en dan kunnen we gaan zoeken, waar dat geluid vandaan komt. Dat is natuurlijk een hulp voor ons geheugen, dat steeds slechter wordt.
Vanavond houden wij ons bezig met een totaal ander soort herinnering en we gebruiken daarbij geen moderne stukjes speelgoed, wij vertellen aan elkaar, wat we hebben gehoord en wat we een plaats hebben gegeven in ons leven. We herinneren ons Jezus.
Meer dan eens lezen we dat Jezus ons een voorbeeld heeft gegeven; een andere keer vraagt hij ons iets te doen om aan hem te denken. Dat geldt niet alleen voor de Eucharistie. Hij breekt niet alleen maar brood en deelt de wijn rond; Hij zelf is aanwezig. Bij het laatste avondmaal deed hij wat hij altijd al had gedaan: Hij gaf zich aan zijn leerlingen en wij zijn allemaal zijn leerlingen.
Hij is er steeds weer als we heil en verlossing nodig hebben, als onze zonden vergeven moeten worden, als we richting aan ons leven moeten geven.
Hij is steeds aanwezig, ook als we hem vergeten hebben en alleen maar denken aan wat in de wereld de goede redenen zijn om te leven. Geen wonder dat we steeds weer Eucharistie moeten vieren, want ons geheugen moet opgefrist worden. Als we hier bij elkaar komen, dan herinneren we ons hoe Jezus leefde en stierf. We hopen dat we weer te horen krijgen hoe we verder moeten. Het kan natuurlijk zijn, dat we net als bij een TomTom lange tijd niets te horen krijgen, dan zitten we kennelijk op de goede weg.
Naast die viering van de Eucharistie vanavond, mogen we het leven van Jezus laten zien, als we in ons leven zijn leven weerspiegelen, als we ons aan anderen geven, zoals hij het deed. We kunnen ons heel wat van Jezus herinneren en hij is echt aanwezig in ons leven van elke dag:
Als we houden van vriend en vijand.
Als we anderen vertellen van het koninkrijk van God.
Als we blijven proberen om alle mensen te overtuigen van Gods liefde voor alle mensen.
Als we geen kwaad met kwaad vergelden.


Als we steeds maar weer vergeven.
Als we zieken helpen.
Als we zondaars in ons midden opnemen.
Als we armen onze vrienden noemen en voor hen zorgen.
Als we bange en verdrietige mensen ondersteunen.
We herinneren ons dat Jezus zei om dat allemaal te doen als een teken van zijn aanwezigheid onder ons. Laten we dat doen. We willen zijn brood breken en drinken van de beker en dan herinneren we ons ook dat Jezus onze gebroken geesten aanraakt en weer heel maakt.
Vandaag gaan we verder op onze weg naar heil en verlossing, naar een grotere deelname aan onze geloofsgemeenschap. We willen ons Jezus herinneren door te doen wat nodig is voor de noden van onze gemeenschap en voor de hele wereld.
In de lezing vertelt Johannes zijn toehoorders dat het uur van de uittocht voor Jezus is gekomen. De voetwassing herinnert ons er aan dat iedereen die gedoopt is deelt in zijn erfenis.
Petrus aarzelt omdat hij begrijpt, dat, als hij de voetwassing van Jezus aanvaardt, hij ook zelf de voeten van anderen moet wassen. Het is te begrijpen, dat hij aarzelt, maar hij vertrouwt Jezus en laat hem zijn voeten wassen.
Doen, wat Jezus deed, wordt werkelijkheid in deze viering. Door deze maaltijd en ons leven als volgelingen van Jezus verkondigen we de dood van de Heer totdat hij komt.
Ik probeer altijd positief te zijn, maar toch even een waarschuwing: we praten hier niet over de wijding van priesters als een aparte groep. Wij allemaal moeten luisteren naar Jezus en zijn worden toepassen op ons leven. We zijn allemaal geroepen om te doen wat Jezus deed en liefdevol anderen te dienen.
Door zijn leerlingen de voeten te wassen toonde Jezus zijn liefde. Hij vraagt ons liefdevol te leven in onze wereld. De voetwassing geeft ons ook de mogelijkheid om na te denken over onze doopbeloften en ons voor te bereiden op de paasnacht waarin we die beloften hernieuwen. Door ons doopsel kregen we het leven van Jezus. Vanavond beloven we met de hulp van de Eucharistie, met de aanwezigheid van Jezus, om goed te doen aan anderen. Die dienst gaat altijd door. Het duurt heel ons leven. Wie kan dat doen?
Alleen kunnen we het niet, daarom komen we steeds weer bij elkaar om krachten op te doen door Jezus te herdenken.