PREKEN VAN DE DOMINICAANSE GEMEENSCHAP TE HUISSEN: Paastijd 2007 (C)


1e zondag van de 40-dagentijd: Genesis 9, 8-15; Marcus 1, 12-15
26 februari 2012, Ineke Cuijk OP

De veertigdagentijd is een paar dagen oud en ik weet niet hoe het u vergaat, beste mensen, maar ik vind het iedere keer opnieuw spannend hoe je die tijd kunt en wilt doorbrengen. Het vastentrommeltje uit mijn jeugd is weg – letterlijk en figuurlijk – maar om te zoeken naar iets wat ‘zinnig’ is – wat inspireert en in deze tijd past – vind ik niet altijd eenvoudig. Dat lukt het ene jaar ook beter dan het andere. Maar ‘vasten’ is dit jaar wel ‘in’ als je de vele krantenberichten en radio- en tv. uitzendingen mag geloven. Bij jongeren – zo hoorde ik op de radio – speelt vooral dat zij zich wat meer bewust willen zijn/worden van de luxe waarin wij leven. Dat het zo breed bespreekbaar is – dat niemand het ‘gek’ vindt en dat er vormen gezocht worden die bij onze tijd passen – enigszins onthouden van allerlei twitter- en sociale media gedoe – is natuurlijk een goede ontwikkeling.
Je voorbereiden op het grootste christelijke feest vraagt enige inspanning. ‘Je voorbereiden’ betekent volgens van Dale hoorde ik afgelopen week is: ‘jezelf in de juiste houding brengen om af te wachten’. Hoe vind je in onze onrustige maatschappij die houding? En hoe vind je manieren om daadwerkelijk ‘vasten’ vorm te geven? Een zoektocht………. maar wellicht kunnen de lezingen van vandaag ons ondersteunen. Het verhaal van Noach en De Ark is een verhaal dat nogal tot de verbeelding spreekt. Een boze God die een zondvloed laat komen – bepaalde mensen redt – én die mensen weer nieuw leven schenkt.
Bij de eerste lezing van vandaag heeft Noach al weer voet op aarde heeft gezet. Na de verwoestende vloed – kwamen er nieuwe levenskansen voor mensen, dieren en planten. Toen het water was teruggedrongen, kreeg het licht weer de overhand. Zoals op de eerste scheppingsdagen. Nieuw leven. En dankbaar voor dit nieuwe leven brengt Noach een offer – een brandoffer/ een dankoffer. En dan gaat God nog een stapje verder.
Dit offer brengt veel te weeg. De Naardense Bijbel vertelt het heel mooi: De Ene ruikte de reuke die tot rust brengt en de Ene zegt tot zijn hart: ‘’ Ik wil niet nóg eens de bloedrode grond verwensen” En De Ene doet een belofte, biedt een kompleet en totaal nieuw verbond aan. Behalve de bloedrode grond worden ook ‘alle levende wezens’ in dit verbond betrokken. Het valt op dat het een eenzijdige verbintenis is vanuit God. ‘Ik ga met u een verbond aan dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.’
Hier ben je geneigd God allerlei menselijke emoties toe te kennen en je zou haast denken dat God spijt heeft van die enorme zondvloed. En blijkbaar doet die reuke, die tot rust brengt………..doet wat met God. Geuren kunnen heel bepalend in het leven zijn. En allemaal hebben we wel – ieder op een eigen wijze – voor- of afkeuren voor bepaalde geuren. Maar het kan wel helpen tot rust te komen. Om te komen in een goede, aangename stemming. En zelfs tot dankbaarheid! Ik zelf ervaar dat als ik mijn kleinkind van 8 maanden vast hebt. U herkent dat misschien wel!

De geuren van de woestijn kan ik niet zo maar oproepen – we hebben wel beelden bij ‘woestijn’. De woestijn kan een plek zijn waar belangrijke beslissingen vallen. De woestijn is een beeld van bezinning, je terug trekken, zoeken, ontdekken waartoe je ‘echt’ geroepen bent.
Dit beeld kan ons in de veertigdagentijd bemoedigen en inspireren. Een plaats waar weinig luxe en comfort is, eigenlijk helemaal niet. En dus is het een plek waar weinig afleiding is, je kunt dan ontdekken met hoe weinig een mens toe kan. En je proeft dan het weinige ook helemaal. Het water dat je daar drinkt, heeft echt smaak en is een feest. Je wordt geconfronteerd met je naakte bestaan, je wordt beproefd en je ontdekt wie je bent en wat je opdracht in het leven is.
Zo is dat beeld van de woestijn een plaats waar je God kunt ontmoeten. Het woord ‘versterven’- wat in onbruik geraakt - geeft het goed aan: het gaat om een lichamelijke reiniging die ook geestelijke krachten vitaliseert: het bewust inperken van eigen keuzemogelijkheden tegenover alle verzadiging, overdaad en overprikkeling tijdens de rest van het jaar. En vooral om dat te verbinden met christelijke solidariteit. Voor de Veertigdagentijd mag het beeld van de woestijn – net als bij Jezus – voor ons een spiegel zijn. Een periode van inkeer en groei, om verdieping en bevestiging van onze identiteit als christen.
Jezus gaat – gesterkt door de Geest – de woestijn in. Die steun en kracht heb je nodig – zeker als je door de satan op de proef wordt gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Dieren en engelen – geen mensen!! De woestijn periode van Jezus mogen wij zien als een innerlijke worsteling om in evenwicht te komen met jezelf. De woestijn confronteert Jezus met twee uitersten: het dierlijke en het engelachtige! Het goede en het kwade! Van de ene kant is elk mens geneigd het goede te doen, (daar geloof ik heilig in) aan de andere kant weet ik, weten wij allemaal, dat het-minder-goede (het kwade) van alle kanten loert. En moeten wij er keer op keer weerstand aan bieden. Voor ons ligt er de uitdaging (en soms de worsteling) daar toch vormen voor te zoeken – uiting aan te geven – met vallen en opstaan.
In de komende Veertigdagentijd worden wij uitgenodigd plaatsen, plekken en momenten te zoeken om onze materiële lasten en al te luxe genoegens af te leggen, los te laten om open te kunnen staan voor God – voor spirituele ervaringen. Jezus kan met die intense doopervaring en gesterkt door de Geest die strijd aan. Wij kennen zijn verhaal – wij weten hoe het afloopt – Hij gaat zijn weg tot het einde toe. Jezus heeft laten zien dat God mensen niet in de steek laat – God was erbij – ook op het kruis. De Ene heeft het al beloofd aan Noach: Het verbond dat Ik met u sluit –daar komt niemand meer tussen. Dat verbond is er ook voor ons. Tot op de dag van vandaag. Dat wij op de plekken waar wij leven en werken mogen ervaren dat God ons niet in de steek laat. Dat wij in Zijn Kracht rust vinden om ‘jezelf in de juiste houding te brengen om af te wachten’ Wij mogen ons geborgen voelen binnen dat grootse verbond van liefde – van God met mensen.

2e zondag van de 40-dagentijd: Genesis 22,1-18; Marcus 9,2-10
4 maart 2012, Henk Jongerius OP

In de Joodse traditie wordt het verhaal dat wij hoorden uit het boek Genesis niet aangeduid als de beproeving van Abraham maar als ‘de binding van Izaäk’. Hierdoor komt het verhaal in een ander perspectief te staan. Het gaat dan niet meer alleen om God die Abraham op de proef stelt om zijn toekomst, zijn zoon, op te geven, neen het gaat dan over een onschuldig slachtoffer. De vraag die Izaäk stelt naar het dier dat geofferd moet gaan worden en het antwoord dat hij krijgt ‘God zal erin voorzien’ krijgt dan een heel bijzondere lading.
Het verhaal gaat niet over een eventueel willekeurig handelende God die onmogelijke offers vraagt, maar om een God die omziet naar allen die op wat voor een manier dan ook slachtoffer worden zonder dat zij daar enige schuld aan hebben.
De latere aartsvader Izaäk wordt hierdoor als kind al getekend als een mens die niet groots en verheven grote daden van geloof laat zien, maar als iemand die weerloos en te goedertrouw is en wel zozeer dat hij door zijn zoon Jakob bedrogen zal worden. Hij staat daar als voorbeeld voor de gelovigen – net zoals zijn vader Abraham – die in alle bescheidenheid hun toekomst uit de handen van de Eeuwige ontvangen.
Dit wordt prachtig beschreven als hij wacht op de komst van zijn vrouw Rebecca die van verre opgehaald wordt door zijn knecht. Als hij haar verwacht verblijft hij in het veld bij de bron en is daar aan het bidden…
Zoals Abraham geprezen wordt omdat hij geloof hecht aan de belofte van God, zo is Izaäk voor ons het voorbeeld van mensen die hun toekomst en de bestemming van hun leven verwachtingsvol van God willen ontvangen. Een aartsvader als onschuldig slachtoffer!
Mensen die het wagen met God op weg te gaan lopen het gevaar dat zij het 

onderspit delven, door anderen geslachtofferd worden, gebruikt om hun eigen doelen na te streven. Van dit geloofsgeheim komt hij ‘op de hoogte’ letterlijk en figuurlijk!
Ook Jezus bevindt zich op een berg en komt daar op de hoogte van de levensweg die hij te gaan heeft. Het is de weg van mensen die vertrouwen hebben in Wet en Profeten en daardoor van gedaante veranderen zoals met Jezus gebeurde. In hem wordt doorzichtig wat de ware gestalte van de mens zal zijn: het is de weg van totale toewijding aan mensen, een weg die voor hem fataal zal eindigen. Ook Jezus wordt het onschuldige slachtoffer van een kerkelijk systeem dat meer op eigen macht en gelijk stoelt dan op de overlevering van Mozes en de Profeten!
Maar ook over hem, zoals eerder bij Izaäk, klinkt een stem uit de wolk, het beeld van de aanwezigheid van God: ‘dit is mijn welbeminde zoon, luister naar hem’.
Deze mens laat in zijn doen en spreken de oorspronkelijke schoonheid van de mens naar Gods bedoeling zien. In deze vernederde mens schijnt nog het oorspronkelijke licht van God, ook al sterft het dood na dood. Het kiemt in mensen tot nieuw leven en daarvan mogen wij getuigen zijn in Jezus die Wet en profeten heeft volbracht, die de weg van de mens is gegaan en op wie de woorden van psalm 22 van toepassing zijn. In de diepste verlatenheid waarin gezegd wordt ‘waarom hebt gij mij verlaten?’ klinken tegelijk de woorden op dat de Eeuwige ‘de vernederde in zijn vernedering niet heeft veracht, zijn gelaat niet van hem heeft afgewend maar geluisterd heeft naar wie tot hem schreide’.
Met Izaäk en Jezus komen wij vandaag op de hoogte van Gods omgang met de mensen: Hij verlaat het werk van zijn handen niet! Gelukkig zullen wij zijn als wij die werkelijkheid biddend en weerloos tot ons toelaten, want ons zal een toekomst wachten die ons hoopvol doet leven tot in het uur van onze dood.

3e zondag van de 40-dagentijd: Exodus 20, 1-17; Johannes 2, 13-25
11 maart 2012, Theo Koster OP

Kent u ze nog, de tien geboden? De meesten van ons hebben deze in hun jeugd uit hun hoofd geleerd. Zij gaan terug op de eerste lezing. De betekenis en de reikwijdte van de tien geboden ontgaan je, als je de tien geboden losmaakt van de context waarin zij zijn overgeleverd. Die context is een God die zijn mensen heeft bevrijd uit onderdrukking. Deze God laat het daar niet bij, maar geeft zijn mensen richtingwijzers mee, die het volk helpen zijn bevrijdingswerk voort te zetten en uit te breiden. Bevrijden is niet je strikt houden aan geboden. God geeft daar zelf een prachtig voorbeeld van. We hoorden dat schuld wordt gewroken tot het derde en vierde generatie, maar hen die God liefhebben en zijn richtlijnen volgen zal God goedheid bewijzen tot aan de duizendste generatie.
Het ‘geen’ bij geen echtbreuk plegen is veel rijker dan een verbod. Als richtingwijzer betekent dit: geef jezelf in liefde en trouw, en dat geldt ook voor mij die niet getrouwd ben. Niet stelen betekent als richtingwijzer: zorg dat iedereen op deze wereld menswaardig kan leven. Deze richtingwijzers volgen zal ons brengen tot een menswaardige samenleving, waartoe God ons bevrijdt heeft, bij de droom die God van den beginne voor ogen stond, en waar deze God ons bij nodig heeft.
De tien geboden zoals ik deze geleerd heb zetten mij tegenover God. De eerste lezing waaraan deze geboden ontleend zijn laat ons zien, dat God niet tegenover ons staat maar met ons onderweg is, dat God geen almacht is, laat staan een tiran, maar een stille kracht die de stille kracht die in ieder van ons schuilgaat wekt. In Jezus is die stille kracht wakker geworden en horen we, zien we waartoe dit leidt.
Jeruzalem en daarin de tempel was voor het joodse volk dé plaats om God te ontmoeten. Ten tijde van Jezus en in het evangelie van Johannes is het dé plaats geworden van het ongeloof en de verblinding, te vergelijken met het huidige Rome. Centraal staat niet meer de dienst aan God, godsdienst, maar rituelen, het volgen van regels. Deze riten en regels hielpen het vertrouwen in God, een ander woord voor geloven, te voeden en in stand te houden. Maar zoals dit vaak gaat met riten en regels, denk daarbij aan onze tien geboden, ze gingen een eigen leven leiden, los van God de bevrijder. Richtlijnen werden handvaten om zich aan God vast te klampen, de eredienst in de tempel een garantiebewijs, alsof je als mens vat kunt krijgen op, God kunt claimen. Vanuit zijn vertrouwen in God voelde Jezus dit haarfijn aan. Het maakte een heilige woede in Jezus wakker, waarmee hij niet alleen de verkopers en geldwisselaars uit de tempel verdreef, maar ook de 

schapen en runderen, die geofferd zouden worden. Daarmee haalde hij een eeuwenlange praktijk onderuit. Mijn vader verdient gerespecteerd te worden als vader, en niet als een almacht die offers vraagt.
Dit optreden van Jezus sloeg in als een bom, werd ervaren als heiligschennis. Men vraagt daarom om een teken, een legitimatie. Men kan niet geloven dat een gelovige jood zo ver durft te gaan, dat hij in Gods eigen tempel een decennia lange praktijk op losse schroeven zet. “Breek deze tempel af” horen we vervolgens Jezus zeggen. Een aantal van hen zal hem om dit optreden later vermoorden.
Ze hebben niet door of willen niet zien dat het doel van de tempel, God eer te brengen, niet gediend was met praktijken die hun zinvolheid hadden verloren. Het is niet Jezus die de tempel afbreekt. Zij doen het zelf met het vasthouden aan regels zonder zich af te vragen, of deze regels de lading nog dekken.
Je kunt dit vergelijken met een recente brief van kardinaal Eijk, waarin hij opkomt voor de heilige Eucharistie en benadrukt, dat strikt alle regels nageleefd, geen voorschrift geschonden mag worden, zonder dit te motiveren vanuit de zaak zelf: de eucharistie. Zo breekt hij af wat hem en wat ons hier heilig is: de eucharistie.
Dit voorbeeld maakt tevens duidelijk de schok die Jezus’ optreden veroorzaakte. De joden begrijpen niet dat Jezus sprak over de tempel van zijn lichaam. Van dat lichaam maken we als kerk deel uit. Als we eucharistie vieren worden we, etend en drinkend, verbonden met elkaar en met God, als lichaam van Christus. Niet de tempel als gebouw, niet de kerk als instituut, maar mensen, in wie die stille kracht van God niet gesmoord wordt zijn het huis van God, lichaam van Christus, kerk.
In het optreden van Jezus wordt zichtbaar, dat God een bevrijdende God is, een vader die richting wijst, een moeder die naar haar kinderen omziet.
Velen gingen in hem geloven, hoorden we. Jezus neemt dit geloven met de nodige korrels zout. Het is geen vertrouwen in de Barmhartige die in hem zichtbaar werd, maar een opzien tegen iemand die zoveel lef heeft, die zulke krachtige tekens liet zien. Van zo’n geloof wordt de wereld niet menselijker, komt het rijk van God niet dichterbij, weet Jezus, integendeel. Wie tegen mensen opziet, of bang voor mensen is, wie het ook zijn, smoort de stille kracht in zichzelf, in plaats van God tot leven te brengen.
God zij dank laat God zich noch in deze wereld, noch in onze kerk dooddrukken, al zal de Barmhartige hieronder lijden, zoals een moeder, een vader lijdt als het kind domme dingen doet.

4e zondag van de 40-dagentijd: 2 Kron.36,14-23; Johannes 3,14-21
18 maart 2012, Ernst Marijnissen OP

Op zondagmorgen, 4 maart, dus twee weken geleden, zag ik op het tweede Duitse televisienet een liturgieviering vanuit een plaatsje bij Graz in Oostenrijk. Misschien zijn er nu mensen onder u die denken: dat heeft hij nog eens verteld in een preek, een goede maand geleden. Dan prijs ik uw geheugen, maar die uitzending kwam van een verzorgingstehuis in Wenen. Wat ik u nu ga vertellen is dus iets anders, maar ik beloof u dat dit de laatste keer is ik over liturgievieringen uit verzorgingshuizen in Oostenrijk spreek! Ik zag een kapel van een tehuis van gehandicapten, oud en jong. Dat huis behoort toe aan de orde van de broeders van de goddelijke barmhartigheid. Hun kleding doet denken aan die van de Franciscanen. Er waren er acht. Ik veronderstel dat zij de communiteit vormen. Iets van het hele gebeuren deed me denken aan de verhouding tussen wereld en kerk, tussen samenleving en de aanwezigheid van het volk van God. Wellicht kwam dat door de muziek, een mix van pop, rock, jazz, klassiek en wat Gregoriaans aandoende melodieën. Koor en broeders musiceerden vol overgave. Voor zover ik kon waarnemen waren de muzikanten allen vitaal en gezond. De kapelgangers waren dat niet. Er waren veel geestelijk en lichamelijk gehandicapten onder hen. Zo op het oog waren er ook wel gezonde mensen aanwezig, maar van hen kon ik niet zien of zij blij dan wel verdrietig waren. Kortom, het geheel vertoonde een grote overeenkomst met onze moderne samenleving. Het blijmoedig optreden van muzikanten en voorgangers had een duidelijke en bevrijdende invloed op de aanwezigen. Je zag tijdens de viering zich een vorm van bemoediging en blijmoedigheid van die kwetsbare mensen meester maken. Ik zag hoe het oude mooi werd en de moeite waard om te leven. Gaat en vermenigvuldig.
En ik dacht: zó zal de kerk in onze wereld aanwezig moeten zijn!
Misschien is het op de plek, waar wij wonen en werken, tamelijk rustig. Er is ruimte om te leven, gelegenheid om vrijuit te spreken, er vinden daar geen overvallen en berovingen plaats, er worden geen mensen met messen gestoken of met vuurwapens gedood, je durft gewoon over straat te lopen en de verhoudingen met je familieleden, vrienden, kennissen en buren is niet al te gecompliceerd. Op je werk gaat het redelijk goed en op de school van je kinderen worden geen mensen doodgeschoten. Ik denk dat het heel veel mensen in Nederland, maar ook in grote delen van de wereld zo vergaat. Toch kunnen wij ons wel enige voorstelling maken van geheel andere situaties. We lezen de krant, zien naar het journaal of horen de nieuwsberichten. We krijgen beelden onder ogen niet alleen van grote natuurrampen, maar vooral van gewelddadige handelingen, waarmee mensen medemensen bedreigen. Terreurdaden, zelfmoordcommando’s, zakenbedrog, valse informatie op grote schaal, politieke corruptie en ga zo maar door. Van alles wat leeft heeft de mens zich ontwikkeld tot het meest gewelddadigste en moordlustigste wezen aller tijden. De gevolgen van dit alles zijn met geen pen te beschrijven. Overkomt het u nooit bij het zien en horen van zoveel ellende, dat boos¬heid als een vuur in je losbarst, en dat je in je binnenste soms gevoelens van de allergrootste agressiviteit ontwaart? Ik kan me voorstellen dat mensen soms op springen staan.
Maar God is zo niet, zegt Johannes. God is bezeten van een onvoorstelbare liefde voor de mensen, die deze turbulente wereld bewonen en zelfs haar voortbestaan in gevaar brengen. Hij is zo vervuld van deze liefde, dat hij er zelfs voor mens worden wil. Hij verlaat zijn eigen grootheid, veiligheid en rust om deel te nemen aan onze geringheid, gewelddadigheid en overspannenheid. Wat zouden wij doen, als na herhaald aandringen om de taken en verantwoordelijkheden, waartoe iemand geroepen is, telkens weer vergeten worden of verwaarloosd? Je stuurt zelfs na het grootste geduld die mens toch de laan uit!
Maar God niet. In het begin heeft hij tot de mens gezegd: gaat en vermenigvuldig. Toen was alles op aarde geschapen in een veelvoud van levensvormen en levensmogelijkheden.

Tegen de mens heeft God gezegd: dit vertrouw ik je allemaal toe. Zorg dat het groeit en tot bloei komt, niet alleen jij, mens, maar alles om je heen. Heel de schepping. Maar die zijn we voor ons zelf gaan gebruiken. We hebben God zijn eigendom ¬ont¬vreemd, omdat we van het “gaat en vermenigvuldig” hebben gemaakt: “gaat en vermenigvuldig jezelf”. Wat doe ik, wat doen wij als iemand jou bezit verkwanselt? Je stuurt die mens de laan uit.
Maar God niet. Hij stuurt ons niet de laan uit, maar zet alles op alles om ons weer op de been te helpen en op de rechte weg te brengen. Daarvoor gaat hij tot het uiterste. In de komst van ¬zijn Messias Jezus wordt deze menslie- vendheid vlees en bloed. Daarom zijn er in deze wereld zoveel lieve en goede mensen, zowel weldoeners, zoveel helers van diepe wonden, zoveel dapperen, die hulp verlenen in onmogelijke omstandigheden, zoveel redders en herders. Daarom zullen we niet zeggen: ik begrijp niet wat God nog in deze wereld ziet, maar we zullen zeggen: hoe diep gezonken of hoezeer in duisternis gehuld, God houdt van deze wereld. Dat laten dagelijks ontelbare mensen zien in wat ze doen.
Dat is het beeld van de ware kerk. Ze staat midden in een samenleving, die complex is en verwarring schept. Helaas vertoont ze vaak alle kenmerken van het oude Israël zoals we hoorden in de eerste lezing (2 Kron.36,14-23): 'ze bedreven alle gruweldaden der heidenen en ontwijdden de tempel die de Heer geheiligd had'(v.14). Toen het zover gekomen was, werd het volk in ballingschap gevoerd en woonde het in een vreemd land. “Aan Babels stromen zaten we neer en weenden, treurend om Sion, stad van onze vreugde”. Voor velen van ons is ook de kerk van vandaag in ballingschap gevoerd, en we zijn bedroefd en geraakt als we denken aan de kerk, die ons vreugde heeft geschonken..
Maar er is hoop. Want juist in de ballingschap heeft Israël beter dan voorheen zijn roeping verstaan. Het leefde in de verstrooiing, in de diaspora. Dat klinkt negatief. Maar diaspora is afgeleid van een Grieks werkwoord, dat uitzaaien betekent. In deze tijd worden de parochies steeds meer uitgesmeerd over grote gebieden en dat werkt in de eerste plaats verstrooiend. Maar deze verstrooiing kan ons tot denken aanzetten en nieuwe krachten in ons wekken. In de verstrooiing ontdekte Israël opnieuw zijn profetische roeping én wat het inhoudt een teken onder de volken te mogen zijn van Gods blijvende zorg voor de wereld. De redding van die wereld komt niet naderbij als Gods bondgenoot verblijft binnen veilige grenzen, vol aandacht voor het eigen wel en wee en trots op de tempel in zijn midden. Dat ontaardt in navelstaren en zelfgenoegzaamheid. De grootste bedreiging voor het volk van Messias Jezus is de mening, dat het zichzelf zou kunnen redden. Een waarlijk messiaans volk is daartoe juist onbekwaam. Als wij getrouw aan het verbond en het woord van Jezus willen leven, zullen we ons naar dit inzicht gedragen. Er staat over Jezus Messias geschreven: anderen heeft hij bevrijd, zichzelf kán hij niet bevrijden (Mt.27,42) Of dit nu spottend wordt gezegd zoals rond het kruis, of niet, maar een messias kán dit niet: zichzelf bevrijden. Hij is namelijk solidair, geen solist, hij is een mensenzoon, geen godenzoon. Hij is messias, dat wil zeggen: gezalfd tot herder voor anderen. Wij zijn een messiaans volk, niet voor onszelf, maar tot herders gezalfd voor anderen, de wereld. Pas daarna en daardoor worden ook wij bevrijd! In de ballingschap is dat pas goed tot Israël doorgedrongen. Voor de kerk van vandaag is dat een signaal van hoop en nieuw leven. Ballingschap, diaspora, is het gevolg van zelfgenoegzaam denken en vertrouwen op eigen kunnen. Dat inzicht is belangrijk. Want ook en misschien wel juist als wij ons voorstaan op ons kerk-zijn, kunnen we ontrouw worden en kinderen van de duisternis zijn. De psychologie van de ballingschap leert ons daarentegen dat juist dáár het gelovig vertrouwen weer aangroeit dat God betrouwbaar blijft. Hij roept ons tot de orde. We zullen opnieuw leren luisteren naar zijn Woord. Dat leert ons immers dat God de wereld lief-heeft, dat Hij ons heeft uitgekozen opnieuw een teken van hoop en toekomst te zijn voor alle mensen, zoals die kleine broederschap met hun muzikanten daar in die Oostenrijkse kapel.

5e zondag van de 40-dagentijd: Jeremia 31,31-34; Joh. 12,20-33
25 maart 2012, Antoon Boks OP

U, als regelmatige toehoorder van Schriftlezingen zal allang gemerkt hebben dat menselijke zonde en mislukking in beide Testamenten een vaak voorkomend thema is. En dit is niet alleen een thema uit de Bijbel. Als we de laatste tijd de krant openmaken of naar het nieuws luisteren word je als het ware bedolven onder zoveel leed en pijn waaronder wij zelf en anderen gebukt gaan: een zelfmoordbom die flink wat burger slachtoffers maakte in Afghanistan, het nieuws van die militair die zestien burgers doodde waaronder kinderen en die man, die drie leerlingen en een leraar van een Joodse school doodschoot. Om maar niet te praten van weer nieuwe voorvallen van seksueel misbruik van kinderen. Af en toe kan dat beeld vrij onverbiddelijk en ontmoedigend zijn. Moet ik dan maar stoppen met het lezen van de krant, of het kijken naar de televisie en al helemaal niet het Internet aan zetten?
Menselijke zonde en mislukking met alle gevolgen daarvan, kwam ook reeds in de Bijbel voor: Jeremia waarschuwde de mensen van Juda dat de Babyloniërs hun land en volk zouden vernietigen omdat Juda haar verbond met God had verbroken. De Babyloniërs kwamen, versloegen dat volk en voerden de mensen weg in slavernij.
Maar er is nog een belangrijk motief in de beide Testamenten. Na het noemen van de ontrouw van de mensen vertelt de profeet Jeremia wat God zal doen. Dan horen we duidelijk dat ondanks hun zonde God een nieuwe overeenkomst met de mensen gaat maken. God geeft niet op, Hij blijft ons liefhebben en komt steeds weer terug met nieuwe voorstellen om die liefde tot uitdrukking te brengen.
Wij zijn al een flink stuk in de Veertigdagentijd en bij al onze gebeden en gedachten zijn we waarschijnlijk zover gekomen dat we ook wel inzien, dat we soms te kort schoten in onze manier om te leven als kinderen van God. In de klassieke passage van vandaag biedt Jeremia ons hoop - niets van wat we wel of niet gedaan hebben kan er voor zorgen dat God zich van ons afkeert. Hij zal onze fouten vergeven en onze zonde niet meer gedenken. God vergeet heel veel in de Bijbel en nu worden we er nog een keer aan herinnerd dat God Zich onze zonde niet meer zal herinneren. Mogen wij op Gods woord vertrouwen en vergiffenis krijgen van onze God die gelukkig wel heel erg gemakkelijk lijdt aan vergeetachtigheid?
Door heel het Evangelie volgens Johannes heeft Jezus steeds weer gezegd dat zijn uur nog niet gekomen was. Dat “zijn uur” had niets te maken met het al dan niet verschuiven van de klok om te weten wat de juiste tijd zou zijn. Zijn uur verwijst naar het moment van zijn glorie, toen Hij door zijn lijden, dood en  verrijzenis naar zijn Vader zou terugkeren. Vandaag kondigt Hij aan, dat het uur gekomen is, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Wat bewoog Hem er toe om die aankondiging

op dit ogenblik te maken? Er waren Grieken naar Hem toegekomen net nadat de Farizeeën hadden gezegd dat ze geen stap verder kwamen, want de hele wereld liep achter Hem aan.
Maar die uitgestoken hand naar de Allochtonen kon alleen maar echt werkelijkheid worden na de dood en de verrijzenis van Jezus. De tarwekorrel moest in de aarde vallen om vrucht te dragen. Alle mensen worden gered door de dood en de verheerlijking van Jezus. Iedereen zoekt een licht in zijn duisternis en wij, verlicht door ons geloof, geven dat licht door als we ons in dienst stellen van het welzijn van anderen. Wat Jezus van Zichzelf zei, telt ook voor ons, zijn volgelingen, want alleen dan zullen de buitenstaanders Jezus zien, omdat ze zijn licht in ons ontdekken en zo Hem zien.
Jezus zegt dat zij die Hem willen dienen zijn weg moeten gaan. Hoe krijgen wij toegang tot onze verheerlijkte Heer? Dat gebeurt niet door die zo nu en dan voorkomende wonderen, maar door het evangelie te aanvaarden en dan om een leven te leiden van anderen helpen omdat we dat van Hem gehoord hebben. Jezus leert ons dat wij ons leven zullen winnen wanneer wij bereid zijn om ons leven op te geven. Hij nodigt zijn leerlingen uit om zijn weg naar het geluk te volgen door van mensen te houden.
De weg naar het geluk betekent hier dat we Gods aanwezigheid ontdekken die eerst verborgen was. Wij kijken soms op de verkeerde plaatsen met verkeerde verwachtingen. Het evangelie nodigt ons uit om God te zien door middel van het kruis en de verrijzenis van Jezus en door middel van ons zorgen voor andere mensen. Ik wil het lijden van Christus niet mooier maken dan het was. Hij stierf een wrede dood. De krachten van de duisternis verpletterden zijn leven, maar op het kruis werd de duisternis van de wereld verslagen door de liefde van Christus.
Tegengesteld aan al onze gebruikelijke instincten en logische conclusies nodigt Christus ons uit om Hem te volgen zelfs als zijn manier dwaas lijkt. Tot Christus behoren betekent bereid te zijn deel te nemen aan zijn uur om met Hem te komen tot zijn verrijzenis hoe onwaarschijnlijk dat ook kan schijnen. Wij, die gedoopt zijn in het leven en dood van Christus, kijken naar alles door de bril van de verrijzenis. Wij worden niet kleiner door het voorbeeld van Jezus na te volgen in ons dagelijkse leven, omdat wij het eind van zijn verhaal kennen en daarom ook onze verrijzenis al zien.
En daarom kunnen we als gelovigen verder gaan met het lezen en kijken naar al die verschrikkingen om ons heen en blijven geloven dat we met Christus’ hulp en door onze eigen inzet voor anderen,de wereld kunnen scheppen die Christus door Zijn dood en verrijzenis voor ons mogelijk heeft gemaakt en nog steeds maakt.

Witte Donderdag: Johannes 13,1-15
5 april 2012, Henk Jongerius OP

Ik herinner me nog uit mijn jeugd dat wij op het eind van het eten heel vaak aan mijn moeder vroegen om nog eens het verhaal uit de oorlog te vertellen dat zij in de hongerwinter met gevaar voor eigen leven eten haalden bij mijn heeroom die pastoor was in Lichtenvoorde. Het was spannend om weer te beleven hoe zij zich met mijn tante moesten schuilhouden totdat de bezetter voorbij was. Als zij dat vertelde, zag je het levendig voor je maar vooral hield je nog meer van je moeder die dat voor ons over had gehad. Mensen vertellen elkaar verhalen waarin het verleden weer helemaal tegenwoordig komt en je op een bijzondere manier verbonden wordt met de hen die het verhaal vertellen.
Zo is het verhaal van de uittocht uit Egypte sinds eeuwen doorverteld om ons eraan te herinneren dat er een God is die mensen niet bestemd heeft om als slaven en onderdrukten te leven hier op aarde, maar hen tot vrijheid roept en indachtig blijft!
Door de eeuwen heen hebben die verhalen over bevrijding en herschepping mensen gaande gehouden, door oorlogen en tijden van crisis en verdrukking heen. Ze hebben daardoor het besef in zich kunnen dragen dat de Eeuwige telkens een nieuw begin maakt met mensen want bij Hem is niets onmogelijk!
Zo’n oud verhaal werd niet alleen mondeling doorverteld maar ook door symbolen en rituelen. Zo zien wij vandaag hier op tafel de bittere Mierikswortel die aan het lijden in Egypte herinnert evenals de Radijs die gedoopt in zout water de tranen van de tijd van de onderdrukking oproept. Maar ook zien wij een zoet mengsel van appel, noten, kaneel en wijn dat denken doet aan de leem van de stenen waarmee huizen gebouwd worden: een teken van hoop evenals het gekookte en geroosterde ei, symbool van nieuw leven door het lijden heen. Zij maken het oude verhaal zichtbaar en tastbaar net zoals het eten van het paaslam als de voorbode 

van een de tijd waarin er een maaltijd zal worden gehouden in de woestijn en de slavernij plaats zal maken voor vriendschap, solidariteit en gemeenschap onder mensen in vrede. Door verhalen te vertellen en te verbeelden wordt het mogelijk dat zij een deel gaan worden van onszelf, of beter gezegd dat wij gaan beseffen dat die verhalen eigenlijk over onszelf gaan.
Jezus heeft geleefd in en vanuit die traditie en ook hij vertelt ons vandaag een verhaal door ons voor te doen hoe wij eigenlijk met elkaar zouden moeten omgaan opdat het oude verhaal van onderdrukking en geweld plaats maakt voor een nieuw verhaal van mensen die verbonden zijn met elkaar. Op een geheel eigen en verrassende manier legt hij ons - door de voeten van zijn leerlingen te wassen - het geheim uit dat in de maaltijd gevierd wordt. Daar spreekt hij ons aan, troost en bemoedigt ons en verschijnt hij ons in die woorden van genade ‘hebt elkander lief’. Aan de tafel waarin wij brood en beker drinken tot zijn gedachtenis worden wij aangesproken om ons brood en onze levenskracht te delen met elkaar, ja, ons hartebloed te geven, om liefdes wil. Zo doende zullen wij een zachte kracht, zijn lichaam en zijn ziel in deze wereld zijn.
Is er een zinvoller uitleg mogelijk van de eucharistie? Nee, het is geen uitleg, maar een gezongen uitroep van hoop en verlangen naar een nieuwe schepping waarin mensen niet meer geknecht worden maar verblijven onder de hoede van de Eeuwige die ons vertrouwen niet beschamen zal, maar bij zich zal verzamelen. Want als ook de zwaluw, zelfs een musje, zijn nest vindt bij Hem, waarom de mensen niet? Hij die al zoveel lot gekeerd heeft geve ons dat ooit de mens de mens een naaste is, als in den beginne! Laten wij bezingen al wat Hij voor ons doet die ons nooit geknecht heeft, met geen woord! Voor Hem zijn onze woorden van dank, zolang ons de adem is gegeven.